Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Beleidsregel Scholenplanning voortgezet onderwijs 2007 en 2008
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Hoofdstuk I. Criteria regionale arrangementen schooljaren 2006–2007 en 2007–2008
1. Inleiding
2. Criteria voor het verkrijgen van toestemming op grond van een regionaal arrangement
2.1. Algemene criteria
2.2. Criteria voor het verkrijgen van toestemming in het kader van een aanvulling op een reeds bestaand regionaal arrangement
2.3. Criteria voor het verkrijgen van toestemming voor nieuwe programma’s vmbo in een regionaal arrangement
2.3.1. Kaders en randvoorwaarden per programma
2.3.1.1. Kaders en randvoorwaarden Techniek Breed
2.3.1.1.1. Kaders en randvoorwaarden Techniek Breed in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
2.3.1.1.2. Kaders en randvoorwaarden Techniek Breed in de gemengde leerweg
2.3.1.2. Kaders en randvoorwaarden ICT-route
2.3.1.2.1. Kaders en randvoorwaarden ICT-route in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
2.3.1.2.2. Kaders en randvoorwaarden ICT-route in de gemengde leerweg
2.3.1.3. Kaders en randvoorwaarden Technologie in de gemengde leerweg
2.3.1.4. Kaders en randvoorwaarden Intersectoraal met de uitstroomvarianten Technologie & Dienstverlening (sector Techniek en Zorg en Welzijn), Technologie & Commercie (sector Techniek en Economie) en Dienstverlening & Commercie (sector Zorg en Welzijn en Economie)
2.3.1.4.1. Kaders en randvoorwaarden Intersectoraal met de uitstroomvarianten Technologie & Dienstverlening (sector Techniek en Zorg en Welzijn), Technologie & Commercie (sector Techniek en Economie) en Dienstverlening & Commercie (sector Zorg en Welzijn en Economie) in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
2.3.1.4.2. Kaders en randvoorwaarden Intersectoraal met de uitstroomvarianten Technologie & Dienstverlening (sector Techniek en Zorg en Welzijn), Technologie & Commercie (sector Techniek en Economie) en Dienstverlening & Commercie (sector Zorg en Welzijn en Economie) in de gemengde leerweg
2.3.1.5. Kaders en randvoorwaarden Sport, Dienstverlening en Veiligheid
3. Aanvraagprocedure regionale arrangementen
4. Aanvraagprocedure smal regionaal arrangement voor nevenvestiging zorg
4.1. Inleiding
4.2. Smal regionaal arrangement
4.3. Criteria voor een smal regionaal arrangement
4.4. Toelichting vaste voet personele bekostiging
Hoofdstuk II. Toetsingskader Plan van Scholen voor de periode 2008–2010 en 2009–2011
1. Inleiding
1.1. Stichten van een school of afdeling
1.2. Regionale samenwerking
2. Toekenning op basis van stichtingsnormen
2.1. De stichtingsnorm; indirecte en directe meting
2.1.1. Vooraf
2.1.2. Indirecte meting
2.1.3. Directe meting
2.2. Landbouwonderwijs
3. Toekenning van een school of afdeling op basis van beleidsmatige overwegingen
3.1. Vooraf
3.3. Regionaal ondersteunde aanvragen
4. Het stichten van een school of afdeling voor praktijkonderwijs en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs
5. Aanvraagprocedure Plan van Scholen 2008–2010 en 2009–2011
5.1. Algemeen
5.2. Indiening via de organisaties voor bestuur en management
5.3. Versnelde afwijzing van een aanvraag
Hoofdstuk III. Criteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs per 1 augustus 2007 en 1 augustus 2008
1. Algemene inleiding
1.1. Mogelijkheden ex artikel 75 WVO
1.2. Andere opties voor verandering van het onderwijsaanbod voor scholen voor vmbo
1.3. Regionale arrangementen in het vmbo
2. Toetsingskader verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs
2.1. Inleiding
2.2. Algemene beoordelingscriteria
2.3. Verplaatsing
2.3.1. Verplaatsing met meldingsplicht
2.3.2. Verplaatsing waarvoor goedkeuring van de Minister nodig is
2.3.3. Verplaatsing van scholen voor praktijkonderwijs
2.3.4. Samenvoeging van een school voor mavo met een Agrarisch Onderwijscentrum (AOC)
2.3.5. Samenvoeging van een school voor mavo of vbo met een Regionaal Opleidingscentrum (ROC)
2.3.6. Dislocaties
2.4. Omzetting (verandering van de richting)
2.5. Splitsing
2.5.1. Splitsing in de zin van ‘celdeling’
2.5.2. Splitsing in de zin van ‘ontkoppeling’
2.5.3. Splitsing in het praktijkonderwijs
2.5.4. Bijlage bij het verzoek tot splitsing
2.6. Nevenvestiging
2.6.1. Inleiding
2.6.2. Vorming van een nevenvestiging door verplaatsing en samenvoeging
2.6.2.1. Algemeen
2.6.2.2. Overgangsjaar onderbouw voor vmbo in verband met de gevolgen van de wetswijziging Onderbouw Voortgezet Onderwijs voor de scholenplanning
2.6.2.3. Nevenvestigingen met een afwijkend getalscriterium
2.6.3. Vorming van een nieuwe nevenvestiging voor scholengemeenschappen en categoriale scholen
2.6.4. Nevenvestiging waarbij sprake is van extra personele en materiële bekostiging
2.6.5. Uitbreiding onderwijsaanbod aan nevenvestiging via dubbelaanbod
2.6.6. Nevenvestiging zorg
2.6.7. Een of meer tijdelijke nevenvestigingen voor de theoretische leerweg voor één AOC
2.7. Licentie leerwegondersteunend onderwijs
2.7.1. Scholen die een nieuwe licentie aanvragen
2.7.2. Verbreding reikwijdte bestaande licentie leerwegondersteunend onderwijs
2.8. Overige relevante informatie
2.8.1. Toetsingskader in beperkte mate van toepassing op meerdere cursusjaren
2.8.2. Huisvestingsconsequenties met betrekking tot voorgenomen verplaatsingen, splitsing of celdeling en nieuwe nevenvestigingen
2.8.3. Aansluiting bij samenwerkingsverband
3. Aanvraagprocedure
3.1. Indienen van een verzoek ex artikel 75 en 75c WVO
3.2. Procedure behandeling verzoeken
Hoofdstuk IV. Intrekking
Hoofdstuk V. Inwerkingtreding en geldigheidsduur
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 augustus 2008. U leest nu de tekst die gold op 31 juli 2008.

Beleidsregel Scholenplanning voortgezet onderwijs 2007 en 2008

Beleidsregel van de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap van 26 oktober 2006, nr. VO/B&B/2006/40663, houdende Criteria regionale arrangementen voor de schooljaren 2006–2007 en 2007–2008, het Toetsingskader Plan van Scholen voor de periode 2008–2010 en 2009–2011, alsmede houdende Criteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs per 1 augustus 2007 en 1 augustus 2008 (Beleidsregel Scholenplanning voortgezet onderwijs 2007 en 2008)
1. Inleiding
Om het onderwijsaanbod in het vmbo beter af te stemmen op de veranderende vraag van leerlingen, ouders, vervolgonderwijs en het beroepenveld in de regio kunnen scholen voor vbo, scholengemeenschappen met tenminste vbo of een AOC sinds het schooljaar 2002–2003 samenwerken in een regionaal arrangement. De regionale arrangementen nemen jaarlijks in aantal toe. Dat is een goede ontwikkeling aangezien als resultaat daarvan de aantrekkelijkheid van het vmbo en daarmee het fundament van de beroepskolom vmbo-mbo-hbo wordt vergroot.
In mei 2005 heeft de Tweede Kamer de uitwerkingsnotitie ‘grotere planningsvrijheid voortgezet onderwijs’ besproken. Bij die gelegenheid heeft de Kamer ingestemd met de beleidsmatige hoofdlijnen van nieuwe wetgeving op het gebied van de voorzieningenplanning vo. Onderdeel van de nieuwe wetgeving zal zijn het systeem van regionale samenwerking waarvan de regionale arrangementen de voorloper zijn. De nieuwe wetgeving zal naar verwachting in 2007 in het Staatsblad worden geplaatst. Scholen voor vmbo worden daarom in het schooljaar 2006–2007 verder gestimuleerd om regionale arrangementen aan te gaan. Provincies behouden hun rol van aanjager c.q. begeleider.
Een aanvraag voor goedkeuring van een regionaal arrangement moet met ingang van het schooljaar 2006–2007 altijd worden ingediend met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier. De aanvrager kan op die manier eenvoudig controleren of aan alle criteria wordt voldaan en alle bescheiden beschikbaar zijn. Zodoende wordt voorkomen dat ontbrekende stukken nagezonden moeten worden hetgeen de spoedige afhandeling van de aanvraag bevordert. Het aanvraagformulier kan met ingang van 1 oktober 2006 worden besteld door het inzenden van het plaketiket. Het kan ook worden gedownload via de website www.cfi.nl.
Bovendien is nu in deze beleidsregel beschreven aan welke criteria moet worden voldaan bij de aanvraag voor goedkeuring van een aanvulling op een reeds bestaand regionaal arrangement. Tevens is de verwijzing naar de Beleidsregel criteria en procedures intrasectorale programma’s en het laten verzorgen van onderdelen van het onderwijsprogramma van het vbo door een andere school voor vbo (de zogenaamde Zwolse variant) in deze beleidsregel komen te vervallen. Met ingang van 1 augustus 2005 is immers de aanvraagverplichting voor die opties uit de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) respectievelijk uit het Inrichtingsbesluit W.V.O. geschrapt. Met inachtneming van de voorschriften in de artikelen 26l en 26m van het Inrichtingsbesluit W.V.O. kunnen scholen en scholengemeenschappen voor vbo vrijelijk besluiten intrasectorale programma’s in te voeren of in het kader van artikel 25a van de WVO de Zwolse variant toe te passen.
Voor het uitwerken van een regionaal arrangement kunnen de samenwerkende partijen bij de Minister een verzoek doen om een financiële bijdrage in de kosten van het tot stand brengen van het regionale arrangement. De hoogte van die bijdrage kan variëren en hangt onder meer af van de bestuurlijke complexiteit van de regionale situatie. Een desbetreffend verzoek kan separaat worden ingediend bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, directie Voortgezet Onderwijs, afdeling Bestel en Besturing; het adres hiervoor is postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.
2.1. Algemene criteria
Deze beleidsregel biedt de mogelijkheid om binnen de wettelijke kaders af te wijken van de reguliere criteria voor de planning van het vmbo-aanbod zoals geregeld in het Toetsingskader voor het Plan van Scholen 2008–2010 en 2009–2011 en in het Toetsingskader voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs per 1 augustus 2007 en 1 augustus 2008 (zie hoofdstukken II en III). Een regionaal arrangement kan voorstellen bevatten die een afzonderlijke goedkeuring vereisen op grond van de WVO en van de hoofdstukken II en III van deze beleidsregel. CFI toetst of er van dergelijke voorstellen sprake is. Als dit het geval is, worden deze voorstellen meegenomen in de hiervoor geldende procedure en het daarbij behorende tijdpad.
Onder het begrip regio wordt in dit hoofdstuk verstaan een door de provincie beschreven gebied in de zogenaamde regiobeschrijving. Onder het begrip voedingsgebied wordt in dit hoofdstuk verstaan een beschrijving van het te verwachten wervingsgebied waaruit de school of afdeling haar leerlingen betrekt. Het voedingsgebied wordt begrensd door het begrip redelijke afstand. Hieronder wordt in dit hoofdstuk verstaan 12 kilometer over de weg gemeten of drie kwartier reizen met openbaar vervoer.
Voor het verkrijgen van toestemming voor het aanpassen van het onderwijsaanbod op basis van een regionaal arrangement gelden de volgende criteria:
1. Het verzoek wordt gedaan door het bevoegd gezag van een school voor vbo dan wel mavo, een scholengemeenschap met tenminste vbo dan wel mavo of een AOC;
2. Aan het verzoek ligt een samenwerkingsovereenkomst met een looptijd van tenminste vijf jaar ten grondslag tussen scholen met vmbo in de regio of in het voedingsgebied. De samenwerkingsovereenkomst is gericht op regionale versterking van het vmbo-onderwijsaanbod in relatie tot het vervolgonderwijs, economische en arbeidsmarktontwikkelingen. De aanvrager moet aantonen dat er overleg is gepleegd met de omliggende ROC’s en AOC’s, met de provincie en het regionale bedrijfsleven;
3. Als basis voor het regionaal arrangement is de regiovisie opgesteld waarin in elk geval zijn opgenomen:
a. Omvang en begrenzing van de regio;
b. Gegevens over het aanbod en het gebruik van de onderwijsvoorzieningen;
c. Gegevens over de ruimtelijke, economische en demografische ontwikkelingen;
d. De visie van de betrokkenen en
e. De analyse: kansen en bedreigingen;
4. Als niet alle VO scholen met tenminste vmbo uit de desbetreffende regio of het desbetreffende voedingsgebied deelnemen aan de samenwerkingsovereenkomst dienen de niet deelnemende scholen in te stemmen met het verzoek. Een bezwaar van één van de omliggende scholen zal niet noodzakelijkerwijs tot afwijzing hoeven te leiden, tenzij die school aantoont dat er sprake zal zijn van substantieel leerlingenverlies bij goedkeuring van aanpassing van het onderwijsaanbod op basis van een regionaal arrangement.
Substantieel leerlingenverlies betekent meer dan 10% verlies voor dezelfde schoolsoort of afdeling. Wanneer het leerlingenverlies er toe zal leiden dat de school of scholengemeenschap waarvan de desbetreffende schoolsoort of afdeling deel uitmaakt onder de opheffingsnorm zal geraken, zal dit in het algemeen leiden tot het afwijzen van het verzoek. Onder substantieel verlies wordt niet verstaan het mislopen van verwachte toekomstige leerlingengroei. De verplichting van het aannemelijk maken van substantieel leerlingenverlies rust op de bezwaar makende school;
5. Betrokken gemeenten hebben verklaard in te stemmen met eventuele gevolgen voor de huisvesting van een regionaal arrangement, en
6. Het verzoek mag gelet op het totale effect van de samenwerkingsovereenkomst niet leiden tot extra uitgaven voor het Rijk.
Wanneer aan deze criteria wordt voldaan, kan worden afgeweken van de in de beleidsregels voor de planning van voorzieningen voor het voortgezet onderwijs opgenomen reguliere beoordelingscriteria (zie hoofdstukken II en III).
De provincies zullen in het proces het regionaal overleg stimuleren en begeleiden en bij het opstellen van regiovisies een coördinerende rol spelen. Het oordeel van de organisaties bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de WVO en het advies van de provincie worden meegewogen bij de besluitvorming over het verzoek.
2.2. Criteria voor het verkrijgen van toestemming in het kader van een aanvulling op een reeds bestaand regionaal arrangement
De criteria voor het verkrijgen van toestemming voor het aanpassen van het onderwijsaanbod op grond van een regionaal arrangement in het voorgaande onderdeel zijn ook van toepassing bij de aanvulling op een reeds bestaand regionaal arrangement. Daarop geldt de volgende uitzondering. In het geval dat in de regiovisie van het reeds bestaande regionaal arrangement reeds het perspectief is beschreven voor de aanpassing van het onderwijsaanbod waarop de aanvulling van het regionaal arrangement zich richt, zijn de criteria in de voorgaande paragraaf 2.1. eveneens van kracht, met uitzondering van het opstellen van een regiovisie.
2.3. Criteria voor het verkrijgen van toestemming voor nieuwe programma’s vmbo in een regionaal arrangement
Het bevoegd gezag van een school kan met ingang van 1 augustus 2006 binnen een regionaal arrangement nieuwe programma’s aanbieden. Het betreft de volgende programma’s:
a. het intrasectorale programma ‘Techniek Breed’;
b. het intersectorale programma ‘ICT-route’;
c. het intersectoraal programma ‘Technologie in de gemengde leerweg’;
d. het intersectorale programma ‘Intersectoraal’ met drie uitstroomvarianten:
1. Technologie & Dienstverlening,
2. Technologie & Commercie,
3. Dienstverlening & Commercie, en
e. het intersectorale programma ‘Sport, Dienstverlening en Veiligheid’.
2.3.1.1.1. Kaders en randvoorwaarden Techniek Breed in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
Het bevoegd gezag van de school dat het programma Techniek Breed per 1 augustus 2008 wil aanbieden dient in het schooljaar 2008–2009 aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Het bevoegd gezag dient voor de betreffende school toestemming te hebben voor het aanbieden van ten minste twee afdelingen in de sector Techniek op de vestiging waar het programma zal worden aangeboden;
b. de leerlingen worden in het vrije deel van de door hun gekozen leerweg opgeleid volgens het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vast te stellen examenprogramma Techniek Breed. Voor leerlingen van de gemengde leerweg geldt dat zij hiernaast nog een tweede keuzevak volgen;
c. de leerlingen volgen het gemeenschappelijk deel van de door hun gekozen leerweg en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens;
d. de leerlingen volgen in het sectordeel van hun leerweg de sectorvakken behorende bij de sector Techniek, dat wil zeggen wiskunde en natuur- en scheikunde I en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens; en
e. de leerlingen nemen deel aan het centraal examen Techniek Breed.
2.3.1.1.2. Kaders en randvoorwaarden Techniek Breed in de gemengde leerweg
Het bevoegd gezag van de school dat het programma Techniek Breed per 1 augustus 2008 wil aanbieden dient in het schooljaar 2008–2009 aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Het bevoegd gezag dient voor de betreffende school toestemming te hebben voor het aanbieden van ten minste twee afdelingen in de sector Techniek;
b. de onderdelen b tot en met e in 2.3.1.1.1., zijn van overeenkomstige toepassing.
2.3.1.2.1. Kaders en randvoorwaarden ICT-route in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg
Het bevoegd gezag van de school dat het programma ICT-route per 1 augustus 2008 wil aanbieden, dient in het schooljaar 2008–2009 aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Het bevoegd gezag dient voor de betreffende school toestemming te hebben voor het aanbieden van afdelingen in twee of meer van de sectoren Techniek, Economie en Zorg en Welzijn op de vestiging waar het programma zal worden aangeboden;
b. de leerlingen worden in het vrije deel van de door hun gekozen leerweg opgeleid volgens het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vast te stellen examenprogramma ICT-route. Voor leerlingen van de gemengde leerweg geldt dat zij hiernaast nog een tweede keuzevak volgen;
c. de leerlingen volgen het gemeenschappelijk deel van de door hun gekozen leerweg en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens;
d. de leerlingen volgen in het sectordeel van hun leerweg de sectorvakken behorende bij een sector die de school aanbiedt en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens. Ook is het mogelijk een combinatie van sectorvakken uit de sectoren Economie en Zorg en Welzijn te volgen, indien de school beschikt over deze twee sectoren. De leerlingen volgen in dat geval in het sectordeel van hun leerweg één van de sectorvakken behorende bij de sector economie en één sectorvak behorende bij de sector Zorg en Welzijn en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens; en
e. de leerlingen nemen deel aan het centraal examen ICT-route.
2.3.1.2.2. Kaders en randvoorwaarden ICT-route in de gemengde leerweg
Het bevoegd gezag van de school dat het programma ICT-route per 1 augustus 2008 wil aanbieden, dient in het schooljaar 2008–2009 aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Het bevoegd gezag dient voor de betreffende school toestemming te hebben voor het aanbieden van afdelingen in twee of meer van de sectoren Techniek, Economie en Zorg en Welzijn;
b. De onderdelen b tot en met e in 2.3.1.2.1., zijn van overeenkomstige toepassing.
2.3.1.3. Kaders en randvoorwaarden Technologie in de gemengde leerweg
Het bevoegd gezag van de school dat het programma Technologie per 1 augustus 2008 wil aanbieden, dient in het schooljaar 2008–2009 aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Het bevoegd gezag dient voor de betreffende school toestemming te hebben voor het aanbieden van afdelingen in twee of meer van de sectoren Techniek, Economie en Zorg en Welzijn;
b. de leerlingen worden in het vrije deel van de door hun gekozen leerweg opgeleid volgens het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vast te stellen examenprogramma Technologie in de gemengde leerweg. De leerlingen volgen hiernaast nog een tweede keuzevak;
c. de leerlingen volgen het gemeenschappelijk deel van de door hun gekozen leerweg en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens;
d. de leerlingen volgen in het sectordeel van hun leerweg de sectorvakken behorende bij de sector waarvan zij de uitstroomvariant volgen en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens; en
e. de leerlingen nemen deel aan het centraal examen Technologie in de gemengde leerweg.
a. Het bevoegd gezag dient op de vestiging waar de uitstroomvariant zal worden aangeboden toestemming te hebben voor:
1. het aanbieden van afdelingen in de sectoren Techniek en Zorg en Welzijn voor wat betreft de uitstroomvariant Technologie en Dienstverlening;
2. het aanbieden van afdelingen in de sectoren Techniek en Economie voor wat betreft de uitstroomvariant Technologie en Commercie;
3. het aanbieden van afdelingen in de sectoren Zorg en Welzijn en Economie voor wat betreft de uitstroomvariant Dienstverlening en Commercie;
b.  de leerlingen worden in het vrije deel van de door hun gekozen leerweg opgeleid volgens het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vast te stellen examenprogramma Technologie & Dienstverlening, Technologie & Commercie of Dienstverlening & Commercie. Voor leerlingen van de gemengde leerweg geldt dat zij hiernaast nog een tweede keuzevak volgen;
c. de leerlingen volgen het gemeenschappelijk deel van de door hun gekozen leerweg en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens;
d. de leerlingen volgen in het sectordeel van hun leerweg twee van de sectorvakken behorende bij een sector die de school aanbiedt en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens. Ook is het voor de uitstroomvariant ‘Dienstverlening en Commercie’ mogelijk een combinatie van sectorvakken uit de sectoren Economie en Zorg en Welzijn te volgen, indien de school beschikt over beide sectoren. De leerlingen volgen in dat geval in het sectordeel van hun leerweg één van de sectorvakken behorende bij de sector Economie en één sectorvak behorende bij de sector Zorg en Welzijn en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens; en
e. de leerlingen nemen deel aan het centraal examen Intersectoraal.
2.3.1.4.2. Kaders en randvoorwaarden Intersectoraal met de uitstroomvarianten Technologie & Dienstverlening (sector Techniek en Zorg en Welzijn), Technologie & Commercie (sector Techniek en Economie) en Dienstverlening & Commercie (sector Zorg en Welzijn en Economie) in de gemengde leerweg
Het bevoegd gezag van de school dat een uitstroomvariant van het programma Intersectoraal per 1 augustus 2008 wil aanbieden, dient in het schooljaar 2008–2009 aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Het bevoegd gezag dient voor de betreffende school toestemming te hebben voor:
1. het aanbieden van afdelingen in de sectoren Techniek en Zorg en Welzijn voor wat betreft de uitstroomvariant Technologie en Dienstverlening;
2. het aanbieden van afdelingen in de sectoren Techniek en Economie voor wat betreft de uitstroomvariant Technologie en Commercie;
3. het aanbieden van afdelingen in de sectoren Zorg en Welzijn en Economie voor wat betreft de uitstroomvariant Dienstverlening en Commercie;
b. de onderdelen b tot en met e in 2.3.1.4.1., zijn van overeenkomstige toepassing.
2.3.1.5. Kaders en randvoorwaarden Sport, Dienstverlening en Veiligheid
Het bevoegd gezag van de school dat het programma Sport, Dienstverlening en Veiligheid in de basis- en kaderberoepsgerichte leerweg per 1 augustus 2008 wil aanbieden dient in het schooljaar 2008–2009 aan de volgende voorwaarden te voldoen:
a. Het bevoegd gezag dient voor de betreffende school toestemming te hebben voor het aanbieden van afdelingen in twee of meer van de sectoren Economie en Zorg en Welzijn op de vestiging waar het programma zal worden aangeboden;
b. de leerlingen worden in het vrije deel van de door hun gekozen leerweg opgeleid volgens het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vast te stellen examenprogramma Sport, Dienstverlening en Veiligheid;
c. de leerlingen volgen tevens het gemeenschappelijk deel van de door hun gekozen leerweg en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens;
d. de leerlingen volgen in het sectordeel van hun leerweg twee van de sectorvakken behorende bij de sectoren Economie of Zorg en Welzijn en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens. Ook is het mogelijk een combinatie van sectorvakken uit de sectoren Economie en Zorg en Welzijn te volgen, indien de school beschikt over beide sectoren. De leerlingen volgen in dat geval in het sectordeel van hun leerweg één van de sectorvakken behorende bij de sector Economie en één sectorvak behorende bij de sector Zorg en Welzijn en nemen deel aan de daarvoor bestaande centrale examens; en
e. de leerlingen nemen deel aan het centraal examen Sport, Dienstverlening en Veiligheid.
3. Aanvraagprocedure regionale arrangementen
In afwijking van de data van indiening genoemd in hoofdstukken II en III, kunnen aanvragen voor het verkrijgen van toestemming voor het aanpassen van het onderwijsaanbod op basis van een regionaal arrangement gedurende de gehele periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 maart 2008 worden ingediend bij de Centrale Financiën Instellingen, Unit BVO, Postbus 606, 2700 ML in Zoetermeer.
Deze periode geldt zowel voor de aanvragen op grond van een regionaal arrangement die onderdelen bevatten die betrekking hebben op de hoofdstukken II en III van deze beleidsregel als voor de desbetreffende aanvragen die betrekking hebben op slechts één van de voornoemde hoofdstukken. Een aanvraag in het kader van een regionaal arrangement (inclusief een smal regionaal arrangement voor nevenvestiging zorg) kan uitsluitend worden ingediend met gebruikmaking van CFI-formulier 56019.
Een afschrift van de aanvraag dient te worden gezonden aan de provincie(s) waar binnen de scholen die deelnemen aan het regionale arrangement zijn gelegen.
Bij de aanvraag worden de volgende zaken gevoegd:
a. een toelichting waaruit blijkt op welke wijze wordt voldaan aan de gestelde criteria;
b. een document dat inzicht verschaft in het gevoerde overleg (met welke partijen is overlegd, wat was de inzet en wat is de uitkomst);
c. een beschrijving van de huidige verdeling van het onderwijsaanbod over de deelnemende scholen en de daaraan verbonden vestigingen;
d. een beschrijving van de gewenste situatie van de verdeling van het vmbo onderwijsaanbod over de deelnemende scholen en daaraan verbonden vestigingen;
e. het provinciale advies;
f. de regiovisie;
g. de door alle betrokken bevoegde gezagsorganen ondertekende samenwerkingsovereenkomst; en
h. (indien van toepassing) een schriftelijke verklaring van geen bezwaar van scholen binnen de desbetreffende regio die niet deelnemen aan de samenwerkingsovereenkomst.
Voor een goede besluitvorming en een tijdige afhandeling van de aanvraag is het van groot belang dat de bovengenoemde documenten (volledig ingevuld) daadwerkelijk bij de aanvraag worden gevoegd.
Een definitieve en complete aanvraag voor goedkeuring op 1 augustus 2008, dient uiterlijk op 1 januari 2008 te zijn ingediend. Binnen zes maanden na de datum van indiening van de aanvraag kan de beschikking van de Minister tegemoet worden gezien.
4.1. Inleiding
Op een nevenvestiging zorg, als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de WVO, konden tot 1 augustus 2005 alleen leerlingen voor bekostiging in aanmerking komen als zij geïndiceerd waren door een Regionale Verwijzingscommissie (RVC).
Uit de praktijk blijkt dat er niet-geïndiceerde leerlingen zijn die veel baat hebben bij de aanpak op de nevenvestiging zorg. Dit vanwege de beschikbare deskundigheid, kleinere groepen, geen verstoring van het reguliere aanbod etc. Het gaat onder meer om de volgende groepen leerlingen:
a. leerlingen, waarvoor de school middelen ontvangt uit het regionale zorgbudget van het samenwerkingsverband,
b. LGF geïndiceerde leerlingen, of
c. andere leerlingen die naar het oordeel van de scholen extra zorg nodig hebben.
Om de bevoegde gezagorganen van scholen met een nevenvestiging zorg, in staat te stellen zorg te bieden aan niet-geïndiceerde leerlingen, wordt:
a. voor de onderbouw (nu nog leerjaar 1 tot en met 3 voor het vmbo, vanaf 1-8-2007 leerjaar 1 en 2 vmbo) – zonder aanvraagprocedure – alsnog per 1 augustus 2005 toegestaan dat bij alle nevenvestigingen zorg niet-geïndiceerde leerlingen in de onderbouw staan ingeschreven en als niet-geïndiceerde leerlingen worden bekostigd. Het onderwijsaanbod betreft in de onderbouw niet meer schoolsoorten dan waarvoor toestemming is verleend aan de school of scholengemeenschap, waaraan de nevenvestiging zorg verbonden is; en
b. voor het afsluitend onderwijs (de bovenbouw) wordt – op aanvraag – voor een nevenvestiging zorg toestemming verleend voor het inschrijven van niet-geïndiceerde leerlingen, mits aan de criteria voor een smal regionaal arrangement is voldaan. Het kan niet meer schoolsoorten betreffen dan waarvoor toestemming is verleend aan de school of scholengemeenschap, waaraan de nevenvestiging zorg verbonden is.
4.2. Smal regionaal arrangement
Samenwerkende scholen in de regio kunnen een aanvraag indienen voor een regionaal arrangement, waarbij de betrokken scholen zich in hun regiovisie en hun onderlinge afspraken beperken tot de opvang van zorgleerlingen. Op dat moment is er sprake van het aanvragen van een zogenaamd smal regionaal arrangement.
Dit arrangement is bedoeld om de scholen in staat te stellen aan niet-geïndiceerde leerlingen op een nevenvestiging zorg afsluitend onderwijs aan te kunnen bieden.
4.3. Criteria voor een smal regionaal arrangement
Bij de aanvraag kunnen zich de volgende situaties voordoen:
1. De aanvragende regio heeft reeds goedkeuring gekregen voor een regionaal arrangement als bedoeld in paragraaf 2.1. van dit hoofdstuk. In dat geval is er sprake van een wijziging in het arrangement en moet de aanvraag als zodanig worden ingediend.
De aanvrager van de aanpassing van het regionaal arrangement moet voldoen aan de algemene criteria in paragraaf 2.1. van hoofdstuk I van deze beleidsregel. In afwijking daarvan:
a. is hernieuwd overleg met het bedrijfsleven, met het aansluitend beroepsonderwijs en een advies van de provincie niet verplicht, en
b. worden er afspraken geformuleerd met betrekking tot de zorgleerlingen, als aanvulling op de al bestaande afspraken en de regiovisie.
2. De aanvragende regio heeft nog geen goedkeuring gekregen voor een regionaal arrangement als bedoeld in paragraaf 2.1. van dit hoofdstuk. In dat geval kan een aanvraag voor een smal regionaal arrangement worden ingediend. De criteria voor een aanvraag van een regionaal arrangement als genoemd in paragraaf 2.1. van dit hoofdstuk gelden met dien verstande dat:
de regiovisie en de regionale afspraken zich mogen beperken tot de opvang van de zorgleerling (in plaats van de volle breedte van het vmbo), en overleg met het bedrijfsleven en het aansluitend beroepsonderwijs niet verplicht is.
4.4. Toelichting vaste voet personele bekostiging
De extra vaste voet in de personele bekostiging, die aan een vo-school is toegekend in de periode 1998–2002 in verband met de samenvoeging met een voormalige vso-lom school of afdeling, blijft gehandhaafd na het verlenen van goedkeuring aan een smal regionaal arrangement.
1. Inleiding
In de inleiding op Hoofdstuk I heb ik u het perspectief geschetst van de nieuwe wetgeving voor de voorzieningenplanning voortgezet onderwijs. In overeenstemming met de organisaties voor bestuur en management is daarom besloten om het Toetsingskader Plan van Scholen 2007–2009 ongewijzigd te verlengen voor de periode 2008–2010 en 2009–2011.
1.1. Stichten van een school of afdeling
In artikel 65 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) is geregeld dat voor het stichten van (onderwijs behorend bij) een bepaalde school of afdeling goedkeuring van de Minister nodig is. Goedgekeurde aanvragen worden opgenomen in het Plan van Scholen. Aan de inhoudelijke beoordeling van de aanvragen voor het Plan van Scholen ligt een toetsingskader ten grondslag. Dit toetsingskader is gebaseerd op de wettelijke stichtingsnormen voor het aangevraagde onderwijs en op beleidsmatige overwegingen.
Deze beleidsregel bevat informatie over beoordelingscriteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor het stichten van een school of afdeling.
1.2. Regionale samenwerking
Om regionale knelpunten concreet aan te pakken biedt dit toetsingskader de mogelijkheid om door samenwerking in een regio of voedingsgebied (in de vorm van een regionaal arrangement) een afdeling in het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) te stichten ook als niet volledig wordt voldaan aan de wettelijke stichtingsnorm. De criteria voor goedkeuring van een desbetreffende aanvraag zijn beschreven in paragraaf 3.3 van dit hoofdstuk, Regionaal ondersteunde aanvragen. De criteria op grond waarvan een regionaal arrangement kan worden goedgekeurd staan in hoofdstuk I van deze beleidsregel.
2.1.1. Vooraf
Een aanvraag voor het stichten van (onderwijs behorend bij) een bepaalde school of afdeling wordt opgenomen in het Plan van Scholen als aan de geldende stichtingsnormen wordt voldaan. Deze stichtingsnormen zijn opgenomen in artikel 69 van de WVO, zoals beschreven in bijlage 1 .
Voor het aantonen van het leerlingenpotentieel moet gebruik worden gemaakt van de methodiek van indirecte of directe meting. In de onderdelen 2.1.2. en 2.1.3 worden beide methodieken nader toegelicht.
2.1.2. Indirecte meting
Als er bij een aanvraag voor het stichten van een school of afdeling in het voedingsgebied (zie punt 6 van dit onderdeel) sprake is van een dekkend netwerk van basisscholen van de aangevraagde richting moet een voorgeschreven prognosemethodiek voor het berekenen van het leerlingenpotentieel worden gehanteerd: de prognose volgens de methodiek van de indirecte meting. Voor het correct toepassen van deze methodiek heeft CFI formulieren ontwikkeld (zie ook paragraaf 5, Aanvraagprocedure Plan van Scholen 2008–2010 en 2009–2011).
Deze modelprognose bevat een beschrijving van de volgende elementen:
1. aanvrager
Algemene gegevens van de rechtspersoon die een aanvraag voor het Plan van Scholen indient: bestuursnummer, naam, adres, postcode, plaats, telefoonnummer en naam van eventuele gemachtigde (bijvoorbeeld organisatie voor bestuur en management).
2. gevraagde school of afdeling
Gegevens over de aanvraag met betrekking tot de onderwijssoort, gemeente van vestiging, richting, eventuele scholengemeenschap waarvan de beoogde school of afdeling deel uit gaat maken.
3. herhalingsaanvraag
Is de beoogde school of afdeling al in het kader van een eerder Plan van Scholen aangevraagd? Zo ja, is er sprake van veranderde omstandigheden of nieuwe feiten?
4. deelplan
Is de aanvraag opgenomen c.q. wordt de aanvraag ingediend via het deelplan van één van de organisaties voor bestuur en management?
5. de prognoseperiode
De tijdvakken waarop de prognose betrekking heeft (korte, middellange en lange termijn).
6. het voedingsgebied
Een beschrijving van het te verwachten wervingsgebied waaruit de school of afdeling haar leerlingen betrekt. Het voedingsgebied wordt begrensd door het wettelijk begrip redelijke afstand. Onder redelijke afstand wordt verstaan 12 kilometer over de weg gemeten of drie kwartier reizen met openbaar vervoer.
7. de basisgeneratie
Het gemiddeld aantal 12/13-jarigen woonachtig in het wervingsgebied gerelateerd aan de desbetreffende prognoseperiode.
8. het deelnamepercentage
Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
a. de feitelijke regionale deelname in leerjaar 3 (historische meting in het voedingsgebied) voor de gevraagde onderwijssoort in procenten van het totaal aantal leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs in het voedingsgebied (CFI-publicatie Deelnamepercentages voortgezet onderwijs);
b. de feitelijke landelijke deelname in leerjaar 3 (historische meting landelijk) voor de gevraagde onderwijssoort in procenten van het totaal aantal leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland (CFI-publicatie Deelnamepercentages voortgezet onderwijs);
c. de feitelijke landelijke deelname in leerjaar 1 (historische meting landelijk) voor de gevraagde onderwijssoort in procenten van de basisgeneratie (CFI-publicatie Deelnamepercentages voortgezet onderwijs); en
d. de verwachte deelname in leerjaar 1 voor de gevraagde onderwijssoort (school of afdeling) rekening houdend met het voedingsgebied en de desbetreffende prognoseperiode.
9. de vermenigvuldigingsfactor
Historische meting (landelijk) van de gemiddelde verblijfsduur van een leerling. De vermenigvuldigingsfactor voor de betreffende onderwijssoort wordt bepaald door de verhouding tussen de totale schoolbevolking en de gemiddelde bezetting in leerjaar 1 van de gevraagde onderwijssoort (CFI-publicatie Statistisch Materiaal voor het Plan van Scholen).
10. deelnamepercentage betrokken richting
Het percentage voor de betreffende richting (deelname groep 3 basisonderwijs; CFI-publicatie Verdeling naar richting in het basisonderwijs).
11. bruto potentieel
Het bruto potentieel wordt berekend door vermenigvuldiging van: het verwachte deelnamepercentage (voor de betreffende onderwijssoort in de betreffende prognoseperiode) met de basisgeneratie, het deelnamepercentage betrokken richting en de landelijke vermenigvuldigingsfactor.
12. netto potentieel
Het bruto potentieel voor de betreffende onderwijssoort in de betreffende prognoseperiode minus het aantal leerlingen waarvoor binnen redelijke afstand (zie punt 6) plaatsruimte zal zijn op een gelijksoortige school van dezelfde richting conform artikel 69, derde lid, van de WVO.
Er kan worden afgeweken van het gestelde in element 10 (deelnamepercentage betrokken richting) van de modelprognose als er sprake is van een aanvraag in het kader van een regionaal arrangement (onderdeel 3.3). De in deze gevallen te hanteren berekening is beschreven in de bovengenoemde onderdelen.
De CFI-publicaties Deelnamepercentages voortgezet onderwijs, Statistisch Materiaal voor het Plan van Scholen en Verdeling naar richting in het basisonderwijs zoals genoemd in de bovenstaande onderdelen 8, 9 en 10 zijn op aanvraag (digitaal) verkrijgbaar bij CFI, via het algemene informatienummer voortgezet onderwijs 079-3232444.
2.1.3. Directe meting
Bij een aanvraag voor het Plan van Scholen 2008–2010 of 2009–2011 kan de aanvrager voor het stichten van een school of afdeling de onderzoeksresultaten van een directe meting overleggen. Deze onderzoeksresultaten zullen bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken als er naar het oordeel van de Minister in het desbetreffende voedingsgebied nog geen dekkend netwerk van basisscholen van de betreffende richting aanwezig is. In een dergelijke situatie zal het resultaat van de directe meting in plaats van element 10 van de indirecte meting (deelnamepercentage betrokken richting) bij de prognose worden betrokken. Voor alle overige elementen van de indirecte meting kan het resultaat van de directe meting dus niet plaatsvervangend zijn.
Een onderzoek directe meting moet aan de volgende criteria voldoen:
a. de directe meting dient te zijn uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau op basis van een wetenschappelijk verantwoorde schriftelijke enquête;
b. de kosten van de directe meting komen voor rekening van de aanvrager;
c. de directe meting dient te zijn gebaseerd op een representatieve aselecte steekproef uit de onderzoekspopulatie die bestaat uit de ouders of verzorgers van kinderen van 10 t/m 11 jaar, woonachtig in het voedingsgebied van de gewenste school dan wel afdeling;
d. het uiteindelijke resultaat (het aantal 10/11-jarigen waarvan ouders dan wel verzorgers opteren voor de gewenste school dan wel afdeling) wordt gedeeld door twee (gemiddeld aantal 10/11-jarigen);
e. het voedingsgebied wordt begrensd door het wettelijk begrip redelijke afstand (zie subparagraaf 2.1.2). Daarbij is het relevant dat de gekozen locatie voor de nieuw te stichten school dan wel afdeling zo exact mogelijk wordt omschreven en bij het onderzoek wordt betrokken. In het onderzoek dient door middel van vraagstelling duidelijk naar voren te komen wat voor ouders dan wel verzorgers de maximaal te accepteren reisafstand is naar de gevraagde school dan wel afdeling;
f. de anonimiteit van de ondervraagden dient gegarandeerd te zijn;
g. het onderzoek dient gericht te zijn op de voorkeuren van de ondervraagden voor alle richtingen;
de ouders dan wel verzorgers die hun keuze kenbaar maken voor de aan te vragen school dan wel afdeling verklaren daarmee hun kind ook daadwerkelijk naar de aan te vragen school dan wel afdeling te sturen op het moment dat de stichting heeft plaats gevonden; en
h. de geldigheidsduur van het onderzoek directe meting is drie jaar.
2.2. Landbouwonderwijs
De aanvragen voor scholen en afdelingen voor het landbouwonderwijs worden behandeld door het Ministerie van OCenW; paragraaf 5 van dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing. De aanvragen moeten bij OCenW (CFI, Unit BVO, Postbus 606, 2700 ML in Zoetermeer) worden ingediend.
3.1. Vooraf
Voor toekenning van een school of afdeling geldt het uitgangspunt dat een aangevraagde voorziening in elk geval in het Plan van Scholen wordt geplaatst als komt vast te staan dat de voorziening voldoet aan de wettelijke stichtingsnormen. Toekenning van een school of afdeling wanneer de stichtingsnorm niet wordt gehaald, is in bepaalde gevallen toch mogelijk op basis van beleidsmatige argumenten. In de volgende paragrafen zijn deze mogelijkheden aangegeven.
3.3. Regionaal ondersteunde aanvragen
Om het vmbo-aanbod beter af te stemmen op de vraag van de leerling, ouders en andere belanghebbenden in de regio (mbo, bedrijfsleven) kunnen scholen voor vbo, scholengemeenschappen met tenminste vbo of AOC’s in een regionaal arrangement samenwerken. Een goedgekeurd regionaal arrangement betekent niet dat er automatisch ook goedkeuring is voor het stichten van bijvoorbeeld een nieuwe afdeling op grond van artikel 65 WVO.
Toekenning van een afdeling is in het geval van een goedgekeurd regionaal arrangement mogelijk als wordt voldaan aan de criteria voor het verkrijgen van toestemming op grond van een regionaal arrangement zoals vermeld in paragraaf 2.1 en 2.2. van hoofdstuk I van deze beleidsregel.
Er moet in beginsel worden voldaan aan de geldende stichtingsnorm voor een vbo-afdeling (Zie bijlage 1 ). In afwijking van het gestelde in 2.1. 2. van dit hoofdstuk onder element 10 van de modelprognose indirecte meting mogen de belangstellingspercentages van de richting van de samenwerkende scholen worden opgeteld. Indien niet wordt voldaan aan de stichtingsnorm, dient er wel sprake te zijn van levensvatbaar vmbo bij de samenwerkende scholen. De levensvatbaarheid moet worden aangetoond door een prognose van leerlingen van de aangevraagde en bestaande afdelingen.
Wanneer aan de criteria in Hoofdstuk I voor het verkrijgen van toestemming op grond van een regionaal arrangement wordt voldaan, kan de Minister beslissen dat de gevraagde afdeling (met jaartal) in het Plan van Scholen wordt geplaatst.
De provincies zullen in dit proces het regionaal overleg stimuleren en begeleiden.
Het oordeel van de organisaties bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de WVO en het advies van de provincie zal worden meegenomen bij de besluitvorming over de aanvraag.
4. Het stichten van een school of afdeling voor praktijkonderwijs en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs
Een school voor praktijkonderwijs wordt in het Plan van Scholen 2008–2010 of 2009–2011 opgenomen als wordt voldaan aan de stichtingsnorm van 120 leerlingen; voor een afdeling voor praktijkonderwijs geldt een norm van 95 leerlingen. Daarnaast geldt de voorwaarde dat de meerderheid van de bevoegde gezagsorganen in het samenwerkingsverband waarvan de aanvrager deel uit maakt of deel uit zal gaan maken positief adviseren over de aanvraag.
Bij de invoering van het vmbo werd ook het leerwegondersteunend onderwijs geregeld. Voor het mogen aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs is de goedkeuring van de Minister van OCenW nodig. Leerwegondersteunend onderwijs is geen op zichzelf staande onderwijssoort, maar een hulpstructuur voor vmbo-leerlingen die door de Regionale Verwijzingscommissies hiervoor zijn geïndiceerd. Aanvragen voor de bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs vinden plaats op grond van artikel 75c, tweede lid, van de WVO.
In de door CFI ontwikkelde formulieren voor een modelprognose is aangegeven op welke wijze het leerlingenpotentieel bij de aanvraag voor een school of afdeling voor praktijkonderwijs dient te worden berekend.
5.1. Algemeen
Een aanvraag voor het Plan van Scholen 2008–2010 of 2009–2011 kan uitsluitend worden ingediend vóór 1 januari 2007 (voor wat betreft een aanvraag voor het Plan van Scholen 2008–2010) of vóór 1 januari 2008 (voor wat betreft een aanvraag voor het Plan van Scholen 2009–2011) met gebruikmaking van de formulieren CFI 56965 en CFI 56967.
Ook de aanvragen voor het stichten van (onderwijs behorend bij) scholen dan wel afdelingen van landbouwonderwijs dienen op gelijke wijze bij het Ministerie van OCenW te worden ingediend.
Een afschrift van de aanvraag moet het bevoegd gezag altijd zenden aan de provincie waarin de beoogde school of afdeling zou moeten worden gevestigd (zie bijlage 3 ). Indien een school of afdeling wordt aangevraagd te Amsterdam, Rotterdam, Den Haag of Utrecht moet eveneens een afschrift aan het College van Burgemeester en Wethouders van de desbetreffende gemeente worden verzonden (zie bijlage 4 ).
Na indiening van de aanvraag wordt een ontvangstbevestiging verzonden waarop een Plan van Scholen-nummer is vermeld. Bij alle volgende correspondentie over de desbetreffende aanvraag moet dit nummer worden vermeld.
5.2. Indiening via de organisaties voor bestuur en management
Het verdient aanbeveling een verzoek om opneming in het Plan van Scholen via het deelplan van één van de landelijke organisaties voor bestuur en management in te dienen. De adressen staan vermeld in bijlage 2 .
5.3. Versnelde afwijzing van een aanvraag
Een verzoek om opneming in het Plan van Scholen zal versneld worden afgewezen indien:
1. dit verzoek in strijd is met het vastgestelde toetsingskader;
een verzoek dat in strijd is met het toetsingskader zal, op grond van artikel 68, tweede lid, WVO vóór 1 februari 2007 (voor wat betreft een aanvraag Plan van scholen 2008–2010) of vóór 1 februari 2008 (voor wat betreft een aanvraag voor het Plan van Scholen 2009–2011) versneld worden afgewezen.
een verzoek is bijvoorbeeld in strijd met het toetsingskader wanneer:
a. het een aanvraag betreft waar de planprocedure WVO niet op van toepassing is (bijvoorbeeld een aanvraag voor een niet-bestaande afdeling dan wel een aanvraag die uitsluitend bij wet kan worden toegewezen);
b. vaststaat dat de prognose geringer is dan de betreffende stichtingsnorm en geen beroep kan worden gedaan op toekenning op basis van beleidsmatige argumenten;
2. het een herhalingsaanvraag betreft;
indien het verzoek om opname in het Plan van Scholen gelijk of nagenoeg gelijk is aan een verzoek dat het voorgaande jaar is gedaan en in het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zal dit verzoek op grond van artikel 68, derde lid, WVO vóór 1 februari 2007 (voor wat betreft een aanvraag Plan van scholen 2008–2010) of vóór 1 februari 2008 (voor wat betreft een aanvraag voor het Plan van Scholen 2009–2011) worden afgewezen; dan wel
3. niet aan de gestelde verplichtingen en vormvereisten is voldaan;
Aanvragen die onvolledig zijn, niet met gebruikmaking van de vereiste formulieren zijn ingediend of waarbij geen gebruik is gemaakt van het voorgeschreven statistische materiaal, worden uitsluitend in behandeling genomen, indien binnen een door CFI gestelde termijn de aanvraag is aangevuld dan wel gecorrigeerd.
1. Algemene inleiding
In het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer op 25 mei 2005 is gesproken over de uitwerkingsnotitie ‘grotere planningsvrijheid voortgezet onderwijs’. Bij die gelegenheid heeft de Kamer ingestemd met de beleidsmatige hoofdlijnen van een wetswijziging op het gebied van de voorzieningenplanning vo. De nieuwe wetgeving zal naar verwachting in 2007 in het Staatsblad worden geplaatst. Gelet op dit perspectief ligt het in de rede om de huidige lagere regelgeving zoveel mogelijk ongewijzigd te laten. De organisaties voor bestuur en management hebben hiermee ingestemd. De nieuwe wetgeving zal naar verwachting voorzien in een overgangsperiode waarin waar nodig een beroep kan worden gedaan op de bepalingen in dit hoofdstuk.
artikel 75 WVO van Beleidsregel Scholenplanning voortgezet onderwijs 2007 en 2008">
1.1. Mogelijkheden ex artikel 75 WVO
De voorzieningenplanning van scholen naar soort van voortgezet onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs is geregeld in de artikelen 64 tot en met 76 (Aanvang der bekostiging) en de artikelen 107 tot en met 112 (Beëindiging der bekostiging) van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO). Centrale doelstelling van de planning is hetgeen in artikel 65, eerste lid, van de WVO is uiteengezet: ‘te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs in het betrokken gebied’.
Deze beleidsregel bevat informatie over de beoordelingscriteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging (voor scholengemeenschappen én categoriale scholen) en de licentie leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) per 1 augustus 2007 en 1 augustus 2008 voor scholen voor voortgezet onderwijs op grond van de artikelen 75 en 75c van de WVO.
In onderdeel 2 van dit hoofdstuk zijn de beoordelingscriteria opgenomen waaraan een verzoek voor verplaatsing (al dan niet als gevolg van samenvoeging), omzetting, splitsing, nevenvestiging voor scholengemeenschappen én categoriale scholen en de licentie leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) wordt getoetst. Het geheel van deze beoordelingscriteria wordt ook wel het toetsingskader ex artikel 75 WVO genoemd.
In onderdeel 3 van dit hoofdstuk is aangegeven wanneer en op welke wijze verzoeken voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en licentie leerwegondersteunend onderwijs moeten worden ingediend.
De indieningstermijn voor de verzoeken gericht op goedkeuring per 1 augustus 2007 is in verband met het late verschijnen van deze beleidsregel met een maand verlengd tot 1 december 2006. Een verzoek moet voor 1 november 2007 (gericht op goedkeuring per 1 augustus 2008) worden ingediend. Tevens wordt in dit hoofdstuk de procedure bij de behandeling van de verzoeken kort weergegeven.
Voor de adressen van de organisaties voor bestuur en management en de provincies verwijs ik u naar de bijlagen bij hoofdstuk II van deze beleidsregel.
1.2. Andere opties voor verandering van het onderwijsaanbod voor scholen voor vmbo
Naast de in onderdeel 2 van dit hoofdstuk vermelde mogelijkheden ex artikel 75 en 75c van de WVO zijn er voor scholen en scholengemeenschappen voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) ook andere opties voor verandering van het onderwijsaanbod. Zo is er de mogelijkheid van het aanbieden van intrasectorale programma’s (ISP’s) en het laten verzorgen van onderdelen van het onderwijsprogramma van het vbo door en onder de verantwoordelijkheid van een andere vbo-school (de zogenaamde Zwolse variant). Beide opties kunnen met inachtneming van de terzake geldende voorschriften in het Inrichtingsbesluit WVO sinds 1 augustus 2005 vrijelijk worden toegepast.
Aanpassing van het onderwijsaanbod van scholen voor voortgezet onderwijs kan ook plaatsvinden door opheffing en afbouw als bedoeld in de artikelen 107 tot en met 112 van de WVO.
1.3. Regionale arrangementen in het vmbo
In een regionaal arrangement werken scholen voor vbo, scholengemeenschappen met tenminste vbo dan wel AOC’s samen om het vmbo-aanbod beter af te stemmen op de vraag van leerlingen, ouders en andere belanghebbenden in de regio (mbo, bedrijfsleven). Hierbij kunnen de deelnemende scholen en instellingen, in afwijking van reguliere criteria, een grotere planningsvrijheid krijgen. De voorwaarden hiervoor zoals die worden beschreven in hoofdstuk I van deze beleidsregel zijn van overeenkomstige toepassing op verzoeken ex artikel 75 en 75c van de WVO.
2.1. Inleiding
Voor verandering van het onderwijsaanbod van één of meer bestaande onderwijsvoorzieningen is de goedkeuring van de Minister nodig. In dit hoofdstuk zijn de beoordelingscriteria voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing van het onderwijsaanbod (al dan niet als gevolg van samenvoeging), omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs vermeld.
2.2. Algemene beoordelingscriteria
Evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen
Centrale doelstelling van de planning van onderwijsvoorzieningen is hetgeen in artikel 65, eerste lid, van de WVO is uiteengezet: ‘te komen tot een evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen naar soort van onderwijs, mede gelet op het verlangde onderwijs in het betrokken gebied’. De verzoeken worden in dit kader beoordeeld. Hierbij speelt het effect op omliggende scholen een belangrijke rol.Openbaar onderwijs
De provincie stelt vast of ‘voldoende zal zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen’ ( artikel 75, derde lid, van de WVO). De provincie toetst onder andere een verzoek tot omzetting of verplaatsing van een openbare school op dit onderdeel. De provincie heeft de mogelijkheid het schoolbestuur van een openbare school op te dragen het verzoek in te trekken. Schoolbesturen van openbare scholen die overwegen een verzoek voor omzetting of verplaatsing in te dienen, wordt geadviseerd hierover in een vroegtijdig stadium contact op te nemen met de provincie.Substantieel leerlingenverlies
Een criterium voor het verkrijgen van toestemming voor verandering van het onderwijsaanbod door verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en dubbelaanbod (zie paragraaf 2.6.5.) is dat de aangevraagde verandering niet mag leiden tot substantieel leerlingenverlies op de omliggende scholen.
Substantieel leerlingenverlies betekent meer dan 10% verlies aan leerlingen voor dezelfde schoolsoort of afdeling. Wanneer het leerlingenverlies er toe zal leiden dat de school of scholengemeenschap waarvan de desbetreffende schoolsoort of afdeling deel uitmaakt onder de opheffingsnorm zal geraken, zal dit in het algemeen leiden tot het afwijzen van een verzoek.
Onder substantieel verlies wordt niet verstaan het mislopen van verwachte toekomstige leerlingengroei.
De verplichting van het aannemelijk maken van substantieel leerlingenverlies rust op de desbetreffende omliggende scholen.Substantiële relatie
Er is sprake van substantiële relatie in wervingsgebieden als de overlap in de desbetreffende postcodegebieden minimaal 30% bedraagt. De overlap wordt berekend op basis van de leerlingenbestanden per (volledig) postcodegebied van de oude en de nieuwe plaatsnaam.
2.3.1. Verplaatsing met meldingsplicht
Het staat het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap vrij de hoofd- en nevenvestiging te verplaatsen over een afstand van niet meer dan 3 kilometer (gemeten over de weg). Voorbeeld van zo’n verplaatsing is het betrekken van een ander schoolgebouw (bijvoorbeeld nieuwbouw). Een bovenbedoelde verplaatsing wordt geacht te zijn goedgekeurd als deze vóór 1 april 2007 (voor wat betreft een verplaatsing per 1 augustus 2007) en vóór 1 april 2008 (voor wat betreft een verplaatsing per 1 augustus 2008) schriftelijk is gemeld aan de CFI, BVO, Postbus 606, 2700 ML Zoetermeer.
De bovenomschreven vrijwillige verplaatsing van een nevenvestiging kan niet leiden tot extra bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak.
1. Voor het verplaatsen van een school is goedkeuring van de Minister nodig als het gaat om:
a. verplaatsing over een afstand van meer dan 3 kilometer (gemeten over de weg) van de hoofd- of nevenvestiging; dan wel
b. samenvoeging van scholen.
2. De beoordelingscriteria voor de desbetreffende verplaatsingen zijn:
a. Bij het verplaatsen van een school moet er een substantiële relatie bestaan tussen de wervingsgebieden van de oude en nieuwe plaats van vestiging.
b. Bij verplaatsing in het geval van samenvoeging moet er een substantiële relatie aanwezig zijn tussen de wervingsgebieden van de bij de samenvoeging betrokken scholen;
c. Bij het beoordelen van de verzoeken voor verplaatsing speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school die de verplaatsing verzoekt, mag als gevolg van de verplaatsing geen substantieel verlies van leerlingen optreden; en
d. Bij verplaatsing moet de daarbij gevormde school op middellange (2013 of 2014) en lange termijn (2018 of 2019) respectievelijk voor wat betreft een aanvraag tot goedkeuring van een verzoek per 1 augustus 2007 of per 1 augustus 2008 worden bezocht door een aantal leerlingen dat in elk geval niet lager is dan de vigerende opheffingsnorm (zie bijlage 5 ) voor de desbetreffende school.
2.3.3. Verplaatsing van scholen voor praktijkonderwijs
Op het verplaatsen van scholen voor praktijkonderwijs zijn de in subparagraaf 2.3.1 genoemde criteria en de punten 3 en 4 van subparagraaf 2.3.2. van dit hoofdstuk van toepassing. Criterium voor goedkeuring is bovendien dat er een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat de meerderheid van de besturen van scholen die deelnemen in de betrokken samenwerkingsverbanden, met de verplaatsing instemt.
2.3.4. Samenvoeging van een school voor mavo met een Agrarisch Onderwijscentrum (AOC)
De wetgeving maakt een samenvoeging van een AOC met een categoriale school voor mavo mogelijk (zie artikel 2.6 van de WEB). De in de paragraaf 2.3.2 van dit hoofdstuk vermelde criteria zijn hierop van toepassing, met uitzondering van het criterium over de substantiële relatie in wervingsgebieden. In verband met de geografische spreiding van de AOC’s is dit criterium genuanceerd. Er moet bij een desbetreffende samenvoeging een substantiële relatie in wervingsgebieden bestaan tussen de categoriale school voor mavo met minimaal één van de vbo-groen vestigingen van het AOC.
2.3.5. Samenvoeging van een school voor mavo of vbo met een Regionaal Opleidingscentrum (ROC)
Samenvoeging van een reeds bestaande scholengemeenschap ROC-VO (zie eveneens artikel 2.6 van de WEB) met een categoriale school voor mavo of vbo is mogelijk. Hierop zijn de vermelde criteria van toepassing in de paragraaf 2.3.2 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat er een substantiële relatie moet zijn tussen de VO-component van een ROC-VO en de school voor mavo of vbo die daarmee wordt samengevoegd.
2.3.6. Dislocaties
Dislocaties zijn tijdelijk van aard en per definitie bedoeld voor het oplossen van huisvestingsnood. Er is dan ook een verklaring nodig van de betrokken gemeente dat de beoogde dislocatie bijdraagt aan het oplossen van een huisvestingsprobleem. Als uitgangspunt geldt dat dislocaties zo dicht mogelijk bij de hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak moeten liggen. Voor het vormen van een dislocatie die op meer dan 3 kilometer afstand (over de weg gemeten) ligt van de hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, is de goedkeuring van de Minister nodig.
Een locatie met de status ‘nevenvestiging’ kan ten behoeve van dezelfde school niet tevens als dislocatie worden aangemerkt.
Het onderwijsaanbod op de dislocatie mag niet anders zijn dan het toegestane onderwijs op de hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak waaraan de dislocatie is toegerekend.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat in dislocaties die zijn gelegen op meer dan 3 kilometer van de hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak in principe het huisvesten van (instroom van) eerstejaars leerlingen niet kan worden toegestaan; dit in het kader van het evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen als bedoeld in artikel 65 van de WVO.
Bij verzoeken voor het vormen van een dislocatie die op meer dan 3 kilometer afstand ligt van de hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak worden dezelfde criteria gehanteerd als beschreven in subparagraaf 2.6.5 (Dubbelaanbod) van dit hoofdstuk.
2.4. Omzetting (verandering van de richting)
Er is in deze beleidsregel sprake van omzetting als de richting van een school verandert. Het gaat hierbij om verandering van openbaar onderwijs in bijzonder onderwijs of omgekeerd, verandering van richting binnen het bijzonder onderwijs ( ‘kleurverschieten’) dan wel uitbreiding van de richting. Een omzetting kan gepaard gaan met een institutionele samenvoeging van scholen.
De beoordelingscriteria voor omzetting zijn:
a. De school moet na omzetting tenminste voldoen aan de in de artikelen 107 en 108 van de WVO vermelde opheffingsnorm. De berekening van het leerlingenpotentieel dient te geschieden door middel van een schoolprognose voor de middellange en lange termijn,
b. Bij het beoordelen van de verzoeken speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school die de omzetting aanvraagt, mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden, en
c. Er moet voldoende zijn voorzien in de behoefte aan openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen. Bij de beoordeling van een verzoek waarbij openbaar onderwijs is betrokken, heeft de provincie een bestuurlijke rol. Zie hiervoor artikel 75, derde lid, van de WVO.
2.5. Splitsing
Er kunnen twee typen splitsingen worden onderscheiden:
a. een afdeling, school of scholengemeenschap wordt gesplitst waardoor er een tweede identieke afdeling, school of scholengemeenschap ontstaat (celdeling), of
b. een afdeling of school wordt ontkoppeld van een school of scholengemeenschap (ontkoppeling).
2.5.1. Splitsing in de zin van ‘celdeling’
Voor uitbreiding van het aantal onderwijsvoorzieningen is in principe de procedure Plan van Scholen ( artikelen 64 tot en met 74 van de WVO) de geëigende weg. Dit laat echter onverlet de mogelijkheid om op grond van artikel 75, tweede lid, van de WVO een splitsing in de zin van celdeling te realiseren. In dat geval heeft een school of afdeling zoveel leerlingen dat splitsing wordt gewenst en verdeling van de leerlingen binnen het wervingsgebied over twee scholen of afdelingen plaats zal vinden.
Een dergelijke splitsing is slechts een alternatief indien sprake is van uitbreiding met een voorziening waarbij:
1. de aangevraagde voorziening aan de stichtingsnorm conform artikel 69, eerste lid, van de WVO voldoet; en
2. artikel 69, derde lid, van de WVO (zie de toelichting op dit hoofdstuk) stichting via het Plan van Scholen verhindert, waarbij het juist de school of één van de scholen als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de WVO is die uitbreiding met een voorziening wenst.
De voorwaarden voor goedkeuring zijn:
1. De te splitsen school of afdeling moet ook op lange termijn minimaal tweemaal het aantal leerlingen van de desbetreffende stichtingsnorm tellen. Hierbij wordt een schoolprognose en niet een planprocedurele prognose gehanteerd;
2. De te splitsen school dan wel afdeling en de afgesplitste school dan wel afdeling moeten ook op lange termijn blijven voldoen aan de stichtingsnorm;
3. Omliggende scholen mogen door de splitsing – ook op lange termijn – niet onder de stichtingsnorm komen;
4. Bij het beoordelen van de verzoeken speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school die de splitsing aanvraagt, mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden; en
5. De splitsing moet voor het overige voldoen aan de criteria zoals vastgelegd in het toetsingskader voor het Plan van Scholen 2008–2010 en 2009–2011 (zie hoofdstuk II).
2.5.2. Splitsing in de zin van ‘ontkoppeling’
Het gaat hier om de mogelijkheid om een afdeling of school af te splitsen (te ontkoppelen) van een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs. Hiervoor geldt het toetsingskader zoals bij paragraaf 2.3 verplaatsing en paragraaf 2.6 nevenvestiging van dit hoofdstuk is uiteengezet.
2.5.3. Splitsing in het praktijkonderwijs
Een verzoek voor splitsing van een school of afdeling voor praktijkonderwijs dient te voldoen aan de criteria in de paragrafen 2.5.1 en 2.5.2 van dit hoofdstuk. Daarnaast moet een verklaring worden overgelegd waaruit blijkt dat de meerderheid van de besturen van scholen die deelnemen in de betrokken samenwerkingsverbanden, instemt met de voorgenomen splitsing.
2.5.4. Bijlage bij het verzoek tot splitsing
Bij een verzoek voor splitsing moet de school prognoses leveren die inzicht geven in:
a. De huidige en toekomstige (lange termijn) omvang van de te splitsen school of afdeling;
b. De toekomstige omvang (lange termijn) van de afgesplitste ‘nieuwe’ school of afdeling in de na splitsing ontstane situatie; en
c. De toekomstige omvang (lange termijn) van de afgesplitste ‘oude’ school of afdeling in de na splitsing ontstane situatie.
2.6.1. Inleiding
Een school of scholengemeenschap is gevestigd op één hoofdlocatie, de hoofdvestiging. Daarnaast kunnen aan een school of scholengemeenschap één of meer andere permanente locaties zijn verbonden: nevenvestigingen. Elke andere locatie wordt beschouwd als een dislocatie. Dislocaties hebben per definitie een tijdelijk karakter omdat deze in stand worden gehouden op grond van huisvestingsnood en overgangssituaties (bijvoorbeeld afbouw bij verplaatsing veelal in verband met samenvoeging). Meer informatie over dislocaties is te vinden in subparagraaf 2.3.6 van dit hoofdstuk (Dislocaties).
Artikel 75, vijfde lid, van de WVO voorziet in de mogelijkheid op grond van bijzondere omstandigheden en onder door de Minister te stellen voorwaarden, nevenvestigingen in aanmerking te brengen voor bekostiging. De bekostiging voor het in de desbetreffende nevenvestiging verzorgde onderwijs wordt verstrekt in de totale bekostiging van de school of scholengemeenschap.
Een nevenvestiging kan ontstaan doordat, als gevolg van de samenvoeging per 1 augustus 2007 of 1 augustus 2008, de hoofdvestiging van een voorheen zelfstandige school voor voortgezet onderwijs als extra vestigingspunt van die scholengemeenschap in stand wordt gehouden (zie paragraaf 2.6.2 van dit hoofdstuk). Daarnaast kan een nevenvestiging worden gevormd door een school of een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs (zie paragraaf 2.6.3 van dit hoofdstuk).
2.6.2.1. Algemeen
Er is uitsluitend de mogelijkheid tot vorming van een nevenvestiging door verplaatsing en samenvoeging als alle onderstaande bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 75, vijfde lid, van de WVO zich voordoen en aan de criteria voor verplaatsing en samenvoeging zoals vermeld in paragraaf 2.3. van dit hoofdstuk, wordt voldaan.
Omdat de vorming van een in deze paragraaf bedoelde nevenvestiging gepaard gaat met de samenvoeging van één of meer scholen, is er tevens sprake van verplaatsing zoals bedoeld in artikel 75, tweede lid, van de WVO. De criteria 5 en 6 zijn daarom eveneens van toepassing.
1. Een nevenvestiging kan ontstaan door:
a. dat de hoofdvestiging van een voorheen zelfstandige school voor voortgezet onderwijs, als gevolg van de samenvoeging per 1 augustus 2007 of 1 augustus 2008, als extra vestigingspunt van die scholengemeenschap in stand wordt gehouden. Indien, om huisvestings-technische redenen, in het kader van de samenvoeging deze voormalige hoofdvestiging wordt afgestoten, bestaat de mogelijkheid een andere locatie dan de voormalige hoofdvestiging als nevenvestiging goed te keuren;
b. verplaatsing van bestaande nevenvestigingen (bijvoorbeeld in verband met het betrekken van een ander gebouw); of
c. splitsing in de zin van ‘celdeling’.
2. Een nevenvestiging kan in stand worden gehouden door:
a. een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs;
b. een scholengemeenschap AOC-mavo;
c. een scholengemeenschap ROC-VO waaraan zowel een school voor mavo als een school voor vbo is verbonden; of
d. een categoriale school voor voortgezet onderwijs.
3. In een nevenvestiging wordt in principe slechts de onderbouw gegeven. Dit betekent dat de instroom van leerlingen in de school of scholengemeenschap niet alleen in de hoofdvestiging van de school of scholengemeenschap maar ook in de nevenvestiging plaatsvindt.
Op de nevenvestiging kan voorts afsluitend onderwijs (leerjaar 3 en hoger voor vbo en mavo, voor havo en vwo leerjaar 4 en hoger) worden aangeboden. Daarvoor geldt de voorwaarde dat dit onderwijs, voor de samenvoeging, ook werd aangeboden op de school die tot nevenvestiging is omgevormd. Tevens geldt de voorwaarde dat dit afsluitend onderwijs niet tevens op de hoofdvestiging wordt aangeboden, tenzij dat voor de samenvoeging ook reeds het geval was.
4. Bij de op 1 augustus 2007 of op 1 augustus 2008 zelfstandige school, die als nevenvestiging in aanmerking wil komen, moet er voldoende perspectief bestaan dat de beoogde nevenvestiging op korten termijn een omvang van tenminste de opheffingsnorm van de voorheen zelfstandige school (zie bijlage 5 ) zal hebben (bijvoorbeeld 240 leerlingen voor een categoriale mavo).
5. Bij verplaatsing in het geval van samenvoeging moet er een substantiële relatie aanwezig zijn tussen de wervingsgebieden van de bij de samenvoeging betrokken scholen.
6. Bij het beoordelen van de verzoeken voor verplaatsing speelt ook het toekomstperspectief van de overige scholen binnen de regio nadrukkelijk een rol. Op de scholen van dezelfde soort in de omgeving die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de school die de nevenvestiging aanvraagt, mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden.
Verplaatsing van afsluitend onderwijsaanbod van een nevenvestiging naar de hoofdvestiging is, indien daarover in de afgegeven beschikking(en) geen voorwaarden zijn of worden geformuleerd, niet aan goedkeuring onderhevig. Voor die verplaatsing geldt dan altijd wel de meldingsplicht bij CFI.
2.6.2.2. Overgangsjaar onderbouw voor vmbo in verband met de gevolgen van de wetswijziging Onderbouw Voortgezet Onderwijs voor de scholenplanning
Per 1 augustus 2006 is de wet Regeling Onderbouw VO in werking getreden (Stb. 2006, 281). Deze regeling heeft tot doel de scholen meer inrichtingsvrijheid te geven, onder meer door de huidige gedetailleerde kerndoelen te vervangen door 58 globale kerndoelen. De term basisvorming is vervangen door het begrip ‘onderbouw’. De (voormalige) basisvorming besloeg de eerste drie leerjaren, de onderbouw beslaat de eerste twee leerjaren. Regelgevingtechnisch valt het derde leerjaar havo/vwo deels wel en deels niet onder de onderbouw.
Deze verandering heeft structurele gevolgen voor het systeem van de voorzieningenplanning in het VO. Scholen met vmbo die eerder toestemming hebben gekregen om op iedere vestiging van de school de basisvorming voor alle leerwegen waarover de school beschikt te verzorgen, mochten dat tot 1 augustus 2006 tot en met het derde leerjaar doen. Na inwerkingtreding van de wet Regeling Onderbouw VO beslaat de onderbouw van het vmbo de eerste twee leerjaren.
Dit vereist aanpassingen in het (licentie)systeem Basisregistratie Instellingen (BRIN) bij CFI en een zorgvuldig invoeringstraject. Om de scholen voldoende tijd te geven om in te spelen op de gevolgen voor de voorzieningenplanning en CFI voldoende tijd geven voor de benodigde aanpassingen in BRIN is besloten dat het schooljaar 2006–2007 een overgangsjaar voor de voorzieningenplanning zal zijn. Daarin mogen de scholen nog tot en met het derde leerjaar vmbo op de bovenbedoelde vestigingen aanbieden zodat zij nog tot en met dát schooljaar leerlingen hiervoor mogen inschrijven en hiervoor bekostiging kunnen ontvangen. Vanaf het schooljaar 2007–2008 zal de situatie daadwerkelijk veranderen en zal op die vestigingen slechts tot en met het tweede leerjaar vmbo het schoolbrede aanbod bekostigd kunnen worden verzorgd (dus niet meer in het derde leerjaar vmbo).
2.6.2.3. Nevenvestigingen met een afwijkend getalscriterium
Als de beoogde nevenvestiging voldoet aan één van de hieronder beschreven situaties, kan worden afgeweken van het getalscriterium als bedoeld onder paragraaf 2.6.3 van deze paragraaf.
a. Een verzoek voor nevenvestiging heeft betrekking op een school waarvoor ontheffing van de opheffingsnorm volgens artikel 108, vierde lid, van de WVO is verleend;
b. De beoogde nevenvestiging bevindt zich op een afstand van ten minste 12 kilometer van de hoofdvestiging (over de weg gemeten). Binnen een afstand van 12 kilometer van de beoogde nevenvestiging is geen overig soortgelijk voortgezet onderwijs van de eigen richting (waaronder nevenvestigingen) aanwezig. In deze situatie moet de voorheen zelfstandige school die als een nevenvestiging in aanmerking wil komen, in het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging (2006–2007 of 2007–2008), een omvang van ten minste 120 leerlingen hebben; of
c. De beoogde nevenvestiging is gelegen op minder dan 12 kilometer van de hoofdvestiging, terwijl het bestaande wervingsgebied zich voor een substantieel deel (tenminste 30%) van de leerlingen uitstrekt tot een afstand van meer dan 15 kilometer van de plaats van hoofdvestiging. Bovendien dient er binnen een afstand van 12 kilometer van de beoogde nevenvestiging, geen overig soortgelijk voortgezet onderwijs van de eigen richting (waaronder nevenvestigingen) aanwezig te zijn. In deze situatie moet de voorheen zelfstandige school die als een nevenvestiging in aanmerking wil komen, in het schooljaar voorafgaand aan de samenvoeging (2006–2007 of 2007–2008), een omvang van tenminste 120 leerlingen hebben.
2.6.3. Vorming van een nieuwe nevenvestiging voor scholengemeenschappen en categoriale scholen
Een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs kan in aanmerking komen voor bekostiging van een nieuwe nevenvestiging indien:
a. De locatie van de nieuwe nevenvestiging qua wervingsgebied een te verwachten substantiële relatie heeft met de scholengemeenschap of categoriale school die de desbetreffende nevenvestiging aanvraagt;
b. Aan de nieuwe nevenvestiging uitsluitend de basisvorming wordt gegeven. Dit betekent dat de instroom van leerlingen in de scholengemeenschap of categoriale school niet alleen in de hoofdvestiging van de scholengemeenschap of categoriale school plaatsvindt, maar ook in de nevenvestiging;
c. Er mag geen substantieel verlies van leerlingen optreden bij omliggende scholen van dezelfde soort die niet onder hetzelfde bestuur vallen als de scholengemeenschap of categoriale school die de nieuwe nevenvesting aanvraagt.
d. De scholengemeenschap of categoriale school waaraan de nieuwe nevenvestiging wordt verbonden, moet zonder het meetellen van de leerlingen op de nieuwe nevenvestiging blijven voldoen aan de stichtingsnorm. Op lange termijn dient minimaal te worden voldaan aan de onderstaande getalscriteria:
  Totaal aantal leerlingen Leerlingen nevenvestiging
Scholengemeenschap vbo/mavo 765 250
Scholengemeenschap havo/atheneum (of havo/lyceum) 865 240
Scholengemeenschap mavo/havo/atheneum (of mavo/havo/lyceum) 1120 300
Scholengemeenschap vbo/mavo/havo/atheneum (of vbo/mavo/havo/lyceum) 1590 450
Gymnasium 625 270
Atheneum 595 255
Lyceum 805 345
Havo 630 270
Mavo 455 195
Praktijkonderwijs 210 90
vbo bestaande uit één afdeling uit de sector Techniek en één afdeling uit de sector Zorg en Welzijn 560 240
vbo bestaande uit twee afdelingen uit de sector Economie 560 240
vbo bestaande uit de afdeling Landbouw en natuurlijke omgeving uit de sector Landbouw 455 195

Teneinde een integrale afweging door de Minister van OCW mogelijk te maken wordt door de aanvrager een schriftelijk regioplan overgelegd. Dit regioplan omvat in ieder geval:
a. Een planprocedurele prognose van het aantal leerlingen op lange termijn voor de nieuwe nevenvestiging (gebaseerd op PRIMOS-cijfers; nadere informatie verkrijgbaar bij de besturenorganisaties, provincies en CFI);
b. Een schoolprognose van het totaal aantal leerlingen op lange termijn (2018, voor wat betreft een aanvraag tot goedkeuring per 1 augustus 2007 en 2019 voor wat betreft een aanvraag tot goedkeuring per 1 augustus 2008 ) voor de scholengemeenschap waaraan de nieuwe nevenvestiging moet worden verbonden (gebaseerd op PRIMOS-cijfers; nadere informatie verkrijgbaar bij organisaties voor bestuur en management, provincies en CFI);
c. Inzicht in de eventuele negatieve effecten voor omliggende scholen van dezelfde soort voor het schooljaar waarin de start van de nieuwe nevenvestiging wordt aangevraagd. Als er wel negatieve effecten zijn te verwachten, zijn daarover dan afspraken gemaakt etcetera. De (goed onderbouwde) berekening van de effecten op omliggende scholen wordt geleverd door de aanvrager;
d. De (goed onderbouwde) reacties van besturen van de omliggende scholen op de door de aanvrager geleverde berekening van de effecten op de omliggende scholen; en
e. Een overzicht van betrokkenen bij de totstandkoming van het regioplan (welke instanties zijn ingeschakeld; de gemeente(n), provincie en besturenorganisaties zijn bij voorkeur bij de totstandkoming van het plan betrokken).
Ter keuze van de aanvrager kan overige argumentatie ter onderbouwing van het regioplan worden toegevoegd.
2.6.4. Nevenvestiging waarbij sprake is van extra personele en materiële bekostiging
In bepaalde gevallen komen nevenvestigingen in aanmerking voor extra vergoeding. De desbetreffende voorwaarden zijn opgenomen in de regeling aanvullende bekostiging bij nevenvestigingen met spreidingsnoodzaak in het voortgezet onderwijs (kenmerk VO/BB&A-2003/34120; Uitleg Gele katern nr. 18 van 30 juli 2003).
2.6.5. Uitbreiding onderwijsaanbod aan nevenvestiging via dubbelaanbod
Op een nevenvestiging als bedoeld in artikel 75 van de WVO kan in principe alleen de onderbouw worden aangeboden. Voor de onderbouw vmbo geldt voor wat betreft de voorzieningenplanning het schooljaar 2006–2007 als een overgangsjaar. Daarvoor verwijs ik u naar subparagraaf 2.6.2.2. van dit hoofdstuk.
Het aanbieden van afsluitend onderwijs (leerjaar 3 en hoger voor vbo en mavo, voor havo en vwo leerjaar 4 en hoger) op een nevenvestiging is slechts mogelijk indien dit onderwijs ook werd aangeboden op de school die tot nevenvestiging is omgevormd. Bovendien geldt als voorwaarde dat dit afsluitend onderwijs niet tevens op de hoofdvestiging wordt aangeboden, tenzij dat voor de samenvoeging ook reeds het geval was. Door de vorming van een nevenvestiging mag er dus ten opzichte van de situatie voor samenvoeging géén uitbreiding plaatsvinden van het aantal locaties waar afsluitend onderwijs van de betreffende onderwijssoort wordt aangeboden.
In afwijking van bovenstaande is het mogelijk om in bepaalde situaties toestemming te verkrijgen om in reeds goedgekeurde nevenvestigingen afsluitend onderwijs te mogen aanbieden van schoolsoorten die niet aanwezig waren op het moment dat de nevenvestiging door samenvoeging ontstond. Dit onderwijsaanbod wordt dubbelaanbod genoemd.
Teneinde een integrale afweging mogelijk te maken wordt door de aanvrager een schriftelijk regioplan overlegd. Dit plan bevat in elk geval:
a. inzicht in de eventuele negatieve effecten voor omliggende scholen voor het schooljaar waarin de start voor dubbelaanbod wordt aangevraagd. Indien er eventueel wel negatieve effecten zijn te verwachten, zijn daarover dan afspraken gemaakt. De (goed onderbouwde) berekening van de effecten op omliggende scholen wordt geleverd door de aanvrager;
b. de (goed onderbouwde) mening van de besturen van omliggende scholen in de regio inzake een verzoek voor ‘dubbelaanbod’;
c. een document waaruit blijkt hoe de bij een verzoek betrokken gemeente uit het oogpunt van huisvesting denkt over de wenselijkheid van dubbelaanbod; en
d. een overzicht van betrokkenen bij de totstandkoming van het plan (welke instanties zijn ingeschakeld; de gemeente(n), provincie en besturenorganisaties zijn bij voorkeur bij de totstandkoming van het plan betrokken).
Ter keuze van de aanvrager kan overige argumentatie ter onderbouwing van het regioplan worden toegevoegd.
2.6.6. Nevenvestiging zorg
Bij de omzetting van scholen en afdelingen voor svo/lom en svo/mlk naar leerwegondersteunend en praktijkonderwijs zijn – op basis van artikel 19, vierde lid, van de WVO – zogenaamde nevenvestigingen zorg gevormd. Voor deze nevenvestigingen golden andere regels dan voor de nevenvestigingen die zijn toegekend op grond van artikel 75, vijfde lid, van de WVO.
Op de nevenvestiging zorg kan sinds 1 augustus 2005 naast praktijkonderwijs of leerwegondersteunend onderwijs ook onderwijs aan niet-geïndiceerde leerlingen worden aangeboden in de onderbouw. Als het bevoegd gezag voornemens is op de nevenvestiging zorg ook afsluitend onderwijs aan niet-geïndiceerde leerlingen aan te bieden, dient te worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in hoofdstuk I, paragraaf 4, van deze beleidsregel.
2.6.7. Een of meer tijdelijke nevenvestigingen voor de theoretische leerweg voor één AOC
Binnen een regionaal arrangement kunnen vanaf 1 augustus 2006 aan één AOC één of meer tijdelijke nevenvestigingen voor mavo worden gevormd op de erkende locaties voor vbo van dat AOC. Voorwaarde is dat het AOC gefuseerd is met een mavo. Bovendien moet de aanvrager bereid zijn de vereiste gegevens over het effect op de doorstroming in de beroepskolom en de groene invulling van de theoretische leerweg te verstrekken die nodig zijn voor de evaluatie van het experiment. Op deze wijze wordt vorm gegeven aan een experiment met de tijdelijke bekostiging van de theoretische leerweg (mavo) aan een AOC. In overeenstemming met de AOC-Raad is het experiment reeds aan het AOC-Limburg verbonden.
2.7. Licentie leerwegondersteunend onderwijs
Op grond van artikel 75c, tweede lid, van de WVO is het mogelijk dat een school of scholengemeenschap in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs, de zogenaamde licentie leerwegondersteunend onderwijs (lwoo).
In dit verband wordt een tweetal situaties onderscheiden, namelijk de aanvraag door een school of scholengemeenschap die tot nu toe niet over een licentie beschikt óf de aanvraag voor verbreding van de bestaande licentie.
2.7.1. Scholen die een nieuwe licentie aanvragen
Voor de licentie toont de aanvrager aan te voldoen aan de volgende voorwaarden:
1. Een potentieel van tenminste 40 leerlingen dat door de RVC is of zal worden geïndiceerd.
Bij de berekening van het potentieel zijn niet meegenomen leerlingen die binnen redelijke afstand wonen van omliggende scholen met leerwegondersteunend onderwijs van dezelfde denominatie en de gewenste schoolsoort als de aanvrager; en
2. Het desbetreffende samenwerkingsverband heeft een positief advies uitgebracht.
Onder redelijke afstand wordt verstaan een afstand van 12 kilometer over de weg gemeten of drie kwartier reizen per openbaar vervoer.
Waar het gaat om de geïsoleerde ligging van de aanvragende school – wat met name geldt voor de Waddeneilanden – zal er soepel met het vereiste leerlingenpotentieel worden omgegaan.
2.7.2. Verbreding reikwijdte bestaande licentie leerwegondersteunend onderwijs
Op grond van deze regeling kunnen scholen de reikwijdte van hun licentie leerwegondersteunend onderwijs verbreden dat wil zeggen dat scholen, respectievelijk ROC-VO of AOC’s die thans beschikken over een licentie leerwegondersteunend onderwijs, deze licentie op aanvraag voortaan breed mogen inzetten. Naast de verbreding naar (alle) vestigingen dan wel erkende locaties met tenminste vbo of mavo, valt hieronder ook de verbreding van de lwoo-licentie naar alle leerwegen in het vmbo. Dit betekent dat de door de RVC geïndiceerde leerlingen – na honorering van de aanvraag voor verbreding van de licentie – op iedere vestiging van de school respectievelijk erkende locatie van een ROC-VO of AOC met tenminste vbo of mavo en in alle leerwegen in aanmerking komen voor bekostiging als leerlingen leerwegondersteunend onderwijs.
Ook voor de verzoeken voor het verbreden van de licentie leerwegondersteunend onderwijs geldt de voorwaarde dat die zijn voorzien van een positief advies van het desbetreffende samenwerkingsverband.
De verzoeken onder 2.7.1 en 2.7.2 worden voor 1 december 2006 (voor wat betreft een aanvraag voor goedkeuring per 1 augustus 2007) of voor 1 november 2007 (voor wat betreft een aanvraag voor goedkeuring per 1 augustus 2008) ingediend.
2.8.1. Toetsingskader in beperkte mate van toepassing op meerdere cursusjaren
Op verzoeken als bedoeld in artikel 75 WVO, waarbij – uitsluitend in verband met de planning van huisvesting – effectuering per 1 augustus 2008 of 2009 in plaats van 1 augustus 2007 of 1 augustus 2008 wordt aangevraagd, kan reeds nu goedkeuring worden verkregen op basis van de criteria per 1 augustus 2007 en 1 augustus 2008. Indien een verzoek betrekking heeft op een nieuwe nevenvestiging of op splitsing in de vorm van celdeling, kan deze termijn op verzoek van het bevoegd gezag worden verlengd tot uiterlijk 1 augustus 2011 (op grond van een goedkeuring per 1 augustus 2007) of 1 augustus 2012 (op grond van een goedkeuring per 1 augustus 2008).
2.8.2. Huisvestingsconsequenties met betrekking tot voorgenomen verplaatsingen, splitsing of celdeling en nieuwe nevenvestigingen
Per 1 januari 1997 is de verantwoordelijkheid voor de huisvesting voor het voortgezet onderwijs gedecentraliseerd naar de gemeenten.
Bij een voorgenomen verplaatsing van meer dan 3 kilometer ten opzichte van de hoofd- en nevenvestiging dienen de betrokken scholen minimaal één jaar voor de beoogde verplaatsing de desbetreffende gemeente(n) te informeren over de met de verplaatsing gepaard gaande verandering in leerlingenstromen. Bij verplaatsing binnen de 3 kilometer wordt aangeraden op dezelfde wijze tijdig de informatie aan de gemeente(n) te verschaffen (alhoewel dit niet verplicht is).
Aan de goedkeuring ex artikel 75 van de WVO per 1 augustus 2007 of 1 augustus 2008 kunnen niet automatisch rechten voor de huisvesting kunnen worden ontleend. Zo krijgt een gemeente 5 jaar de tijd om te voorzien in huisvesting voor een goedgekeurde nieuwe nevenvestiging ( paragraaf 2.6.3). Dit is analoog aan de regeling die geldt voor het voorzien in huisvesting bij het stichten van onderwijs ex artikel 65 van de WVO. De termijn van 5 jaar geldt ook bij splitsing in de zin van ‘celdeling’ ( paragraaf 2.5.1).
Voor door een bestuur eventueel noodzakelijk geachte voorzieningen in de huisvesting wordt verwezen naar de bij de desbetreffende gemeente vigerende verordening.
2.8.3. Aansluiting bij samenwerkingsverband
Het bevoegd gezag van een onderwijsvoorziening voor mavo, vbo, een scholengemeenschap waarvan tenminste deel uitmaakt een school voor mavo en een school voor vbo, of van een school voor praktijkonderwijs is aangesloten bij een samenwerkingsverband. Een verplaatsing, al dan niet als gevolg van samenvoeging, splitsing en nevenvestiging kan leiden tot aansluiting bij een ander samenwerkingsverband.
Bij de gevraagde verandering van het onderwijsaanbod dient derhalve ook rekening te worden gehouden met de regels voor aansluiting bij een samenwerkingsverband ( artikel 10h van de WVO) en de nadere voorschriften voor samenwerkingsverbanden ( artikel 11 van de WVO).
artikel 75 en 75c WVO van Beleidsregel Scholenplanning voortgezet onderwijs 2007 en 2008">
3.1. Indienen van een verzoek ex artikel 75 en 75c WVO
Verplaatsing, omzetting, splitsing, de vorming van een nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs waarvoor de toestemming van de Minister is vereist, kan uitsluitend plaatsvinden met ingang van een nieuw schooljaar (1 augustus).
Voor het verkrijgen van goedkeuring voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en licentie leerwegondersteunend onderwijs per 1 augustus 2007 of 1 augustus 2008 (of eventueel 1 augustus 2008 of 1 augustus 2009, zie paragraaf 2.8.1) moet door het desbetreffende bevoegd gezag of de desbetreffende bevoegde gezagsorganen vóór 1 december 2006 (voor wat betreft een aanvraag voor goedkeuring per 1 augustus 2007) of voor 1 november 2007 (voor wat betreft een aanvraag voor goedkeuring per 1 augustus 2008) een verzoek ex artikel 75, eerste, tweede of vijfde lid, en artikel 75c, tweede lid, van de WVO worden ingezonden.
Een verzoek moet worden gezonden naar:
Centrale Financiën Instellingen
BVO
Postbus 606
2700 ML Zoetermeer
Een verzoek kan uitsluitend worden ingediend met gebruikmaking van CFI-formulier 57962.
Het aanvraagformulier kan worden besteld door het inzenden van het plaketiket. Het kan ook worden ‘gedownload’ via de website www.cfi.nl.
3.2. Procedure behandeling verzoeken
De door CFI ontvangen verzoeken worden, met het verzoek om advies, doorgestuurd naar de organisaties voor bestuur en management, de provincies en – indien van toepassing – het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
De adviesprocedure loopt tot medio maart 2007 (voor wat betreft een verzoek om goedkeuring per 1 augustus 2007) of 1 maart 2008 (voor wat betreft een verzoek om goedkeuring per 1 augustus 2008). Begin april 2007 respectievelijk april 2008 worden de verzoeken besproken in het Overleg Plan van Scholen (OPS). Na de bespreking in het OPS wordt de beslissing op de verzoeken aan de aanvrager bekend gemaakt in beginsel in mei 2007 respectievelijk in mei 2008 en uiterlijk tien maanden na de indiening.

Hoofdstuk IV. Intrekking

1. De beleidsregeling houdende criteria regionale arrangementen voor de schooljaren 2005–2006 en 2006–2007, verlenging van het Toetsingskader Plan van Scholen 2005–2007 voor de periode 2007–2009, alsmede houdende criteria en procedures voor het verkrijgen van toestemming voor verplaatsing, omzetting, splitsing, nevenvestiging en het aanbieden van leerwegondersteunend onderwijs per 1 augustus 2006 van 6 augustus 2005 , nr. VO/B&B-2005/27924 (Stcrt. 2005, 161) wordt ingetrokken.
2. De beleidsregel Toetsingskader Plan van Scholen 2005–2007, Criteria en procedure voor het verkrijgen van toestemming voor het stichten van scholen en afdelingen voor voortgezet onderwijs per 1 augustus 2005, 2006 en 2007 van 12 juli 2003 , nr. VO/BenB-2003/25040 (Uitleg Gele Katern nr. 18 van 30 juli 2003) wordt ingetrokken.

Hoofdstuk V. Inwerkingtreding en geldigheidsduur

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat Hoofdstuk III terugwerkt tot en met 1 augustus 2006.
Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Minister