Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Artikel 13 Successiewet 1956, premiesplitsingsbesluit; onttrekking aan het vermogen van de overledene, aanpassing van de gulden aan de euro
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
§ 1. Inleiding
§ 1.1. Verkrijgingen krachtens levensverzekering
§ 1.2. Betekenis van premiesplitsing
§ 1.3. Inhoud
§ 2. Algemene beschouwingen m.b.t. de vraag wanneer er iets is onttrokken aan vermogen van overledene
§ 2.1. Belangrijke elementen
§ 2.2. Verschuldigdheid
§ 2.3. Betaling
§ 2.4. Premie verschuldigd door de overledene, diens echtgenoot of partner of door een ander
§ 2.5. Huwelijksgoederenregime/samenlevingscontract
§ 2.6. Algehele gemeenschap van goederen
§ 2.7. Huwelijksvoorwaarden
§ 2.8. Samenlevingscontract
§ 2.9. Beoordeling op tijdstip van overlijden
§ 2.10. Wel premie verschuldigd, uiteindelijk niets onttrokken; overdracht en toescheiding lopende polis
§ 2.11. Samenhang afzonderlijk afgesloten verzekeringen
§ 3. De overlijdensverzekering op één leven
§ 3.1. Definitie
§ 3.2. Verschuldigdheid
§ 3.3. Premie verschuldigd door de overledene, diens echtgenoot of partner of door een ander
§ 3.4. Overdracht en toescheiding lopende polis
§ 4. De overlijdensverzekering op twee levens, de gemengde verzekering op één leven en de gemengde verzekering op twee levens
§ 4.1. Premiesplitsing
§ 4.2. Geen premiesplitsing
§ 4.3. Definities
§ 4.4. Voorwaarden bij premiesplitsing
§ 4.5. Specifieke voorwaarde wijze van premiesplitsing
§ 4.6. Gelding van voorwaarden bij andere verzekeringen
§ 4.7. Behandeling afzonderlijke verzekeringen in geval van samenhang
§ 5. Overdracht, toescheiding van een lopende polis en premiesplitsing tijdens de looptijd
§ 5.1. Overdracht
§ 5.2. Toescheiding
§ 5.3. Premiesplitsing tijdens looptijd verzekering
§ 5.4. Gemengde verzekeringen
§ 5.5. Waarde in het economische verkeer
§ 5.6. Intrekking resolutie
§ 6. Regeling voor lopende polissen
§ 6.1. Situatie 1. Premieverschuldigdheid niet goed geregeld
§ 6.2. Situatie 2. Premiesplitsing niet goed geregeld
§ 6.3. Situatie 3. Premieverschuldigdheid en premiesplitsing niet goed geregeld
§ 6.4. Situatie 4. Overlijdensuitkeringen vóór 1 juli 1998
§ 6.5. Geen premiesplitsing/ontoereikend huwelijksgoederenregime of samenlevingscontract
Inwerkingtreding.
Vervallen besluit
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 24 februari 2007. U leest nu de tekst die gold op 23 februari 2007.

Artikel 13 Successiewet 1956, premiesplitsingsbesluit; onttrekking aan het vermogen van de overledene, aanpassing van de gulden aan de euro

Artikel 13 Successiewet 1956, premiesplitsingsbesluit; onttrekking aan het vermogen van de overledene, aanpassing van de gulden aan de euro De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.
Dit besluit is een herziene versie van het besluit van 19 maart 1997, nr. VB97/568, het premiesplitsingsbesluit. Het besluit is herzien in verband met de vervanging van de gulden door de euro per 1 januari 2002. In de herziene versie is de herhaalde verlenging van de overgangsregeling (paragraaf 6 Regeling voor lopende polissen) verwerkt. Het bevat verder geen inhoudelijke wijzigingen.
§ 1.1. Verkrijgingen krachtens levensverzekering
Ingevolge artikel 13 van de Successiewet 1956 worden verkrijgingen krachtens levensverzekering of derdenbeding die plaatsvinden ten gevolge van of na het overlijden van een persoon gelijkgesteld met erfrechtelijke verkrijgingen. Dergelijke verkrijgingen worden daardoor als fictieve erfrechtelijke verkrijgingen in de heffing van successierecht betrokken.
Een uitzondering geldt voor die verkrijgingen ten behoeve waarvan niets is onttrokken aan het vermogen van de erflater (hierna: de overledene).
In deze mededeling ga ik in op de vraag wanneer er ter zake van overlijdensuitkeringen krachtens een overeenkomst van levensverzekering (n)iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene.
Daarbij besteed ik in het bijzonder aandacht aan situaties waarin met betrekking tot de verzekeringsovereenkomst een ‘premiesplitsing’ wordt overeengekomen. Premiesplitsing komt voor bij gemengde verzekeringen, waarbij het kapitaal tot uitkering komt bij in leven zijn van de verzekerde(n) op een bepaald tijdstip, of bij overlijden van (één van) de verzekerde(n) vóór dat tijdstip. De premie kan dan gesplitst worden in een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij leven en gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden.
§ 1.2. Betekenis van premiesplitsing
Noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit de jurisprudentie blijkt of een premiesplitsing fiscale betekenis heeft voor de toepassing van artikel 13 van de Successiewet 1956, m.a.w. of door middel van premiesplitsing kan worden bewerkstelligd dat ter zake van de overlijdensuitkering niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene (de verzekerde). En, zo ja, aan welke voorwaarden men daarbij dan zou moeten voldoen.
Tot op heden heb ik het standpunt gehuldigd dat indien ter zake van een gemengde verzekering een gedeelte van de premie is verschuldigd door de verzekerde de uitkering bij diens overlijden in de heffing van successierecht wordt betrokken, ongeacht of die premie betrekking had op de uitkering bij leven of bij overlijden. In deze zienswijze sorteerde een premiesplitsing dus geen effect voor de toepassing van artikel 13.
Ik heb bezien of door een meer economische benadering van deze problematiek een soepeler standpunt mogelijk is met betrekking tot de figuur van premiesplitsing. Ik ben thans bereid om voor de toepassing van artikel 13 wel betekenis toe te kennen aan een premiesplitsing. Omwille van de rechtszekerheid beschrijf ik in deze mededeling aan welke voorwaarden een premiesplitsing moet voldoen om te kunnen stellen dat er ter zake van de uitkering bij overlijden niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene.
§ 1.3. Inhoud
In § 2 wordt een aantal elementen genoemd die van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of er iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene. Het betreft onder meer premieverschuldigdheid, huwelijksgoederenregime en samenlevingscontract, beoordelingstijdstip.
In § 3 wordt voor de overlijdensverzekering op één leven aangegeven wanneer er (n)iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene. Premiesplitsing speelt daarbij geen rol.
In § 4 wordt ingegaan op de overlijdensverzekering op twee levens, de gemengde verzekering op één leven en die op twee levens. Het betreft verzekeringen die tegenwoordig veelal in het kader van de hypothecaire financiering van de eigen woning worden afgesloten. Bij deze verzekeringen is het niet ongebruikelijk dat met de verzekeraar een premiesplitsing wordt overeengekomen. In § 4.6 is aangegeven in hoeverre de bij voornoemde verzekeringen gegeven aanwijzingen tevens gelden voor andere gemengde verzekeringen.
In § 5 komen overdracht, toescheiding en wijziging van een lopende polis aan de orde. De wijze waarop deze geschieden, kan van invloed zijn op de vraag aan wiens vermogen uiteindelijk iets is onttrokken ten behoeve van een overlijdensuitkering.
In § 6 is een regeling voor lopende polissen opgenomen.
De bijlage bevat een aantal cijfervoorbeelden met betrekking tot premiesplitsing.
Deze mededeling heeft uitsluitend betrekking op de toepassing van de Successiewet 1956.
§ 2.1. Belangrijke elementen
Voor de beantwoording van de vraag of er iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene zijn met name de volgende elementen van belang:
1. de verschuldigdheid van de premie;
2. het huwelijksgoederenregime resp. het samenlevingscontract van de overledene tijdens diens leven;
3. het tijdstip van beoordeling;
4. de overdracht en toescheiding van lopende polissen;
5. samenhang tussen polissen.
§ 2.2. Verschuldigdheid
Of er ter zake van een verzekeringsuitkering iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene, is onder meer afhankelijk van de vraag door wie de verzekeringspremie jegens de verzekeraar verschuldigd was. Dat hierbij dient te worden aangesloten bij de verschuldigdheid van de premie, en niet bij de betaling, is vaste jurisprudentie. Het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 1954, BNB 1954/140, dient blijkens recente uitspraken van gerechtshoven nog steeds als leidraad.
Waar in deze mededeling wordt gesproken van verschuldigdheid van premie wordt daarmee bedoeld verschuldigdheid jegens de verzekeraar. De verschuldigdheid moet zijn overeengekomen tussen de verzekeraar en degene die premie verschuldigd is (hierna ook genoemd: de premieplichtige). Indien er twee of meer premieplichtigen zijn, moet de verschuldigdheid van premie door elk van die premieplichtigen blijken uit de polis of een bij de polis behorend clausuleblad én een door alle premieplichtigen ondertekend en gedagtekend aanvraagformulier.
Het feit dat de premie gesplitst is, houdt niet automatisch in dat er ook premieverschuldigdheid ten aanzien van meer dan één persoon bestaat. Een afspraak over premieverschuldigdheid waarbij hetzij de verzekeraar hetzij een premieplichtige geen partij is, mist in dit verband fiscale betekenis. Dit betekent dat bijvoorbeeld een eenzijdige verklaring van een verzekeraar of een andere persoon (bijvoorbeeld de begunstigde) dat premie verschuldigd is, niet voldoende is.
§ 2.3. Betaling
Door wie de feitelijke betaling geschiedt, is in dit verband niet van belang. Betaling van premie door een ander dan degene die de premie jegens de verzekeraar verschuldigd is, betekent op zich niet dat daardoor iets onttrokken is aan het vermogen van de betaler ten behoeve van een latere uitkering. Betaling houdt in dit geval niet meer in dan een schenking aan de premieplichtige dan wel betaling in diens plaats waardoor de betaler een vordering wegens onverschuldigde betaling jegens de premieplichtige verkrijgt.
§ 2.4. Premie verschuldigd door de overledene, diens echtgenoot of partner of door een ander
Is de premie of een gedeelte daarvan op enig moment verschuldigd geweest door de overledene (de verzekerde), dan is ter zake van de overlijdensuitkering normaliter iets aan het vermogen van de overledene onttrokken. De verschuldigdheid van één premiebetaling is hiervoor al voldoende.
Was de premie niet door de overledene, maar door een ander verschuldigd, dan is ter zake van de overlijdensuitkering in beginsel niets aan het vermogen van de overledene onttrokken. Indien de premie evenwel op enig moment verschuldigd is geweest door de echtgenoot of partner van de overledene, dan dient tevens hetgeen in § 2.5 e.v. is opgenomen met betrekking tot huwelijksgoederenregime en samenlevingscontract in ogenschouw te worden genomen.
§ 2.5. Huwelijksgoederenregime/samenlevingscontract
Premie kan, wanneer deze niet verschuldigd was door de overledene maar door diens echtgenoot of partner, toch ten laste van het vermogen van de overledene zijn gekomen, doordat de premie ingevolge het huwelijksgoederenregime of het samenlevingscontract geheel of gedeeltelijk ten laste van diens vermogen diende te komen. Bij een dergelijk huwelijksgoederenregime of samenlevingscontract mist het regelen van de verschuldigdheid van de premie zodanig dat deze niet verschuldigd is door de verzekerde dan ook betekenis voor de toepassing van artikel 13 van de Successiewet 1956. Er wordt dan wel gezegd dat het huwelijksgoederenregime of het samenlevingscontract ‘de constructie niet kan dragen’.
§ 2.6. Algehele gemeenschap van goederen
Indien de overledene (de verzekerde) en de premieplichtige met elkaar in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd, dan is de tijdens de huwelijksperiode verschuldigde premie voor de helft aan het vermogen van de overledene onttrokken.
§ 2.7. Huwelijksvoorwaarden
Was de overledene onder huwelijksvoorwaarden gehuwd met de premieplichtige, dan zal aan de hand van die voorwaarden beoordeeld moeten worden of de tijdens de huwelijksperiode verschuldigde premie of een gedeelte daarvan ten laste van zijn vermogen is gekomen.
Waren echtgenoten buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd en was de premie verschuldigd door de echtgenoot van de overledene dan is ter zake van de overlijdensuitkering in beginsel niets onttrokken aan het vermogen van de overledene. Dit kan anders zijn indien de huwelijksvoorwaarden een verrekenbeding bevatten.
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het beding dat bij overlijden van een van de echtgenoten verrekend zal worden alsof zij in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Een dergelijk beding heeft tot gevolg dat toch een bedrag ter grootte van de helft van de tijdens de huwelijksperiode betaalde premie geacht wordt te zijn onttrokken aan het vermogen van de overledene.
Indien echtgenoten een beperkte gemeenschap van goederen waren overeengekomen, zal aan de hand van de huwelijksvoorwaarden vastgesteld moeten worden of de premie ten laste is gekomen van het gemeenschappelijke vermogen of ten laste van het privé-vermogen van de echtgenoot van de overledene. Bij een gemeenschap van vruchten en inkomsten wordt ervan uitgegaan dat de premie – indien niet anders bepaald – als zijnde een huishoudschuld ten laste komt van het gemeenschappelijke vermogen, en derhalve voor de helft is onttrokken aan het vermogen van de overledene.
§ 2.8. Samenlevingscontract
Indien de overledene en de premieplichtige niet met elkaar gehuwd waren maar samenwoonden, dan zal aan de hand van een eventueel samenlevingscontract beoordeeld moeten worden of door de partner van de overledene verschuldigde premie een privé-schuld van die partner was of een gemeenschappelijke schuld van de partners. Is dit laatste het geval dan is toch de helft van de premie die tijdens de samenlevingsperiode verschuldigd was door de partner onttrokken aan het vermogen van de overledene.
§ 2.9. Beoordeling op tijdstip van overlijden
Voor de beoordeling van de vraag of er ter zake van een verzekeringsuitkering ten gevolge van overlijden iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene is de situatie op het tijdstip van overlijden beslissend.
De omstandigheid dat de overledene op enig moment tijdens zijn leven ter zake van de verzekering, welke tot uitkering kwam door zijn overlijden, premie verschuldigd is geweest, behoeft daarom niet altijd automatisch in te houden dat er ter zake van de uitkering iets aan zijn vermogen is onttrokken. Het omgekeerde kan overigens ook het geval zijn.
§ 2.10. Wel premie verschuldigd, uiteindelijk niets onttrokken; overdracht en toescheiding lopende polis
Het geval kan zich voordoen dat op het tijdstip van overlijden wordt vastgesteld dat er ter zake van een overlijdensuitkering niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene, ondanks premieverschuldigdheid ten behoeve van die uitkering door de overledene op enig moment tijdens zijn leven.
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het geval dat de overledene premie verschuldigd was ter zake van een verzekering welke tot uitkering zou komen bij zijn overlijden, maar waarbij hij de rechten op de polis tijdens zijn leven heeft overgedragen aan een ander, bijvoorbeeld de begunstigde (veelal de echtgenoot of partner), of waarbij de rechten op de polis bij wijziging van het huwelijksgoederenregime of echtscheiding zijn toegescheiden aan de (gewezen) echtgenoot.
In § 5 wordt nader ingegaan op de vraag wanneer er in dergelijke situaties vanuit gegaan mag worden dat er niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene.
§ 2.11. Samenhang afzonderlijk afgesloten verzekeringen
De enkele omstandigheid dat verzekeringen op afzonderlijke polissen zijn afgesloten en de overledene geen premie verschuldigd was voor de verzekering welke tot uitkering komt bij zijn overlijden, houdt – nog afgezien van het huwelijksgoederenregime of samenlevingscontract – niet per definitie in dat ter zake van die uitkering niets aan zijn vermogen kan zijn onttrokken. Zo kan de samenhang met een andere, door de overledene afgesloten, verzekering zodanig zijn dat er voor de uitkering toch iets aan diens vermogen is onttrokken. Samenhang tussen verzekeringen kan worden geconstateerd indien bepaalde componenten van de verzekeringen, zoals bijvoorbeeld looptijd en premies, op elkaar zijn afgestemd.
Indien de onderlinge samenhang tussen afzonderlijke polissen een premievoordeel oplevert, zal in ieder geval het premievoordeel naar evenredigheid aan de verschillende verzekeringen moeten worden toegerekend volgens de systematiek die is aangegeven in § 4.5 e.v.
§ 3.1. Definitie
Onder de overlijdensverzekering op één leven wordt in het navolgende verstaan de verzekering op het leven van de verzekerde welke tot uitkering komt bij overlijden van de verzekerde.
§ 3.2. Verschuldigdheid
Voor de beantwoording van de vraag of bij overlijden van de verzekerde ter zake van de uitkering iets is onttrokken aan diens vermogen zal overeenkomstig het gestelde in § 2.2 allereerst beoordeeld moeten worden wie de premie voor de verzekering verschuldigd was.
§ 3.3. Premie verschuldigd door de overledene, diens echtgenoot of partner of door een ander
Wanneer de premie voor de verzekering geheel of gedeeltelijk verschuldigd was door de overledene (verzekerde), dan is er ter zake van de uitkering bij overlijden iets aan diens vermogen onttrokken.
Was premie verschuldigd door de echtgenoot of partner van de overledene dan zal beoordeeld moeten worden of het huwelijksgoederenregime resp. het samenlevingscontract ‘de gekozen constructie kan dragen’. In dit verband zij verwezen naar hetgeen hieromtrent is vermeld in § 2.5 tot en met § 2.8.
Was de premie verschuldigd door een ander dan de verzekerde of diens echtgenoot of partner, dan zal er bij overlijden van de verzekerde normaliter niets aan diens vermogen onttrokken zijn ter zake van de uitkering. Wel kan in een dergelijk geval heffing van schenkingsrecht aan de orde komen, indien de premieplichtige een ander is dan de begunstigde.
§ 3.4. Overdracht en toescheiding lopende polis
Voorts kan voor de vraag of iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene nog van belang zijn hetgeen in § 2.9, § 2.10 en § 5 is opgenomen met betrekking tot het tijdstip van beoordeling en de overdracht en toescheiding van een lopende polis.
§ 4.1. Premiesplitsing
Bij bepaalde levensverzekeringsvormen is het niet ongebruikelijk dat met de verzekeraar een ‘premiesplitsing’ wordt overeengekomen. In deze paragraaf wordt met betrekking tot een drietal verzekeringsvormen, te weten de overlijdensverzekering op twee levens, de gemengde verzekering op één leven en de gemengde verzekering op twee levens, aangegeven onder welke voorwaarden een premiesplitsing tot gevolg kan hebben dat er ter zake van de uitkering bij overlijden niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene.
In § 4.3 worden de betreffende verzekeringsvormen gedefinieerd. In § 4.4 worden de voorwaarden geschetst die betrekking hebben op alle drie de verzekeringsvormen. In § 4.5 wordt voor de verschillende verzekeringsvormen specifiek aangegeven op welke wijze de premie gesplitst moet zijn. In § 4.6 wordt aangegeven in hoeverre de voorwaarden van toepassing zijn op andere gemengde verzekeringen.
§ 4.2. Geen premiesplitsing
Indien met betrekking tot de onderwerpelijke verzekeringen de volledige premie door één persoon verschuldigd is, m.a.w. er is geen premiesplitsing overeengekomen, geldt voor de vraag of ter zake van de uitkering bij overlijden iets aan het vermogen van de overledene is onttrokken in principe hetzelfde als ten aanzien van een overlijdensverzekering op één leven. Zie § 3.
§ 4.3. Definities
De overlijdensverzekering op twee levens
Onder de overlijdensverzekering op twee levens wordt in het navolgende verstaan de verzekering op de levens van twee verzekerden, welke tot uitkering komt bij het eerste overlijden van een van beide verzekerden.
Een premiesplitsing zal inhouden dat de premie wordt gesplitst in een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij het overlijden van de ene verzekerde als eerste en een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij het overlijden van de andere verzekerde als eerste.De gemengde verzekering op één leven
Onder de gemengde verzekering op één leven wordt in het navolgende verstaan de verzekering op het leven van de verzekerde welke tot uitkering komt op de einddatum van de verzekering indien de verzekerde in leven is dan wel bij overlijden van de verzekerde vóór de einddatum, waarbij de premieverschuldigdheid alleen afhankelijk is van het leven van de verzekerde.
Een premiesplitsing zal inhouden dat de premie wordt gesplitst in een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij leven en een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden.
Bij overlijden van de premieplichtige voor het overlijdensgedeelte van de verzekering gaat de premieplicht, zolang de verzekerde nog in leven is over op de erfgenamen van de premieplichtige.De gemengde verzekering op twee levens
Onder de gemengde verzekering op twee levens wordt in het navolgende verstaan de verzekering op de levens van twee verzekerden, welke tot uitkering komt op de einddatum van de verzekering indien beide verzekerden in leven zijn dan wel bij het eerste overlijden van een van beide verzekerden vóór de einddatum.
Een premiesplitsing zal inhouden dat de premie wordt gesplitst in een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij leven van beide verzekerden, een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij het overlijden van de ene verzekerde als eerste en een gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij het overlijden van de andere verzekerde als eerste.
§ 4.4. Voorwaarden bij premiesplitsing
Wanneer partijen bij een van de onderwerpelijke verzekeringen de ter zake van die verzekering verschuldigde premie gesplitst hebben, wordt er door mij van uitgegaan dat er voor de uitkering bij overlijden niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene, indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:Voorwaarde 1 (verschuldigdheid)
Het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden was verschuldigd door een ander dan de overledene. Niet voldoende is dat het vorenbedoelde gedeelte van de premie door een ander betaald werd. Niet de betaling, maar de verschuldigdheid is beslissend. Zie in dit verband ook § 2.2 en § 2.3.Voorwaarde 2 (overeenkomst met verzekeraar)
De splitsing van de premie werd door de premieplichtigen overeengekomen met de verzekeraar. De verschuldigdheid jegens de verzekeraar van de premiegedeelten door de verschillende premieplichtigen moet blijken uit de polis of een bij de polis behorend clausuleblad én een door alle premieplichtigen ondertekend en gedagtekend aanvraagformulier.
Een premiesplitsing die niet met de verzekeraar werd overeengekomen mist in dit verband dus fiscale betekenis.Voorwaarde 3 (huwelijksgoederenregime/samenlevingscontract)
Het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden mag op grond van het huwelijksgoederenregime of het samenlevingscontract niet toch ten laste van het vermogen van de verzekerde zijn gekomen. Zie in dit verband § 2.5 tot en met § 2.8.Voorwaarde 4 (overdracht, toescheiding en wijziging lopende polis)
Voor de beoordeling of iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene is het tijdstip van overlijden beslissend. Bij de beoordeling dient hetgeen is opgenomen in § 2.9, § 2.10 en § 5 met betrekking tot beoordelingstijdstip en overdracht, toescheiding en wijziging van een lopende polis te worden meegenomen.Voorwaarde 5 (wijze van premiesplitsing)
Voor de uitwerking van deze voorwaarde wordt verwezen naar § 4.5.
§ 4.5. Specifieke voorwaarde wijze van premiesplitsing
Voorwaarde 5 luidt voor de in § 4.3 omschreven verzekeringsvormen als volgt:A. De overlijdensverzekering op twee levens
Het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden van de ene verzekerde en het gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden van de andere verzekerde waren ten minste gelijk aan de aandelen van die overlijdensgedeelten in de verschuldigde premie naar verhouding van de zuiver actuariële premiebestanddelen voor de uitkeringen op elk leven afzonderlijk.B. De gemengde verzekering op één leven
Het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden was ten minste gelijk aan het aandeel van het overlijdensgedeelte in de verschuldigde premie naar verhouding van de zuiver actuariële premiebestanddelen voor de afzonderlijke uitkeringen bij leven en overlijden.C. De gemengde verzekering op twee levens
Het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden van de ene verzekerde en het gedeelte dat betrekking heeft op de uitkering bij overlijden van de andere verzekerde waren ten minste gelijk aan de aandelen van die overlijdensgedeelten in de verschuldigde premie naar verhouding van de zuiver actuariële premiebestanddelen voor de uitkeringen bij leven en die bij overlijden op elk leven afzonderlijk.
Voorts geldt met betrekking tot voorwaarde 5 meer in het algemeen het volgende:Hoogte overlijdensuitkering
Voor de vorenbedoelde premiebestanddelen die betrekking hebben op de afzonderlijke uitkering(en) bij overlijden dient steeds te worden uitgegaan van de premie voor het volledige bedrag van de uitkering. Een premie die slechts betrekking heeft op het zogenaamde risicokapitaal is dus niet voldoende.Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid
Indien in de verzekeringsovereenkomst een premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is opgenomen dient onder het begrip ‘verschuldigde premie’ te worden verstaan de premie inclusief de premieopslag voor de premievrijstelling.Winstdeling
Indien in de verzekeringsovereenkomst een recht op winst- of overrentedeling of iets vergelijkbaars is opgenomen zal dit recht afzonderlijk moeten worden berekend voor de afzonderlijke delen van de overeenkomst. Er mag dus geen sprake zijn van winstoverheveling vanuit het levendeel naar het overlijdensdeel.Toepassing premiesplitsing na premieverhoging
Indien de verzekerde kapitalen worden verhoogd zal de verzekeraar ook voor deze verhoging de zuiver actuariële premies moeten vaststellen voor elk van de afzonderlijke delen van de overeenkomst. Na deze premieverhoging ontmoet het bij mij geen bezwaar als de totale premie gesplitst wordt in verhouding tot de som van de actuariële premies voor de afzonderlijke delen. Er hoeft derhalve bij de toerekening van de totale premie voor elke verhoging van de premie geen afzonderlijke berekening van de premiesplitsing te worden bijgehouden.
Zie bijlage voor voorbeelden.
§ 4.6. Gelding van voorwaarden bij andere verzekeringen
De voorwaarden 1 tot en met 4 gelden voor alle gemengde verzekeringen (zowel guldens- als beleggingsverzekeringen), waarbij premiesplitsing is overeengekomen.
De wijze waarop de premie gesplitst moet worden (voorwaarde 5), zal voor iedere specifieke verzekeringsvorm aan de hand van de inhoud van de verzekeringsovereenkomst bepaald moeten worden.
Uitgangspunt zal hierbij steeds moeten zijn een toerekening van premiecomponenten naar evenredigheid van de zuiver actuariële premiebestanddelen voor de verschillende uitkeringen.
§ 4.7. Behandeling afzonderlijke verzekeringen in geval van samenhang
Indien de in § 4 genoemde verzekeringen niet als één verzekering op één polis worden afgesloten, maar als twee afzonderlijke verzekeringen op twee polissen (eventueel met een verbindingsclausule), zal voor wat betreft de vraag of er iets is onttrokken aan het vermogen van de erflater derhalve materieel hetzelfde gelden als hetgeen in § 4.4 tot en met § 4.6 is gesteld met betrekking tot verschuldigdheid, huwelijksgoederenregime, samenlevingscontract en hoogte van de verschuldigde premie.
§ 5.1. Overdracht
Met betrekking tot de in § 2.10 bedoelde situatie mag er in geval van overdracht van de rechten op de polis van worden uitgegaan dat er ter zake van de overlijdensuitkering niets aan het vermogen van de overledene is onttrokken indien aan het volgende is voldaan:
1. de overdracht geschiedt tegen de waarde in het economische verkeer van de lopende polis;
2. de verkrijger is vanaf het tijdstip van de overdracht de premie verschuldigd;
3. indien is overgedragen aan de echtgenoot of partner zal voorts het huwelijksgoederenregime resp. het samenlevingscontract ‘de constructie moeten kunnen dragen’. Zie in dit verband § 2.5 tot en met 2.8.
§ 5.2. Toescheiding
Met betrekking tot de in § 2.10 bedoelde situatie mag er in geval van toescheiding van de rechten op de polis aan de (gewezen) echtgenoot (bijvoorbeeld bij wijziging van het huwelijksgoederenregime of bij echtscheiding) van worden uitgegaan dat er ter zake van de overlijdensuitkering niets aan het vermogen van de overledene is onttrokken indien aan het volgende is voldaan:
1. bij de toescheiding vindt verrekening plaats op basis van de waarde in het economische verkeer van de lopende polis;
2. degene aan wie is toegescheiden is vanaf het tijdstip van de toescheiding de premie verschuldigd;
3. indien is toegescheiden bij wijziging van de huwelijksvoorwaarden zal voorts het huwelijksgoederenregime ‘de constructie moeten kunnen dragen’. Zie in dit verband § 2.5 tot en met 2.8.
§ 5.3. Premiesplitsing tijdens looptijd verzekering
Ook indien echtgenoten of partners eerst tijdens de looptijd van de verzekering overgaan tot premiesplitsing, en de premie tot het tijdstip van premiesplitsing verschuldigd was door de verzekerde, zal om te bewerkstelligen dat ter zake van de uitkering bij overlijden gesteld kan worden dat niets is onttrokken aan het vermogen van de overledene (de verzekerde) verrekening moeten plaatsvinden. In dit geval mag ervan worden uitgegaan dat er ter zake van de overlijdensuitkering niets aan het vermogen van de overledene is onttrokken indien aan het volgende is voldaan:
1. de echtgenoot of partner van de verzekerde vergoedt aan de verzekerde de waarde in het economische verkeer, die de overlijdenscomponent van de lopende polis heeft op het tijdstip van de premiesplitsing.
2. vanaf het tijdstip van premiesplitsing wordt voldaan aan het gestelde in § 4.
§ 5.4. Gemengde verzekeringen
In geval van een overdracht of toescheiding van een gemengde verzekering, mag bij de toepassing van hetgeen is gesteld onder punt 1 van § 5.1 en § 5.2 uitgegaan worden van de waarde die kan worden toegerekend aan de overlijdenscomponent van de verzekering.
Overigens zij erop gewezen dat een en ander alleen betrekking heeft op de toepassing van artikel 13 van de Successiewet 1956. Dit betekent dat indien ten aanzien van een gemengde verzekering slechts een vergoeding plaatsvindt voor de overlijdenscomponent heffing van schenkingsrecht aan de orde kan komen ten aanzien van de levencomponent.
§ 5.5. Waarde in het economische verkeer
De waarde in het economische verkeer van een lopende polis zal, voor zover het een overlijdensverzekering betreft, doorgaans gesteld kunnen worden op de reservewaarde van die overlijdensverzekering. Deze kan bepaald worden op de contante waarde (koopsom) van het verschil in premie van de oorspronkelijke verzekering en de premie die in dat geval voor een nieuwe verzekering met hetzelfde kapitaal bij overlijden met eenzelfde resterende looptijd verschuldigd zou zijn.
Bij de vaststelling van de waarde zal in ieder geval rekening moeten worden gehouden met alle feiten en omstandigheden (m.n. de gezondheidstoestand van de verzekerde) die van belang zouden zijn bij het afsluiten van een nieuwe verzekering. De waarde van een polis kan door bepaalde omstandigheden beduidend hoger zijn dan de reservewaarde welke die polis onder normale omstandigheden zou hebben. Zo zal de waarde van een polis die wordt overgedragen of toegescheiden op een moment dat de gezondheidstoestand van de verzekerde slecht is aanzienlijk boven de normale reservewaarde van de polis kunnen liggen. Geschiedt de overdracht of toescheiding in het zicht van overlijden van de verzekerde dan zal de waarde dicht aanliggen tegen het bedrag van de uitkering bij overlijden.
Bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer speelt ook de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid een rol. Voor reeds (gedeeltelijk) premievrije verzekeringen zal bij de waardeberekening met deze premievrijstelling rekening gehouden moeten worden.
§ 5.6. Intrekking resolutie
De resolutie van 23 november 1955, nr. 144, PW 16361, wordt hierbij ingetrokken.
§ 6. Regeling voor lopende polissen
Voldoet een lopende polis met een premiesplitsing niet aan het gestelde in deze mededeling, dan zal een overlijdensuitkering krachtens die polis in de heffing van successierecht worden betrokken.
Ik ben evenwel bereid om onder voorwaarden voor deze polissen een regeling te treffen die – eenvoudig gezegd – inhoudt dat in bepaalde situaties de polis in overeenstemming mag worden gebracht met het gestelde in deze mededeling zonder dat enige verrekening tussen premieplichtigen hoeft plaats te vinden. Herstel dient in dat geval plaats te vinden vóór 1 juli 1998. Komt een dergelijke gewijzigde polis door overlijden tot uitkering, dan zal de beoordeling van de vraag of successierecht verschuldigd is, geschieden aan de hand van de polis zoals die luidde na wijziging. Bij die beoordeling wordt dan voorbijgegaan aan de situatie zoals die bestond tot het moment van wijziging. Bij de besluiten van 18 juni 1998, nr. VB98/1169 en 24 juni 1999, nr. VB 1999-1337 is de overgangsregeling vervolgens verlengd tot 1 juli 2000, mits de betreffende verzekeringsvorm op 30 juni 1998 bestond. Onder een lopende verzekering wordt hier verstaan een verzekering die was afgesloten vóór 1 juli 2000. De goedkeurende regeling geldt voor de gevallen beschreven in § 6.1, § 6.2 en § 6.3.
Voorts is in § 6.4 een regeling opgenomen voor uitkeringen door overlijdens vóór 1 juli 1998, waarop het gestelde in § 6.1, § 6.2 en § 6.3 van toepassing is, terwijl de overeenkomst nog niet was aangepast zoals in die paragrafen is aangegeven.
§ 6.1. Situatie 1. Premieverschuldigdheid niet goed geregeld
De partijen bij een overeenkomst van levensverzekering hebben blijkens de polis of een bijbehorend clausuleblad beoogd de premie voor de overlijdensuitkering ten laste te laten komen van een andere persoon dan de verzekerde. Partijen zijn in dit kader wel overeengekomen dat de betaling van de premie van de overlijdensuitkering zal geschieden door die andere persoon en hebben dienovereenkomstig gehandeld, maar hebben de verschuldigdheid van de premie door die persoon niet geregeld zoals is aangegeven in § 2.2.
Met betrekking tot deze situatie keur ik goed dat de overeenkomst van levensverzekering op het punt van de verschuldigdheid geacht wordt vanaf het moment van aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst juist te zijn geredigeerd, indien de overeenkomst vóór 1 juli 1998 zodanig wordt gewijzigd dat de verschuldigdheid van de premie voor alle premieplichtigen blijkt uit de polis of een bij de polis behorend clausuleblad. Een door alle premieplichtigen ondertekend en gedagtekend aanvraagformulier is hierbij in het kader van deze regeling niet vereist.
Deze goedkeuring houdt dus in dat in deze situatie bij de beoordeling van de vraag of ter zake van de overlijdensuitkering iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene de premieverschuldigdheid zoals deze geldt na de wijziging als uitgangspunt wordt genomen.
Enige verrekening van premie hoeft in dit geval niet plaats te vinden.
§ 6.2. Situatie 2. Premiesplitsing niet goed geregeld
De partijen bij een overeenkomst van levensverzekering zijn blijkens de polis of een bijbehorend clausuleblad premiesplitsing overeengekomen en hebben dienovereenkomstig gehandeld. De premiesplitsing voldoet echter niet aan hetgeen dienaangaande is opgenomen in § 4.
Met betrekking tot deze situatie keur ik goed dat de overeenkomst van levensverzekering op het punt van de premiesplitsing geacht wordt vanaf het moment van aangaan van de oorspronkelijke overeenkomst juist te zijn geredigeerd, indien de overeenkomst vóór 1 juli 1998 zodanig wordt gewijzigd dat de premiesplitsing overeenkomstig het gestelde in § 4 is geregeld, en de wijziging blijkt uit de polis of een bij de polis behorend clausuleblad. Een door alle premieplichtigen ondertekend en gedagtekend aanvraagformulier is hierbij in het kader van deze regeling niet vereist.
Deze goedkeuring houdt dus in dat in deze situatie bij de beoordeling van de vraag of ter zake van de overlijdensuitkering iets is onttrokken aan het vermogen van de overledene de premiesplitsing zoals deze geldt na de wijziging als uitgangspunt wordt genomen.
Enige verrekening van premie hoeft in dit geval niet plaats te vinden.
§ 6.3. Situatie 3. Premieverschuldigdheid en premiesplitsing niet goed geregeld
Indien met betrekking tot een overeenkomst van levensverzekering zowel het in § 6.1 als het in § 6.2 gestelde van toepassing is, gelden beide goedkeuringen.
§ 6.4. Situatie 4. Overlijdensuitkeringen vóór 1 juli 1998
Met betrekking tot een overeenkomst van levensverzekering, als bedoeld in § 6.1, § 6.2 dan wel § 6.3, welke tot uitkering komt door overlijden van de verzekerde vóór 1 juli 1998, terwijl de overeenkomst nog niet is gewijzigd zoals is aangegeven in de desbetreffende paragraaf, keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat in dit geval de overeenkomst van levensverzekering op het punt van de premieverschuldigdheid en de premiesplitsing geacht wordt vanaf het moment van het aangaan daarvan te zijn geredigeerd overeenkomstig het gestelde in § 2.2 en § 4, mits de belastingplichtige ten genoegen van de bevoegde inspecteur een beroep doet op het in deze paragraaf gestelde vóórdat de aanslag onherroepelijk vaststaat.
Van onherroepelijk vaststaande aanslagen wordt niet teruggekomen.
§ 6.5. Geen premiesplitsing/ontoereikend huwelijksgoederenregime of samenlevingscontract
Voor situaties waarin tot de datum van deze mededeling geen premiesplitsing was overeengekomen en men alsnog een premiesplitsing wenst overeen te komen, geldt geen overgangsregeling. In dit verband zij verwezen naar § 5.3.
Voor situaties waarin het huwelijksgoederenregime of het samenlevingscontract de constructie niet kan dragen (zie § 2.5 tot en met § 2.8) bestaat evenmin een overgangsregeling.
Indien men in verband met hetgeen in deze mededeling is gesteld aangaande huwelijksgoederenregime of samenlevingscontract overgaat tot wijziging daarvan, zal voor de vraag of iets onttrokken is aan het vermogen van de overledene het gestelde in § 2.9, § 2.10 en § 5 in acht moeten worden genomen.
Inwerkingtreding.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.
Vervallen besluit
Het besluit van 19 maart 1997, nr. VB97/568 vervalt per 1 januari 2002.