Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ § 1. Begripsbepalingen
+ § 2. Aanvraag om subsidie
+ § 3. Nadere verplichtingen van de subsidie-ontvanger
+ § 4. Voorschotten
+ § 5. Subsidievaststelling
+ § 6. Overige bepalingen
+ § 7. Slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken

Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 28 februari 2008, nr. WJZ 8024263, tot vaststelling van algemene uitvoeringsregels voor de subsidieverstrekking op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie)
De Minister van Economische Zaken,
Gelet op artikel 31, negende lid, onderdeel d, van de Elektriciteitswet 1998 en de artikelen 3, derde lid, onder d, en zesde lid, 56, eerste en derde lid, 62, vierde lid, 63, tweede lid, 66, tweede en vierde lid, 68, vierde lid, en 70, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;
Besluit:
1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Minister: de Minister van Economische Zaken;
b. besluit: het Besluit stimulering duurzame energieproductie ;
c. garantiebeheerinstantie: de garantiebeheerinstantie als bedoeld in artikel 75 van de Elektriciteitswet 1998;
d. cumulatietoets: de toets aan de steunruimte zoals die is gemaximeerd in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PbEG 2008 C 82);
e. gasnetbeheerder: een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Gaswet;
f. productie-eenheid: een deel van een productie-installatie dat zelfstandig kan worden ingezet voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of de productie van hernieuwbaar gas;
g. ean-code: uniek 18-cijferig nummer dat dient om een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas of een aansluiting van een productie-installatie of een productie-eenheid op het net te identificeren;
h. richtlijn hernieuwbare energie: richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);
i. groen gas hub: een verzameling van productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas waarvoor voor de invoeding van het hernieuwbaar gas op een gasnet gezamenlijk een of meerdere aansluitingen worden gebruikt, waarmee gezamenlijk hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die nuttig wordt gebruikt of waarmee gezamenlijk hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd die op een elektriciteitsnet of installatie, met uitzondering van de productie-installatie, wordt ingevoed;
j. NTA 8003: 2008: de Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2008;
k. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw – met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen –, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, die geheel biologisch afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat geheel biologisch afbreekbaar is;
l. naar haar aard zuivere biomassa: de zuivere biomassa opgenomen in de NTA 8003:2008, met uitzondering van de groepsnummers 701, 709, 729, 800 tot en met 804, 809, 900 tot en met 904 en 909, waarbij brandstof na pyrolyse, torrefactie en carbonisatie worden toegevoegd aan de nummers 802, 803 en 804;
m. naar zijn aard zuiver biogas: stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas dat is ontstaan door inwerking van micro-organismen op biologisch afbreekbare materialen;
n. partij: de op basis van één specificatie geleverde hoeveelheid materiaal die voor controle op het aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch organische oorsprong door de producent, die door middel van het materiaal warmte opwekt, gedurende een door hem vastgestelde periode als eenheid wordt aangemerkt en als zodanig identificeerbaar is;
o. meetprotocol: een document waarin beschreven zijn de bemetering van een productie-installatie, de wijze van meten en de wijze van kwaliteitsborging van de meetgegevens ten aanzien van de hoeveelheden warmte en, voor zover van toepassing, de hoeveelheden brandstof die de installatie verbruikt en de wijze van bepaling van de calorische waarde van de brandstof;
p. meetrapport: een rapport dat alle meetgegevens van de desbetreffende kalendermaand bevat;
q. systeemgrens van de productie-installatie: een fictieve gesloten omhulling van één of meer productie-eenheden die dezelfde wijze van opwekking van warmte gebruiken;
r. toegelaten meetbedrijf: een meetbedrijf dat op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998, is toegelaten;
s. P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie: de netto elektriciteitsproductie waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en windturbine dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
t. bosbeheereenheid: een eenheid bos die wordt beheerd op basis van een beheersysteem met specifieke doelstellingen, overeenkomstig een langetermijnbeheerplan.
2.
Onder nuttig gebruik van hernieuwbare warmte als bedoeld in artikel 1, derde lid, van het besluit wordt verstaan: de warmte, uitgedrukt in kWh die vrijkomt uit hernieuwbare energiebronnen en die wordt aangewend voor:
a. gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen;
b. tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
c. verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:
1°. de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
2°. de inzet bij aardgasexpansie;
3°. het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;
4°. de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit;
5°. de verwarming van een installatie of een onderdeel daarvan, waarmee energie of een energiedrager wordt geproduceerd;
6°. de verwarming van opslagtanks van grondstoffen en producten die gebruikt worden om energie mee op te wekken;
d. klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepassingen;
e. levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen bedoeld onder a tot en met d.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel k, worden producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede industrieel en huishoudelijk afval, met een aandeel onvermijdbare kunststoffen en ander materiaal van langcyclisch organische oorsprong van ten hoogste 3,00 massaprocent per partij geacht geheel biologisch afbreekbaar te zijn.
1.
Het plan, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel d, van het besluit bevat in ieder geval:
a. een uitgewerkt tijdschema betreffende de ingebruikname van de productie-installatie dat de volgende gedateerde ijkmomenten bevat:
1°. het verstrekken van de opdrachten voor de levering van onderdelen voor de bouw van de productie-installatie;
2°. de aanvang van de bouw van de productie-installatie;
3°. de aanvang van de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas;
4°. de datum waarop de periode waarover subsidie wordt verstrekt moet aanvangen;
b. een exploitatieberekening die ten minste bevat:
1°. een specificatie van de investeringskosten per component van de productie-installatie;
2°. een overzicht van alle kosten- en baten van de productie-installatie; en
3°. een berekening van het projectrendement over de subsidielooptijd.
2.
In aanvulling op het eerste lid bevat het plan:
a. indien de aanvraag wordt ingediend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare energie uit waterkracht of biomassa, een energieopbrengstberekening;
b. indien de aanvraag wordt ingediend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas, een verklaring met prijsindicatie van de netbeheerder voor het invoeden van hernieuwbaar gas;
c. indien de aanvraag wordt ingediend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, een onderbouwing van de warmteafzet;
d. indien de aanvraag wordt ingediend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van geothermie, een geologisch rapport dat voldoet aan:
1°. het Model Geologisch Onderzoek SDE+, dat wordt opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 7 ,
het Model Geologisch Onderzoek, dat wordt opgesteld met gebruikmaking van het formulier dat is opgenomen in bijlage D, behorende bij het Aanvraagformulier Subsidieregeling Energie en Innovatie Risico’s dekken voor aardwarmte, opgenomen in bijlage 3.4.1. van de Subsidieregeling energie en innovatie , zoals deze luidde voor 2 oktober 2014, of
3°. het Model Geologisch Onderzoek, dat wordt opgesteld met gebruikmaking van het Model Geologisch Onderzoek dat is opgenomen in Bijlage 4.3.1, behorend bij artikel 4.3.1 van de Subsidieregeling nationale EZ-subsidies;
e. indien de aanvraag wordt ingediend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie, een windenergie-opbrengstberekening die is opgesteld door een onafhankelijke organisatie met expertise op het gebied van windenergie-opbrengstberekeningen, waarbij gebruik wordt gemaakt van gerenommeerde rekenmodellen, omgevingsmodellen, windmodellen en windkaarten en dat tenminste bevat:
1°. de locatiegegevens van het windpark,
2°. de technische specificaties van de beoogde windturbines (merk, type, ashoogte, rotordiameter en vermogenscurve),
3°. de lokale windgegevens voor het windpark, en
4°. een berekening van de P50-waarde voor de netto elektriciteitsproductie op jaarbasis van het windpark;
f. indien de aanvraag wordt ingediend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee, informatie die aannemelijk maakt dat tijdig zal zijn voldaan aan artikel 6.16g van het Waterbesluit.
3.
De financiële onderbouwing, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel e, van het besluit voldoet ten minste aan de volgende eisen:
a. het bevat een financieringsplan voor de productie-installatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd;
b. het biedt inzicht in het eigen vermogen van de aanvrager;
c. indien het aandeel van het eigen vermogen minder dan 20% van de investering in de productie-installatie bedraagt, bevat het een intentieverklaring van een financier voor de financiering van de productie-installatie waarvoor subsidie wordt aangevraagd, of in geval het een aanvraag om subsidieverlening voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee betreft een intentieverklaring van een financier voor de financiering van het resterende deel van die 20%.
4.
Indien de aanvraag wordt ingediend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee is het aandeel van het eigen vermogen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c:
a. indien de subsidie-aanvrager een samenwerkingsverband is, gelijk aan het aandeel van de eigen vermogens van de deelnemers aan het samenwerkingsverband tezamen, of
b. indien de subsidie-aanvrager een dochteronderneming is, gelijk aan het aandeel van de eigen vermogens van de moederonderneming en de dochteronderneming tezamen.
5.
Het overzicht, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel f, van het besluit wordt in geval van een aanvraag om subsidieverlening voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee ondertekend door elk van de deelnemers aan het samenwerkingsverband.
6.
Bij de berekening van de P50-waarde, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, onder 4°, van een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee wordt uitsluitend rekening gehouden met productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee die in gebruik zijn genomen voor 1 juli 2015.
7.
Het inzicht in het eigen vermogen, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt in geval van een aanvraag om subsidieverlening voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee geboden door verstrekking van de meest recent vastgestelde jaarrekening van de aanvrager, diens moederonderneming of de deelnemers aan het samenwerkingsverband. Het jaar waarop die jaarrekening betrekking heeft ligt ten hoogste drie kalenderjaren voor het jaar waarin de subsidie-aanvragen ten laatste worden ontvangen.
1.
De subsidie-ontvanger verstrekt de opdrachten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onderdeel 1°, binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening en zendt een afschrift aan de Minister.
2.
De subsidie-ontvanger rapporteert na de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot het moment van ingebruikname jaarlijks over de voortgang van de realisatie van de in het plan als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel d, van het besluit opgenomen ijkmomenten.
3.
De subsidie-ontvanger zendt de Minister binnen een jaar na de datum van ingebruikname van de productie-installatie een overzicht van de daadwerkelijke investeringskosten, van de reeds ontvangen subsidies en overige steun en van de nog te ontvangen subsidies en overige steun. Indien de verleende subsidie als bedoeld in de artikelen 16, 24, 33, 41, 49 en 55a van het besluit meer bedraagt dan € 125.000, gaat het overzicht vergezeld van een accountantsverklaring. De accountantsverklaring wordt opgesteld conform het model en het controleprotocol die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1 .
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op de ontvanger van subsidie voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van windenergie op zee.
5.
Het derde lid is niet van toepassing als de subsidieontvanger geen andere subsidie heeft ontvangen dan die op grond van het besluit en geen andere overige steun heeft ontvangen dan die op grond van artikel 3.42 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.
Artikel 4
De subsidie-ontvanger meet de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas per beschikking tot subsidieverlening.
1.
De subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft waarin biomassa wordt omgezet in hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas, zendt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar waarover een voorschot wordt verstrekt aan de minister een verklaring over de gebruikte biomassa met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2 .
2.
Indien aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft waarin door middel van thermische conversie vloeibare biomassa wordt omgezet in hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte uitsluitend subsidie wordt verstrekt voor zover de subsidie-ontvanger aantoont dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie, toont de subsidie-ontvanger dit aan middels de verklaring, bedoeld in het eerste lid, of middels voor de geproduceerde hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte geboekte garanties van oorsprong als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel x, van de Elektriciteitswet 1998.
3.
Een subsidie-ontvanger toont door middel van certificaten, afgegeven op basis van een certificeringsysteem waarvan de Europese Commissie op grond van artikel 18, vierde lid, van de richtlijn hernieuwbare energie heeft besloten dat deze accurate gegevens bevat met het oog op de toepassing van artikel 17 van de richtlijn hernieuwbare energie, aan dat vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
4.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een assurancerapport van een externe accountant dat is opgesteld met inachtneming van het onderzoeksprotocol assurancerapport biomassa, opgenomen in bijlage 3 , tenzij het een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 3 MW thermisch betreft.
5.
Uit het assurancerapport blijkt eenduidig per kalendermaand welke biomassagrondstoffen zijn ingezet en wat de aard en de verhouding van de in de productie-installatie verwerkte brandstoffen is in honderdste van procenten nauwkeurig.
6.
Indien paragraaf 3.3 van toepassing is gaat de accountant ten behoeve van het bepalen van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid, na of een juiste toepassing is gegeven aan de geëigende methode, bedoeld in de artikelen 7h en 7i.
Artikel 7
Een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft waarin vaste biomassa wordt omgezet in hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets geproduceerd uit vaste biomassa in een ketel met een vermogen groter dan of gelijk aan 10 MW, of die een productie-installatie bedrijft waarin vaste of gasvormige biomassa wordt omgezet in hernieuwbare elektriciteit, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van elektriciteit door middel van kolen waarin biomassa wordt meegestookt is verplicht gebruik te maken van biomassa die voldoet aan de duurzaamheidscriteria opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4 .
1.
De subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft waarin vaste biomassa wordt omgezet in hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets geproduceerd uit vaste biomassa in een ketel met een vermogen groter dan of gelijk aan 10 MW, zendt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar waarover een voorschot wordt verstrekt aan de minister een verklaring waaruit blijkt dat de gebruikte biomassa aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 7, voldoet, met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
2.
De subsidie-ontvanger toont voor het deel van de rapportage betreffende houtige biomassa dat betrekking heeft op het duurzaam bosbeheer op regionaal niveau of op het niveau van de bosbeheereenheid aan dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan, met uitzondering van biomassa:
a. die voor 2020 afkomstig is uit een bosbeheereenheid groter of gelijk aan 1.000 hectare, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan,
b. die van 2020 tot 2022 afkomstig is uit een bosbeheereenheid groter of gelijk aan 800 hectare, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan,
c. die van 2022 tot 2026 afkomstig is uit een bosbeheereenheid groter of gelijk aan 500 hectare, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan,
d. die vanaf 2026 wordt gebruikt, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan.
3.
De subsidie-ontvanger kan voor het deel van de rapportage betreffende houtige biomassa dat betrekking heeft op het duurzaam bosbeheer, in afwijking van het tweede lid, overeenkomstig artikel 7b, tweede en derde lid, aantonen dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan.
1.
De subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft waarin vaste of gasvormige biomassa wordt omgezet in hernieuwbare elektriciteit, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van elektriciteit door middel van kolen waarin biomassa wordt meegestookt, zendt binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar waarover een voorschot wordt verstrekt aan de minister een verklaring waaruit blijkt dat de gebruikte biomassa aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 7, voldoet, met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.
2.
De subsidie-ontvanger toont voor het deel van de rapportage betreffende houtige biomassa afkomstig uit een bosbeheereenheid die kleiner is dan 500 hectare dat betrekking heeft op het duurzaam bosbeheer op regionaal niveau of op het niveau van de bosbeheereenheid aan dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan, met uitzondering van:
a. de laatste twee jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2015 of 2016 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan,
b. de laatste drie jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2017 of 2018 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan,
c. de laatste vier jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2019 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan,
d. de laatste vijf jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die in 2020 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan,
e. een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft die na 2020 in gebruik of opnieuw in gebruik is genomen, waarvoor voor de gehele subsidieperiode op het niveau van de bosbeheereenheid wordt aangetoond dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan.
3.
De subsidie-ontvanger toont voor het deel van de rapportage betreffende houtige biomassa afkomstig uit een bosbeheereenheid groter dan of gelijk aan 500 hectare dat betrekking heeft op het duurzaam bosbeheer op het niveau van de bosbeheereenheid aan dat aan de duurzaamheidscriteria is voldaan.
Artikel 7g
Indien de subsidie-ontvanger voor de productie van hernieuwbare warmte gebruik maakt van warmte brengt het toegelaten meetbedrijf de hoeveelheid gebruikte warmte in mindering op de hoeveelheid geproduceerde hernieuwbare warmte.
1.
Indien in een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte zuivere biomassa wordt verwerkt, verklaart de subsidie-ontvanger bij de overlegging van het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 7e, eerste lid, dat hij door middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt dat het materiaal waaruit de duurzame warmte wordt opgewekt, is aan te merken als zuivere biomassa.
2.
In afwijking van het eerste lid, hanteert de subsidie-ontvanger, indien in de productie-installatie biomassa die een behandeling heeft ondergaan, zoals pyrolyse, torrefactie, carbonisatie, wordt verwerkt, een daartoe geëigende methode om vast te stellen dat de biomassa vóór bewerking is aan te merken als zuivere biomassa.
3.
Indien in de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte niet-zuivere biomassa wordt verwerkt, verklaart de subsidie-ontvanger bij de overlegging van het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 7e, eerste lid, dat hij door middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt wat het biologisch afbreekbare gedeelte is van de niet-zuivere biomassa waaruit de hernieuwbare warmte wordt opgewekt. Het biologisch afbreekbare gedeelte dient te worden bepaald op grond van de energiebasis met twee decimalen nauwkeurigheid.
4.
Indien de hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas, verklaart de subsidie-ontvanger bij de overlegging van het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 7e, eerste lid, dat hij gedurende de periode waarop de verklaring betrekking heeft, door middel van naar haar aard zuivere biomassa of naar zijn aard zuiver biogas hernieuwbare warmte zal produceren.
5.
Indien in een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte niet naar zijn aard zuiver biogas of niet-zuiver biogas wordt verwerkt, hanteert de subsidie-ontvanger ten aanzien van de grondstof die hij bij het ontstaan van dit biogas gebruikt een daartoe geëigende methode om aan de hand van bemonstering per partij vast te stellen dat het materiaal waaruit de duurzame warmte is opgewekt, is aan te merken als zuivere of als niet-zuivere biomassa.
1.
De methode van vaststelling, bedoeld in de artikel 7h, eerste, derde en vijfde lid, is geëigend als de subsidie-ontvanger ter zake van de werkzaamheden voor de bepaling van het biologisch afbreekbare gedeelte van de biomassa beschikt over:
a. een productcertificaat als bedoeld in de Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K 10016 voor de vaststelling van het aandeel biomassa in secundaire brandstoffen of
b. een schriftelijk bewijs dat hij voldoet aan vergelijkbare procesnormen als vastgelegd in de Kiwa-beoordelingsrichtlijn BRL-K 10016.
2.
De methode van vaststelling, bedoeld in artikel 7h, tweede lid, is geëigend als de subsidie-ontvanger beschikt over:
a. een certificaat behorend bij de biomassa die een behandeling heeft ondergaan, afgegeven door een certificeringsinstantie, waaruit blijkt dat de oorsprong van de biomassa van die partijen volledig is aan te merken als zuivere biomassa, en
b. het certificaat voldoet aan de eis dat dit per partij wordt aangebracht en gevolgd en gereproduceerd kan worden.
3.
De certificeringsinstantie is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie of een andere accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU 2008, L 218), of een accreditatie-instantie die is aangesloten bij het International Accreditation Forum.
1.
Indien de meegedeelde percentages van de in de productie-installatie verwerkte brandstoffen uit het meetrapport afwijken van de percentages van de in de productie-installatie verwerkte brandstoffen die uit het assurancerapport blijken, wordt bij de subsidieverstrekking uitgegaan van het assurancerapport.
2.
Indien het meetrapport, de biomassaverklaring of het assurancerapport niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 7f, eerste en tweede lid, artikel 6, eerste lid, respectievelijk artikel 6, vierde tot en met zesde lid, geeft de minister de subsidie-ontvanger vier weken de tijd om het meetrapport, de biomassaverklaring of het assurancerapport alsnog aan deze eisen te laten voldoen.
Artikel 7k
De subsidie-ontvanger kan de minister om toestemming verzoeken om, in afwijking van de artikelen 6, eerste lid, 7e, tweede en derde lid, 7f, vijfde lid, en 7h, eerste en vierde lid, de gegevensverstrekking via een voldoende gekwalificeerde derde te laten lopen.
1.
De Minister stelt een voorschot binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar bij aan de hand van:
a. de productie in het betreffende kalenderjaar waarover garanties van oorsprong zijn afgegeven,
b. de voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde correcties op grond van artikelen 14, vierde lid, 22, vierde lid, 31, vierde lid, 39, vierde lid, 47, vierde lid, en 54, vierde lid, van het besluit en
c. indien artikel 11, derde lid, onderdeel a, b of c, 28, derde lid, onderdeel a, b of c, of 44, derde lid, onderdeel a, b, of c, van het besluit van toepassing is, het aantal geproduceerde kWh aardgasequivalenten die voor subsidie in aanmerking komt, het aantal gerealiseerde vollasturen van de productie-installatie of het gerealiseerde rendement van de productie-installatie.
2.
De Minister verrekent een tekort aan verstrekte maandelijkse bedragen of een tekort op het jaarlijkse bedrag, als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, door het te weinig betaalde bedrag aan het voorschot binnen zes weken na de datum van bijstelling van het voorschot aan de subsidie-ontvanger te verstrekken.
3.
De minister verrekent een teveel aan verstrekte maandelijkse bedragen of een teveel op het verstrekte jaarlijkse bedrag als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, door het bedrag van het teveel betaalde voorschot aan de subsidie-ontvanger in mindering te brengen op het eerst volgende te verstrekken maandelijkse bedrag of op het eerst volgende te verstrekken jaarlijkse bedrag en vervolgens op zoveel maandelijkse of jaarlijkse bedragen als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen. Indien geen maandelijkse of jaarlijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt een teveel betaald voorschot teruggevorderd.
4.
De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger, voor voorschotten betaald tot en met 2012, een teveel aan verstrekte maandelijkse bedragen of een teveel op het verstrekte jaarlijkse bedrag als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, tot het teveel betaalde bedrag volledig is verrekend, verrekenen door het bedrag van het teveel betaalde voorschot aan de subsidieontvanger in delen in mindering te brengen op de volgende te verstrekken maandelijkse bedragen of op de volgende te verstrekken jaarlijkse bedragen. Indien geen maandelijkse of jaarlijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt een teveel betaald voorschot teruggevorderd.
1.
De productie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, in verband met een beschikking op een aanvraag die op of na 1 december 2015 is ingediend, wordt verminderd met het aantal kWh dat is ingevoed op een elektriciteitsnet gedurende elke periode waarin de prijs van elektriciteit negatief is, tenzij desbetreffende periode korter dan zes uur duurt.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een subsidieontvanger van wie het nominaal geïnstalleerd vermogen voor elektriciteitsproductie per aansluiting op het elektriciteitsnet minder dan 500 kW bedraagt of, indien het de productie van elektriciteit uit windenergie betreft, minder dan 3 MW bedraagt.
1.
Het in artikel 68, eerste lid, van het besluit bedoelde maandelijkse bedrag bedraagt één-twaalfde van 80% van het product van:
a. de in beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, waar de minister op verzoek van de producent, het aantal kWh, bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid, 23, derde of vierde lid, 32, derde of vierde lid, 40, derde of vierde lid, 48, derde of vierde lid, of 55, derde of vierde lid, van het besluit, bij op kan tellen, en
b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:
1°. basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, of 28, derde lid, onderdeel c, of 44, derde lid, onderdeel c, van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, of 47, vijfde lid, van het besluit,
2°. het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, vijfde lid, 39, vijfde lid, of 54, vijfde lid, van het besluit, of
3°. fasebedrag, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, of 47, vijfde lid, van het besluit.
2.
Het in artikel 68, eerste lid, van het besluit bedoelde jaarlijkse bedrag bedraagt 80% van het product van:
a. de in beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, waar de minister op verzoek van de producent, het aantal kWh, bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid, 23, derde of vierde lid, 32, derde of vierde lid, 40, derde of vierde lid, 48, derde of vierde lid, of 55, derde of vierde lid, van het besluit, bij op kan tellen, en
b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:
1°. basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, of 28, derde lid, onderdeel c, of 44, derde lid, onderdeel c, van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, of 47, vijfde lid, van het besluit,
2°. het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, vijfde lid, 39, vijfde lid, of 54, vijfde lid, van het besluit, of
3°. fasebedrag, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, of 47, vijfde lid, van het besluit.
3.
Indien de subsidieperiode start op een andere datum dan 1 januari of eindigt op een andere datum dan 31 december bedraagt voor het eerste jaar respectievelijk het laatste jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt het maandelijkse of jaarlijkse bedrag een evenredig deel van het aantal maanden of van het jaar waarover het voorschot wordt verstrekt.
4.
De minister kan het maandelijkse of jaarlijkse bedrag herberekenen indien:
a. de subsidie-ontvanger een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 62, derde lid, van het besluit, indient;
b. de maandelijkse productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas gedurende ten minste twee maanden ten minste 50 procent zal achterblijven dan wel achter is gebleven ten opzichte van de in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen maximum productie in kWh aardgasequivalent;
c. de minister na het begin van de voorschotverlening meer dan een maand geen productiegegevens heeft ontvangen over de betreffende productie-installatie, of
d. de cumulatieve productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas in het betreffende kalenderjaar ten minste 20% zal achterblijven dan wel achter is gebleven ten opzichte van de in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen maximum productie in kWh aardgasequivalent.
5.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, ten eerste, kan de Minister van een lager basisbedrag uitgaan indien het rendement van de productie-installatie gedurende ten minste twee jaar structureel is achtergebleven ten opzichte van het in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen rendement.
Artikel 10
Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5 .
1.
Voor de toepassing van artikel 3, eerste en tweede lid, van het besluit geldt dat geen sprake is van dezelfde productie-installatie wanneer:
a. het een productie-installatie op een andere locatie betreft;
b. het een productie-installatie met een andere opwekkingstechnologie betreft.
2.
Onverminderd het eerste lid geldt voor de toepassing van artikel 3, eerste en tweede lid, van het besluit dat geen sprake is van dezelfde productie-installatie wanneer het een productie-installatie betreft waarvan het vermogen meer dan 20% afwijkt ten opzichte van het vermogen van een productie-installatie waarvoor eerder een beschikking tot subsidieverlening is verstrekt, indien de beschikking tot subsidieverlening voor 1 juli 2011 is ingetrokken of de subsidie voor 1 juli 2011 is vastgesteld.
1.
Onder ingrijpende uitbreiding als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, van het besluit wordt verstaan een uitbreiding van een bestaande productie-installatie met ten minste één productie-eenheid.
2.
In afwijking van het eerste lid wordt bij een afvalverbrandingsinstallatie onder ingrijpende uitbreiding verstaan een uitbreiding met tenminste een nieuwe verbrandingsoven met bijbehorende ketel en een rookgasreiniginginstallatie.
3.
Onder gehele vervanging als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, van het besluit wordt verstaan het vervangen van de gehele productie-installatie door een nieuwe productie-installatie.
4.
Onder renovatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, tweede lid, onderdeel c en derde lid, onderdeel c, van het besluit wordt verstaan het in nieuwstaat brengen van die voorzieningen van een productie-installatie die zorg dragen voor de omzetting van hernieuwbare energiebronnen in elektriciteit of gas.
1.
De Minister deelt de garantiebeheerinstantie per productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarvoor subsidie op grond van het besluit is verleend de locatiegegevens, de ean-code en andere voor de subsidieverlening relevante informatie mee.
2.
De garantiebeheerinstantie deelt de Minister per productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarvoor subsidie op grond van het besluit is verleend het aantal kWh waarvoor garanties van oorsprong is verstrekt mee.
3.
De garantiebeheerinstantie verstrekt op verzoek van de Minister alle overige voor de subsidieverlening relevante informatie.
1.
In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van:
c. artikel 29, eerste lid, onderdeel b, of 54, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010,
met ingang van 1 juli 2011 ten hoogste 50 procent van de massa die wordt vergist laten bestaan uit biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2008, met uitzondering van de nummers 410, 420, 500, 550 tot en met 559.
2.
In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van:
b. artikel 29, eerste lid, onderdeel c, of 54, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010,
met ingang van 1 juli 2011 biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2008: 430, 587 en 592 gebruiken.
3.
In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van artikel 21, eerste lid, onderdeel c, of 44, eerste lid, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011 met ingang van 1 januari 2011 biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2008: 587 en 592 gebruiken.
4.
In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers met een productie-installatie op een landbouwbedrijf aan wie subsidie is verstrekt op grond van artikel 116, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, met ingang van 4 april 2013 tevens uitsluitend plantaardige stoffen vermeld onder de categorieën A tot en met G1 onder categorie 1 van Bijlage Aa, onderdeel IV, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vergisten.
5.
Als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarvoor subsidie is verstrekt op grond van:
Artikel 14a
Productie-installaties, met uitzondering van productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008 , de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 , de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010 en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011 , worden met ingang van 1 januari 2012 aangewezen als productie-installaties als bedoeld in de artikelen 15, derde lid, 32, derde lid, of 48, derde lid, van het besluit.
Artikel 14b
Productie-installaties, met uitzondering van productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, waarvoor subsidie is verstrekt op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008 , de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 , de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010 , de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011 , de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012 , de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013 en de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014 , worden met ingang van 1 januari 2015 aangewezen als productie-installaties als bedoeld in de artikelen 15, vierde lid, 32, vierde lid, of 48, vierde lid, van het besluit, met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in de artikel 15, vierde lid, 32, vierde lid, of 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
Artikel 14c
De vermindering van de productie die op grond van artikel 8a wordt toegepast, wordt tevens toegepast op het aantal kWh dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking komt, bedoeld in artikel 15, tweede lid, en artikel 23, tweede lid, van het besluit.
Artikel 15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit stimulering duurzame energieproductie in werking treedt.
Artikel 16
Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Dokter van Deenweg 108, 8025 BK Zwolle.
Den Haag, 28 februari 2008
De
Minister