Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2012
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Paragraaf 1. Definiëring en reikwijdte
+ Paragraaf 2. Aanvraagprocedure
+ Paragraaf 3. Instemming met een nieuwe opleiding
+ Paragraaf 4. Instemming met nevenvestiging
+ Paragraaf 5. Instemming met verplaatsing
+ Paragraaf 6. Herordening en samenvoeging
+ Paragraaf 7. : Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 12 juli 2014. U leest nu de tekst die gold op 11 juli 2014.

Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2012

Beleidsregel van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 oktober 2012, nr. HO/419017 betreffende de uitoefening van een aantal ministeriële bevoegdheden op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ter bevordering van de doelmatigheid in het hoger onderwijs (Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2012)
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving,
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 6.2, 7.3a, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, en 7.17, tweede en derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
Besluit:
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
a. wet: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ;
b. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Minister van Economische Zaken Landbouw en Innovatie;
c. Croho: Centraal register opleidingen hoger onderwijs als bedoeld in artikel 6.13 van de wet;
d. joint degree: gezamenlijke opleiding als bedoeld in artikel 7.3c van de wet;
e. CDHO: Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs;
f. NVAO: de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie;
g. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
h. instellingsbestuur: het College van Bestuur van een bekostigde instelling;
i. prestatieafspraak: afspraak met de instelling ter uitvoering van de Strategische Agenda hoger onderwijs en onderzoek, met als doel de toekenning van een onderwijsopslag in de zin van artikel 4.11 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;
j. profiel van de instelling: zwaartepunten in het onderwijs- of onderzoeksaanbod van de instelling, zoals die zijn overeengekomen in de prestatieafspraak;
h. bekostigde opleiding: initiële opleiding van een bekostigde instelling.
1.
De in deze regeling opgenomen beleidsregels hebben betrekking op de wijze waarop de Minister gebruik maakt van de volgende bevoegdheden:
a. de bevoegdheid tot het verlenen van instemming met het voornemen van een instellingsbestuur voor het verzorgen van een nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 6.2 eerste lid, van de wet;
b. de bevoegdheid tot het aanmerken van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs als masteropleiding, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de wet;
c. de bevoegdheid tot het verlenen van instemming met het voornemen van een instellingsbestuur een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten of openbare lichamen BES dan opgenomen in het Croho te vestigen, bedoeld in artikel 7.17, tweede en derde lid, van de wet; en
d. de bevoegdheid tot het verlenen van instemming met het samenvoegen van twee of meer reeds in het Croho geregistreerde opleidingen tot een brede opleiding, als bedoeld in artikel 21.
2.
Onder het vestigen van een opleiding dan wel een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten of openbare lichamen BES dan opgenomen in het Croho wordt tevens begrepen: het verplaatsen van een opleiding dan wel een gedeelte daarvan naar een andere gemeente of openbaar lichaam BES.
3.
De CDHO adviseert de minister inzake de bevoegdheden genoemd in het eerste lid onder a tot en met c.
1.
Onder een gedeelte van een opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede en derde lid, van de wet wordt ten minste begrepen:
a. de propedeutische fase of de eerste 60 studiepunten van een opleiding;
b. een afstudeerrichting;
c. het gedeelte van de bacheloropleiding dat meer dan een derde van de gehele studielast van de opleiding, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
d. het gedeelte van de masteropleiding dat meer dan een derde of meer dan 30 studiepunten van de gehele studielast van de opleiding, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
e. het gedeelte van het Associate-degreeprogramma dat meer dan een derde van de gehele studielast, inclusief stages en afstudeerprojecten, omvat;
2.
Indien het beroepsuitoefeningsdeel van een duale opleiding of een duaal Associate-degreeprogramma door een student op individuele basis in een andere gemeente wordt doorlopen, heeft de in het eerste lid, onderdelen c en d, respectievelijk onderdeel e, genoemde norm geen betrekking op het beroepsuitoefeningsdeel.
3.
Voor opleidingen die op basis van de Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen worden gesubsidieerd wordt onder een gedeelte van een opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede en derde lid, van de wet begrepen een opleiding waarbij meer dan 50% van het curriculum in de praktijk wordt gevolgd. Voor opleidingen die op basis van de Regeling praktijkleren en Groene plus worden gesubsidieerd wordt onder een gedeelte van een opleiding als bedoeld in artikel 7.17, tweede en derde lid van de wet begrepen een opleiding waarbij meer dan 50% van het curriculum in de praktijk wordt gevolgd.
1.
Een aanvraag van het instellingsbestuur voor instemming van de minister als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder a tot en met c wordt verzonden naar de CDHO.
2.
De aanvraag wordt gelijktijdig elektronisch en per post ingediend. Per post wordt de aanvraag gezonden naar: Commissie Doelmatigheid Hoger Onderwijs, postbus 85498, 2508 CD Den Haag. Elektronische indiening vindt plaats via info@cdho.nl.
3.
Voor de datum van indiening van de aanvraag geldt de datum van indiening van de aanvraag per post.
4.
Indien de aanvraag een joint-degreeopleiding betreft, wordt deze ingediend door het instellingsbestuur dat, of de instellingsbesturen gezamenlijk die in Nederland zijn gezeteld.
5.
Een aanvraag als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d, wordt schriftelijk ingediend bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, postbus 16375, 2500 BJ Den Haag of, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, naar het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, postbus 20401, 2500 EK Den Haag.
6.
Indien meerdere aanvragen ter zake van vergelijkbare opleidingen gelijktijdig ter beoordeling voorliggen of een pakket van aanvragen is ingediend, worden de aanvragen in onderling verband beoordeeld.
7.
Indien het voornemen bestaat om de nieuwe opleiding of een gedeelte daarvan tevens in een of meer andere gemeenten te vestigen, dan is paragraaf 4 eveneens van toepassing.
8.
De CDHO plaatst direct na ontvangst van een aanvraag voor instemming een door het instellingsbestuur geleverde samenvatting daarvan op haar website en stelt daarbij op grond van het bepaalde in artikel 7.17, vierde lid, van de wet de daarvoor in aanmerking komende instellingen in de gelegenheid binnen een daarbij te stellen termijn een zienswijze op de aanvraag in te dienen.
Artikel 5. Inhoud aanvraag instemming met voornemen tot een nieuwe opleiding
De aanvraag gaat vergezeld van de volgende informatie:
1. Algemene informatie
a. een beschrijving van de nieuwe opleiding met vermelding van de naam, inhoud, inrichting, eindtermen en studielast daarvan;
b. de gemeente of gemeenten waar de opleiding wordt gevestigd;
c. een beschrijving van de doelgroep van de opleiding;
d. de vorm of vormen waarin de opleiding wordt aangeboden, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de wet;
e. het Croho-(sub)onderdeel waaronder het instellingsbestuur de opleiding in Croho voornemens is te registreren en een motivering daarvoor;
f. indien sprake is van een bacheloropleiding en indien de instelling meent dat daarvoor nadere vooropleidingseisen dienen te gelden als bedoeld in artikel 7.25 van de wet, waarin de Regeling nadere vooropleidingseisen hoger onderwijs 2007 nog niet voorziet: een gemotiveerd voorstel voor de te stellen nadere vooropleidingseisen. Indien de instelling van oordeel is dat aanvullende eisen als bedoeld in artikel 7.26 van de wet noodzakelijk zijn die nog niet zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 , kan het instellingsbestuur een voorstel doen waaruit blijkt dat is voldaan aan de eisen genoemd in dat artikel;
g. een korte samenvatting van het voorgaande ten behoeve van publicatie als bedoeld in artikel 4, achtste lid;
h. een volledig ingevuld standaardformulier van DUO met de registratiegegevens van de opleiding.
2. Motivering in verband met de criteria voor instemming
a. of een onderwijscapaciteit als bedoeld in artikel 7.53 van de wet voor de opleiding wordt vastgesteld en indien van toepassing, de omvang daarvan;
b. indien de opleiding past in het profiel van de instelling: een onderbouwd betoog dat dit het geval is;
c. de gegevens of bescheiden waarop in de aanvraag een beroep wordt gedaan en een verwijzing naar die gegevens in de aanvraag;
d. een vermelding van bestaande vergelijkbare bekostigde opleidingen en niet-bekostigde opleidingen van rechtspersonen voor hoger onderwijs.
Artikel 6. Criteria voor instemming met een nieuwe opleiding
De minister stemt in met een voornemen tot het verzorgen van een nieuwe opleiding indien het instellingsbestuur heeft aangetoond
a. aan de hand van een beschrijving van de inhoud en het curriculum, dat uitbreiding van het landelijk opleidingenaanbod met de nieuwe opleiding nodig is en de vernieuwing in het onderwijsaanbod niet kan worden gerealiseerd binnen het landelijk bestaande opleidingenaanbod. Het landelijk bestaande opleidingenaanbod bestaat voor hbo-bachelors uit hbo-bachelors, voor wo-bachelors uit wo-bachelors en voor hbo-masteropleidingen en wo-masteropleiding uit alle masteropleidingen;
b. dat een behoefte bestaat aan de opleiding, zijnde
overwegend een arbeidsmarktbehoefte,
overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte, of
overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en
c. dat er in het landelijk bestaande onderwijsaanbod ruimte is voor de opleiding.
Artikel 7. Wijze van beoordeling arbeidsmarktbehoefte
Bij een beroep op arbeidsmarktbehoefte wordt in elk geval ingegaan op de volgende elementen:
a. dat op de arbeidsmarkt behoefte aan hoger opgeleiden van de specifieke nieuwe opleiding bestaat, hetgeen wordt ondersteund met gevalideerde data waaruit die behoefte blijkt en een realistisch onderbouwde schatting van de instroom in de opleiding;
b. in hoeverre de nieuwe opleiding aansluit bij de behoefte aan de ontwikkeling in het hoger onderwijsaanbod, zoals benoemd in bijvoorbeeld de human capital agenda’s van de topsectoren, door de rijksoverheid onderschreven sectorplannen, sectorale verkenningen of sectorale afspraken;
c. welke werkveldpartijen bij de ontwikkeling van de nieuwe opleiding zijn betrokken en op welke wijze die betrokkenheid is georganiseerd;
d. voor welke soort functies c.q. beroepen de opleiding opleidt, dan wel wat de arbeidsmarktperspectieven zijn van de afgestudeerden van de opleiding;
e. indien het een opleiding betreft die mede opleidt voor een internationale arbeidsmarkt: wat het belang van de nieuwe opleiding in internationaal perspectief is en hoe de arbeidsmarkt voor afgestudeerden van de opleiding eruit ziet.
Artikel 8. Wijze van beoordeling maatschappelijke behoefte, in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte
Of overwegend sprake is van een maatschappelijke behoefte aan de opleiding, in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte beoordeelt de minister aan de hand van een onderbouwd betoog van het instellingsbestuur, waarin wordt ingegaan op de volgende elementen:
a. de maatschappelijke ontwikkeling die het bestaan van de nieuwe opleiding rechtvaardigt;
b. de arbeidsmarktperspectieven van de afgestudeerden van de opleiding, beschreven aan de hand van de elementen, genoemd in artikel 7.
Artikel 9. Wijze van beoordeling wetenschappelijke behoefte, in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte
Of overwegend sprake is van een wetenschappelijke behoefte aan de opleiding, in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte, beoordeelt de minister aan de hand van een onderbouwd betoog van het instellingsbestuur, waarin wordt ingegaan op de volgende elementen:
a. de wetenschappelijke ontwikkeling (op het grensvlak van wetenschapsgebieden) die het bestaan van de nieuwe opleiding rechtvaardigt;
b. de arbeidsmarktperspectieven van de afgestudeerden van de opleiding, beschreven aan de hand van de elementen, genoemd in artikel 7.
Artikel 10. Aanvullende criteria voor instemming met een joint-degreeopleiding
De minister stemt in met het voornemen tot het verzorgen van een joint degree-opleiding, indien het instellingsbestuur in aanvulling op het bepaalde in artikel 6 heeft aangetoond dat
a. de joint-degree-opleiding een meerwaarde heeft ten opzichte van een reguliere opleiding mede gelet op het aandeel van elk van de instellingen in het verzorgen van de opleiding en de onderbouwing van de keuze hiertoe.
b. vanuit elk van de deelnemende instellingen een substantieel deel van de docenten werkzaam is in het feitelijk verzorgen van het onderwijs, in Nederland hetzij op één locatie, hetzij op meerdere locaties van de deelnemende Nederlandse instellingen.
Artikel 11. Aanvullende criteria voor instemming met een hbo-masteropleiding
De minister stemt in met een voornemen tot het verzorgen van een hbo-masteropleiding en merkt deze aan als initiële opleiding, indien het instellingsbestuur in aanvulling op artikel 6 en – indien van toepassing – op artikel 10 heeft aangetoond dat de opleiding wordt gerealiseerd ten behoeve van een door de rijksoverheid vastgesteld prioritair gebied.
1.
Bij de beoordeling van de ruimte voor de opleiding binnen het bestaande onderwijsaanbod betrekt de minister in elk geval de volgende elementen:
a. het aantal bestaande, vergelijkbare, bekostigde opleidingen bij andere instellingen en de gemeenten waar deze opleidingen worden verzorgd;
b. de aanwezigheid van vergelijkbaar geaccrediteerd onderwijs dat de student bij een rechtspersoon voor hoger onderwijs onder vergelijkbare condities kan volgen als het onderwijs van een bekostigde opleiding;
c. de studenteninstroom in de opleidingen, bedoeld onder a en b, en een schatting met realistische onderbouwing van de studenteninstroom in de nieuwe opleiding;
d. kwantitatieve gegevens over de arbeidsmarktvraag naar afgestudeerden van de bestaande opleidingen en de nieuwe opleiding;
e. in geval van een voornemen voor het verzorgen van een opleiding op een openbaar lichaam BES: tevens het bestaande hoger onderwijsaanbod voor de gehele regio, zijnde de BES, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten.
2.
Naast deze basiselementen betrekt de minister bij de beoordeling tevens de volgende elementen:
a. voor zover aanwezig door de onderwijssector zelf opgestelde en door de rijksoverheid onderschreven sectorplannen of sectorale afspraken en door de CDHO uitgevoerde sectorale verkenningen, waaronder sectoranalyses;
b. de zienswijzen die verzorgers van het onderwijs als bedoeld in het eerste lid onder a en b bij de minister hebben ingediend;
c. de spreiding van opleidingen in relatie tot de vestigingsplaats of vestigingsplaatsen van de nieuwe opleiding;
d. het bestaan van een beperkte onderwijscapaciteit als bedoeld in artikel 7.53 van de wet bij vergelijkbare opleidingen en de onderwijscapaciteit van de nieuwe opleiding; en
e. de onderwijsvorm, bedoeld in artikel 7.7 van de wet, waarin de opleiding wordt aangeboden.
1.
Indien de nieuwe opleiding niet past in het profiel van de instelling of in geval van een joint degree-opleiding, indien deze niet past in het profiel van ten minste één van de instellingen, of indien de nieuwe opleiding een hbo-masteropleiding betreft, neemt de minister aan dat er sprake is van een arbeidsmarktbehoefte indien in aanvulling op artikel 6 het instellingsbestuur tevens heeft aangetoond dat:
a. werkgevers op landelijk of branche-niveau behoefte hebben aan de opleiding in het aanbod van hoger onderwijs in Nederland en
b. er geen instelling met een meer passend profiel voor de nieuwe opleiding bestaat, die deze opleiding kan en wil verzorgen.
2.
Indien de nieuwe opleiding past in het profiel van de instelling of, in geval van een joint degree-opleiding in het profiel van één van de instellingen wordt aangenomen dat is voldaan aan artikel 6, onder c, tenzij naar het oordeel van de minister al ruimschoots voldoende vergelijkbare opleidingen worden aangeboden om in de behoefte te voorzien.
3.
Indien de joint degree-opleiding past in het profiel van één van de instellingen, maar (een gedeelte van) de opleiding wordt gevestigd in een voor een, meer of alle betrokken instellingen nieuwe vestigingsplaats, is het tweede lid niet van toepassing voor de instellingen waarvoor de vestigingsplaats nieuw is.
1.
artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, c, d, g en h en tweede lid, aanhef en onder b, c en d is op de indiening van een aanvraag voor instemming met het tevens verzorgen van een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES (nevenvestiging) van overeenkomstige toepassing.
2.
In aanvulling op het eerste lid dient de aanvraag tevens te vermelden of de nieuwe vestigingsplaats de gehele opleiding of een gedeelte van de opleiding betreft en, in geval van het laatste, welk gedeelte.
1.
De minister stemt in met een voornemen tot het tevens verzorgen van de opleiding in de nieuwe gemeente indien het instellingsbestuur heeft aangetoond
a. dat in de nieuwe gemeente een behoefte bestaat aan de opleiding, zijnde
overwegend een arbeidsmarktbehoefte;
overwegend een maatschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; of
overwegend een wetenschappelijke behoefte in combinatie met een arbeidsmarktbehoefte; en
b. dat er in het landelijk onderwijsaanbod ruimte is voor de opleiding.
2.
De artikelen 7 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien het voornemen een joint-degreeopleiding betreft, is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien het voornemen een hbo-masteropleiding betreft, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
5.
artikel 12 is op de beoordelingswijze van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16. Weging profiel bij aanvraag tot het tevens verzorgen van een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES (nevenvestiging)
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen in de prestatieafspraak met de instelling staat over herschikking van het onderwijsaanbod van de instelling.
1.
artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, c g en h en tweede lid, aanhef en onder b, c en d is op de aanvraag voor instemming met het verzorgen van een opleiding of een gedeelte daarvan in een of meer andere gemeenten of een of meer openbare lichamen BES (verplaatsing) van overeenkomstige toepassing.
2.
In aanvulling op het eerste lid dient de aanvraag tevens te vermelden of de nieuwe vestigingsplaats de gehele opleiding of een gedeelte van de opleiding betreft en, in geval van het laatste, welk gedeelte.
1.
De minister stemt in met een voornemen tot het verzorgen van de opleiding in de nieuwe gemeente indien het instellingsbestuur aannemelijk heeft gemaakt dat er in het landelijk onderwijsaanbod ruimte is voor de opleiding.
2.
artikel 12 is op de beoordelingswijze van overeenkomstige toepassing.
Artikel 19. Weging profiel bij aanvraag tot het verzorgen van een opleiding of een gedeelte daarvan in een andere gemeente of openbaar lichaam BES (verplaatsing)
Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing waarbij rekening wordt gehouden met hetgeen in de prestatieafspraak met de instelling staat over herschikking van het onderwijsaanbod van de instelling.
a. het oordeel van het accreditatieorgaan waaruit blijkt dat er, gelet op de door het instellingsbestuur beschreven programmatische relatie tussen de desbetreffende opleidingen, geen sprake is van een nieuwe opleiding;
b. de beoogde startdatum van de samengevoegde opleiding en, voor zover noodzakelijk, de redelijke termijn waarbinnen de studenten de oorspronkelijke opleiding kunnen afronden;
c. Indien de nadere vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 7.25 van de wet en, voor zover van toepassing, de aanvullende eisen, bedoeld in artikel 7.26 van de wet, van de samen te voegen opleidingen verschillen, een voorstel voor de nieuw te stellen eisen.
1.
In afwijking van artikel 6 stemt de minister in met een voornemen om een twee of meer in het Croho geregistreerde opleidingen samen te voegen, indien dit voornemen naar het oordeel van het accreditatieorgaan, gelet op de door het instellingsbestuur beschreven programmatische relatie tussen de betreffende opleidingen, niet leidt tot het verzorgen van een nieuwe opleiding.
2.
Indien de in 2012 met de instelling gemaakte prestatieafspraak ziet op samenvoeging van twee of meer in het Croho geregistreerde opleidingen die past in het profiel van de instelling, kan het instellingsbestuur nadien besluiten de brede bacheloropleiding met ingang van 1 september 2016 weer te splitsen in de oorspronkelijke opleidingen. Hiertoe behoeft de instelling niet de instemming van de minister, mits het instellingsbestuur in de aanvraag voor samenvoeging tot de brede opleiding heeft aangegeven eventueel van deze mogelijkheid gebruik te willen maken.
3.
Indien het voornemen ertoe strekt dat de samengevoegde opleiding in een voor beide oorspronkelijke opleidingen nieuwe vestigingsplaats wordt verzorgd, is paragraaf 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 22
Een voornemen dat vóór 1 november 2012 bij de minister is ingediend, alsmede een bezwaarschrift tegen een besluit op dat voornemen, wordt overeenkomstig de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2009 afgehandeld, tenzij het instellingsbestuur aangeeft afhandeling volgens deze beleidsregel te prefereren
Artikel 23. Inwerkingtreding
Onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2009 treedt deze beleidsregel in werking met ingang van 1 november 2012.
Artikel 24. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2012.
Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De
Staatssecretaris