Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
General Agreement on Tariffs and Trade
Article I. 3) General Most-Favoured-Nation Treatment
Article II. 1) Schedules of Concessions
Article III. 1) National Treatment on Internal Taxation and Regulation
Article IV. Special Provisions relating to Cinematograph Films
Article V. Freedom of Transit
Article VI. 1) Anti-dumping and Countervailing Duties
Article VII. 1) Valuation for Customs Purposes
Article VIII. 1) Fees and Formalities connected with Importation and Exportation
Article IX. 1) Marks of Origin
Article X. Publication and Administration of Trade Regulations
Article XI. 1) General Elimination of Quantitative Restrictions
Article XII. 1) Restrictions to Safeguard the Balance of Payments
Article XIII. 1) Non-discriminatory Administration of Quantitative Restrictions
Article XIV. 1) Exceptions to the Rule of Non-discrimination
Article XV. 1) Exchange Arrangements
Article XVI. 1) Subsidies
Article XVII. 1) State Trading Enterprises
Article XVIII. 1) Governmental Assistance to Economic Development
Article XIX. 1) Emergency Action on Imports of Particular Products
Article XX. 1) General Exceptions
Article XXI. 1) Security Exceptions
Article XXII. 2) Consultation
Article XXIII. 1) Nullification or Impairment
Article XXIV. 1) Territorial Application – Frontier Traffic – Customs Unions and Free-trade Areas
Article XXV. 1) Joint Action by the Contracting Parties
Article XXVI. 2) Acceptance, Entry into Force and Registration
Article XXVII. 1) Withholding or Withdrawal of Concessions
Article XXVIII. 1) Modification of Schedules
Article XXVIII bis. 1) Tariff Negotiations
Article XXIX. 1) The Relation of this Agreement to the Havana Charter
Article XXX. Amendments
Article XXXI. 1) Withdrawal
Article XXXII. 2) Contracting Parties
Article XXXIII. 3) Accession
Article XXXIV. Annexes
Article XXXV. 2) Non-application of the Agreement between particular Contracting Parties
Article XXXVI. Principles and Objectives
Article XXXVII. Commitments
Article XXXVIII. Joint Action
Annex A. 1) List of territories referred to in paragraph 2 (a) of Article I
Annex B. 1) List of territories of the French Union referred to in paragraph 2 (b) of Article I
Annex C. 1) List of territories referred to in paragraph 2 (b) of Article I as respects the Customs Union of Belgium, Luxemburg and the Netherlands
Annex D. List of territories referred to in paragraph 2 (b) of Article I as respects the United States of America
Annex E. List of territories covered by preferential arrangements between Chile and neighbouring countries referred to in paragraph 2(d) of Article I
Annex F. List of territories covered by preferential arrangements between Lebanon and Syria and neighbouring countries referred to in paragraph 2(d) of Article I
Annex G. Dates establishing maximum margins of preference referred to in paragraph 3 of article I 1)
Annex H. 1) Percentage shares of total external trade to be used for the purpose of making the determination referred to in Article XXVI
Annex I. Notes and Supplementary Provisions 1)
Annex J. Exceptions to the rule of non-discrimination 3)
Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel
Artikel I. Algehele meestbegunstiging
Artikel II. Concessielijsten
Artikel III. Nationale behandeling op het gebied van binnenlandse belastingen en regelingen
Artikel IV. Bijzondere voorschriften nopens cinematografische films
Artikel V. Vrijheid van doorvoer
Artikel VI. Anti-dumping- en compenserende rechten
Artikel VII. Bepaling van de belastbare in- en uitvoerwaarde
Artikel VIII. Retributies en formaliteiten bij in- en uitvoer
Artikel IX. Merken van oorsprong
Artikel X. Bekendmaking en uitvoering van handelsregelingen
Artikel XI. Algemene afschaffing van kwantitatieve beperkingen
Artikel XII. Beperkingen ter bescherming van de betalingsbalans
Artikel XIII. Non-discriminatoire toepassing van kwantitatieve beperkingen
Artikel XIV. Uitzonderingen op de regel van non-discriminatie
Artikel XV. Valutaregelingen
Artikel XVI. Subsidies
Artikel XVII. Staatshandelsondernemingen
Artikel XVIII. Hulp van regeringswege ten bate van de economische ontwikkeling
Artikel XIX. Noodmaatregelen inzake de invoer van bepaalde produkten
Artikel XX. Algemene uitzonderingen
Artikel XXI. Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid
Artikel XXII. Overleg
Artikel XXIII. Bescherming van concessies en voordelen
Artikel XXIV. Territoriale toepassing – grensverkeer – douane-unies en vrijhandelsgebieden
Artikel XXV. Gezamenlijk optreden van de verdragsluitende partijen
Artikel XXVI. Aanvaarding, inwerkingtreding en registratie
Artikel XXVII. Opschorting of intrekking van concessies
Artikel XXVIII. Wijziging van de Lijsten
Artikel XXVIIIbis. Tariefonderhandelingen
Artikel XXIX. De verhouding van de onderhavige Overeenkomst tot het Handvest van Havana
Artikel XXX. Wijzigingen
Artikel XXXI. Opzegging
Artikel XXXII. Verdragsluitende partijen
Artikel XXXIII. Toetreding
Artikel XXXIV. Bijlagen
Artikel XXXV. Niet-toepassing van de Overeenkomst tussen bepaalde verdragsluitende partijen
Artikel XXXVI. Beginselen en doelstellingen
Artikel XXXVII. Verplichtingen
Artikel XXXVIII. Gezamenlijk optreden
Bijlage A. Lijst van gebieden bedoeld in lid 2 (a) van artikel I
Bijlage B. Lijst van gebieden der Franse Unie bedoeld in lid 2 (b) van artikel I
Bijlage C. Lijst van gebieden bedoeld in lid 2 (b) van artikel I, betrekking hebbende op de douane-unie tussen België, Luxemburg en Nederland
Bijlage D. Lijst van gebieden bedoeld in lid 2 (b) van artikel I met betrekking tot de Verenigde Staten van Amerika
Bijlage E. Lijst van gebieden waarop de preferentiële regelingen tussen Chili en naburige landen bedoeld in lid 2 (d) van artikel I van toepassing zijn
Bijlage F. Lijst van gebieden waarop de preferentiële regelingen tussen Libanon en Syrië en naburige landen bedoeld in lid 2 (d) van artikel I van toepassing zijn
Bijlage G. Data ter bepaling van de maximale preferentiële marges bedoeld in lid 4 van artikel I
Bijlage H. Percentage van de totale buitenlandse handel ten gebruike bij de berekening van het percentage bedoeld in artikel XXVI
Bijlage I. Aantekeningen en aanvullende bepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947

Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel
(authentiek: en)
The Governments of the Commonwealth of Australia, the Kingdom of Belgium, the United States of Brazil, Burma, Canada, Ceylon, the Republic of Chile, the Republic of China, the Republic of Cuba, the Czechoslovak Republic, the French Republic, India, Lebanon, the Grand-Duchy of Luxemburg, the Kingdom of the Netherlands, New Zealand, the Kingdom of Norway, Pakistan, Southern Rhodesia, Syria, the Union of South Africa, the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland, and the United States of America:
Recognizing that their relations in the field of trade and economic endeavour should be conducted with a view to raising standards of living, ensuring full employment and a large and steadily growing volume of real income and effective demand, developing the full use of the resources of the world and expanding the production and exchange of goods;
Being desirous of contributing to these objectives by entering into reciprocal and mutually advantageous arrangements directed to the substantial reduction of tariffs and other barriers to trade and to the elimination of discriminatory treatment in international commerce;
Have through their Representatives agreed as follows:
1.
With respect to customs duties and charges of any kind imposed on or in connection with importation or exportation or imposed on the international transfer of payments for imports or exports, and with respect to the method of levying such duties and charges, and with respect to all rules and formalities in connection with importation and exportation, and with respect to all matters referred to in paragraphs 2 and 4 of Article III, any advantage, favour, privilege or immunity granted by any contracting party to any product originating in or destined for any other country shall be accorded immediately and unconditionally to the like product originating in or destined for the territories of all other contracting parties.
2.
The provisions of paragraph 1 of this Article shall not require the elimination of any preferences in respect of import duties or charges which do not exceed the levels provided for in paragraph 4 of this Article and which fall within the following descriptions:
(a) preferences in force exclusively between two or more of the territories listed in Annex A, subject to the conditions set forth therein;
(b) preferences in force exclusively between two or more territories which on July 1, 1939, were connected by common sovereignty or relations of protection or suzerainty and which are listed in Annexes B, C and D, subject to the conditions set forth therein;
(c) preferences in force exclusively between the United States of America and the Republic of Cuba;
(d) preferences in force exclusively between neighbouring countries listed in Annexes E and F.
3.
The provisions of paragraph 1 shall not apply to preferences between the countries formerly a part of the Ottoman Empire and detached from it on July 24, 1923, provided such preferences are approved under sub-paragraph 5 (a) of Article XXV 1) [2] , which shall be applied in this respect in the light of paragraph 1 of Article XXIX.
4.
The margin of preference on any product in respect of which a preference is permitted under paragraph 2 of this Article but is not specifically set forth as a maximum margin of preference in the appropriate Schedule annexed to this Agreement shall not exceed:
(a) in respect of duties or charges on any product described in such Schedule, the difference between the most-favoured-nation and preferential rates provided for therein; if no preferential rate is provided for, the preferential rate shall for the purposes of this paragraph be taken to be that in force on April 10, 1947, and, if no most-favoured-nation rate is provided for, the margin shall not exceed the difference between the most-favoured-nation and preferential rates existing on April 10, 1947;
(b) in respect of duties or charges on any product not described in the appropriate Schedule, the difference between the most-favoured-nation and preferential rates existing on April 10, 1947.
In the case of the contracting parties named in Annex G, the date of April 10, 1947, referred to in sub-paragraph (a) and (b) of this paragraph shall be replaced by the respective dates set forth in that Annex.
1.
(a) Each contracting party shall accord to the commerce of the other contracting parties treatment no less favourable than that provided for in the appropriate Part of the appropriate Schedule annexed to this Agreement.
(b) The products described in Part I of the Schedule relating to any contracting party, which are the products of territories of other contracting parties, shall, on their importation into the territory to which the Schedule relates, and subject to the terms, conditions or qualifications set forth in that Schedule, be exempt from ordinary customs duties in excess of those set forth and provided for therein. Such products shall also be exempt from all other duties or charges of any kind imposed on or in connection with importation in excess of those imposed on the date of this Agreement or those directly and mandatorily required to be imposed thereafter by legislation in force in the importing territory on that date.
(c) The products described in Part II of the Schedule relating to any contracting party, which are the products of territories entitled under Article I to receive preferential treatment upon importation into the territory to which the Schedule relates, shall, on their importation into such territory, and subject to the terms, conditions or qualifications set forth in that Schedule, be exempt from ordinary customs duties in excess of those set forth and provided for in Part II of that Schedule. Such products shall also be exempt from all other duties or charges of any kind imposed on or in connection with importation in excess of those imposed on the date of this Agreement or those directly and mandatorily required to be imposed thereafter by legislation in force in the importing territory on that date. Nothing in this Article shall prevent any contracting party from maintaining its requirements existing on the date of this Agreement as to the eligibility of goods for entry at preferential rates of duty.
2.
Nothing in this Article shall prevent any contracting party from imposing at any time on the importation of any product:
(a) a charge equivalent to an internal tax imposed consistently with the provisions of paragraph 2 of Article III in respect of the like domestic product or in respect of an article from which the imported product has been manufactured or produced in whole or in part;
(b) any anti-dumping or countervailing duty applied consistently with the provisions of Article VI;
(c) fees or other charges commensurate with the cost of services rendered.
3.
No contracting party shall alter its method of determining dutiable value or of converting currencies so as to impair the value of any of the concessions provided for in the appropriate Schedule annexed to this Agreement.
4.
If any contracting party establishes, maintains or authorizes, formally or in effect, a monopoly of the importation of any product described in the appropriate Schedule annexed to this Agreement, such monopoly shall not, except as provided for in that Schedule or as otherwise agreed between the parties which initially negotiated the concession, operate so as to afford protection on the average in excess of the amount of protection provided for in that Schedule. The provisions of this paragraph shall not limit the use by contracting parties of any form of assistance to domestic producers permitted by other provisions of this Agreement.
5.
If any contracting party considers that a product is not receiving from another contracting party the treatment which the first contracting party believes to have been contemplated by a concession provided for in the appropriate Schedule annexed to this Agreement, it shall bring the matter directly to the attention of the other contracting party. If the latter agrees that the treatment contemplated was that claimed by the first contracting party, but declares that such treatment cannot be accorded because a court or other proper authority has ruled to the effect that the product involved cannot be classified under the tariff laws of such contracting party so as to permit the treatment contemplated in this Agreement, the two contracting parties, together with any other contracting parties substantially interested, shall enter promptly into further negotiations with a view to a compensatory adjustment of the matter.
6.
(a) The specific duties and charges included in the Schedules relating to contracting parties members of the International Monetary Fund, and margins of preference in specific duties and charges maintained by such contracting parties, are expressed in the appropriate currency at the par value accepted or provisionally recognized by the Fund at the date of this Agreement. Accordingly, in case this par value is reduced consistently with the Articles of Agreement of the International Monetary Fund by more than twenty per centum, such specific duties and charges and margins of preference may be adjusted to take account of such reduction; Provided that the CONTRACTING PARTIES (i.e. the contracting parties acting jointly as provided for in Article XXV) concur that such adjustments will not impair the value of the concessions provided for in the appropriate Schedule or elsewhere in this Agreement, due account being taken of all factors which may influence the need for, or urgency of, such adjustments.
(b) Similar provisions shall apply to any contracting party not a member of the Fund, as from the date on which such contracting party becomes a member of the Fund or enters into a special exchange agreement in pursuance of Article XV.
7.
The Schedules annexed to this Agreement are hereby made an integral part of Part I of this Agreement.
1.
The contracting parties recognize that internal taxes and other internal charges, and laws, regulations and requirements affecting the internal sale, offering for sale, purchase, transportation, distribution or use of products, and internal quantitative regulations requiring the mixture, processing or use of products in specified amounts or proportions, should not be applied to imported or domestic products so as to afford protection to domestic production.
2.
The products of the territory of any contracting party imported into the territory of any other contracting party shall not be subject, directly or indirectly, to internal taxes or other internal charges of any kind in excess of those applied, directly or indirectly, to like domestic products. Moreover, no contracting party shall otherwise apply internal taxes or other internal charges to imported or domestic products in a manner contrary to the principles set forth in paragraph 1.
3.
With respect to any existing internal tax which is inconsistent with the provisions of paragraph 2, but which is specifically authorized under a trade agreement, in force on April 10, 1947, in which the import duty on the taxed product is bound against increase, the contracting party imposing the tax shall be free to postpone the application of the provisions of paragraph 2 to such tax until such time as it can obtain release from the obligations of such trade agreement in order to permit the increase of such duty to the extent necessary to compensate for the elimination of the protective element of the tax.
4.
The products of the territory of any contracting party imported into the territory of any other contracting party shall be accorded treatment no less favourable than that accorded to like products of national origin in respect of all laws, regulations and requirements affecting their internal sale, offering for sale, purchase, transportation, distribution or use. The provisions of this paragraph shall not prevent the application of differential internal transportation charges which are based exclusively on the economic operation of the means of transport and not on the nationality of the product.
5.
No contracting party shall establish or maintain any internal quantitative regulation relating to the mixture, processing or use of products in specified amounts or proportions which requires, directly or indirectly, that any specified amount or proportion of any product which is the subject of the regulation must be supplied from domestic sources. Moreover, no contracting party shall otherwise apply internal quantitative regulations in a manner contrary to the principles set forth in paragraph 1.
6.
The provisions of paragraph 5 shall not apply to any internal quantitative regulation in force in the territory of any contracting party on July 1, 1939, April 10, 1947, or March 24, 1948, at the option of that contracting party; Provided that any such regulation which is contrary to the provisions of paragraph 5 shall not be modified to the detriment of imports and shall be treated as a customs duty for the purpose of negotiation.
7.
No internal quantitative regulation relating to the mixture, processing or use of products in specified amounts or proportions shall be applied in such a manner as to allocate any such amount or proportion among external sources of supply.
8.
(a) The provisions of this Article shall not apply to laws, regulations or requirements governing the procurement by governmental agencies of products purchased for governmental purposes and not with a view to commercial resale or with a view to use in the production of goods for commercial sale.
(b) The provisions of this Article shall not prevent the payment of subsidies exclusively to domestic producers, including payments to domestic producers derived from the proceeds of internal taxes or charges applied consistently with the provisions of this Article and subsidies effected through governmental purchases of domestic products.
9.
The contracting parties recognize that internal maximum price control measures, even though conforming to the other provisions of this Article, can have effects prejudicial to the interests of contracting parties supplying imported products. Accordingly, contracting parties applying such measures shall take account of the interests of exporting contracting parties with a view to avoiding to the fullest practicable extent such prejudicial effects.
10.
The provisions of this Article shall not prevent any contracting party from establishing or maintaining internal quantitative regulations relating to exposed cinematograph films and meeting the requirements of Article IV.
Article IV. Special Provisions relating to Cinematograph Films [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
If any contracting party establishes or maintains internal quantitative regulations relating to exposed cinematograph films, such regulations shall take the form of screen quotas which shall conform to the following requirements:
(a) Screen quotas may require the exhibition of cinematograph films of national origin during a specified minimum proportion of the total screen time actually utilized, over a specified period of not less than one year, in the commercial exhibition of all films of whatever origin, and shall be computed on the basis of screen time per theatre per year or the equivalent thereof;
(b) With the exception of screen time reserved for films of national origin under a screen quota, screen time including that released by administrative action from screen time reserved for films of national origin, shall not be allocated formally or in effect among sources of supply;
(c) Notwithstanding the provisions of sub-paragraph (b) of this Article, any contracting party may maintain screen quotas conforming to the requirements of sub-paragraph (a) of this Article which reserve a minimum proportion of screen time for films of a specified origin other than that of the contracting party imposing such screen quotas; Provided that no such minimum proportion of screen time shall be increased above the level in effect on April 10, 1947;
(d) Screen quotas shall be subject to negotiation for their limitation, liberalization or elimination.
1.
Goods (including baggage), and also vessels and other means of transport, shall be deemed to be in transit across the territory of a contracting party when the passage across such territory, with or without trans-shipment, warehousing, breaking bulk, or change in the mode of transport, is only a portion of a complete journey beginning and terminating beyond the frontier of the contracting party across whose territory the traffic passes. Traffic of this nature is termed in this Article “traffic in transit”.
2.
There shall be freedom of transit through the territory of each contracting party, via the routes most convenient for international transit, for traffic in transit to or from the territory of other contracting parties. No distinction shall be made which is based on the flag of vessels, the place of origin, departure, entry exit or destination, or on any circumstances relating to the ownership of goods, of vessels or of other means of transport.
3.
Any contracting party may require that traffic in transit through its territory be entered at the proper custom house, but, except in cases of failure to comply with applicable customs laws and regulations, such traffic coming from or going to the territory of other contracting parties shall not be subject to any unnecessary delays or restrictions and shall be exempt from Customs duties and from all transit duties or other charges imposed in respect of transit, except charges for transportation or those commensurate with administrative expenses entailed by transit or with the cost of services rendered.
4.
All charges and regulations imposed by contracting parties on traffic in transit to or from the territories of other contracting parties shall be reasonable, having regard to the conditions of the traffic.
5.
With respect to all charges, regulations and formalities in connection with transit, each contracting party shall accord to traffic in transit to or from the territory of any other contracting party treatment no less favourable than the treatment accorded to traffic in transit to or from any third country.
6.
Each contracting party shall accord to products which have been in transit through the territory of any other contracting party treatment no less favourable than that which would have been accorded to such products had they been transported from their place of origin to their destination without going through the territory of such other contracting party. Any contracting party shall, however, be free to maintain its requirements of direct consignment existing on the date of this Agreement, is respect of any goods in regard to which such direct consignment is a requisite condition of eligibility for entry of the goods at preferential rates of duty or has relation to the contracting party's prescribed method of valuation for duty purposes.
7.
The provisions of this Article shall not apply to the operation of aircraft in transit, but shall apply to air transit of goods (including baggage).
1.
The contracting parties recognize that dumping, by which products of one country are introduced into the commerce of another country at less than the normal value of the products, is to be condemned if it causes or threatens material injury to an established industry in the territory of a contracting party or materially retards the establishment of a domestic industry. For the purposes of this Article, a product is to be considered as being introduced into the commerce of an importing country at less than its normal value, if the price of the product exported from one country to another
(a) is less than the comparable price, in the ordinary course of trade, for the like product when destined for consumption in the exporting country, or,
(b) in the absence of such domestic price, is less than either
Due allowance shall be made in each case for differences in conditions and terms of sale, for differences in taxation, and for other differences affecting price comparability.
(i) the highest comparable price for the like product for export to any third country in the ordinary course of trade, or
(ii) the cost of production of the product in the country of origin plus a reasonable addition for selling cost and profit.
2.
In order to offset or prevent dumping, a contracting party may levy on any dumped product an anti-dumping duty not greater in amount than the margin of dumping in respect of such product. For the purposes of this Article, the margin of dumping is the price difference determined in accordance with the provisions of paragraph 1.
3.
No countervailing duty shall be levied on any product of the territory of any contracting party imported into the territory of another contracting party in excess of an amount equal to the estimated bounty or subsidy determined to have been granted, directly or indirectly, on the manufacture, production or export of such product in the country of origin or exportation, including any special subsidy to the transportation of a particular product. The term “countervailing duty” shall be understood to mean a special duty levied for the purpose of offsetting any bounty or subsidy bestowed, directly or indirectly, upon the manufacture, production or export of any merchandise.
4.
No product of the territory of any contracting party imported into the territory of any other contracting party shall be subject to anti-dumping or countervailing duty by reason of the exemption of such product from duties or taxes borne by the like product when destined for consumption in the country of origin or exportation, or by reason of the refund of such duties or taxes.
5.
No product of the territory of any contracting party imported into the territory of any other contracting party shall be subject to both anti-dumping and countervailing duties to compensate for the same situation of dumping or export subsidization.
6.
(a) No contracting party shall levy any anti-dumping or countervailing duty on the importation of any product of the territory of another contracting party unless it determines that the effect of the dumping or subsidization, as the case may be, is such as to cause or threaten material injury to an established domestic industry, or is such as to retard materially the establishment of a domestic industry.
(b) The CONTRACTING PARTIES may waive the requirement of sub-paragraph (a) of this paragraph so as to permit a contracting party to levy an anti-dumping or countervailing duty on the importation of any product for the purpose of offsetting dumping or subsidization which causes or threatens material injury to an industry in the territory of another contracting party exporting the product concerned to the territory of the importing contracting party. The CONTRACTING PARTIES shall waive the requirements of subparagraph (a) of this paragraph, so as to permit the levying of a countervailing duty, in cases in which they find that a subsidy is causing or threatening material injury to an industry in the territory of another contracting party exporting the product concerned to the territory of the importing contracting party.
(c) In exceptional circumstances, however, where delay might cause damage which would be difficult to repair, a contracting party may levy a countervailing duty for the purpose referred to in subparagraph (b) of this paragraph without the prior approval of the CONTRACTING PARTIES; Provided that such action shall be reported immediately to the CONTRACTING PARTIES and that the countervailing duty shall be withdrawn promptly if the CONTRACTING PARTIES disapprove.
7.
A system for the stabilization of the domestic price or of the return to domestic producers of a primary commodity, independently of the movements of export prices, which results at times in the sale of the commodity for export at a price lower than the comparable price charged for the like commodity to buyers in the domestic market, shall be presumed not to result in material injury within the meaning of paragraph 6 if it is determined by consultation among the contracting parties substantially interested in the commodity concerned that:
(a) the system has also resulted in the sale of the commodity for export at a price higher than the comparable price charged for the like commodity to buyers in the domestic market, and
(b) the system is so operated, either because of the effective regulation of production, or otherwise, as not to stimulate exports unduly or otherwise seriously prejudice the interests of other contracting parties.
1.
The contracting parties recognize the validity of the general principles of valuation set forth in the following paragraphs of this Article, and they undertake to give effect to such principles, in respect of all products subject to duties or other charges or restrictions on importation and exportation based upon or regulated in any manner by value. Moreover, they shall, upon a request by another contracting party review the operation of any of their laws or regulations relating to value for customs purposes in the light of these principles. The CONTRACTING PARTIES may request from contracting parties reports on steps taken by them in pursuance of the provisions of this Article.
2.
(a) The value for customs purposes of imported merchandise should be based on the actual value of the imported merchandise on which duty is assessed, or of like merchandise, and should not be based on the value of merchandise of national origin or on arbitrary or fictitious values.
(b) “Actual value” should be the price at which, at a time and place determined by the legislation of the country of importation, such or like merchandise is sold or offered for sale in the ordinary course of trade under fully competitive conditions. To the extent to which the price of such or like merchandise is governed by the quantity in a particular transaction, the price to be considered should uniformly be related to either (i) comparable quantities, or (ii) quantities not less favourable to importers than those in which the greater volume of the merchandise is sold in the trade between the countries of exportation and importation.
(c) When the actual value is not ascertainable in accordance with sub-paragraph (b) of this paragraph, the value for customs purposes should be based on the nearest ascertainable equivalent of such value.
3.
The value for customs purposes of any imported product should not include the amount of any internal tax, applicable within the country of origin or export, from which the imported product has been exempted or has been or will be relieved by means of refund.
4.
(a) Except as otherwise provided for in this paragraph, where it is necessary for the purposes of paragraph 2 of this Article for a contracting party to convert into its own currency a price expressed in the currency of another country, the conversion rate of exchange to be used shall be based, for each currency involved, on the par value as established pursuant to the Articles of Agreement of the International Monetary Fund or on the rate of exchange recognized by the Fund, or on the par value established in accordance with a special exchange agreement entered into pursuant to Article XV of this Agreement.
(b) Where no such established par value and no such recognized rate of exchange exist, the conversion rate shall reflect effectively the current value of such currency in commercial transactions.
(c) The CONTRACTING PARTIES, in agreementh with the International Monetary Fund, shall formulate rules governing the conversion by contracting parties of any foreign currency in respect of which multiple rates of exchange are maintained consistently with the Articles of Agreement of the International Monetary Fund. Any contracting party may apply such rules in respect of such foreign currencies for the purposes of paragraph 2 of this Article as an alternative to the use of par values. Until such rules are adopted by the CONTRACTING PARTIES, any contracting party may employ, in respect of any such foreign currency, rules of conversion for the purposes of paragraph 2 of this Article which are designed to reflect effectively the value of such foreign currency in commercial transactions.
(d) Nothing in this paragraph shall be construed to require any contracting party to alter the method of converging currencies for customs purposes which is applicable in its territory on the date of this Agreement, if such alteration would have the effect of increasing generally the amounts of duty payable.
5.
The bases and methods for determining the value of products subject to duties or other charges or restrictions based upon or regulated in any manner by value should be stable and should be given sufficient publicity to enable traders to estimate, with a reasonable degree of certainty, the value for customs purposes.
1.
(a) All fees and charges of whatever character (other than import and export duties and other than taxes within the purview of Article III) imposed by contracting parties on or in connection with importation or exportation shall be limited in amount to the approximate cost of services rendered and shall not represent an indirect protection to domestic products or a taxation of imports or exports for fiscal purposes.
(b) The contracting parties recognize the need for reducing the number and diversity of fees and charges referred to in sub-paragraph (a).
(c) The contracting parties also recognize the need for minimizing the incidence and complexity of import and export formalities and for decreasing and simplifying import and export documentation requirements.
2.
A contracting party shall, upon request by another contracting party or by the CONTRACTING PARTIES, review the operation of its laws and regulations in the light of the provisions of this Article.
3.
No contracting party shall impose substantial penalties for minor breaches of customs regulations or procedural requirements. In particular, no penalty in respect of any omission or mistake in customs documentation which is easily rectifiable and obviously made without fraudulent intent or gross negligence shall be greater than necessary to serve merely as a warning.
4.
The provisions of this Article shall extend to fees, charges, formalities and requirements imposed by governmental authorities in connection with importation and exportation, including those relating to:
(a) consular transactions, such as consular invoices and certificates;
(b) quantitative restrictions;
(c) licensing;
(d) exchange control;
(e) statistical services;
(f) documents, documentation and certification;
(g) analysis and inspection; and
(h) quarantine, sanitation and fumigation.
1.
Each contracting party shall accord to the products of the territories of other contracting parties treatment with regard to marking requirements no less favourable than the treatment accorded to like products of any third country.
2.
The contracting parties recognize that, in adopting and enforcing laws and regulations relating to marks of origin, the difficulties and inconveniences which such measures may cause to the commerce and industry of exporting countries should be reduced to a minimum, due regard being had to the necessity of protecting consumers against fraudulent or misleading indications.
3.
Whenever it is administratively practicable to do so, contracting parties should permit required marks of origin to be affixed at the time of importation.
4.
The laws and regulations of contracting parties relating to the marking of imported products shall be such as to permit compliance without seriously damaging the products, or materially reducing their value, or unreasonably increasing their cost.
5.
As a general rule, no special duty or penalty should be imposed by any contracting party for failure to comply with marking requirements prior to importation unless corrective marking is unreasonably delayed or deceptive marks have been affixed or the required marking has been intentionally omitted.
6.
The contracting parties shall co-operate with each other with a view to preventing the use of trade names in such manner as to misrepresent the true origin of a product, to the detriment of such distinctive regional or geographical names of products of the territory of a contracting party as are protected by its legislation. Each contracting party shall accord full and sympathetic consideration to such requests or representations as may be made by any other contracting party regarding the application of the undertaking set forth in the preceding sentence to names of products which have been communicated to it by the other contracting party.
1.
Laws, regulations, judicial decisions and administrative rulings of general application, made effective by any contracting party, pertaining to the classification or the valuation of products for customs purposes, or to rates of duty, taxes or other charges, or to requirements, restrictions or prohibitions on imports or exports or on the transfer of payments therefor, or affecting their sale, distribution, transportation, insurance, warehousing, inspection, exhibition, processing, mixing or other use, shall be published promptly in such a manner as to enable governments and traders to become acquainted with them. Agreements affecting international trade policy which are in force between the government or a governmental agency of any contracting party and the government or governmental agency of any other contracting party shall also be published. The provisions of this paragraph shall not require any contracting party to disclose confidential information which would impede law enforcement or otherwise be contrary to the public interest or would prejudice the legitimate commercial interests of particular enterprises, public or private.
2.
No measure of general application taken by any contracting party effecting an advance in a rate of duty or other charge on imports under an established and uniform practice, or imposing a new or more burdensome requirement, restriction or prohibition on imports, or on the transfer of payments therefor, shall be enforced before such measure has been officially published.
3.
(a) Each contracting party shall administer in a uniform, impartial and reasonable manner all its laws, regulations, decisions and rulings of the kind described in paragraph 1 of this Article.
(b) Each contracting party shall maintain, or institute as soon as practicable, judicial, arbitral or administrative tribunals or procedures for the purpose, inter alia, of the prompt review and correction of administrative action relating to customs matters. Such tribunals or procedures shall be independent of the agencies entrusted with administrative enforcement and their decisions shall be implemented by, and shall govern the practice of, such agencies unless an appeal is lodged with a court or tribunal of superior jurisdiction within the time prescribed for appeals to be lodged by importers; Provided that the central administration of such agency may take steps to obtain a review of the matter in another proceeding if there is good cause to believe that the decision is inconsistent with established principles of law or the actual facts.
(c) The provisions of sub-paragraph (b) of this paragraph shall not require the elimination or substitution of procedures in force in the territory of a contracting party on the date of this Agreement which in fact provide for an objective and impartial review of administrative action even though such procedures are not fully or formally independent of the agencies entrusted with administrative enforcement. Any contracting party employing such procedures shall, upon request, furnish the CONTRACTING PARTIES with full information thereon in order that they may determine whether such procedures conform to the requirements of this sub-paragraph.
1.
No prohibitions or restrictions other than duties, taxes or other charges, whether made effective through quotas, import or export licenses or other measures, shall be instituted or maintained by any contracting party on the importation of any product of the territory of any other contracting party or on the exportation or sale for export of any product destined for the territory of any other contracting party.
2.
The provisions of paragraph 1 of this Article shall not extend to the following:
(a) export prohibitions or restrictions temporarily applied to prevent or relieve critical shortages of foodstuffs or other products essential to the exporting contracting party;
(b) import and export prohibitions or restrictions necessary to the application of standards or regulations for the classification, grading or marketing of commodities in international trade;
(c) import restrictions on any agricultural or fisheries product, imported in any form, necessary to the enforcement of governmental measures which operate:
Any contracting party applying restrictions on the importation of any product pursuant to sub-paragraph (c) of this paragraph shall give public notice of the total quantity or value of the product permitted to be imported during a specified future period and of any change in such quantity or value. Moreover, any restrictions applied under (i) above shall not be such as will reduce the total of imports relative to the total of domestic production, as compared with the proportion which might reasonably be expected to rule between the two in the absence of restrictions. In determining this proportion, the contracting party shall pay due regard to the proportion prevailing during a previous representative period and to any special factors which may have affected or may be affecting the trade in the product concerned.
(i) to restrict the quantities of the like domestic product permitted to be marketed or produced, or, if there is no substantial domestic production of the like product, of a domestic product for which the imported product can be directly substituted; or
(ii) to remove a temporary surplus of the like domestic product, or, if there is no substantial domestic production of the like product, of a domestic product for which the imported product, can be directly substituted, by making the surplus available to certain groups of domestic consumers free of charge or at prices below the current market level; or
(iii) to restrict the quantities permitted to be produced of any animal product the production of which is directly dependent, wholly or mainly, on the imported commodity, if the domestic production of that commodity is relatively negligible.
1.
Notwithstanding the provisions of paragraph 1 of Article XI, any contracting party, in order to safeguard its external financial position and its balance of payments, may restrict the quantity or value of merchandise permitted to be imported, subject to the provisions of the following paragraphs of this Article.
2.
(a) Import restrictions instituted, maintained or intensified by a contracting party under this Article shall not exceed those necessary:
(i) to forestall the imminent threat of, or to stop, a serious decline in its monetary reserves, or
(ii) in the case of a contracting party with very low monetary reserves, to achieve a reasonable rate of increase in its reserves.
Due regard shall be paid in either case to any special factors which may be affecting the reserves of such contracting party or its need for reserves, including, where special external credits or other resources are available to it, the need to provide for the appropriate use of such credits or resources.
(b) Contracting parties applying restrictions under sub-paragraph (a) of this paragraph shall progressively relax them as such conditions improve, maintaining them only to the extent that the conditions specified in that sub-paragraph still justify their application. They shall eliminate the restrictions when conditions would no longer justify their institution or maintenance under that sub-paragraph.
3.
(a) Contracting parties undertake, in carrying out their domestic policies, to pay due regard to the need for maintaining or restoring equilibrium in their balance of payments on a sound and lasting basis and to the desirability of avoiding an uneconomic employment of productive resources. They recognize that in order to achieve these ends, it is desirable so far as possible to adopt measures which expand rather than contract international trade.
(b) Contracting parties applying restrictions under this Article may determine the incidence of the restrictions on imports of different products or classes of products in such a way as to give priority to the importation of those products which are more essential.
(c) Contracting parties applying restrictions under this Article undertake:
(i) to avoid unnecessary damage to the commercial or economic interests of any other contracting party;
(ii) not to apply restrictions so as to prevent unreasonably the importation of any description of goods in minimum commercial quantities the exclusion of which would impair regular channels of trade; and
(iii) not to apply restrictions which would prevent the importation of commercial samples or prevent compliance with patent, trade mark, copyright, or similar procedures.
(d) The contracting parties recognize that, as a result of domestic policies directed towards the achievement and maintenance of full and productive employment or towards the development of economic resources, a contracting party may experience a high level of demand for imports involving a threat to its monetary reserves of the sort referred to in paragraph 2(a) of this Article. Accordingly, a contracting party otherwise complying with the provisions of this Article shall not be required to withdraw or modify restrictions on the ground that a change in those policies would render unnecessary restrictions which it is applying under this Article.
4.
(a) Any contracting party applying new restrictions or raising the general level of its existing restrictions by a substantial intensification of the measures applied under this Article shall immediately after instituting or intensifying such restrictions (or, in circumstances in which prior consultation is practicable, before doing so) consult with the CONTRACTING PARTIES as to the nature of its balance of payments difficulties, alternative corrective measures which may be available, and the possible effect of the restrictions on the economies of other contracting parties.
(b) On a date to be determined by them, the CONTRACTING PARTIES shall review all restrictions still applied under this Article on that date. Beginning one year after that date, contracting parties applying import restrictions under this Article shall enter into consultations of the type provided for in sub-paragraph (a) of this paragraph with the CONTRACTING PARTIES annually.
(c)
(i) If, in the course of consultations with a contracting party under sub-paragraph (a) or (b) above, the CONTRACTING PARTIES find that the restrictions are not consistent with the provisions of this Article or with those of Article XIII (subject to the provisions of Article XIV), they shall indicate the nature of the inconsistency and may advise that the restrictions be suitably modified.
(ii) If, however, as a result of the consultations, the CONTRACTING PARTIES determine that the restrictions are being applied in a manner involving an inconsistency of a serious nature with the provisions of this Article or with those of Article XIII (subject to the provisions of Article XIV) and that damage to the trade of any contracting party is caused or threatened thereby, they shall so inform the contracting party applying the restrictions and shall make appropriate recommendations for securing conformity with such provisions within a specified period of time. If such contracting party does not comply with these recommendations within the specified period, the CONTRACTING PARTIES may release any contracting party the trade of which is adversely affected by the restrictions from such obligations under this Agreement towards the contracting party applying the restrictions as they determine to be appropriate in the circumstances.
(d) The CONTRACTING PARTIES shall invite any contracting party which is applying restrictions under this Article to enter into consultations with them at the request of any contracting party which can establish a prima facie case that the restrictions are inconsistent with the provisions of this Article or with those of Article XIII (subject to the provisions of Article XIV) and that its (trade is adversely affected thereby. However, no such invitation shall be issued unless the CONTRACTING PARTIES have ascertained that direct discussions between the contracting parties concerned have not been successful. If, as a result of the consultations with the CONTRACTING PARTIES, no agreement is reached and they determine that the restrictions are being applied inconsistently with such provisions, and that damage to the trade of the contracting party initiating the procedure is caused or threatened thereby, they shall recommend the withdrawal or modification of the restrictions. If the restrictions are not withdrawn or modified within such time as the CONTRACTING PARTIES may prescribe, they may release the contracting party initiating the procedure from such obligations under this Agreement towards the contracting party applying the restrictions as they determine to be appropriate in the circumstances.
(e) In proceeding under this paragraph, the CONTRACTING PARTIES shall have due regard to any special external factors adversely affecting the export trade of the contracting party applying restrictions.
(f) Determinations under this paragraph shall be rendered expeditiously and, if possible, within sixty days of the initiation of the consultations.
5.
If there is a persistent and widespread application of import restrictions under this Article, indicating the existence of a general disequilibrium which is restricting international trade, the CONTRACTING PARTIES shall initiate discussions to consider whether other measures might be taken, either by those contracting parties the balances of payments of which are under pressure or by those the balances of payments of which are tending to be exceptionally favourable, or by any appropriate intergovernmental organization, to remove the underlying causes of the disequilibrium. On the invitation of the CONTRACTING PARTIES, contracting parties shall participate in such discussions.
1.
No prohibition or restriction shall be applied by any contracting party on the importation of any product of the territory of any other contracting party or on the exportation of any product destined for the territory of any other contracting party, unless the importation of the like product of all third countries or the exportation of the like product to all third countries is similarly prohibited or restricted.
2.
In applying import restrictions to any product, contracting parties shall aim at a distribution of trade in such product approaching as closely as possible to the shares which the various contracting parties might be expected to obtain in the absence of such restrictions, and to this end shall observe the following provisions:
(a) Wherever practicable, quotas representing the total amount of permitted imports (whether allocated among supplying countries or not) shall be fixed, and notice given of their amount in accordance with paragraph 3 (b) of this Article;
(b) In cases in which quotas are not practicable, the restrictions may be applied by means of import licences or permits without a quota;
(c) Contracting parties shall not, except for purposes of operating quotas allocated in accordance with sub-paragraph (d) of this paragraph, require that import licences or permits be utilized for the importation of the product concerned from a particular country or source;
(d) In cases in which a quota is allocated among supplying countries, the contracting party applying the restrictions may seek agreement with respect to the allocation of shares in the quota with all other contracting parties having a substantial interest in supplying the product concerned. In cases in which this method is not reasonably practicable, the contracting party concerned shall allot to contracting parties having a substantial interest in supplying the product shares based upon the proportions, supplied by such contracting parties during a previous representative period, of the total quantity or value of imports of the product, due account being taken of any special factors which may have affected or may be affecting the trade in the product. No conditions or formalities shall be imposed which would prevent any contracting party from utilizing fully the share of any such total quantity or value which has been allotted to it, subject to importation being made within any prescribed period to which the quota may relate.
3.
(a) In cases in which import licences are issued in connection with import restrictions, the contracting party applying the restrictions shall provide, upon the request of any contracting party having an interest in the trade in the product concerned, all relevant information concerning the administration of the restrictions, the import licences granted over a recent period and the distribution of such licences among supplying countries: Provided that there shall be no obligation to supply information as to the name of importing or supplying enterprises.
(b) In the case of import restrictions involving the fixing of quotas, the contracting party applying the restrictions shall give public notice of the total quantity or value of the product or products which will be permitted to be imported during a specified future period and of any change in such quantity or value. Any supplies of the product in question which were en route at the time at which public notice was given shall not be excluded from entry; Provided that they may be counted so far as practicable, against the quantity permitted to be imported in the period in question, and also, where necessary, against the quantities permitted to be imported in the next following period or periods; and Provided further that if any contracting party customarily exempts from such restrictions products entered for consumption or withdrawn from warehouse for consumption during a period of thirty days after the day of such public notice, such practice shall be considered full compliance with this sub-paragraph.
(c) In the case of quotas allocated among supplying countries, the contracting party applying the restrictions shall promptly inform all other contracting parties having an interest in supplying the product concerned of the shares in the quota currently allocated, by quantity or value, to the various supplying countries and shall give public notice thereof.
4.
With regard to restrictions applied in accordance with paragraph 2 (d) of this Article or under paragraph 2 (c) of Article XI, the selection of a representative period for any product and the appraisal of any special factors affecting the trade in the product shall be made initially by the contracting party applying the restriction; Provided that such contracting party shall, upon the request of any other contracting party having a substantial interest in supplying that product or upon the request of the CONTRACTING PARTIES, consult promptly with the other contracting party or the CONTRACTING PARTIES regarding the need for an adjustment of the proportion determined or of the base period selected, or for the reappraisal of the special factors involved, or for the elimination of conditions, formalities or any other provisions established unilaterally relating to the allocation of an adequate quota or its unrestricted utilization.
5.
The provisions of this Article shall apply to any tariff quota instituted or maintained by any contracting party, and, in so far as applicable, the principles of this Article shall also extend to export restrictions.
1.
A contracting party which applies restrictions under Article XII or under Section B of Article XVIII may, in the application of such restrictions, deviate from the provisions of Article XIII in a manner having equivalent effect to restrictions on payments and transfers for current international transactions which that contracting party may at that time apply under Article VIII or XIV of the Articles of Agreement of the International Monetary Fund, or under analogous provisions of a special exchange agreement entered into pursuant to paragraph 6 of Article XV.
2.
A contracting party which is applying import restrictions under Article XII or under Section B of Article XVIII may, with the consent of the CONTRACTING PARTIES, temporarily deviate from the provisions of Article XIII in respect of a small part of its external trade where the benefits to the contracting party or contracting parties concerned substantially outweigh any injury which may result to the trade of other contracting parties.
3.
The provisions of Article XIII shall not preclude a group of territories having a common quota in the International Monetary Fund from applying against imports from other countries, but not among themselves, restrictions in accordance with the provisions of Article XII or of Section B of Article XVIII on condition that such restrictions are in all other respects consistent with the provisions of Article XIII.
4.
A contracting party applying import restrictions under Article XII or under Section B of Article XVIII shall not be precluded by Articles XI to XV or Section B of Article XVIII of this Agreement from applying measures to direct its exports in such a manner as to increase its earnings of currencies which it can use without deviation from the provisions of Article XIII.
5.
A contracting party shall not be precluded by Articles XI to XV, inclusive, or by Section B of Article XVIII, of this Agreement from applying quantitative restrictions:
(a) having equivalent effect to exchange restrictions authorized under Section 3(b) of Article VII of the Articles of Agreement of the International Monetary Fund, or
(b) under the preferential arrangements provided for in Annex A of this Agreement, pending the outcome of the negotiations referred to therein.
1.
The CONTRACTING PARTIES shall seek co-operation with the International Monetary Fund to the end that the CONTRACTING PARTIES and the Fund may pursue a co-ordinated policy with regard to exchange questions within the jurisdiction of the Fund and questions of quantitative restrictions and other trade measures within the jurisdiction of the CONTRACTING PARTIES.
2.
In all cases in which the CONTRACTING PARTIES are called upon to consider or deal with problems concerning monetary reserves, balances of payments or foreign exchange arrangements, they shall consult fully with the International Monetary Fund. In such consultations, the CONTRACTING PARTIES shall accept all findings of statistical and other facts presented by the Fund relating to foreign exchange, monetary reserves and balances of payments, and shall accept the determination of the Fund as to whether action by a contracting party in exchange matters is in accordance with the Articles of Agreement of the International Monetary Fund, or with the terms of a special exchange agreement between that contracting party and the CONTRACTING PARTIES. The CONTRACTING PARTIES, in reaching their final decision in cases involving the criteria set forth in paragraph 2(a) of Article XII or in paragraph 9 of Article XVIII, shall accept the determination of the Fund as to what constitutes a serious decline in the Contracting party's monetary reserves, a very low level of its monetary reserves or a reasonable rate of increase in its monetary reserves, and as to the financial aspects of other matters covered in consultation in such cases.
3.
The CONTRACTING PARTIES shall seek agreement with the Fund regarding procedures for consultation under paragraph 2 of this Article.
4.
Contracting parties shall not, by exchange action, frustrate the intent of the provisions of this Agreement, nor, by trade action, the intent of the provisions of the Articles of Agreement of the International Monetary Fund.
5.
If the CONTRACTING PARTIES consider, at any time, that exchange restrictions on payments and transfers in connection with imports are being applied by a contracting party in a manner inconsistent with the exceptions provided for in this Agreement for quantitative restrictions, they shall report thereon to the Fund.
6.
Any contracting party which is not a member of the Fund shall, within a time to be determined by the CONTRACTING PARTIES after consultation with the Fund, become a member of the Fund, or, failing that, enter into a special exchange agreement with the CONTRACTING PARTIES. A contracting party which ceases to be a member of the Fund shall forthwith enter into a special exchange agreement with the CONTRACTING PARTIES. Any special exchange agreement entered into by a contracting party under this paragraph shall thereupon become part of its obligations under this Agreement.
7.
(a) A special exchange agreement between a contracting party and the CONTRACTING PARTIES under paragraph 6 of this Article shall provide to the satisfaction of the CONTRACTING PARTIES that the objectives of this Agreement will not be frustrated as a result of action in exchange matters by the contracting party in question.
(b) The terms of any such agreement shall not impose obligations on the contracting party in exchange matters generally more restrictive than those imposed by the Articles of Agreement of the International Monetary Fund on members of the Fund.
8.
A contracting party which is not a member of the Fund shall furnish such information within the general scope of section 5 of Article VIII of the Articles of Agreement of the International Monetary Fund as the CONTRACTING PARTIES may require in order to carry out their functions under this Agreement.
9.
Nothing in this Agreement shall preclude:
(a) the use by a contracting party of exchange controls or exchange restrictions in accordance with the Articles of Agreement of the International Monetary Fund or with that contracting party's special exchange agreement with the CONTRACTING PARTIES, or
(b) the use by a contracting party of restrictions or controls on imports or exports, the sole effect of which, additional to the effects permitted under Articles XI, XII, XIII and XIV, is to make effective such exchange controls or exchange restrictions.
1.
If any contracting party grants or maintains any subsidy, including any form of income or price support, which operates directly or indirectly to increase exports of any product from, or to reduce imports of any product into, its territory, it shall notify the CONTRACTING PARTIES in writing of the extent and nature of the subsidization, of the estimated effect of the subsidization on the quantity of the affected product or products imported into or exported from its territory and of the circumstances making the subsidization necessary. In any case in which it is determined that serious prejudice to the interests of any other contracting party is caused or threatened by any such subsidization, the contracting party granting the subsidy shall, upon request, discuss with the other contracting party or parties concerned, or with the CONTRACTING PARTIES, the possibility of limiting the subsidization.
2.
The contracting parties recognize that the granting by a contracting party of a subsidy on the export of any product may have harmful effects for other contracting parties, both importing and exporting, may cause undue disturbance to their normal commercial interests, and may hinder the achievement of the Objectives of this Agreement.
3.
Accordingly, contracting parties should seek to avoid the use of subsidies on the export of primary products. If, however, a contracting party grants directly or indirectly any form of subsidy which operates to increase the export of any primary product from its territory, such subsidy shall not be applied in a manner which results in that contracting party having more than an equitable share of world export trade in that product, account being taken of the shares of the contracting parties in such trade in the product during a previous representative period, and any special factors which may have affected or may be affecting such trade in the product.
4.
Further, as from 1 January 1958 or the earliest practicable date thereafter, contracting parties shall cease to grant either directly or indirectly any form of subsidy on the export of any product other than a primary product which subsidy results in the sale of such product for export at a price lower than the comparable price charged for the like product to buyers in the domestic market. Until 31 December 1957 no contracting party shall extend the scope of any such subsidization beyond that existing on 1 January 1955 by the introduction of new, or the extension of existing, subsidies.
5.
The CONTRACTING PARTIES shall review the operation of the provisions of this Article from time to time with a view to examining its effectiveness, in the light of actual experience, in promoting the objectives of this Agreement and avoiding subsidization seriously prejudicial to the trade or interests of contracting parties.
1.
(a) Each contracting party undertakes that if it establishes or maintains a State enterprise, wherever located, or grants to any enterprise, formally or in effect, exclusive or special privileges, such enterprise shall, in its purchases or sales involving either imports or exports, act in a manner consistent with the general principles of non-discriminatory treatment prescribed in this Agreement for governmental measures affecting imports or exports by private traders.
(b) The provisions of sub-paragraph (a) of this paragraph shall be understood to require that such enterprises shall, having due regard to the other provisions of this Agreement, make any such purchases or sales solely in accordance with commercial considerations, including price, quality, availability, marketability, transportation and other conditions of purchase or sale, and shall afford the enterprises of the other contracting parties adequate opportunity, in accordance with customary business practice, to compete for participation in such purchases or sales.
(c) No contracting party shall prevent any enterprise (whether or not an enterprise described in sub-paragraph (a) of this paragraph) under its jurisdiction from acting in accordance with the principles of sub-paragraphs (a) and (b) of this paragraph.
2.
The provisions of paragraph 1 of this Article shall not apply to imports of products for immediate or ultimate consumption in governmental use and not otherwise for resale or use in the production of goods for sale. With respect to such imports, each contracting party shall accord to the trade of the other contracting parties fair and equitable treatment.
3.
The contracting parties recognize that enterprises of the kind described in paragraph 1 (a) of this Article might be operated so as to create serious obstacles to trade; thus negotiations on a reciprocal and mutually advantageous basis designed to limit or reduce such obstacles are of importance to the expansion of international trade.
4.
(a) Contracting parties shall notify the CONTRACTING PARTIES of the products which are imported into or exported from their territories by enterprises of the kind described in paragraph 1 (a) of this Article.
(b) A contracting party establishing, maintaining or authorizing an import monopoly of a product, which is not the subject of a concession under Article II, shall, on the request of another contracting party having a substantial trade in the product concerned, inform the CONTRACTING PARTIES of the import markup on the product during a recent representative period, or, when it is not possible to do so, of the price charged on the resale of the product.
(c) The CONTRACTING PARTIES may, at the request of a contracting party which has reason to believe that its interests under this Agreement are being adversely affected by the operations of an enterprise of the kind described in paragraph 1 (a), request the contracting party establishing, maintaining or authorizing such enterprise to supply information about its operations related to the carrying out of the provisions of this Agreement.
(d) The provisions of this paragraph shall not require any contracting party to disclose confidential information which would impede law enforcement or otherwise be contrary to the public interest or would prejudice the legitimate commercial interests of particular enterprises.
1.
The contracting parties recognize that the attainment of the objectives of this Agreement will be facilitated by the progressive development of their economies, particularly of those contracting parties the economies of which can only support low standards of living and are in the early stages of development.
2.
The contracting parties recognize further that it may be necessary for those contracting parties, in order to implement programmes and policies of economic development designed to raise the general standard of living of their people, to take protective or other measures affecting imports, and that such measures are justified in so far as they facilitate the attainment of the objectives of this Agreement. They agree, therefore, that those contracting parties should enjoy additional facilities to enable them (a) to maintain sufficient flexibility in their tariff structure to be able to grant the tariff protection required for the establishment of a particular industry and (b) to apply quantitative restrictions for balance of payments purposes in a manner which takes full account of the continued high level of demand for imports likely to be generated by their programmes of economic development.
3.
The contracting parties recognize finally that with those additional facilities which are provided for in Sections A and B of this Article, the provisions of this Agreement would normally be sufficient to enable contracting parties to meet the requirements of their economic development. They agree, however, that there may be circumstances where no measure consistent with those provisions is practicable to permit a contracting party in the process of economic development to grant the governmental assistance required to promote the establishment of particular industries with a view to raising the general standard of living of its people. Special procedures are laid down in Sections C and D of this Article to deal with those cases.
4.
(a) Consequently, a contracting party the economy of which can only support low standards of living and is in the early stages of development shall be free to deviate temporarily from the provisions of the other Articles of this Agreement, as provided in Sections A, B and C of this Article.
(b) A contracting party the economy of which is in the process of development but which does not come within the scope of subparagraph (a) above, may submit applications to the CONTRACTING PARTIES under Section D of this Article.
5.
The contracting parties recognize that the export earnings of contracting parties the economies of which are of the type described in paragraph 4 (a) and (b) above, and which depend on exports of a small number of primary commodities may be seriously reduced by a decline in the sale of such commodities. Accordingly, when the exports of primary commodities by such a contracting party are seriously affected by measures taken by another contracting party, it may have resort to the consultation provisions of Article XXII of this Agreement.
6.
The CONTRACTING PARTIES shall review annually all measures applied pursuant to the provisions of Sections C and D of this Article.
7.
Section B
(a) If a contracting party coming within the scope of paragraph 4 (a) of this Article considers it desirable, in order to promote the establishment of a particular industry with a view to raising the general standard of living of its people, to modify or withdraw a concession included in the appropriate Schedule annexed to this Agreement, it shall notify the CONTRACTING PARTIES to this effect and enter into negotiations with any contracting party with which such concession was initially negotiated, and with any other contracting party determined by the CONTRACTING PARTIES to have a substantial interest therein. If agreement is reached between such contracting parties concerned, they shall be free to modify or withdraw concessions under the appropriate Schedules to this Agreement in order to give effect to such agreement, including any compensatory adjustments involved.
(b) If agreement is not reached within sixty days after the notification provided for in sub-paragraph (a) above, the contracting party which proposes to modify or withdraw the concession may refer the matter to the CONTRACTING PARTIES, which shall promptly examine it. If they find that the contracting party which proposes to modify or withdraw the concession has made every effort to reach an agreement and that the compensatory adjustment offered by it is adequate, that contracting party shall be free to modify or withdraw the concession if at the same time, it gives effect to the compensatory adjustment. If the CONTRACTING PARTIES do not find that the compensation offered by a contracting party proposing to modify or withdraw the concession is adequate, but find that it has made every reasonable effort to offer adequate compensation, that contracting party shall be free to proceed with such modification or withdrawal. If such action is taken, any other contracting party referred to in sub-paragraph (a) above shall be free to modify or withdraw substantially equivalent concessions initially negotiated with the contracting party which has taken the action.
8.
The contracting parties recognize that contracting parties coming within the scope of paragraph 4 (a) of this Article tend, when they are in rapid process of development, to experience balance of payments difficulties arising mainly from efforts to expand their internal markets as well as from the instability in their terms of trade.
9.
In order to safeguard its external financial position and to ensure a level of reserves adequate for the implementation of its programme of economic development, a contracting party coming within the scope of paragraph 4 (a) of this Article may, subject to the provisions of paragraphs 10 to 12, control the general level of its imports by restricting the quantity or value of merchandise permitted to be imported; Provided that the import restrictions instituted, maintained or intensified shall not exceed those necessary:
(a) to forestall the threat of, or to stop, a serious decline in its monetary reserves, or
(b) in the case of a contracting party with inadequate monetary reserves, to achieve a reasonable rate of increase in its reserves.
Due regard shall be paid in either case to any special factors which may be affecting the reserves of the contracting party or its need for reserves, including, where special external credits or other resources are available to it, the need to provide for the appropriate use of such credits or resources.
10.
In applying these restrictions, the contracting party may determine their incidence on imports of different product or classes of products in such a way as to give priority to the importation of those products which are more essential in the light of its policy of economic development; Provided that the restrictions are so applied as to avoid unnecessary damage to the commercial or economic interests of any other contracting party and not to prevent unreasonably the importation of any description of goods in minimum commercial quantities the exclusion of which would impair regular channels of trade; and Provided further that the restrictions are not so applied as to prevent the importation of commercial samples or to prevent compliance with patent, trademark, copyright or similar procedures.
11.
In carrying out its domestic policies, the contracting party concerned shall pay due regard to the need for restoring equilibrium in its balance of payments on a sound and lasting basis and to the desirability of assuring an economic employment of productive resources. It shall progressively relax any restrictions applied under this Section as conditions improve, maintaining them only to the extent necessary under the terms of paragraph 9 of this Article and shall eliminate them when conditions no longer justify such maintenance; Provided that no contracting party shall be required to withdraw or modify restrictions on the ground that a change in its development policy would render unnecessary the restrictions which it is applying under this Section.
12.
Section C
(a) Any contracting party applying new restrictions or raising the general level of its existing restrictions by a substantial intensification of the measures applied under this Section, shall immediately after instituting or intensifying such restrictions (or, in circumstances in which prior consultation is practicable, before doing so) consult with the CONTRACTING PARTIES as to the nature of its balance of payments difficulties, alternative corrective measures which may be available, and the possible effect of the restrictions on the economies of other contracting parties.
(b) On a date to be determined by them, the CONTRACTING PARTIES shall review all restrictions still applied under this Section on that date. Beginning two years after that date, contracting parties applying restrictions under this Section shall enter into consultations of the type provided for in sub-paragraph (a) above with the CONTRACTING PARTIES at intervals of approximately, but not less than, two years according to a programme to be drawn up each year by the CONTRACTING PARTIES; Provided that no consultation under this sub-paragraph shall take place within two years after the conclusion of a consultation of a general nature under any other provision of this paragraph.
(c)
(i) If, in the course of consultations with a contracting party under sub-paragraph (a) or (b) of this paragraph, the CONTRACTING PARTIES find that the restrictions are not consistent with the provisions of this Section or with those of Article XIII (subject to the provisions of Article XIV), they shall indicate the nature of the inconsistency and may advise that the restrictions be suitably modified.
(ii) If, however, as a result of the consultations, the CONTRACTING PARTIES determine that the restrictions are being applied in a manner involving an inconsistency of a serious nature with the provisions of this Section or with those of Article XIII (subject to the provisions of Article XIV) and that damage to the trade of any contracting party is caused or threatened thereby, they shall so inform the contracting party applying the restrictions and shall make appropriate recommendations for securing conformity with such provisions within a specified period. If such contracting party does not comply with these recommendations within the specified period, the CONTRACTING PARTIES may release any contracting party the trade of which is adversely affected by the restrictions from such obligations under this Agreement towards the contracting party applying the restrictions as they determine to be appropriate in the circumstances.
(d) The CONTRACTING PARTIES shall invite any contracting party which is applying restrictions under this Section to enter into consultations with them at the request of any contracting party which can establish a prima facie case that the restrictions are inconsistent with the provisions of this Section or with those of Article XIII (subject to the provisions of Article XIV) and that its trade is adversely affected thereby. However, no such invitation shall be issued unless the CONTRACTING PARTIES have ascertained that direct discussions between the contracting parties concerned have not been successful. If, as a result of the consultations with the CONTRACTING PARTIES no agreement is reached and they determine that the restrictions are being applied inconsistently with such provisions, and that damage to the trade of the contracting party initiating the procedure is caused or threatened thereby, they shall recommend the withdrawal or modification of the restrictions. If the restrictions are not withdrawn or modified within such time as the CONTRACTING PARTIES may prescribe, they may release the contracting party initiating the procedure from such obligations under this Agreement towards the contracting party applying the restrictions as they determine to be appropriate in the circumstances.
(e) If a contracting party against which action has been taken in accordance with the last sentence of sub-paragraph (c) (ii) or (d) of this paragraph, finds that the release of obligations authorized by the CONTRACTING PARTIES adversely affects the operation of its programme and policy of economic development, it shall be free, not later than sixty days after such action is taken, to give written notice to the Executive Secretary to the CONTRACTING PARTIES of its intention to withdraw from this Agreement and such withdrawal shall take effect on the sixtieth day following the day on which the notice is received by him.
(f) In proceeding under this paragraph, the CONTRACTING PARTIES shall have due regard to the factors referred to in paragraph 2 of this Article. Determinations under this paragraph shall be rendered expeditiously and, if possible, within sixty days of the initiation of the consultations.
13.
If a contracting party coming within the scope of paragraph 4 (a) of this Article finds that governmental assistance is required to promote the establishment of a particular industry with a view to raising the general standard of living of its people, but that no measure consistent with the other provisions of this Agreement is practicable to achieve that objective, it may have recourse to the provisions and procedures set out in this Section.
14.
The contracting party concerned shall notify the CONTRACTING PARTIES of the special difficulties which it meets in the archievement of the objective outlined in paragraph 13 of this Article and shall indicate the specific measure affecting imports which it proposes to introduce in order to remedy these difficulties. It shall not introduce that measure before the expiration of the time-limit laid down in paragraph 15 or 17, as the case may be, or if the measure affects imports of a product which is the subject of a concession included in the appropriate Schedule annexed to this Agreement, unless it has secured the concurrence of the CONTRACTING PARTIES in accordance with the provisions of paragraph 18; Provided that, if the industry receiving assistance has already started production, the contracting party may, after informing the CONTRACTING PARTIES, take such measures as may be necessary to prevent, during that period, imports of the product or products concerned from increasing substantially above a normal level.
15.
If, within thirty days of the notification of the measure, the CONTRACTING PARTIES do not request the contracting party concerned to consult with them, that contracting party shall be free to deviate from the relevant provisions of the other Articles of this Agreement to the extent necessary to apply the proposed measure.
16.
If it is requested by the CONTRACTING PARTIES to do so, the contracting party concerned shall consult with them as to the purpose of the proposed measure, as to alternative measures which may be available under this Agreement, and as to the possible effect of the measure proposed on the commercial and economic interests of other contracting parties. If, as a result of such consultation, the CONTRACTING PARTIES agree that there is no measure consistent with the other provisions of this Agreement which is practicable in order to achieve the objective outlined in paragraph 13 of this Article, and concur in the proposed measure, the contracting party concerned shall be released from its obligations under the relevant provisions of the other Articles of this Agreement to the extent necessary to apply that measure.
17.
If, within ninety days after the date of the notification of the proposed measure under paragraph 14 of this Article, the CONTRACTING PARTIES have not concurred in such measure, the contracting party concerned may introduce the measure proposed after informing the CONTRACTING PARTIES.
18.
If the proposed measure affects a product which is the subject of a concession included in the appropriate Schedule annexed to this Agreement, the contracting party concerned shall enter into consultations with any other contracting party with which the concession was initially negotiated, and with any other contracting party determined by the CONTRACTING PARTIES to have a substantial interest therein. The CONTRACTING PARTIES shall concur in the measure if they agree that there is no measure consistent with the other provisions of this Agreement which is practicable in order to achieve the objective set forth in paragraph 13 of this Article, and if they are satisfied:
(a) that agreement has been reached with such other contracting parties as a result of the consulations referred to above, or
(b) if no such agreement has been reached within sixty days after the notification provided for in paragraph 14 has been received by the CONTRACTING PARTIES, that the contracting party having recourse to this Section has made all reasonable efforts to reach an agreement and that the interests of other contracting parties are adequately safeguarded.
The contracting party having recourse to this Section shall thereupon be released from its obligations under the relevant provisions of the other Articles of this Agreement to the extent necessary to permit it to apply the measure.
19.
If a proposed measure of the type described in paragraph 13 of this Article concerns an industry the establishment of which has in the initial period been facilitated by incidental protection afforded by restrictions imposed by the contracting party concerned for balance of payments purposes under the relevant provisions of this Agreement, that contracting party may resort to the provisions and procedures of this Section; Provided that it shall not apply the proposed measure without the concurrence of the CONTRACTING PARTIES.
20.
Nothing in the preceding paragraphs of this Section shall authorize any deviation from the provisions of Articles I, II and XIII of this Agreement. The provisos to paragraph 10 of this Article shall also be applicable to any restriction under this Section.
21.
At any time while a measure is being applied under paragraph 17 of this Article any contracting party substantially affected by it may suspend the application to the trade of the contracting party having recourse to this Section of such substantially equivalent concessions or other obligations under this Agreement the suspension of which the CONTRACTING PARTIES do not disapprove; Provided that sixty days' notice of such suspension is given to the CONTRACTING PARTIES not later than six months after the measure has been introduced or changed substantially to the detriment of the contracting party affected. Any such contracting party shall afford adequate opportunity for consultation in accordance with the provisions of Article XXII of this Agreement.
22.
A contracting party coming within the scope of sub-paragraph 4 (b) of this Article desiring, in the interest of the development of its economy, to introduce a measure of the type described in paragraph 13 of this Article in respect of the establishment of a particular industry may apply to the CONTRACTING PARTIES for approval of such measure. The CONTRACTING PARTIES shall promptly consult with such contracting party and shall, in making their decision, be guided by the considerations set out in paragraph 16. If the CONTRACTING PARTIES concur in the proposed measure the contracting party concerned shall be released from its obligations under the relevant provisions of the other Articles of this Agreement to the extent necessary to permit it to apply the measure. If the proposed measure affects a product which is the subject of a concession included in the appropriate Schedule annexed to this Agreement, the provisions of paragraph 18 shall apply.
23.
Any measure applied under this Section shall comply with the provisions of paragraph 20 of this Article.
1.
(a) If, as a result of unforeseen developments and of the effect of the obligations incurred by a contracting party under this Agreement, including tariff concessions, any product is being imported into the territory of that contracting party in such increased quantities and under such conditions as to cause or threaten serious injury to domestic producers in that territory of like or directly competitive products, the contracting party shall be free, in respect of such product, and to the extent and for such time as may be necessary to prevent or remedy such injury, to suspend the obligation in whole or in part or to withdraw or modify the concession.
(b) If any product, which is the subject of a concession with respect to a preference, is being imported into the territory of a contracting party in the circumstances set forth in sub-paragraph (a) of this paragraph, so as to cause or threaten serious injury to domestic producers of like or directly competitive products in the territory of a contracting party which receives or received such preference, the importing contracting party shall be free, if that other contracting party so requests, to suspend the relevant obligation in whole or in part or to withdraw or modify the concession in respect of the product, to the extent and for such time as may be necessary to prevent or remedy such injury.
2.
Before any contracting party shall take action pursuant to the provisions of paragraph 1 of this Article, it shall give notice in writing to the CONTRACTING PARTIES as far in advance as may be practicable and shall afford the CONTRACTING PARTIES and those contracting parties having a substantial interest as exporters of the product concerned an opportunity to consult with it in respect of the proposed action. When such notice is given in relation to a concession with respect to a preference, the notice shall name the contracting party which has requested the action. In critical circumstances, where delay would cause damage which it would be difficult to repair, action under paragraph 1 of this Article may be taken provisionally without prior consultation, on the condition that consultation shall be effected immediately after taking such action.
3.
(a) If agreement among the interested contracting parties with respect to the action is not reached, the contracting party which proposes to take or continue the action shall, nevertheless, be free to do so, and if such action is taken or continued, the affected contracing parties shall then be free, not later than ninety days after such action is taken, to suspend, upon the expiration of thirty days from the day on which written notice of such suspension is received by the CONTRACTING PARTIES, the application to the trade of the contracting party taking such action, or, in the case envisaged in paragraph 1 (b) of this Article, to the trade of the contracting party requesting such action, of such substantially equivalent concessions or other obligations under this Agreement the suspension of which the CONTRACTING PARTIES do not disapprove.
(b) Nothwithstanding the provisions of sub-paragraph (a) of this paragraph, where action is taken under paragraph 2 of this Article without prior consultation and causes or threatens serious injury in the territory of a contracting party to the domestic producers of products affected by the action, that contracting party shall, where delay would cause damage difficult to repair, be free to suspend, upon the taking of the action and throughout the period of consultation, such concessions or other obligations as may be necessary to prevent or remedy the injury.
1)[18] General Exceptions [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Article XX. 1)[18] General Exceptions [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Subject to the requirement that such measures are not applied in a manner which would constitute a means of arbitrary or unjustifiable discrimination between countries where the same conditions prevail, or a disguised restriction on international trade, nothing in this Agreement shall be construed to prevent the adoption or enforcement by any contracting party of measures:
(a) necessary to protect public morals;
(b) necessary to protect human, animal or plant life or health;
(c) relating to the importation or exportation of gold or silver;
(d) necessary to secure compliance with laws or regulations which are not inconsistent with the provisions of this Agreement, including those relating to customs enforcement, the enforcement of monopolies operated under paragraph 4 of Article II and Article XVII, the protection of patents, trade marks and copyrights, and the prevention of deceptive practices;
(e) relating to the products of prison labour;
(f) imposed for the protection of national treasures of artistic, historic or archaeological value;
(g) relating to the conservation of exhaustible natural resources if such measures are made effective in conjunction with restrictions on domestic production or consumption;
(h) undertaken in pursuance of obligations under any intergovernmental commodity agreement which conforms to criteria submitted to the CONTRACTING PARTIES and not disapproved by them or which is itself so submitted and not so disapproved;
(i) involving restrictions on exports of domestic materials necessary to assure essential quantities of such materials to a domestic processing industry during periods when the domestic price of such materials is held below the world price as part of a governmental stabilization plan; Provided that such restrictions shall not operate to increase the exports of or the protection afforded to such domestic industry, and shall not depart from the provisions of this Agreement relating to nondiscrimination;
(j) essential to the acquisition or distribution of products in general or local short supply; Provided that any such measures shall be consistent with the principle that all contracting parties are entitled to an equitable share of the international supply of such products, and that any such measures, which are inconsistent with the other provisions of this Agreement shall be discontinued as soon as the conditions giving rise to them have ceased to exist. The CONTRACTING PARTIES shall review the need for this sub-paragraph not later than 30 June 1960.
(a) to require any contracting party to furnish any information the disclosure of which it considers contrary to its essential security interests; or
(b) to prevent any contracting party from taking any action which it considers necessary for the protection of its essential security interests
(i) relating to fissionable materials or the materials from which they are derived;
(ii) relating to the traffic in arms, ammunition and implements of war and to such traffic in other goods and materials as is carried on directly or indirectly for the purpose of supplying a military establishment;
(iii) taken in time of war or other emergency in international relations; or
(c) to prevent any contracting party from taking any action in pursuance of its obligations under the United Nations Charter for the maintenance of international peace and security.
1.
Each contracting party shall accord sympathetic consideration to, and shall afford adequate opportunity for consultation regarding, such representations as may be made by another contracting party with respect to any matter affecting the operation of this Agreement.
2.
The CONTRACTING PARTIES may, at the request of a contracting party, consult with any contracting party or parties in respect of any matter for which it has not been possible to find a satisfactory solution through consultation under paragraph 1.
1.
If any contracting party should consider that any benefit accruing to it directly or indirectly under this Agreement is being nullified or impaired of that the attainment of any objective of the Agreement is being impeded as the result of (a) the failure of another contracting party to carry out its obligations under this Agreement, or (b) the application by another contracting party of any measure, whether or not it conflicts with the provisions of this Agreement or (c) the existence of any other situation, the contracting party may, with a view to the satisfactory adjustment of the matter, make written representations or proposals to the other contracting party or parties which it considers to be concerned. Any contracting party thus approached shall give sympathetic consideration to the representations or proposals made to it.
2.
If no satisfactory adjustment is effected between the contracting parties concerned within a reasonable time, or if the difficulty is of the type described in paragraph 1 (c) of this Article, the matter may be referred to the CONTRACTING PARTIES. The CONTRACTING PARTIES shall promptly investigate any matter so referred to them and shall make appropriate recommendations to the contracting parties which they consider to be concerned, or give a ruling on the matter, as appropriate. The CONTRACTING PARTIES may consult with contracting parties, with the Economic and Social Council of the United Nations and with any appropriate intergovernmental organization in cases where they consider such consultation necessary. If the CONTRACTING PARTIES consider that the circumstances are serious enough to justify such action, they may authorize a contracting party or parties to suspend the application to any other contracting party or parties of such concessions or other obligations under this Agreement as they determine to be appropriate in the circumstances. If the application to any contracting party of any concession or other obligation is in fact suspended, that contracting party shall then be free, not later than sixty days after such action is taken to give written notice to the Executive Secretary to the CONTRACTING PARTIES of its intention to withdraw from this Agreement and such withdrawal shall take effect upon the sixtieth day following the day on which such notice is received by him.
1.
The provisions of this Agreement shall apply to the metropolitan customs territories of the contracting parties and to any other customs territories in respect of which this Agreement has been accepted under Article XXVI or is being applied under Article XXXIII or pursuant to the Protocol of Provisional Application. Each such customs territory shall, exclusively for the purposes of the territorial application of this Agreement, be treated as though it were a contracting party; Provided that the provisions of this paragraph shall not be construed to create any rights or obligations as between two or more customs territories in respect of which this Agreement has been accepted under Article XXVI or is being applied under Article XXXIII or pursuant to the Protocol of Provisional Application by a single contracting party.
2.
For the purposes of this Agreement a customs territory shall be understood to mean any territory with respect to which separate tariffs or other regulations of commerce are maintained for a substantial part of the trade of such territory with other territories,
3.
The provisions of this Agreement shall not be construed to prevent:
(a) advantages accorded by any contracting party to adjacent countries in order to facilitate frontier traffic;
(b) advantages accorded to the trade with the Free Territory of Trieste by countries contiguous to that territory, provided that such advantages are not in conflict with the Treaties of Peace arising out of the Second World War.
4.
The contracting parties recognize the desirability of increasing freedom of trade by the development, through voluntary agreements, of closer integration between the economies of the countries parties to such agreements. They also recognize that the purpose of a customs union or of a free-trade area should be to facilitate trade between the constituent territories and not to raise barriers to the trade of other contracting parties with such territories.
5.
Accordingly, the provisions of this Agreement shall not prevent, as between the territories of contracting parties, the formation of a customs union or of a free-trade area or the adoption of an interim agreement necessary for the formation of a customs union or of a free-trade area; Provided that:
(a) with respect to a customs union, or an interim agreement leading to the formation of a customs union, the duties and other regulations of commerce imposed at the institution of any such union or interim agreement in respect of trade with contracting parties not parties to such union or agreement shall not on the whole be higher or more restrictive than the general incidence of the duties and regulations of commerce applicable in the constituent territories prior to the formation of such union or the adoption of such interim agreement, as the case may be;
(b) with respect to a free-trade area, or an interim agreement leading to the formation of a free-trade area, the duties and other regulations of commerce maintained in each of the constituent territories and applicable at the formation of such free-trade area or the adoption of such interim agreement to the trade of contracting parties not included in such area or not parties to such agreement shall not be higher or more restrictive than the corresponding duties and other regulations of commerce existing in the same constituent territories prior to the formation of the free-trade area, or interim agreement, as the case may be; and
(c) any interim agreement referred to in sub-paragraphs (a) and (b) shall include a plan and schedule for the formation of such a customs union or of such a free-trade are within a reasonable length of time.
6.
If, in fulfilling the requirements of sub-paragraph 5 (a), a contracting party proposes to increase any rate of duty inconsistently with the provisions of Article II, the procedure set forth in Article XXVIII shall apply. In providing for compensatory adjustment, due account shall be taken of the compensation already afforded by the reductions brought about in the corresponding duty of the other constituents of the union.
7.
(a) Any contracting party deciding to enter into a customs union or free-trade area, or an interim agreement leading to the formation of such a union or area, shall promptly notify the CONTRACTING PARTIES and shall make available to them such information regarding the proposed union or area as will enable them to make such reports and recommendations to contracting parties as they may deem appropriate.
(b) If, after having studied the plan and schedule included in an interim agreement referred to in paragraph 5 in consultation with the parties to that agreement and taking due account of the information made available in accordance with the provisions of sub-paragraph (a), the CONTRACTING PARTIES find that such agreement is not likely to result in the formation of a customs union or of a free-trade area within the period contemplated by the parties to the agreement or that such period is not a reasonable one, the CONTRACTING PARTIES shall make recommendations to the parties to the agreement. The parties shall not maintain or put into force, as the case may be, such agreement if they are not prepared to modify it in accordance with these recommendations.
(c) Any substantial change in the plan or schedule referred to in paragraph 5 (c) shall be communicated to the CONTRACTING PARTIES, which may request the contracting parties concerned to consult with them if the change seems likely to jeopardize or delay unduly the formation of the customs union or of the free-trade area.
8.
For the purposes of this Agreement:
(a) a customs union shall be understood to mean the substitution of a single customs territory for two or more customs territories, so that
(i) duties and other restrictive regulations of commerce (except, where necessary, those permitted under Articles XI, XII, XIII, XIV, XV and XX) are eliminated with respect to substantially all the trade between the constituent territories of the union or at least with respect to substantially all the trade in products originating in such territories, and,
(ii) subject to the provisions of paragraph 9, substantially the same duties and other regulations of commerce are applied by each of the members of the union to the trade of territories not included in the union:
(b) a free-trade area shall be understood to mean a group of two or more customs territories in which the duties and other restrictive regulations of commerce (except, where necessary, those permitted under Articles XI, XII, XIII, XIV, XV and XX) are eliminated on substantially all the trade between the constituent territories in products originating in such territories.
9.
The preferences referred to in paragraph 2 of Article I shall not be affected by the formation of a customs union or of a free-trade area but may be eliminated or adjusted by means of negotiations with contracting parties affected. This procedure of negotiations with affected contracting parties shall, in particular, apply to the elimination of preferences required to conform with the provisions of paragraph 8 (a) (i) and paragraph 8 (b).
10.
The CONTRACTING PARTIES may by a two-thirds majority approve proposals which do not fully comply with the requirements of paragraphs 5 to 9 inclusive, provided that such proposals lead to the formation of a customs union or a free-trade area in the sense of this Article.
11.
Taking into account the exceptional circumstances arising out of the establishment of India and Pakistan as independent States and recognizing the fact that they have long constituted an economic unit, the contracting parties agree that the provisions of this Agreement shall not prevent the two countries from entering into special arrangements with respect to the trade between them, pending the establishment of their mutual trade relations on a definitive basis.
12.
Each contracting party shall take such reasonable measures as may be available to it to ensure observance of the provisions of this Agreement by the regional and local governments and authorities within its territory.
1.
Representatives of the contracting parties shall meet from time to time for the purpose of giving effect to those provisions of this Agreement which involve joint action and, generally, with a view to facilitating the operation and furthering the objectives of this Agreement. Wherever reference is made in this Agreement to the contracting parties acting jointly they are designated as the CONTRACTING PARTIES.
2.
The Secretary-General of the United Nations is requested to convene the first meeting of the CONTRACTING PARTIES, which shall take place not later than March 1, 1948.
3.
Each contracting party shall be entitled to have one vote at all meetings of the CONTRACTING PARTIES.
4.
Except as otherwise provided for in this Agreement, decisions of the CONTRACTING PARTIES shall be taken by a majority of the votes cast.
5.
In exceptional circumstances not elsewhere provided for in this Agreement, the CONTRACTING PARTIES may waive an obligation imposed upon a contracting party by this Agreement; Provided that any such decision shall be approved by a two-thirds majority of the votes cast and that such majority shall comprise more than half of the contracting parties. The CONTRACTING PARTIES may also by such a vote:
(i) define certain categories of exceptional circumstances to which other voting requirements shall apply for the waiver of obligations, and
(ii) prescribe such criteria as may be necessary for the application of this sub-paragraph 1) [24] .
1.
The date of this Agreement shall be 30 October 1947.
2.
This Agreement shall be open for acceptance by any contracting party which, on 1 March 1955, was a contracting party or was negotiating with a view to accession to this Agreement.
3.
This Agreement, done in a single English original and in a single French original, both texts authentic, shall be deposited with the Secretary-General of the United Nations, who shall furnish certified copies thereof to all interested governments.
4.
Each government accepting this Agreement shall deposit an instrument of acceptance with the Executive Secretary to the CONTRACTING PARTIES, who will inform all interested governments of the date of deposit of each instrument of acceptance and of the day on which this Agreement enters into force under paragraph 6 of this Article.
5.
(a) Each government accepting this Agreement does so in respect of its metropolitan territory and of the other territories for which it has international responsibility, except such separate customs territories as it shall notify to the Executive Secretary to the CONTRACTING PARTIES at the time of its own acceptance.
(b) Any government, which has so notified the Executive Secretary under the exceptions in sub-paragraph (a) of this paragraph, may at any time give notice to the Executive Secretary that its acceptance shall be effective in respect of any separate customs territory or territories so excepted and such notice shall take effect on the thirtieth day following the day on which it is received by the Executive Secretary.
(c) If any of the customs territories, in respect of which a contracting party has accepted this Agreement, possesses or acquires full autonomy in the conduct of its external commercial relations and of the other matters provided for in this Agreement, such territory shall, upon sponsorship through a declaration by the responsible contracting party establishing the above-mentioned fact, be deemed to be a contracting party.
6.
This Agreement shall enter into force, as among the governments which have accepted it, on the thirtieth day following the day on which instruments of acceptance have been deposited with the Executive Secretary to the CONTRACTING PARTIES on behalf of governments named in Annex H, the territories of which account for 85 per centum of the total external trade of the territories of such governments, computed in accordance with the applicable column of percentages set forth therein. The instruments of acceptance of each other government shall take effect on the thirtieth day following the day on which such instrument has been deposited.
7.
The United Nations is authorized to effect registration of this Agreement as soon as it enters into force.
1)[26] Withholding or Withdrawal of Concessions [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Article XXVII. 1)[26] Withholding or Withdrawal of Concessions [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Any contracting party shall at any time be free to withhold or to withdraw in whole or in part any concession, provided for in the appropriate Schedule annexed to this Agreement, in respect of which such contracting party determines that it was initially negotiated with a government which has not become, or has ceased to be, a contracting party. A contracting party taking such action shall notify the CONTRACTING PARTIES and, upon request, consult with contracting parties which have a substantial interest in the product concerned.
1.
On the first day of each three-year period, the first period beginning on 1 January 1958 (or on the first day of any other period that may be specified by the CONTRACTING PARTIES by two-thirds of the votes cast) a contracting party (hereafter in this Article referred to as the “applicant contracting party”) may, by negotiation and agreement with any contracting party with which such concession was initially negotiated and with any other contracting party determined by the CONTRACTING PARTIES to have a principal supplying interest (which two preceding categories of contracting parties, together with the applicant contracting party, are in this Article hereinafter referred to as the “contracting parties primarily concerned”), and subject to consultation with any other contracting party determined by the CONTRACTING PARTIES to have a substantial interest in such concession, modify or withdraw a concession included in the appropriate Schedule annexed to this Agreement.
2.
In such negotiations and agreement, which may include provision for compensatory adjustment with respect to other products, the contracting parties concerned shall endeavour to maintain a general level of reciprocal and mutually advantageous concessions not less favourable to trade than that provided for in this Agreement prior to such negotiations.
3.
(a) If agreement between the contracting parties primarily concerned cannot be reached before 1 January 1958 or before the expiration of a period envisaged in paragraph 1 of this Article, the contracting party which proposes to modify or withdraw the concession shall, nevertheless, be free to do so and if such action is taken any contracting party with which such concession was initially negotiated, any contracting party determined under paragraph 1 to have a principal supplying interest and any contracting party determined under paragraph 1 to have a substantial interest shall then be free not later than six months after such action is taken, to withdraw, upon the expiration of thirty days from the day on which written notice of such withdrawal is received by the CONTRACTING PARTIES, substantially equivalent concessions initially negotiated with the applicant contracting party.
(b) If agreement between the contracting parties primarily concerned is reached but any other contracting party determined under paragraph 1 of this Article to have a substantial interest is not satisfied, such other contracting party shall be free, not later than six months after action under such agreement is taken, to withdraw, upon the expiration of thirty days from the day on which written notice of such withdrawal is received by the CONTRACTING PARTIES, substantially equivalent concessions initially negotiated with the applicant contracting party.
4.
The CONTRACTING PARTIES may, at any time, in special circumstances, authorize a contracting party to enter into negotiations for modification or withdrawal of a concession included in the appropriate Schedule annexed to this Agreement subject to the following procedures and conditions:
(a) Such negotiations and any related consultations shall be conducted in accordance with the provisions of paragraphs 1 and 2 of this Article.
(b) If agreement between the contracting parties primarily concerned is reached in the negotiations, the provisions of paragraph 3 (b) of this Article shall apply.
(c) If agreement between the contracting parties primarily concerned is not reached within a period of sixty days after negotiations have been authorized, or within such longer period as the CONTRACTING PARTIES may have prescribed, the applicant contracting party may refer the matter to the CONTRACTING PARTIES.
(d) Upon such reference, the CONTRACTING PARTIES shall promptly examine the matter and submit their views to the contracting parties primarily concerned with the aim of achieving a settlement. If a settlement is reached, the provisions of paragraph 3 (b) shall apply as if agreement between the contracting parties primarily concerned had been reached. If no settlement is reached between the contracting parties primarily concerned, the applicant contracting party shall be free to modify or withdraw the concession, unless the CONTRACTING PARTIES determine that the applicant contracting party has unreasonably failed to offer adequate compensation. If such action is taken, any contracting party with which the concession was initially negotiated, any contracting party determined under paragraph 4 (a) to have a principal supplying interest and any contracting party determined under paragraph 4 (a) to have a substantial interest, shall be free, not later than six months after such action is taken, to modify or withdraw, upon the expiration of thirty days from the day on which written notice of such withdrawal is received by the CONTRACTING PARTIES, substantially equivalent concessions initially negotiated with the applicant contracting party.
5.
Before 1 January 1958 and before the end of any period envisaged in paragraph 1 a contracting party may elect by notifying the CONTRACTING PARTIES to reserve the right, for the duration of the next period, to modify the appropriate Schedule in accordance with the procedures of paragraphs 1 to 3. If a contracting party so elects, other contracting parties shall have the right, during the same period, to modify or withdraw, in accordance with the same procedures, concessions initially negotiated with that contracting party.
1.
The contracting parties recognize that customs duties often constitute serious obstacles to trade; thus negotiations on a reciprocal and mutually advantageous basis, directed to the substantial reduction of the general level of tariffs and other charges on imports and exports and in particular to the reduction of such high tariffs as discourage the importation even of minimum quantities, and conducted with due regard to the objectives of this Agreement and the varying needs of individual contracting parties, are of great importance to the expansion of international trade. The CONTRACTING PARTIES may therefore sponsor such negotiations from time to time.
2.
(a) Negotiations under this Article may be carried out on a selective product-by-product basis or by the application of such multilateral procedures as may be accepted by the contracting parties concerned. Such negotiations may be directed towards the reduction of duties, the binding of duties at then existing levels or undertakings that individual duties or the average duties on specified categories of products shall not exceed specified levels. The binding against increase of low duties or of duty-free treatment shall, in principle, be recognized as a concession equivalent in value to the reduction of high duties.
(b) The contracting parties recognize that in general the success of multilateral negotiations would depend on the participation of all contracting parties which conduct a substantial proportion of their external trade with one another.
3.
Negotiations shall be conducted on a basis which affords adequate opportunity to take into account:
(a) the needs of individual contracting parties and individual industries;
(b) the needs of less-developed countries for a more flexible use of tariff protection to assist their economic development and the special needs of these countries to maintain tariffs for revenue purposes; and
(c) all other relevant circumstances, including the fiscal, developmental, strategic and other needs of the contracting parties concerned.
1.
The contracting parties undertake to observe to the fullest extent of their executive authority the general principles of Chapters I to VI inclusive and of Chapter IX of the Havana Charter pending their acceptance of it in accordance with their constitutional procedures.
2.
Part II of this Agreement shall be suspended on the day on which the Havana Charter enters into force.
3.
If by September 30, 1949, the Havana Charter has not entered into force, the contracting parties shall meet before December 31, 1949, to agree whether this Agreement shall be amended, supplemented or maintained.
4.
If at any time the Havana Charter should cease to be in force, the CONTRACTING PARTIES shall meet as soon as practicable thereafter to agree whether this Agreement shall be supplemented, amended or maintained. Pending such agreement, Part II of this Agreement shall again enter into force; Provided that the provisions of Part II other than Article XXIII shall be replaced, mutatis mutandis, in the form in which they then appeared in the Havana Charter; and Provided further that no contracting party shall be bound by any provisions which did not bind it at the time when the Havana Charter ceased to be in force.
5.
If any contracting party has not accepted the Havana Charter by the date upon which it enters into force, the CONTRACTING PARTIES shall confer to agree whether, and if so in what way, this Agreement in so far as it affects relations between such contracting party and other contracting parties, shall be supplemented or amended. Pending such agreement the provisions of Part II of this Agreement shall, notwithstanding the provisions of paragraph 2 of this Article, continue to apply as between such contracting party and other contracting parties.
6.
Contracting parties which are Members of the International Trade Organization shall not invoke the provisions of this Agreement so as to prevent the operation of any provision of the Havana Charter. The application of the principle underlying this paragraph to any contracting party which is not a Member of the International Trade Organization shall be the subject of an agreement pursuant to paragraph 5 of this Article.
1.
Except where provision for modification is made elsewhere in this Agreement, amendments to the provisions of Part I of this Agreement or to the provisions of Article XXIX or of this Article shall become effective upon acceptance by all the contracting parties, and other amendments to this Agreement shall become effective, in respect of those contracting parties which accept them, upon acceptance by two-thirds of the contracting parties and thereafter for each other contracting party upon acceptance by it.
2.
Any contracting party accepting an amendment to this Agreement shall deposit an instrument of acceptance with the Secretary-General of the United Nations within such period as the CONTRACTING PARTIES may specify. The CONTRACTING PARTIES may decide that any amendment made effective under this Article is of such a nature that any contracting party which has not accepted it within a period specified by the CONTRACTING PARTIES shall be free to withdraw from this Agreement, or to remain a contracting party with the consent of the CONTRACTING PARTIES.
1)[30] Withdrawal [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Article XXXI. 1)[30] Withdrawal [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Without prejudice to the provisions of paragraph 12 of Article XVIII or of Article XXIII or of paragraph 2 of Article XXX, any contracting party may withdraw from this Agreement, or may separately withdraw on behalf of any of the separate customs territories for which it has international responsibility and which at the time possesses full autonomy in the conduct of its external commercial relations and of the other matters provided for in this Agreement. The withdrawal shall take effect upon the expiration of six months from the day on which written notice of withdrawal is received by the Secretary-General of the United Nations.
1.
The contracting parties to this Agreement shall be understood to mean those governments which are applying the provisions of this Agreement under Articles XXVI or XXXIII or pursuant to the Protocol of Provisional Application.
2.
At any time after the entry into force of this Agreement pursuant to paragraph 6 of Article XXVI, those contracting parties which have accepted this Agreement pursuant to paragraph 4 of Article XXVI may decide that any contracting party which has not so accepted it shall cease to be a contracting party.
3)[32] Accession [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Article XXXIII. 3)[32] Accession [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
A government not party to this Agreement, or a government acting on behalf of a separate customs territory possessing full autonomy in the conduct of its external commercial relations and of the other matters provided for in this Agreement, may accede to this Agreement, on its own behalf or on behalf of that territory, on terms to be agreed between such government and the CONTRACTING PARTIES. Decisions of the CONTRACTING PARTIES under this paragraph shall be taken by a two-thirds majority.
Article XXXIV. Annexes [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
The annexes to this Agreement are hereby made an integral part of this Agreement.
1.
This Agreement, or alternatively Article II of this Agreement shall not apply as between any contracting party and any other contracting party if:
(a) the two contracting parties have not entered into tariff negotiations with each other, and
(b) either of the contracting parties, at the time either becomes a contracting party, does not consent to such application.
2.
The CONTRACTING PARTIES may review the operation of this Article in particular cases at the request of any contracting party and make appropriate recommendations.
1.
The contracting parties,
(a) recalling that the basic objectives of this Agreement include the raising of standards of living and the progressive development of the economies of all contracting parties, and considering that the attainment of these objectives is particularly urgent for less-developed contracting parties;
(b) considering that export earnings of the less-developed contracting parties can play a vital part in their economic development and that the extent of this contribution depends on the prices paid by the less-developed contracting parties for essential imports, the volume of their exports, and the prices received for these exports;
(c) noting, that there is a wide gap between standards of living in less-developed countries and in other countries;
(d) recognizing that individual and joint action is essential to further the development of the economies of less-developed contracting parties and to bring about a rapid advance in the standards of living in these countries;
(e) recognizing that international trade as a means of achieving economic and social advancement should be governed by such rules and procedures – and measures in conformity with such rules and procedures – as are consistent with the objectives set forth in this Article;
(f) noting that the CONTRACTING PARTIES may enable less-developed contracting parties to use special measures to promote their trade and development;
agree as follows.
2.
There is need for a rapid and sustained expansion of the export earnings of the less-developed contracting parties.
3.
There is need for positive efforts designed to ensure that less-developed contracting parties secure a share in the growth in international trade commensurate with the needs of their economic development.
4.
Given the continued dependence of many less-developed contracting parties on the exportation of a limited range of primary products, there is need to provide in the largest possible measure more favourable and acceptable conditions of access to world markets for these products, and wherever appropriate to devise measures designed to stabilize and improve conditions of world markets in these products, including in particular measures designed to attain stable, equitable and remunerative prices, thus permitting an expansion of world trade and demand and a dynamic and steady growth of the real export earnings of these countries so as to provide them with expanding resources for their economic development.
5.
The rapid expansion of the economies of the less-developed contracting parties will be facilitated by a diversification of the structure of their economies and the avoidance of an excessive dependence on the export of primary products. There is, therefore, need for increased access in the largest possible measure to markets under favourable conditions for processed and manufactured products currently or potentially of particular export interest to less-developed contracting parties.
6.
Because of the chronic deficiency in the export proceeds and other foreign exchange earnings of less-developed contracting parties, there are important inter-relationships between trade and financial assistance to development. There is, therefore, need for close and continuing collaboration between the CONTRACTING PARTIES and the international lending agencies so that they can contribute most effectively to alleviating the burdens these less-developed contracting parties assume in the interest of their economic development.
7.
There is need for appropriate collaboration between the CONTRACTING PARTIES, other intergovernmental bodies and the organs and agencies of the United Nations system, whose activities relate to the trade and economic development of less-developed countries.
8.
The developed contracting parties do not except reciprocity for commitments made by them in trade negotiations to reduce or remove tariffs and other barriers to the trade of less-developed contracting parties.
9.
The adoption of measures to give effect to these principles and objectives shall be a matter of conscious and purposeful effort on the part of the contracting parties both individually and jointly.
1.
The developed contracting parties shall to the fullest extent possible – that is, except when compelling reasons, which may include legal reasons, make it impossible – give effect to the following provisions:
(a) accord high priority to the reduction and elimination of barriers to products currently or potentially of particular export interest to less-developed contracting parties, including customs duties and other restrictions which differentiate unreasonably between such products in their primary and in their processed forms;
(b) refrain from introducing, or increasing the incidence of, customs duties or non-tariff import barriers on products currently or potentially of particular export interest to less-developed contracting parties; and
(c)
(i) refrain from imposing new fiscal measures, and
(ii) in any adjustments of fiscal policy accord high priority to the reduction and elimination of fiscal measures,
which would hamper, or which hamper, significantly the growth of consumption of primary products, in raw or processed form, wholly or mainly produced in the territories of less-developed contracting parties, and which are applied specifically to those products.
2.
(a) Whenever it is considered that effect is not being given to any of the provisions of sub-paragraph (a), (b) or (c) of paragraph 1, the matter shall be reported to the CONTRACTING PARTIES either by the contracting party not so giving effect to the relevant provisions or by any other interested contracting party.
(b)
(i) The CONTRACTING PARTIES shall, if requested so to do by any interested contracting party, and without prejudice to any bilateral consultations that may be undertaken, consult with the contracting party concerned and all interested contracting parties with respect to the matter with a view to reaching solutions satisfactory to all contracting parties concerned in order to further the objectives set forth in Article XXXVI. In the course of the consultations, the reasons given in cases where effect was not being given to the provisions of sub-paragraph (a), (b) or (c) of paragraph 1 shall be examined.
(ii) As the implementation of the provisions of sub-paragraph (a), (b) or (c) of paragraph 1 by individual contracting parties may in some cases be more readily achieved where action is taken jointly with other developed contracting parties, such consultation might, where appropriate, be directed towards this end.
(iii) The consultations by the CONTRACTING PARTIES might also, in appropriate cases, be directed towards agreement on joint action designed to further the objectives of this Agreement as envisaged in paragraph 1 of Article XXV.
3.
The developed contracting parties shall:
(a) make every effort, in cases where a government directly or indirectly determines the resale price of products wholly or mainly produced in the territories of less-developed contracting parties, to maintain trade margins at equitable levels;
(b) give active consideration to the adoption of other mesures designed to provide greater scope for the development of imports from less-developed contracting parties and collaborate in appropriate international action to this end;
(c) have special regard to the trade interests of less-developed contracting parties when considering the application of other measures permitted under this Agreement to meet particular problems and explore all possibilities of constructive remedies before applying such measures where they would affect essential interests of those contracting parties.
4.
Less-developed contracting parties agree to take appropriate action in implementation of the provisions of Part IV for the benefit of the trade of other less-developed contracting parties, in so far as such action is consistent with their individual present and future development, financial and trade needs, taking into account past trade developments as well as the trade interests of less-developed contracting parties as a whole.
5.
In the implementation of the commitments set forth in paragraphs 1 to 4 each contracting party shall afford to any other interested contracting party or contracting parties full and prompt opportunity for consultations under the normal procedures of this Agreement with respect to any matter or difficulty which may arise.
1.
The contracting parties shall collaborate jointly, within the framework of this Agreement and elsewhere, as appropriate, to further the objectives set forth in Article XXXVI.
2.
In particular, the CONTRACTING PARTIES shall:
(a) where appropriate, take action, including action through international arrangements, to provide improved and acceptable conditions of access to world markets for primary products of particular interest to less-developed contracting parties and to devise measures designed to stabilize and improve conditions of world markets in these products including measures designed to attain stable, equitable and remunerative prices for exports of such products;
(b) seek appropriate collaboration in matters of trade and development policy with the United Nations and its organs and agencies, including any institutions that may be created on the basis of recommendations by the United Nations Conference on Trade and Development;
(c) collaborate in analyzing the development plans and policies of individual less-developed contracting parties and in examining trade and aid relationships with a view to devising concrete measures to promote the development of export potential and to facilitate access to export markets for the products of the industries thus developed and, in this connexion seek appropriate collaboration with governments and international organizations, and in particular with organizations having competence in relation to financial assistance for economic development, in systematic studies of trade and aid relationships in individual less-developed contracting parties aimed at obtaining a clear analysis of export potential, market prospects and any further action that may be required;
(d) keep under continuous review the development of world trade with special reference to the rate of growth of the trade of less-developed contracting parties and make such recommendations to contracting parties as may, in the circumstances, be deemed appropriate;
(e) collaborate in seeking feasible methods to expand trade for the purpose of economic development, through international harmonization and adjustment of national policies and regulations, through technical and commercial standards affecting production, transportation and marketing, and through export promotion by the establishment of facilities for the increased flow of trade information and the development of market research; and
(f) establish such institutional arrangements as may be necessary to further the objectives set forth in Article XXXVI and to give effect to the provisions of this Part.
1) [34] List of territories referred to in paragraph 2 (a) of Article I [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Annex A. 1) [34] List of territories referred to in paragraph 2 (a) of Article I [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland
Dependent territories of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland
Canada
Commonwealth of Australia
Dependent territories of the Commonwealth of Australia
New Zealand
Dependent territories of New Zealand
Union of South Africa including South West Africa
Ireland
India (as on April 10, 1947)
Newfoundland
Southern Rhodesia
Burma
Ceylon
Certain of the territories listed above have two or more preferential rates in force for certain products. Any such territory may, by agreement with the other contracting parties which are principal suppliers of such products at the most-favoured-nation rate, substitute for such preferential rates a single preferential rate which shall not on the whole be less favourable to suppliers at the most-favoured-nation rate than the preferences in force prior to such substitution.
The imposition of an equivalent margin of tariff preference to replace a margin of preference in an internal tax existing on April 10, 1947, exclusively between two or more of the territories listed in this Annex or to replace the preferential quantitative arrangements described in the following paragraph, shall not be deemed to constitute an increase in a margin of tariff preference.
The preferential arrangements referred to in paragraph 5 (b) of Article XIV are those existing in the United Kingdom on April 10, 1947, under contractual agreements with the Governments of Canada, Australia and New Zealand, in respect of chilled and frozen beef and veal, frozen mutton and lamb, chilled and frozen pork, and bacon. It is the intention, without prejudice to any action taken under part I (h) of Article XX, that these arrangements shall be eliminated or replaced by tariff preferences, and that negotiations to this end shall take place as soon as practicable among the countries substantially concerned or involved.
The film hire tax in force in New Zealand on April 10, 1947, shall, for the purposes of this Agreement, be treated as a customs duty under Article I. The renters' film quota in force in New Zealand on April 10, 1947, shall, for the purposes of this Agreement, be treated as a screen quota under Article IV.
The Dominions of India and Pakistan have not been mentioned separately in the above list since they had not come into existence as such on the base date of April 10, 1947.
1) [35] List of territories of the French Union referred to in paragraph 2 (b) of Article I [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Annex B. 1) [35] List of territories of the French Union referred to in paragraph 2 (b) of Article I [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
France
French Equatorial Africa (Treaty Basin of the Congo *)[36] and other territories)
French West Africa
Cameroons under French Trusteeship *)[37]
French Somali Coast and Dependencies
French Establishments in Oceania
French Establishments in the Condominium of the New Hebrides *)[38]
Indo-China
Madagascar and Dependencies
Morocco (French zone) *)[39]
New Caledonia and Dependencies
Saint-Pierre and Miquelon
Togo under French Trusteeship *)[40]
Tunisia
Annex D. List of territories referred to in paragraph 2 (b) of Article I as respects the United States of America [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
United States of America (customs territory)
Dependent territories of the United States of America
Republic of the Philippines
The imposition of an equivalent margin of tariff preference to replace a margin of preference in an internal tax existing on April 10, 1947, exclusively between two or more of the territories listed in this Annex shall not be deemed to constitute an increase in a margin of tariff preference.
1. Argentina
2. Bolivia
3. Peru
on the other hand.
1. Palestine
2. Transjordan
on the other hand.
1)[42] [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Annex G. Dates establishing maximum margins of preference referred to in paragraph 3 of article I 1)[42] [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Australia .................. October 15, 1946
Canada .................. July 1, 1939
France .................. January 1, 1939
Lebano-Syrian Customs Union .................. November 30, 1939
Union of South Africa .................. July 19 1938
Southern Rhodesia .................. May 1, 1941
[Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
1)[43] Percentage shares of total external trade to be used for the purpose of making the determination referred to in Article XXVI [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Annex H. 1)[43] Percentage shares of total external trade to be used for the purpose of making the determination referred to in Article XXVI [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
(based on the average of 1949-1953)
If, prior to the accession of the Government of Japan to the General Agreement, the present Agreement has been accepted by contracting parties the external trade of which under column I accounts for the percentage of such trade specified in paragraph 6 of Article XXVI, column I shall be applicable for the purposes of that paragraph. If the present Agreement has not been so accepted prior to the accession of the Government of Japan, column II shall be applicable for the purposes of that paragraph.
  Column I (Contracting parties on 1 March 1955) Column II (Contracting parties on 1 March 1955 and Japan)
Australia ............ 3.1 3.0
Austria ............ 0.9 0.8
Belgium-Luxemburg ............ 4.3 4.2
Brazil ............ 2.5 2.4
Burma ............ 0.3 0.3
Canada ............ 6.7 6.5
Ceylon ............ 0.5 0.5
Chile ............ 0.6 0.6
Cuba ............ 1.1 1.1
Czechoslovakia ............ 1.4 1.4
Denmark ............ 1.4 1.4
Dominican Republic ............ 0.1 0.1
Finland ............ 1.0 1.0
France ............ 8.7 8.5
Germany, Federal Republic of ............ 5.3 5.2
Greece ............ 0.4 0.4
Haiti ............ 0.1 0.1
India ............ 2.4 2.4
Indonesia ............ 1.3 1.3
Italy ............ 2.9 2.8
Netherlands, Kingdom of the ............ 4.7 4.6
New Zealand ............ 1.0 1.0
Nicaragua ............ 0.1 0.1
Norway ............ 1.1 1.1
Pakistan ............ 0.9 0.8
  Column I (Contracting parties on 1 March 1955) Column II (Contracting parties on 1 March 1955 and Japan)
Peru ............ 0.4 0.4
Rhodesia and Nyasaland ............ 0.6 0.6
Sweden ............ 2.5 2.4
Turkey ............ 0.6 0.6
Union of South Africa ............ 1.8 1.8
United Kingdom ............ 20.3 19.8
United States of America ............ 20.6 20.1
Uruguay ............ 0.4 0.4
Japan ............ - 2.3
  ——— ———
  100.0 100.0

Note: These percentages have been computed taking into account the trade of all territories in respect of which the General Agreement on Tariffs and Trade is applied.
1) [44] van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, Genève, 30-10-1947">
Annex I. Notes and Supplementary Provisions 1) [44]
ad Article I 2) [45]
Paragraph 1
The obligations incorporated in paragraph 1 of Article I by reference to paragraphs 2 and 4 of Article III and those incorporated in paragraph 2(b) of Article II by reference to Article VI shall be considered as falling within Part II for the purposes of the Protocol of Provisional Application.
The cross-references, in the paragraph immediately above and in paragraph 1 of Article I, to paragraphs 2 and 4 of Article III shall only apply after Article III has been modified by the entry into force of the amendment provided for in the Protocol Modifying Part II and Article XXVI of the General Agreement on Tariffs and Trade, dated September 14, 1948.
Paragraph 4
The term “margin of preference” means the absolute difference between the most-favoured-nation rate of duty and the preferential rate of duty for the like product, and not the proportionate relation between those rates. As examples:
(1) If the most-favoured-nation rate were 36 per cent ad valorem and the preferential rate were 24 per cent ad valorem, the margin of preference would be 12 per cent ad valorem, and not one-third of the most-favoured-nation rate;
(2) If the most-favoured-nation rate were 36 per cent ad valorem and the preferential rate were expressed as two-thirds of the most-favoured-nation rate, the margin of preference would be 12 per cent ad valorem;
(3) If the most-favoured-nation rate were 2 francs per kilogram and the preferential rate were 1.50 francs per kilogram, the margin of preference would be 0.50 francs per kilogram.
The following kinds of customs action, taken in accordance with established uniform procedures, would not be contrary to a general binding of margins of preference:
(i) The re-application to an imported product of a tariff classification or rate of duty, properly applicable to such product, in cases in which the application of such classification or rate to such product was temporarily suspended or inoperative on April 10, 1947; and
(ii) The classification of a particular product under a tariff item other than that under which importations of that product were classified on April 10, 1947, in cases in which the tariff law clearly contemplates that such product may be classified under more than one tariff item.ad Article II 1)[46]
Paragraph 2 (a)
The cross-reference, in paragraph 2 (a) of Article II, to paragraph 2 of Article III shall only apply after Article III has been modified by the entry into force of the amendment provided for in the Protocol Modifying Part II and Article XXVI of the General Agreement on Tariffs and Trade, dated September 14, 1948.
Paragraph 2 (b)
See the note relating to paragraph 1 of Article I.
Paragraph 4
Except where otherwise specifically agreed between the contracting parties which initially negotiated the concession, the provisions of this paragraph will be applied in the light of the provisions of Article 31 of the Havana Charter.ad Article III 1) [47]
Any internal tax or other internal charge, or any law, regulation or requirement of the kind referred to in paragraph 1 which applies to an imported product and to the like domestic product and is collected or enforced in the case of the imported product at the time or point of importation, is nevertheless to be regarded as an internal tax or other internal charge, or a law, regulation or requirement of the kind referred to in paragraph 1, and is accordingly subject to the provisions of Article III.
Paragraph 1
The application of paragraph 1 to internal taxes imposed by local governments and authorities within the territory of a contracting party is subject to the provisions of the final paragraph of Article XXIV. The term “reasonable measures” in the last-mentioned paragraph would not require, for example, the repeal of existing national legislation authorizing local governments to impose internal taxes which, although technically inconsistent with the letter of Article III, are not in fact inconsistent with its spirit, if such repeal would result in a serious financial hardship for the local governments or authorities concerned. With regard to taxation by local governments or authorities which is inconsistent with both the letter and spirit of Article III, the term “reasonable measures” would permit a contracting party to eliminate the inconsistent taxation gradually over a transition period, if abrupt action would create serious administrative and financial difficulties.
Paragraph 2
A tax conforming to the requirements of the first sentence of paragraph 2 would be considered to be inconsistent with the provisions of the second sentence only in cases where competition was involved between, on the one hand, the taxed product and, on the other hand, a directly competitive or substitutable product which was not similarly taxed.
Paragraph 5
Regulations consistent with the provisions of the first sentence of paragraph 5 shall not be considered to be contrary to the provisions of the second sentence in any case in which all of the products subject to the regulations are produced domestically in substantial quantities. A regulation cannot be justified as being consistent with the provisions of the second sentence on the ground that the proportion or amount allocated to each of the products which are the subject of the regulation constitutes an equitable relationship between imported and domestic products.ad Article V
Paragraph 5
With regard to transportation charges, the principle laid down in paragraph 5 refers to like products being transported on the same route under like conditions.ad Article VI 2) [48]
Paragraph 1
1. Hidden dumping by associated houses (that is, the sale by an importer at a price below that corresponding to the price invoiced by an exporter with whom the importer is associated, and also below the price in the exporting country) constitutes a form of price dumping with respect to which the margin of dumping may be calculated on the basis of the price at which the goods are resold by the importer.
2. It is recognized that, in the case of imports from a country which has a complete or substantially complete monopoly of its trade and where all domestic prices are fixed by the State, special difficulties may exist in determining price comparability for the purposes of paragraph 1, and in such cases importing contracting parties may find it necessary to take into account the possibility that a strict comparison with domestic prices in such a country may not always be appropriate.
Paragraphs 2 and 3
Note 1. As in many other cases in customs administration, a contracting party may require reasonable security (bond or cash deposit) for the payment of anti-dumping or countervailing duty pending final determination of the facts in any case of suspected dumping or subsidization.
Note 2. Multiple currency practices can in certain circumstances constitute a subsidy to exports which may be met by countervailing duties under paragraph 3 or can constitute a form of dumping by means of a partial depreciation of a country's currency which may be met by action under paragraph 2. By “multiple currency practices” is meant practices by governments or sanctioned by governments.
Paragraph 6 (b)
Waivers under the provisions of this sub-paragraph shall be granted only on application by the contracting party proposing to levy an anti-dumping or countervailing duty, as the case may be.ad Article VII 1)[49]
Paragraph 1
The expression “or other charges” is not to be regarded as including internal taxes or equivalent charges imposed on or in connection with imported products.
Paragraph 2
1. It would be in conformity with Article VII to presume that “actual value” may be represented by the invoice price, plus any nonincluded charges for legitimate costs which are proper elements of “actual value” and plus any abnormal discount or other reduction from the ordinary competitive price.
2. It would be in conformity with Article VII, paragraph 2 (b), for a contracting party to construe the phrase “in the ordinary course of trade .... under fully competitive conditions”, as excluding any transaction wherein the buyer and seller are not independent of each other and price is not the sole consideration.
3. The standard of “fully competitive conditions” permits a contracting party to exclude from consideration prices involving special discounts limited to exclusive agents.
4. The wording of sub-paragraphs (a) and (b) permits a contracting party to determine the value for customs purposes uniformly either (1) on the basis of a particular exporter's prices of the imported merchandise, or (2) on the basis of the general price level of like merchandise.
1. While Article VIII does not cover the use of multiple rates of exchange as such, paragraphs 1 and 4 condemn the use of exchange taxes or fees as a device for implementing multiple currency practices; if, however, a contracting party is using multiple currency exchange fees for balance of payments reasons with the approval of the International Monetary Fund, the provisions of paragraph 9 (a) of Article XV fully safeguard its position.
2. It would be consistent with paragraph 1 if on the importation of products from the territory of a contracting party into the territory of another contracting party, the production of certificates of origin should only be required to the extent that is strictly indispensable.ad Articles XI, XII, XIII, XIV and XVIII 2)[51]
Throughout Articles XI, XII, XIII, XIV and XVIII the terms “import restrictions” or “export restrictions” include restrictions made effective through state-trading operations.ad Article XI
Paragraph 2 (c)
The term “in any form” in this paragraph covers the same products when in an early stage of processing and still perishable, which compete directly with the fresh product and if freely imported would tend to make the restriction on the fresh product ineffective.
Paragraph 2, last sub-paragraph
The term “special factors” includes changes in relative productive efficiency as between domestic and foreign producers, or as between different foreign producers, but not changes artificially brought about by means not permitted under the Agreement.ad Article XII 1) [52]
The CONTRACTING PARTIES shall make provision for the utmost secrecy in the conduct of any consultation under the provisions of this Article.
Paragraph 3 (c) (i)
Contracting parties applying restrictions shall endeavour to avoid causing serious prejudice to exports of a commodity on which the economy of a contracting party is largely dependent.
Paragraph 4 (b)
It is agreed that the date shall be within ninety days after the entry into force of the amendments of this Article effected by the Protocol Amending the Preamble and Parts II and III of this Agreement. However, should the CONTRACTING PARTIES find that conditions were not suitable for the application of the provisions of this sub-paragraph at the time envisaged, they may determine a later date; Provided that such date is not more than thirty days after such time as the obligations of Article VIII, Sections 2, 3 and 4 of the Articles of Agreement of the International Monetary Fund become applicable to contracting parties, members of the Fund, the combined foreign trade of which constitutes at least fifty per centum of the aggregate foreign trade of all contracting parties.
Paragraph 4 (e)
It is agreed that paragraph 4 (e) does not add any new criteria for the imposition or maintenance of quantitative restrictions for balance of payments reasons. It is solely intended to ensure that all external factors such as changes in the terms of trade, quantitative restrictions, excessive tariffs and subsidies, which may be contributing to the balance of payments difficulties of the contracting party applying restrictions will be fully taken into account.ad Article XIII 1) [53]
Paragraph 2 (d)
No mention was made of “commercial considerations” as a rule for the allocation of quotas because it was considered that its application by governmental authorities might not always be practicable. Moreover, in cases where it is practicable, a contracting party could apply these considerations in the process of seeking agreement, consistently with the general rule laid down in the opening sentence of paragraph 2.
Paragraph 4
See note relating to “special factors” in connection with the last sub-paragraph of paragraph 2 of Article XI.ad Article XIV 2)[54]
Paragraph 1
The provisions of this paragraph shall not be so construed as to preclude full consideration by the CONTRACTING PARTIES, in the consultations provided for in paragraph 4 of Article XII and in paragraph 12 of Article XVIII, of the nature, effects and reasons for discrimination in the field of import restrictions.
Paragraph 2
One of the situations contemplated in paragraph 2 is that of a contracting party holding balances acquired as a result of current transactions which it finds itself unable to use without a measure of discrimination.ad Article XV
Paragraph 4
The word “frustrate” is intended to indicate, for example, that infringements of the letter of any Article of this Agreement by exchange action shall not be regarded as a violation of that Article if, in practice, there is no appreciable departure from the intent of the Article. Thus, a contracting party which, as part of its exchange control operated in accordance with the Articles of Agreement of the International Monetary Fund, requires payment to be received for its exports in its own currency or in the currency of one or more members of the International Monetary Fund will not thereby be deemed to contravene Article XI or Article XIII. Another example would be that of a contracting party which specifies on an import licence the country from which the goods may be imported, for the purpose not of introducing any additional element of discrimination in its import licensing system but of enforcing permissible exchange controls.ad Article XVI 1) [55]
The exemption of an exported product from duties or taxes borne by the like product when destined for domestic consumption, or the remission of such duties or taxes in amounts not in excess of those which have accrued, shall not be deemed to be a subsidy.
Section B
1. Nothing in Section B shall preclude the use by a contracting party of multiple rates of exchange in accordance with the Articles of Agreement of the International Monetary Fund.
2. For the purposes of Section B, a “primary product” is understood to be any product of farm, forest or fishery, or any mineral, in its natural form or which has undergone such processing as is customarily required to prepare it for marketing in substantial volume in international trade.
Paragraph 3
1. The fact that a contracting party has not exported the product in question during the previous representative period would not in itself preclude that contracting party from establishing its right to obtain a share of the trade in the product concerned.
2. A system for the stabilization of the domestic price or of the return to domestic producers of a primary product independently of the movements of export prices, which results at times in the sale of the product for export at a price lower than the comparable price charged for the like product to buyers in the domestic market, shall be considered not to involve a subsidy on exports within the meaning of paragraph 3 if the CONTRACTING PARTIES determine that:
Notwithstanding such determination by the CONTRACTING PARTIES, operations under such a system shall be subject to the provisions of paragraph 3 where they are wholly or partly financed out of government funds in addition to the funds collected from producers in respect of the product concerned.
Paragraph 4
The intention of paragraph 4 is that the contracting parties should seek before the end of 1957 to reach agreement to abolish all remaining subsidies as from 1 January 1958; or, failing this, to reach agreement to extend the application of the standstill until the earliest date thereafter by which they can expect to reach such agreement.ad Article XVII 1)[56]
Paragraph 1
The operations of Marketing Boards, which are established by contracting parties and are engaged in purchasing or selling, are subject to the provisions of sub-paragraphs (a) and (b).
The activities of Marketing Boards which are established by contracting parties and which do not purchase or sell but lay down regulations covering private trade are governed by the relevant Articles of this Agreement.
The charging by a state enterprise of different prices for its sales of a product in different markets is not precluded by the provisions of this Article, provided that such different prices are charged for commercial reasons, to meet conditions of supply and demand in export markets.
Paragraph 1 (a)
Governmental measures imposed to ensure standards of quality and efficiency in the operation of external trade, or privileges granted for the exploitation of national natural resources but which do not empower the government to exercise control over the trading activities of the enterprise in question, do not constitute “exclusive or special privileges”.
Paragraph 1 (b)
A country receiving a “tied loan” is free to take this loan into account as a “commercial consideration” when purchasing requirements abroad.
Paragraph 2
The term “goods” is limited to products as understood in commercial practice, and is not intended to include the purchase or sale of services.
Paragraph 3
Negotiations which contracting parties agree to conduct under this paragraph may be directed towards the reduction of duties and other charges on imports and exports or towards the conclusion of any other mutually satisfactory arrangement consistent with the provisions of this Agreement. (See paragraph 4 of Article II and the note to that paragraph.)
Paragraph 4 (b)
The term “import mark-up” in this paragraph shall represent the margin by which the price charged by the import monopoly for the imported product (exclusive of internal taxes within the purview of Article III, transportation, distribution, and other expenses incident to the purchase, sale or further processing, and a reasonable margin of profit) exceeds the landed cost.ad Article XVIII 1) [57]
The CONTRACTING PARTIES and the contracting parties concerned shall preserve the utmost secrecy in respect of matters arising under this Article.
Paragraphs 1 and 4
(a) the system has also resulted, or is so designed as to result, in the sale of the product for export at a price higher than the comparable price charged for the like product to buyers in the domestic market; and
(b) the system is so operated, or is designed so to operate, either because of the effective regulation of production or otherwise, as not to stimulate exports unduly or otherwise seriously to prejudice the interests of other contracting parties.
1. When they consider whether the economy of a contracting party “can only support low standards of living”, the CONTRACTING PARTIES shall take into consideration the normal position of that economy and shall not base their determination on exceptional circumstances such as those which may result from the temporary existence of exceptionally favourable conditions for the staple export product or products of such contracting party.
2. The phrase “in the early stages of development” is not meant to apply only to contracting parties which have just started their economic development, but also to contracting parties the economies of which are undergoing a process of industrialization to correct an excessive dependence on primary production.
Paragraphs 2, 3, 7, 13 and 22
The reference to the establishment of particular industries shall apply not only to the establishment of a new industry, but also to the establishment of a new branch of production in an existing industry and to the substantial transformation of an existing industry, and to the substantial expansion of an existing industry supplying a relatively small proportion of the domestic demand. It shall also cover the reconstruction of an industry destroyed or substantially damaged as a result of hostilities or natural disasters.
Paragraph 7 (b)
A modification or withdrawal, pursuant to paragraph 7 (b), by a contracting party, other than the applicant contracting party, referred to in paragraph 7 (a), shall be made within six months of the day on which the action is taken by the applicant contracting party, and shall become effective on the thirtieth day following the day on which such modification or withdrawal has been notified to the CONTRACTING PARTIES.
Paragraph 11
The second sentence in paragraph 11 shall not be interpreted to mean that a contracting party is required to relax or remove restrictions if such relaxation or removal would thereupon produce conditions justifying the intensification or institution, respectively, of restrictions under paragraph 9 of Article XVIII.
Paragraph 12 (b)
The date referred to in paragraph 12 (b) shall be the date determined by the CONTRACTING PARTIES in accordance with the provisions of paragraph 4 (b) of Article XII of this Agreement.
Paragraphs 13 and 14
It is recognized that, before deciding on the introduction of a measure and notifying the CONTRACTING PARTIES in accordance with paragraph 14, a contracting party may need a reasonable period of time to assess the competitive position of the industry concerned.
Paragraphs 15 and 16
It is understood that the CONTRACTING PARTIES shall invite a contracting party proposing to apply a measure under Section C to consult with them pursuant to paragraph 16 if they are requested to do so by a contracting party the trade of which would be appreciably affected by the measure in question.
Paragraphs 16, 18, 19 and 22
1. Is is understood that the CONTRACTING PARTIES may concur in a proposed measure subject to specific conditions or limitations. If the measure as applied does not conform to the terms of the concurrence it will to that extent be deemed a measure in which the CONTRACTING PARTIES have not concurred. In cases in which the CONTRACTING PARTIES have concurred in a measure for a specified period, the contracting party concerned, if it finds that the maintenance of the measure for a further period of time is required to achieve the objective for which the measure was originally taken, may apply to the CONTRACTING PARTIES for an extension of that period in accordance with the provisions and procedures of Section C or D, as the case may be.
2. It is expected that the CONTRACTING PARTIES will, as a rule, refrain from concurring in a measure which is likely to cause serious prejudice to exports of a commodity on which the economy of a contracting party is largely dependent.
Paragraphs 18 and 22
The phrase “that the interests of other contracting parties are adequately safeguarded” is meant to provide latitude sufficient to permit consideration in each case of the most appropriate method of safeguarding those interests. The appropriate method may, for instance, take the form of an additional concession to be applied by the contracting party having recourse to Section C or D during such time as the deviation from the other Articles of the Agreement would remain in force or of the temporary suspension by any other contracting party referred to in paragraph 18 of a concession substantially equivalent to the impairment due to the introduction of the measure in question. Such contracting party would have the right to safeguard its interests through such a temporary suspension of a concession; Provided that this right will not be exercised when, in the case of a measure imposed by a contracting party coming within the scope of paragraph 4 (a), the CONTRACTING PARTIES have determined that the extent of the compensatory concession proposed was adequate.
Paragraph 19
The provisions of paragraph 19 are intented to cover the cases where an industry has been in existence beyond the “reasonable period of time” referred to in the note to paragraphs 13 and 14, and should not be so construed as to deprive a contracting party coming within the scope of paragraph 4 (a) of Article XVIII, of its right to resort to the other provisions of Section C, including paragraph 17, with regard to a newly established industry even though it has benefited from incidental protection afforded by balance of payments import restrictions.
Paragraph 21
Any measure taken pursuant to the provisions of paragraph 21 shall be withdrawn forthwith if the action taken in accordance with paragraph 17 is withdrawn or if the CONTRACTING PARTIES concur in the measure proposed after the expiration of the ninety-day time limit specified in paragraph 17.ad Article XX 1) [58]
Sub-paragraph (h)
The exception provided for in this sub-paragraph extends to any commodity agreement which conforms to the principles approved by the Economic and Social Council in its Resolution 30 (IV) of 28 March 1947.ad Article XXIV 1) [59]
Paragraph 9
It is understood that the provisions of Article I would require that, when a product which has been imported into the territory of a member of a customs union or free-trade area at a preferential rate of duty is re-exported to the territory of another member of such union or area, the latter member should collect a duty equal to the difference between the duty already paid and any higher duty that would be payable if the product were being imported directly into its territory.
Paragraph 11
Measures adopted by India and Pakistan in order to carry out definitive trade arrangements between them, once they have been agreed upon, might depart from particular provisions of this Agreement, but these measures would in general be consistent with the objectives of the Agreement.[ad Article XXVI 2) [60] ] ad Article XXVIII 3) [61]
The CONTRACTING PARTIES and each contracting party concerned should arrange to conduct the negotiations and consultations with the greatest possible secrecy in order to avoid premature disclosure of details of prospective tariff changes. The CONTRACTING PARTIES shall be informed immediately of all changes in national tariffs resulting from recourse to this Article.
Paragraph 1
1. If the CONTRACTING PARTIES specify a period other than a three-year period, a contracting party may act pursuant to paragraph 1 or paragraph 3 of Article XXVIII on the first day following the expiration of such other period and, unless the CONTRACTING PARTIES have again specified another period, subsequent periods will be three-year periods following the expiration of such specified period.
2. The provision that on 1 January 1958, and on other days determined pursuant to paragraph 1, a contracting party “may .... modify or withdraw a concession” means that on such day, and on the first day after the end of each period, the legal obligation of such contracting party under Article II is altered; it does not mean that the changes in its customs tariff should necessarily be made effective on that day. If a tariff change resulting from negotiations undertaken pursuant to this Article is delayed, the entry into force of any compensatory concessions may be similarly delayed.
3. Not earlier than six months, nor later than three months, prior to 1 January 1958, or to the termination date of any subsequent period, a contracting party wishing to modify or withdraw any concession embodied in the appropriate Schedule, should notify the CONTRACTING PARTIES to this effect. The CONTRACTING PARTIES shall then determine the contracting party or contracting parties with which the negotiations or consultations referred to in paragraph 1 shall take place. Any contracting party so determined shall participate in such negotiations or consultations with the applicant contracting party with the aim of reaching agreement before the end of the period. Any extension of the assured life of the Schedules shall relate to the Schedules as modified after such negotiations, in accordance with paragraphs 1, 2 and 3 of Article XXVIII. If the CONTRACTING PARTIES are arranging for multilateral tariff negotiations to take place within the period of six months before 1 January 1958, or before any other day determined pursuant to paragraph 1, they shall include in the arrangements for such negotiations suitable procedures for carrying out the negotiations referred to in this paragraph.
4. The object of providing for the participation in the negotiations of any contracting party with a principal supplying interest, in addition to any contracting party with which the concession was initially negotiated, is to ensure that a contracting party with a larger share in the trade affected by the concession than a contracting party with which the concession was initially negotiated shall have an effective opportunity to protect the contractual right which it enjoys under this Agreement. On the other hand, it is not intended that the scope of the negotiations should be such as to make negotiations and agreement under Article XXVIII unduly difficult nor to create complications in the application of this Article in the future to concessions which result from negotiations thereunder. Accordingly, the CONTRACTING PARTIES should only determine that a contracting party has a principal supplying interest if that contracting party has had, over a reasonable period of time prior to the negotiations, a larger share in the market of the applicant contracting party than a contracting party with which the concession was initially negotiated or would, in the judgment of the CONTRACTING PARTIES, have had such a share in the absence of discriminatory quantitative restrictions maintained by the applicant contracting party. It would therefore not be appropriate for the CONTRACTING PARTIES to determine that more than one contracting party, or in those exceptional cases where there is near equality more than two contracting parties, had a principal supplying interest.
5. Notwithstanding the definition of a principal supplying interest in note 4 to paragraph 1, the CONTRACTING PARTIES may exceptionally determine that a contracting party has a principal supplying interest if the concession in question affects trade which constitutes a major part of the total exports of such contracting party.
6. It is not intended that provision for participation in the negotiations of any contracting party with a principal supplying interest, and for consultation with any contracting party having a substantial interest in the concession which the applicant contracting party is seeking to modify or withdraw, should have the effect that it should have to pay compensation or suffer retaliation greater than the withdrawal or modification sought, judged in the light of the conditions of trade at the time of the proposed withdrawal or modification, making allowance for any discriminatory quantitative restrictions maintained by the applicant contracting party.
7. The expression “substantial interest” is not capable of a precise definition and accordingly may present difficulties for the CONTRACTING PARTIES. It is, however, intended to be construed to cover only those contracting parties which have, or in the absence of discriminatory quantitative restrictions affecting their exports could reasonably be expected to have, a significant share in the market of the contracting party seeking to modify or withdraw the concession.
Paragraph 4
1. Any request for authorization to enter into negotiations shall be accompanied by all relevant statistical and other data. A decision on such request shall be made within thirty days of its submission.
2. It is recognized that to permit certain contracting parties, depending in large measure on a relatively small number of primary commodities and relying on the tariff as an important aid for furthering diversification of their economies or as an important source of revenue, normally to negotiate for the modification or withdrawal of concessions only under paragraph 1 of Article XXVIII, might cause them at such a time to make modifications or withdrawals which in the long run would prove unnecessary. To avoid such a situation the CONTRACTING PARTIES shall authorize any such contracting party, under paragraph 4, to enter into negotiations unless they consider this would result in, or contribute substantially towards, such an increase in tariff levels as to threaten the stability of the Schedules to this Agreement or lead to undue disturbance of international trade.
3. It is expected that negotiations authorized under paragraph 4 for modification or withdrawal of a single item, or a very small group of items, could normally be brought to a conclusion in sixty days. It is recognized, however, that such a period will be inadequate for cases involving negotiations for the modification or withdrawal of a larger number of items and in such cases, therefore, it would be appropriate for the CONTRACTING PARTIES to prescribe a longer period.
4. The determination referred to in paragraph 4 (d) shall be made by the CONTRACTING PARTIES within thirty days of the submission of the matter to them, unless the applicant contracting party agrees to a longer period.
5. In determining under paragraph 4 (d) whether an applicant contracting party has unreasonably failed to offer adequate compensation, it is understood that the CONTRACTING PARTIES will take due account of the special position of a contracting party which has bound a high proportion of its tariffs at very low rates of duty and to this extent has less scope than other contracting parties to make compensatory adjustment.ad Article XXVIII bis 1) [62]
Paragraph 3
It is understood that the reference to fiscal needs would include the revenue aspect of duties and particularly duties imposed primarily for revenue purposes or duties imposed on products which can be substituted for products subject to revenue duties to prevent the avoidance of such duties.ad Article XXIX 1) [63]
Paragraph 1
Chapters VII and VIII of the Havana Charter have been excluded from paragraph 1 because they generally deal with the organization, functions and procedures of the International Trade Organization.[Final note 2) [64] ] Ad PART IV
The words “developed contracting parties” and the words “less-developed contracting parties” as used in Part IV are to be understood to refer to developed and less-developed countries which are parties to the General Agreement on Tariffs and Trade.Ad Article XXXVI
Paragraph 1
This Article is based upon the objectives set forth in Article I as it will be amended by Section A of paragraph 1 of the Protocol Amending Part I and Articles XXIX and XXX when that Protocol enters into force.
Paragraph 4
The term “primary products” includes agricultural products, vide paragraph 2 of the note ad Article XVI, Section B.
Paragraph 5
A diversification programme would generally include the intensification of activities for the processing of primary products and the development of manufacturing industries, taking into account the situation of the particular contracting party and the world outlook for production and consumption of different commodities.
Paragraph 8
It is understood that the phrase “do not expect reciprocity” means, in accordance with the objectives set forth in this Article, that the less-developed contracting parties should not be expected, in the course of trade negotiations, to make contributions which are inconsistent with their individual development, financial and trade needs, taking into consideration past trade developments.
This paragraph would apply in the event of action under Section A of Article XVIII, Article XXVIII, Article XVIII bis (Article XXIX after the amendment set forth in Section A of paragraph 1 of the Protocol Amending Part I and Articles XXIX and XXX shall have become effective), Article XXXIII, or any other procedure under this Agreement.Ad Article XXXVII
Paragraph 1(a)
This paragraph would apply in the event of negotiations for reduction or elimination of tariffs or other restrictive regulations of commerce under Articles XXVIII, XXVIII bis (XXIX after the amendment set forth in Section A of paragraph 1 of the Protocol Amending Part I and Articles XXIX and XXX shall have become effective), and Article XXXIII, as well as in connexion with other action to effect such reduction or elimination which contracting parties may be able to undertake.
Paragraph 3(b)
The other measures referred to in this paragraph might include steps to promote domestic structural changes, to encourage the consumption or particular products, or to introduce measures of trade promotion.
(vertaling: nl)
De Regeringen van het Gemenebest van Australië, het Koninkrijk België, de Verenigde Staten van Brazilië, Birma, Canada, Ceylon, de Republiek Chili, de Republiek China, de Republiek Cuba, de Tsjechoslowaakse Republiek, de Franse Republiek, India, Libanon, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Nieuw-Zeeland, het Koninkrijk Noorwegen, Pakistan, Zuid-Rhodesia, Syrië, de Unie van Zuid-Afrika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Verenigde Staten van Amerika;
Erkennende, dat hun betrekkingen op het gebied van handel en economie dienen te zijn gericht op verhoging van de levensstandaard, werkgelegenheid voor iedereen en een ruim, gestadig toenemend, reëel inkomen en een grote, gestadig toenemende, effectieve vraag, volledig gebruik van 's werelds hulpbronnen en uitbreiding van de produktie en de goederenruil;
Geleid door de wens bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doeleinden door het aangaan, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, van overeenkomsten die een aanzienlijke verlaging van douanetarieven en een aanzienlijke vermindering van andere handelsbelemmeringen, zomede de afschaffing van discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer, beogen;
Zijn door middel van hun vertegenwoordigers het volgende overeengekomen:
1.
Ten aanzien van in- en uitvoerrechten en enigerlei heffingen terzake van of in verband met in- of uitvoer of terzake van de overmaking naar of uit het buitenland van gelden ter betaling van importen of exporten, alsmede ten aanzien van de wijze van heffing van zodanige rechten en heffingen en voorts ten aanzien van alle regels en formaliteiten nopens in- en uitvoer, alsmede ten aanzien van alle in de leden 2 en 4 van artikel III bedoelde aangelegenheden, zal elk voordeel, elke gunst, elk voorrecht of elke vrijstelling welke een der verdragsluitende partijen verleent aan enig produkt van oorsprong uit of bestemd voor enig ander land, terstond en onvoorwaardelijk worden verleend aan het overeenkomstige produkt van oorsprong uit of bestemd voor het grondgebied van alle andere verdragsluitende partijen.
2.
De bepalingen van lid 1 van dit artikel vereisen niet de afschaffing van enige preferenties met betrekking tot invoerrechten of -heffingen welke de in lid 4 van dit artikel vastgestelde hoogte niet te boven gaan en onder de volgende categorieën vallen:
(a) preferenties uitsluitend van kracht tussen twee of meer der gebieden vermeld in Bijlage A, en behoudens de daarin genoemde voorwaarden;
(b) preferenties uitsluitend van kracht tussen twee of meer gebieden welke op 1 juli 1939 waren verbonden door gemeenschappelijke soevereiniteit of protectoraats- of suzereiniteitsbetrekkingen en welke zijn vermeld in de Bijlagen B, C en D, behoudens de daarin genoemde voorwaarden;
(c) preferenties uitsluitend van kracht tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Republiek Cuba;
(d) preferenties uitsluitend van kracht tussen nabuurlanden vermeld in de Bijlagen E en F.
3.
De bepalingen van lid 1 zullen niet van toepassing zijn op de preferenties tussen de landen die eertijds een deel van het Ottomaanse Keizerrijk uitmaakten en die op 24 juli 1923 daarvan zijn afgescheiden, op voorwaarde dat zodanige preferenties worden toegestaan krachtens lid 5 van artikel XXV, welk lid in dit opzicht zal worden toegepast met inachtneming van lid 1 van artikel XXIX.
4.
De preferentiële marge voor een produkt ten aanzien waarvan een preferentie is toegestaan ingevolge lid 2 van dit artikel, mag, voor zover niet uitdrukkelijk een maximale marge is vermeld in de desbetreffende aan deze Overeenkomst gehechte Lijst:
(a) wat betreft de rechten of heffingen op enig in bovenbedoelde Lijst omschreven produkt, niet hoger zijn dan het daarin vastgelegde verschil tussen het meestbegunstigings- en het preferentiële recht; indien geen preferentieel recht is vastgesteld, wordt als zodanig voor de toepassing van dit lid beschouwd dat recht dat op 10 april 1947 van kracht was; en indien geen meestbegunstigingsrecht is vastgesteld, mag de marge het verschil dat op 10 april 1947 tussen het meestbegunstigings- en het preferentiële recht bestond, niet overschrijden;
(b) wat betreft de rechten of heffingen op enig niet in bovenbedoelde Lijst omschreven produkt, niet hoger zijn dan het verschil tussen het meestbegunstigings- en het preferentiële recht zoals dit op 10 april 1947 bestond.
Wat betreft de verdragsluitende partijen genoemd in Bijlage G, wordt de onder (a) en (b) van dit lid vermelde datum 10 april 1947 vervangen door de respectieve data welke in voormelde Bijlage zijn vermeld.
1.
(a) Iedere verdragsluitende partij staat op het gebied van de handel aan de andere verdragsluitende partijen een behandeling toe, welke niet ongunstiger is dan die welke is voorzien in het desbetreffende gedeelte van de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst.
(b) De produkten omschreven in deel I van de op een der verdragsluitende partijen betrekking hebbende Lijst, voortbrengselen zijnde van de gebieden van andere verdragsluitende partijen, zijn, bij invoer in het gebied waarop de Lijst betrekking heeft en onder de voorwaarden en bijzondere voorbehouden daarin vervat, vrij van gewone invoerrechten hoger dan die welke in de Lijst zijn vermeld. Zodanige produkten zijn ook vrijgesteld van alle andere rechten of heffingen welke terzake van of in verband met de invoer worden geheven en hoger zijn dan die welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst gelden of hoger zijn dan die welke later bij of krachtens op dat tijdstip in het gebied van invoer van kracht zijnde wetten zouden moeten worden geheven.
(c) De produkten omschreven in deel II van de op een der verdragsluitende partijen betrekking hebbende Lijst, voortbrengselen zijnde van die gebieden welke ingevolge artikel I aanspraak kunnen maken op preferentiële behandeling bij invoer in het gebied waarop de Lijst betrekking heeft, zijn bij zodanige invoer en onder de voorwaarden en bijzondere voorbehouden in genoemde Lijst vervat, vrij van gewone invoerrechten hoger dan die welke in deel II van de Lijst zijn vermeld en voorzien. Zodanige produkten zijn ook vrijgesteld van alle andere rechten of heffingen welke terzake van of in verband met de invoer worden geheven en hoger zijn dan die welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst gelden of hoger zijn dan die welke later bij of krachtens op dat tijdstip in het gebied van invoer van kracht zijnde wetten zouden moeten worden geheven. Geen enkele bepaling van dit artikel belet een verdragsluitende partij haar op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst bestaande voorschriften terzake van de invoer tegen preferentiële tarieven voor de daarvoor in aanmerking komende goederen te handhaven.
2.
Geen enkele bepaling van dit artikel belet een verdragsluitende partij bij de invoer van enig artikel te eniger tijd te heffen:
(a) een heffing gelijkwaardig aan een binnenlandse belasting die overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van artikel III wordt geheven van het overeenkomstige binnenlandse produkt of van een produkt waaruit het geïmporteerde produkt geheel of gedeeltelijk is vervaardigd of geproduceerd;
(b) een anti-dumping- of compenserend recht toegepast overeenkomstig de bepalingen van artikel VI;
(c) retributies of andere rechten evenredig aan de kosten van verleende diensten.
3.
Een verdragsluitende partij mag niet haar methode voor het bepalen van de belastbare waarde of het omrekenen van valuta's zodanig wijzigen, dat daardoor de waarde van een concessie vastgelegd in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst wordt aangetast.
4.
Indien een verdragsluitende partij, hetzij rechtens, hetzij in feite, een monopolie op de invoer van enig produkt omschreven in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst instelt, handhaaft of goedkeurt, mag dit monopolie, tenzij het tegendeel in die Lijst is bepaald of anderszins is overeengekomen tussen de partijen die oorspronkelijk de concessie overeenkwamen, niet ten gevolge hebben, dat zulks gemiddeld een grotere mate van bescherming verschaft dan in die Lijst is voorzien. Het bepaalde in dit lid legt de verdragsluitende partijen geen beperking op met betrekking tot enige vorm van steun aan binnenlandse producenten welke elders in deze Overeenkomst wordt toegestaan.
5.
Indien een verdragsluitende partij van oordeel is, dat een produkt van de zijde van een andere verdragsluitende partij niet een zodanige behandeling geniet als, naar de mening van de eerste verdragsluitende partij, is beoogd op grond van een concessie vastgelegd in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst, brengt zij de zaak terstond onder de aandacht van de andere verdragsluitende partij. Geeft de laatste toe, dat de beoogde behandeling die is waarop de eerste partij zegt recht te hebben, doch verklaart zij dat zulk een behandeling niet kan worden verleend, aangezien een rechtsprekend orgaan of ander bevoegd lichaam heeft beslist, dat het betrokken produkt krachtens de tariefwetgeving van deze verdragsluitende partij niet zodanig kan worden ingedeeld, dat een behandeling als in deze Overeenkomst bedoeld mogelijk is, dan treden de beide verdragsluitende partijen, tezamen met andere verdragsluitende partijen welke hierbij een aanmerkelijk belang hebben, terstond in nadere onderhandeling teneinde een billijke regeling te treffen welke in de plaats kan treden van de oorspronkelijk overeengekomene.
6.
(a) De specifieke rechten en heffingen welke zijn opgenomen in de Lijsten betrekking hebbende op verdragsluitende partijen die lid zijn van het Internationale Monetaire Fonds, en de preferentiële marges bij de specifieke rechten en heffingen welke door bedoelde verdragsluitende partijen worden toegepast, zijn in de desbetreffende valuta uitgedrukt tegen de pari-waarde welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst door het Fonds is aangenomen of voorlopig erkend. Dientengevolge kunnen, in geval deze pari-waarde overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds met meer dan twintig ten honderd wordt verminderd, deze specifieke rechten en heffingen en preferentiële marges aan zulk een vermindering worden aangepast, mits tussen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN (d.w.z. de ingevolge artikel XXV gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen) overeenstemming bestaat over het feit dat zodanige aanpassingen de waarde der in de desbetreffende Lijst of elders in deze Overeenkomst vastgelegde concessies niet aantasten, rekening houdende met alle factoren die van invloed kunnen zijn op de noodzakelijkheid of de urgentie van zulke aanpassingen.
(b) Deze bepalingen zullen analoog van toepassing zijn op een verdragsluitende partij die geen lid van het Fonds is, van de dag af dat zij lid van het Fonds wordt of een speciale valuta-overeenkomst ingevolge artikel XV aangaat.
7.
De aan deze Overeenkomst gehechte Lijsten vormen een integrerend deel van Deel I van deze Overeenkomst.
1.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat binnenlandse belastingen en andere binnenlandse heffingen, evenals wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik van produkten in het binnenland, en binnenlandse kwantitatieve regelingen welke menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen voorschrijven, niet mogen worden toegepast op geïmporteerde of binnenlandse produkten op zodanige wijze dat bescherming aan de binnenlandse produktie wordt verleend.
2.
De produkten van oorsprong uit het grondgebied van enige verdragsluitende partij zijn bij invoer in het grondgebied van enige andere verdragsluitende partij noch rechtstreeks noch middellijk onderworpen aan binnenlandse belastingen of andere binnenlandse heffingen van welke aard ook hoger dan die welke rechtstreeks of middellijk overeenkomstige produkten van binnenlandse oorsprong treffen. Bovendien mag geen verdragsluitende partij op enige andere wijze binnenlandse belastingen of andere binnenlandse heffingen op geïmporteerde of binnenlandse produkten toepassen op een wijze die in strijd is met de in lid 1 geformuleerde beginselen.
3.
Wat betreft een bestaande binnenlandse belasting die onverenigbaar is met het bepaalde in lid 2 doch uitdrukkelijk is toegestaan op grond van een op 10 april 1947 van kracht zijnde handelsovereenkomst krachtens welke het invoerrecht op het belaste produkt niet kan worden verhoogd, staat het de verdragsluitende partij die de belasting heft vrij de toepassing van het bepaalde in lid 2 ten aanzien van deze heffing uit te stellen totdat zij ontheffing kan verkrijgen van de bij deze handelsovereenkomst aangegane verplichtingen en zij, dus het recht heeft verkregen dit invoerrecht in die mate te verhogen als nodig is om het nadeel van de opheffing van de door de belasting verleende bescherming te ondervangen.
4.
De produkten van oorsprong uit het grondgebied van enige verdragsluitende partij mogen bij invoer in het grondgebied van een andere verdragsluitende partij, wat betreft alle wetten, verordeningen en voorschriften betreffende verkoop, aanbod ten verkoop, koop, vervoer, distributie of gebruik in het binnenland, geen minder gunstige behandeling genieten dan die welke wordt verleend aan overeenkomstige produkten van binnenlandse oorsprong. Het bepaalde in dit lid vormt geen beletsel voor de toepassing van differentiële binnenlandse vervoerstarieven welke uitsluitend berusten op de economische exploitatie van vervoermiddelen en niet op de oorsprong van het produkt.
5.
Geen verdragsluitende partij mag enige binnenlandse kwantitatieve regeling nopens menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of verhoudingen uitvaardigen of handhaven die rechtstreeks of middellijk zou vereisen, dat een bepaalde hoeveelheid of een bepaald percentage van een onder de regeling vallend produkt van binnenlandse oorsprong moet zijn. Bovendien mag geen verdragsluitende partij op enigerlei andere wijze binnenlandse kwantitatieve regelingen toepassen op een wijze die in strijd is met de in lid 1 geformuleerde beginselen.
6.
Het bepaalde in lid 5 is niet van toepassing op enigerlei binnenlandse kwantitatieve regeling welke, ter keuze van een verdragsluitende partij, op 1 juli 1939, op 10 april 1947 of op 24 maart 1948 binnen het grondgebied van die verdragsluitende partij van kracht is, onder voorwaarde dat een zodanige regeling welke in strijd is met het bepaalde in lid 5 niet ten nadele van de invoer mag worden gewijzigd en dientengevolge zal worden beschouwd als een invoerrecht ter fine van onderhandeling.
7.
Geen binnenlandse kwantitatieve regeling nopens menging, be- of verwerking of gebruik van produkten in bepaalde hoeveelheden of percentages mag worden toegepast op zodanige wijze dat bedoelde hoeveelheden of percentages over buitenlandse toevoerbronnen worden verdeeld.
8.
(a) De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op wetten, verordeningen of voorschriften nopens de aanschaffing door overheidsorganen van produkten welke zijn aangekocht voor overheidsdoeleinden en niet voor wederverkoop in de handel of voor de produktie van voor verkoop in de handel bestemde goederen.
(b) De bepalingen van dit artikel mogen niet de uitkering beletten, uitsluitend aan binnenlandse producenten, van subsidies, daaronder begrepen betalingen aan binnenlandse producenten uit de opbrengst van binnenlandse belastingen of heffingen toegepast overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, alsmede subsidies in de vorm van aankopen van binnenlandse produkten door of voor rekening van de overheid.
9.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat binnenlandse prijsbeheersing door middel van vaststelling van maximumprijzen, zelfs indien deze in overeenstemming is met de andere bepalingen van dit artikel, nadelige gevolgen kan teweegbrengen voor de belangen van verdragsluitende partijen die importprodukten leveren. Mitsdien dienen de verdragsluitende partijen die dergelijke maatregelen toepassen rekening te houden met de belangen van de exporterende verdragsluitende partijen teneinde zoveel mogelijk deze nadelige gevolgen te vermijden.
10.
De bepalingen van dit artikel beletten een verdragsluitende partij niet binnenlandse kwantitatieve regelingen die betrekking hebben op belichte cinematografische films en voldoen aan de bepalingen van artikel IV, in te stellen of in stand te houden.
Artikel IV. Bijzondere voorschriften nopens cinematografische films [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Indien een verdragsluitende partij binnenlandse kwantitatieve regelingen nopens belichte cinematografische films instelt of in stand houdt, dienen deze regelingen de vorm te hebben van projectietijdcontingenten welke aan de volgende eisen moeten voldoen:
(a) De projectietijd-contingenten mogen inhouden, dat over een bepaalde periode van minstens een jaar, cinematografische films van nationale oorsprong moeten worden vertoond gedurende een bepaald minimum gedeelte van de totale projectietijd die besteed wordt aan de commerciële vertoning van films ongeacht van welke oorsprong. Zodanige contingenten dienen te worden vastgesteld op basis van de projectietijd per bioscoop per jaar of van een daarmede overeenkomende grootheid;
(b) Met uitzondering van de krachtens een projectietijd-contingent voor films van nationale oorsprong gereserveerde projectietijd, mag geen projectietijd, daarbij inbegrepen die welke oorspronkelijk was gereserveerd voor vertoning van nationale films doch bij bestuurlijke maatregel is vrijgegeven, rechtens noch in feite worden toegewezen onder de films van verschillende oorsprong;
(c) Niettegenstaande het bepaalde sub (b) van dit artikel, mag elke verdragsluitende partij projectietijd-contingenten handhaven welke voldoen aan de sub (a) van dit artikel gestelde eisen, en een minimum percentage aan projectietijd reserveren voor films van een bepaalde oorsprong, films van de verdragsluitende partij die zulke projectietijd-contingenten heeft ingesteld daarbij uitgezonderd, onder voorbehoud dat dit minimum percentage niet wordt verhoogd boven het op 10 april 1947 geldende niveau;
(d) Projectietijd-contingenten kunnen door middel van onderhandelingen worden beperkt, geliberaliseerd of afgeschaft.
1.
Goederen (met inbegrip van bagage), alsmede schepen en andere vervoermiddelen, worden geacht zich in doorvoer door het grondgebied van een verdragsluitende partij te bevinden, wanneer de doortocht door dit grondgebied, al dan niet gepaard gaande met overlading, opslag, breking van de lading of verandering in de wijze van vervoer, deel uitmaakt van een volledige reis welke begint en eindigt buiten de landsgrenzen van de verdragsluitende partij over het grondgebied waarvan de doortocht plaatsvindt. Verkeer van deze aard wordt hierna in dit artikel „transitoverkeer” genoemd.
2.
Er zal vrije doorvoer zijn door het grondgebied van elke verdragsluitende partij voor het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van andere verdragsluitende partijen, en wel langs de voor het internationale transitoverkeer meest geschikte wegen. Geen onderscheid zal worden gemaakt naar de vlag waaronder de schepen varen, de plaats van oorsprong, vertrek, binnenkomst, uitgang of bestemming, dan wel enige omstandigheid verband houdende met de eigendom der goederen, schepen of andere vervoermiddelen.
3.
Elke verdragsluitende partij mag verlangen, dat het transitoverkeer door haar grondgebied wordt aangegeven aan het daartoe bestemde douanekantoor; dit verkeer zal echter, behalve wanneer wordt verzuimd te voldoen aan de geldende douanewetten en -regelingen, niet aan onnodige vertraging of beperking onderhevig zijn en het moet worden vrijgesteld van alle in-, uit- en doorvoerrechten of andere met de doorvoer in verband staande heffingen, behalve vervoerskosten of andere kosten evenredig aan de administratieve uitgaven verband houdende met de doorvoer, of aan de waarde van verleende diensten.
4.
Alle heffingen en regelingen waaraan verdragsluitende partijen het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van andere verdragsluitende partijen onderwerpen, behoren redelijk te zijn, rekening houdende met de heersende verkeersomstandigheden.
5.
Wat betreft heffingen, regelingen en formaliteiten terzake van doorvoer, behandelt elke verdragsluitende partij het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij niet minder gunstig dan het transitoverkeer met bestemming naar of komende uit enig derde land.
6.
Elke verdragsluitende partij behandelt de produkten die door het grondgebied van een andere verdragsluitende partij zijn vervoerd niet minder gunstig dan wanneer zij van de plaats van oorsprong naar hun bestemming waren vervoerd zonder door het grondgebied van die andere verdragsluitende partij te gaan. Aan iedere verdragsluitende partij staat het echter vrij haar op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst bestaande eisen van directe verzending te handhaven met betrekking tot goederen ten aanzien waarvan deze directe verzending een noodzakelijke voorwaarde is om tegen preferentiële invoertarieven te worden toegelaten of betrekking heeft op de door de verdragsluitende partij voorgeschreven methode van waardebepaling met het oog op het invoerrecht.
7.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de exploitatie van luchtvaartuigen in het doorvoerverkeer, doch wel op de doorvoer van goederen (met inbegrip van bagage) door de lucht.
1.
De verdragsluitende partijen erkennen dat dumping, waardoor produkten uit een land tegen een lagere dan hun normale prijs in een ander land aan de markt worden gebracht, moet worden veroordeeld, indien zulks aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een gevestigde industrie in het gebied van een verdragsluitende partij, dan wel de vestiging van een binnenlandse industrie aanmerkelijk vertraagt. Voor de toepassing van dit artikel moet een uit een land naar een ander land geëxporteerd produkt worden beschouwd als tegen een lagere dan de normale prijs op de markt van een importerend land te zijn gebracht, indien de prijs van dit produkt:
(a) lager is dan de vergelijkbare bij normale handelstransacties gangbare prijs van het overeenkomstige produkt, wanneer het bestemd is om in het land van uitvoer te worden verbruikt, of,
(b) bij gebreke van zulk een binnenlandse prijs,
Van geval tot geval dient rekening te worden gehouden met verschillen in verkoopvoorwaarden en belasting en met andere verschillen die bij prijsvergelijking van invloed zijn.
(i) lager is dan de hoogste vergelijkbare normale handelsprijs van het overeenkomstige produkt bij uitvoer naar enig derde land, of
(ii) lager is dan de produktiekosten van het produkt in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijke toeslag voor verkoopkosten en winst.
2.
Teneinde de werking van dumping teniet te doen of dumping te beletten mag een verdragsluitende partij op elk produkt waarop dumping wordt toegepast een anti-dumpingrecht heffen dat niet hoger mag zijn dan de op dit produkt betrekking hebbende marge van dumping. Voor de toepassing van dit artikel dient onder marge van dumping te worden verstaan het overeenkomstig het bepaalde in lid 1 vastgestelde prijsverschil.
3.
Van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk in dat van een andere verdragsluitende partij wordt ingevoerd, mag geen hoger compenserend recht worden geheven dan het geschatte bedrag van de premie of subsidie waarvan geconstateerd is dat zij in het land van oorsprong of uitvoer op de vervaardiging, produktie of uitvoer van zulk een produkt, rechtstreeks of middellijk, is verleend, daaronder begrepen elke bijzondere subsidie op het vervoer van een bepaald produkt. Onder de term „compenserend recht” dient te worden verstaan een bijzonder recht geheven om de werking van een premie of subsidie welke, rechtstreeks of middellijk, op de vervaardiging, produktie of uitvoer van enig produkt is verleend, teniet te doen.
4.
Geen produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk in dat van een andere verdragsluitende partij wordt ingevoerd, mag aan een anti-dumping- of compenserend recht worden onderworpen op grond van het feit dat dit produkt is vrijgesteld van rechten of belastingen waarmede het overeenkomstige produkt is belast, wanneer het bestemd is om in het land van oorsprong of uitvoer te worden verbruikt, of op grond van het feit dat zodanige rechten of belastingen worden gerestitueerd.
5.
Geen produkt van oorsprong uit het grondgebied van een verdragsluitende partij hetwelk wordt ingevoerd in dat van een andere verdragsluitende partij, mag tegelijkertijd aan een anti-dumping- en een compenserend recht worden onderworpen als compensatie voor eenzelfde toestand die is geschapen door dumping of uitvoersubsidiëring.
6.
(a) Een verdragsluitende partij mag slechts dan een antidumping- of compenserend recht heffen bij de invoer van enig produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij, indien zij vaststelt, dat de werking van de dumping, onderscheidenlijk de subsidie, zodanig is, dat deze aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een gevestigde binnenlandse industrie, dan wel de vestiging van een binnenlandse industrie aanmerkelijk vertraagt.
(b) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mogen ontheffing verlenen van het bepaalde sub (a) van dit lid, teneinde het een verdragsluitende partij mogelijk te maken een anti-dumping- of compenserend recht te heffen bij de invoer van enig produkt, met het doel de werking teniet te doen van dumping of subsidiëring welke aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een industrie, binnen het grondgebied van een andere verdragsluitende partij, die het betrokken produkt naar het grondgebied van de importerende verdragsluitende partij uitvoert. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen ontheffing te verlenen van het bepaalde sub (a) van dit lid, teneinde het mogelijk te maken een compenserend recht te heffen in de gevallen waarin zij vaststellen, dat een subsidie aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een industrie binnen het grondgebied van een andere verdragsluitende partij die het betrokken produkt naar het grondgebied van de importerende verdragsluitende partij uitvoert.
(c) Niettemin kan een verdragsluitende partij in bijzondere omstandigheden wanneer de vertraging aanleiding kan geven tot moeilijk te herstellen schade, zonder voorafgaande goedkeuring van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een compenserend recht heffen voor de sub (b) van dit lid bedoelde doeleinden, mits de verdragsluitende partij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onmiddellijk in kennis stelt van de genomen maatregel en het compenserende recht terstond wordt ingetrokken indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN niet met de toepassing ervan instemmen.
7.
Een stelsel om, onafhankelijk van het verloop der exportprijzen, hetzij de binnenlandse prijs van een stapelprodukt hetzij de bruto opbrengst voor binnenlandse producenten van een stapelprodukt te stabiliseren, welk stelsel somtijds ten gevolge heeft, dat een produkt voor export wordt verkocht tegen een lagere prijs dan de vergelijkbare prijs voor een overeenkomstig produkt welke aan kopers op de binnenlandse markt in rekening wordt gebracht, wordt niet geacht een aanmerkelijke schade in de zin van lid 6 toe te brengen, indien na overleg tussen de verdragsluitende partijen welke bij het betrokken produkt een aanmerkelijk belang hebben wordt vastgesteld:
(a) dat het stelsel ook wel heeft geleid tot de verkoop voor export van het desbetreffende produkt tegen een hogere prijs dan de vergelijkbare prijs voor een overeenkomstig produkt welke aan kopers op de binnenlandse markt in rekening wordt gebracht, en
(b) dat het stelsel, door doelmatige regeling van de produktie of anderszins, zodanig werkt, dat het de uitvoer niet al te zeer stimuleert of op andere wijze de belangen van andere verdragsluitende partijen ernstig schaadt.
1.
De verdragsluitende partijen erkennen de deugdelijkheid van de algemene beginselen ter bepaling der belastbare in- en uitvoerwaarde, neergelegd in de volgende leden van dit artikel, en zij verbinden zich deze beginselen toe te passen ten aanzien van alle produkten welke bij in- of uitvoer zijn onderworpen aan douanerechten of andere heffingen of beperkingen welke op enige wijze zijn gebaseerd op of afhankelijk zijn van de waarde. Bovendien stellen zij op verzoek van een andere verdragsluitende partij in het licht van genoemde beginselen een onderzoek in naar de werking van hun wetten en regelingen terzake van de bepaling van de belastbare in- en uitvoerwaarde. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen aan verdragsluitende partijen verzoeken verslag uit te brengen omtrent de door hen ingevolge de bepalingen van dit artikel genomen maatregelen.
2.
(a) De belastbare invoerwaarde van goederen dient te zijn gebaseerd op de werkelijke waarde van het goed waarvan het recht wordt geheven, of op de werkelijke waarde van een overeenkomstig goed, en mag niet zijn gebaseerd op de waarde van goederen van binnenlandse oorsprong of op willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.
(b) Onder de „werkelijke waarde” dient te worden verstaan de prijs waartegen, op een door de wetgeving van het importerende land te bepalen tijd en plaats, de geïmporteerde goederen of overeenkomstige goederen bij normale handelstransacties en bij volledige vrije mededinging worden verkocht of ten verkoop aangeboden. Voor zover de prijs van deze of overeenkomstige goederen afhangt van de verhandelde hoeveelheid bij een bepaalde transactie, dient de in aanmerking komende prijs steeds te worden berekend naar (i) vergelijkbare hoeveelheden of (ii) hoeveelheden welke voor de importeurs ten minste even gunstig zijn als die waarin het merendeel der goederen in het handelsverkeer tussen de invoerende en uitvoerende landen wordt verkocht.
(c) Wanneer de werkelijke waarde niet overeenkomstig het bepaalde sub (b) van dit lid kan worden vastgesteld, dient de belastbare in- of uitvoerwaarde te worden gebaseerd op het ten naaste bij als gelijkwaardig vast te stellen bedrag.
3.
In de belastbare in- en uitvoerwaarde van enig ingevoerd produkt dient niet te worden begrepen het bedrag van een in het land van oorsprong of uitvoer geldende binnenlandse belasting waarvan het ingevoerde produkt is vrijgesteld of waarvan restitutie is of zal worden verleend.
4.
(a) Voor zover niet anders in dit lid is bepaald, wordt in gevallen waarin het voor de toepassing van lid 2 van dit artikel nodig is, dat een verdragsluitende partij een in de valuta van een ander land luidende prijs omrekent in eigen valuta, de te gebruiken omrekeningskoers voor elke valuta gebaseerd op de pari-waarde zoals deze is vastgesteld overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of op de door het Fonds erkende wisselkoers, of op de pari-waarde zoals vastgesteld bij speciale valutaovereenkomst ingevolge artikel XV van deze Overeenkomst.
(b) Wanneer zulk een pari-waarde of erkende wisselkoers ontbreekt, dient de omrekeningskoers werkelijk overeen te komen met de gangbare waarde van die valuta bij handelstransacties.
(c) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN formuleren in overeenstemming met het Internationale Monetaire Fonds regels voor de omrekening door verdragsluitende partijen van alle vreemde valuta waarvoor overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds veelvoudige wisselkoersen worden aangehouden. Iedere verdragsluitende partij mag voor de toepassing van lid 2 van dit artikel ten aanzien van zulke vreemde valuta's bedoelde regels toepassen in plaats van de pari-waarden te gebruiken. Zolang deze regels nog niet door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zijn aangenomen, mag iedere verdragsluitende partij voor de toepassing van lid 2 van dit artikel ten aanzien van zulk een vreemde valuta regels voor de omrekening volgen die het oogmerk hebben de waarde van deze valuta in handelstransacties nauwkeurig weer te geven.
(d) Geen bepaling in dit lid mag zo worden uitgelegd, dat zij een verdragsluitende partij zou verplichten de op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst in haar gebied geldende wijze van omrekening voor douanedoeleinden te wijzigen, indien deze wijziging in het algemeen een verhoging van verschuldigde rechten ten gevolge zou hebben.
5.
Vaststaande grondslagen en methoden dienen te worden aangewend voor de waardebepaling van produkten, onderworpen aan rechten of andere heffingen of beperkingen die op enigerlei wijze zijn gebaseerd op of afhankelijk zijn van de waarde, en hieraan dient voldoende bekendheid te worden gegeven teneinde de handelaren in staat te stellen de aan te geven waarde bij in- of uitvoer met een redelijke mate van zekerheid te schatten.
1.
(a) Alle retributies en heffingen van welke aard ook (invoeren uitvoerrechten en de belastingen vallende onder artikel III uitgezonderd) die door verdragsluitende partijen bij of in verband met in- of uitvoer worden geheven, dienen beperkt te blijven tot de bij benadering vast te stellen waarde der verleende diensten en mogen geen indirecte bescherming van binnenlandse produkten noch een belasting voor fiscale doeleinden bij in- of uitvoer inhouden.
(b) De verdragsluitende partijen erkennen de noodzaak tot beperking van het aantal en de verscheidenheid van de retributies en heffingen waarvan melding wordt gemaakt sub (a).
(c) De verdragsluitende partijen erkennen eveneens de noodzaak tot beperking van de omvang en de ingewikkeldheid der invoer- en uitvoerformaliteiten en tot vermindering en vereenvoudiging van de vereiste invoer- en uitvoerdocumenten.
2.
Een verdragsluitende partij dient op verzoek van een andere verdragsluitende partij of van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de werking van eigen wetten en voorschriften in het licht van de bepalingen van dit artikel aan een onderzoek te onderwerpen.
3.
Een verdragsluitende partij mag geen strenge boeten opleggen wegens geringe overtredingen van douaneregelingen of -voorschriften. Met name mag een boete wegens een verzuim of abuis in de douanebescheiden, indien gemakkelijk te herstellen en kennelijk zonder bedrieglijke opzet of schromelijke nalatigheid begaan, niet hoger zijn dan nodig is om louter als waarschuwing te dienen.
4.
De bepalingen van dit artikel hebben eveneens betrekking op door de overheid vastgestelde retributies, heffingen, formaliteiten en eisen terzake van in- en uitvoer, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:
(a) consulaire formaliteiten, b.v. consulaire facturen en certificaten;
(b) kwantitatieve beperkingen;
(c) vergunningen;
(d) deviezencontrole;
(e) diensten ten behoeve van de statistiek;
(f) documenten, documentatie en certificatie;
(g) analyse en onderzoek; en
(h) quarantaine, sanitair onderzoek en ontsmetting.
1.
Elke verdragsluitende partij behandelt de produkten van het grondgebied van andere verdragsluitende partijen met betrekking tot merkingsvoorschriften niet ongunstiger dan de overeenkomstige produkten uit een derde land.
2.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat bij het aanvaarden en ten uitvoer leggen van wetten en voorschriften met betrekking tot merken van oorsprong de moeilijkheden en ongemakken welke zulke maatregelen voor de handel en de industrie van exporterende landen veroorzaken, tot het uiterste dienen te worden beperkt, waarbij rekening dient te worden gehouden met de noodzaak consumenten te beschermen tegen bedrieglijke of misleidende aanduidingen.
3.
In alle gevallen waarin het administratief mogelijk is dienen de verdragsluitende partijen toe te staan, dat de vereiste merken van oorsprong worden aangebracht op het tijdstip van invoer.
4.
De wetten en regelingen van verdragsluitende partijen met betrekking tot het merken van ingevoerde produkten moeten zodanig zijn, dat zij kunnen worden nageleefd zonder dat de produkten daardoor ernstig worden beschadigd of hun waarde aanzienlijk wordt verminderd of hun kostprijs onredelijk wordt verhoogd.
5.
In het algemeen behoort geen der verdragsluitende partijen een bijzonder recht te hebben of een bijzondere boete op te leggen wegens het niet nakomen van de merkingsvoorschriften voordat invoer plaatsvindt, tenzij de correctie der merken onredelijk lang wordt uitgesteld, misleidende merken zijn aangebracht of de vereiste merking met opzet is nagelaten.
6.
De verdragsluitende partijen dienen samen te werken teneinde te voorkomen, dat handelsbenamingen worden gebruikt om een valse voorstelling te geven omtrent de ware oorsprong van een produkt, zulks tot schade van die specifieke gewestelijke of aardrijkskundige benamingen van voortbrengselen van het grondgebied van een verdragsluitende partij welke wettelijke bescherming genieten. Elke verdragsluitende partij dient haar volle en welwillende aandacht te schenken aan de tot haar gerichte verzoeken of vertogen van een andere verdragsluitende partij met betrekking tot de nakoming van de in de vorige zin genoemde verplichting ten aanzien van benamingen van produkten welke haar door de andere verdragsluitende partij zijn medegedeeld.
1.
Wetten, regelingen, rechterlijke beslissingen en administratieve uitspraken welke algemeen toepasselijk zijn, welke door een verdragsluitende partij worden uitgevoerd of ten uitvoer gelegd en welke betrekking hebben op de indeling of waardebepaling van produkten voor douanedoeleinden, op de hoogte van rechten, belastingen of andere heffingen, of op voorschriften, beperkingen of verboden terzake van in- of uitvoer of de overmaking van hiermede samenhangende betalingen of terzake van de verkoop, distributie, het vervoer, de verzekering, opslag, het onderzoek, de uitstalling, be- of verwerking, menging of ander gebruik daarvan, worden terstond bekendgemaakt teneinde de regeringen en handelaren in de gelegenheid te stellen daarvan kennis te nemen. Overeenkomsten welke de internationale handelspolitiek raken en van kracht zijn tussen de regering of een overheidsorgaan van een verdragsluitende partij en de regering of een overheidsorgaan van een andere verdragsluitende partij, worden eveneens bekendgemaakt. De bepalingen van dit lid verplichten een verdragsluitende partij niet tot bekendmaking van vertrouwelijke gegevens, waardoor de handhaving der wetten zou worden belemmerd, dan wel het openbare belang of de wettige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen zouden worden geschaad.
2.
Geen algemeen toepasselijke door een verdragsluitende partij genomen maatregel die een verhoging van een recht of een andere heffing op de invoer krachtens een gevestigd en algemeen gebruik ten gevolge heeft of die een nieuw of drukkender voorschrift, beperking of verbod terzake van de invoer of de overmaking van hiermede samenhangende betalingen oplegt, wordt ten uitvoer gelegd voordat deze officieel is bekendgemaakt.
3.
(a) Elke verdragsluitende partij dient op uniforme, onpartijdige en billijke wijze al haar wetten, regelingen, beslissingen en uitspraken bedoeld in lid 1 van dit artikel uit te voeren of ten uitvoer te leggen.
(b) Elke verdragsluitende partij dient rechtbanken, scheidsgerechten of administratieve rechtbanken of procedures in stand te houden of zo spoedig mogelijk in te stellen, die o.a. ten doel hebben administratieve maatregelen terzake van douaneaangelegenheden op korte termijn te onderzoeken en te corrigeren. Voornoemde rechtbanken, gerechten of procedures zijn onafhankelijk van de organen die met de administratieve uitvoering van de maatregelen zijn belast en de door of krachtens deze genomen beslissingen worden ten uitvoer gelegd door en dienen tot richtlijnen voor de praktijk van deze organen, tenzij binnen de daartoe voor de importeurs voorgeschreven tijd beroep is aangetekend bij een hof of een gerecht met hogere rechtsmacht, mits de centrale leiding van zulk een orgaan stappen mag doen om bij een ander rechtsgeding herziening van de zaak te verkrijgen, indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen, dat de beslissing onverenigbaar is met de gevestigde rechtsbeginselen of met de feiten.
(c) Het bepaalde sub (b) van dit lid vereist niet de opheffing of vervanging van procedures welke op de dag van het sluiten van deze Overeenkomst in het gebied van een verdragsluitende partij bestonden, zo deze in feite voorzien in een objectief en onpartijdig onderzoek van bestaande administratieve maatregelen, ook al zijn deze procedures niet volledig of formeel onafhankelijk van de organen belast met de administratieve uitvoering. Een verdragsluitende partij die van zulke procedures gebruik maakt verstrekt op verzoek de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN volledige gegevens dienaangaande, opdat deze kunnen beoordelen of de procedures al dan niet aan de sub (c) van dit lid gestelde eisen beantwoorden.
1.
Behalve rechten, belastingen of andere heffingen mag geen verdragsluitende partij enig verbod of enige beperking, toegepast hetzij door middel van contingenten of invoer- of uitvoervergunningen, hetzij door middel van andere maatregelen, opleggen of handhaven op de invoer van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of op de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een produkt dat voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij is bestemd.
2.
Het bepaalde in lid 1 van dit artikel strekt zich niet uit tot de volgende gevallen:
(a) uitvoerverboden of -beperkingen welke tijdelijk worden toegepast om kritieke tekorten aan voedingsmiddelen of andere voor de exporterende verdragsluitende partij onmisbare produkten te voorkomen of te verlichten;
(b) invoer- en uitvoerverboden of -beperkingen welke nodig zijn voor de toepassing van normen of regelingen tot het indelen, het rangschikken of het aan de markt brengen van produkten bestemd voor de internationale handel;
(c) invoerbeperkingen ten aanzien van een in enigerlei vorm geïmporteerd produkt van de landbouw of visserij nodig ter uitvoering van overheidsmaatregelen beogende:
Iedere verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde sub (c) van dit lid beperkingen aan de invoer van enig produkt oplegt, dient de totale hoeveelheid of waarde van dit produkt welke gedurende een bepaalde toekomstige periode mag worden ingevoerd, alsmede enige verandering in deze hoeveelheid of waarde, ter algemene kennis te brengen. Bovendien mogen de krachtens dit lid, sub (i), toegepaste beperkingen de totale invoer niet doen verminderen in verhouding tot de totale binnenlandse produktie, zulks in vergelijking met de verhouding welke men redelijkerwijze tussen deze beide hoeveelheden bij afwezigheid van beperkingen zou kunnen verwachten. Bij vaststelling van deze verhouding houdt de verdragsluitende partij terdege rekening met de verhouding welke in een voorafgaande basisperiode bestond, zomede met alle bijzondere factoren welke van invloed kunnen zijn geweest of kunnen zijn op de handel in het betrokken produkt.
(i) de hoeveelheden te beperken welke van het overeenkomstige binnenlandse produkt mogen worden verkocht of geproduceerd, of, indien er geen aanmerkelijke binnenlandse produktie van het overeenkomstige produkt bestaat, van een binnenlands produkt dat het geïmporteerde direct kan vervangen; of
(ii) een tijdelijk overschot weg te werken van het overeenkomstige binnenlandse produkt, of, indien er geen aanmerkelijke binnenlandse produktie van het overeenkomstige produkt bestaat, van een binnenlands produkt dat het geïmporteerde direct kan vervangen, door zulk een overschot om niet of onder de marktprijs ter beschikking te stellen van zekere groepen binnenlandse verbruikers; of
(iii) de hoeveelheden te beperken, welke mogen worden geproduceerd van een dierlijk produkt waarvan de produktie, geheel of in hoofdzaak, rechtstreeks afhankelijk is van het geïmporteerde produkt, indien de binnenlandse produktie van zulks een goed betrekkelijk onbeduidend is.
1.
Niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van artikel XI mag een verdragsluitende partij ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie en haar betalingsbalans de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen beperken, behoudens de bepalingen in de volgende leden van dit artikel.
2.
(a) Invoerbeperkingen door een verdragsluitende partij opgelegd, gehandhaafd of verscherpt mogen niet verder gaan dan nodig is om:
(i) een ernstige daling van haar monetaire reserves te stuiten, dan wel een onmiddellijke dreiging daartoe af te wenden, of,
(ii) wanneer het een verdragsluitende partij betreft met zeer geringe monetaire reserves, een redelijke mate van stijging van haar reserves te bewerkstelligen.
In beide gevallen wordt terdege rekening gehouden met alle bijzondere factoren welke van invloed zijn op de reserves van de verdragsluitende partij of haar behoefte aan reserve, met name met de noodzaak te voorzien in het juiste gebruik van bijzondere buitenlandse kredieten of andere hulpbronnen, wanneer deze bedoelde verdragsluitende partij ter beschikking staan.
(b) De verdragsluitende partijen die krachtens het bepaalde sub (a) van dit artikel beperkingen toepassen, verzachten deze geleidelijk aan, naarmate er in de omstandigheden bedoeld sub (a) verbetering optreedt, en handhaven deze slechts voor zover zulke omstandigheden de toepassing ervan nog rechtvaardigen. Zij heffen bedoelde beperkingen op zodra de omstandigheden de instelling of handhaving ervan krachtens het bepaalde sub (a) niet meer rechtvaardigen.
3.
(a) De verdragsluitende partijen verbinden zich bij de uitvoering van hun binnenlands beleid terdege rekening te houden met de noodzaak het evenwicht in hun betalingsbalans op gezonde en duurzame basis te bewaren, dan wel te herstellen, zomede met de wenselijkheid een niet-economisch gebruik van hun produktiebronnen te vermijden. Zij erkennen, dat het ter verwezenlijking van deze doeleinden noodzakelijk is zoveel mogelijk maatregelen te nemen die eerder strekken tot uitbreiding dan tot inkrimping van de internationale handel.
(b) De verdragsluitende partijen welke beperkingen krachtens dit artikel toepassen kunnen bepalen in welke mate deze beperkingen de invoer van verschillende produkten of groepen van produkten zullen treffen, in dier voege dat voorrang wordt verleend aan de invoer van die produkten welke het meest noodzakelijk zijn.
(c) De verdragsluitende partijen die beperkingen krachtens dit artikel toepassen verbinden zich:
(i) onnodige schade aan de commerciële of economische belangen van een andere verdragsluitende partij te voorkomen;
(ii) geen beperkingen toe te passen, welke zonder redelijke grond de invoer in minimale handelshoeveelheden verhinderen van enigerlei goed welks uitsluiting het normale handelsverkeer zou schaden; en
(iii) geen beperkingen toe te passen welke de invoer van handelsmonsters of het nakomen van voorschriften terzake van octrooien, handelsmerken of auteursrechten e.d. verhinderen.
(d) De verdragsluitende partijen erkennen, dat een door een verdragsluitende partij gevolgd binnenlands beleid dat is gericht op het bereiken en handhaven van volledige en produktieve werkgelegenheid of op de ontwikkeling van economische hulpbronnen, een grote vraag naar invoer bij deze verdragsluitende partij kan teweeg brengen, hetgeen voor haar monetaire reserves een bedreiging kan inhouden als bedoeld in lid 2 (a) van dit artikel. Dientengevolge is geen verdragsluitende partij die in alle andere opzichten aan de bepalingen van dit artikel voldoet, gehouden beperkingen in te trekken of te wijzigen op grond van het feit dat een verandering in dit beleid de beperkingen welke zij krachtens dit artikel toepast onnodig zou maken.
4.
(a) Elke verdragsluitende partij die nieuwe beperkingen toepast of het algemene niveau van de bestaande beperkingen doet stijgen door een aanzienlijke verscherping van de ingevolge dit artikel toegepaste maatregelen, moet onmiddellijk na de instelling of verscherping van deze beperkingen (of, in gevallen waarin voorafgaand overleg in de praktijk mogelijk is, alvorens tot het bovenstaande over te gaan) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg treden omtrent de aard van haar betalingsbalansmoeilijkheden, de verschillende maatregelen welke tot verbetering daarvan kunnen worden genomen, alsmede de mogelijke gevolgen van deze beperkingen voor de economie der andere verdragsluitende partijen.
(b) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen op een door hen te bepalen tijdstip alle beperkingen welke nog op dat tijdstip krachtens dit artikel worden toegepast aan een onderzoek. Te beginnen een jaar na dit tijdstip treden de verdragsluitende partijen welke ingevolge dit artikel invoerbeperkingen toepassen jaarlijks met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg op de wijze bedoeld in dit lid sub (a).
(c)
(i) Indien het gedurende het overleg met een verdragsluitende partij ingevolge dit lid sub (a) of (b) de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV), geven zij aan waarin die onverenigbaarheid schuilt en kunnen zij adviseren passende wijzigingen in de beperkingen aan te brengen.
(ii) Indien echter de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN als gevolg van bovengenoemd overleg vaststellen, dat de toegepaste beperkingen in ernstige mate onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat daardoor schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de handel van een verdragsluitende partij, stellen zij de verdragsluitende partij welke de beperkingen toepast daarvan in kennis en doen passende aanbevelingen teneinde binnen een bepaalde termijn naleving van de desbetreffende bepalingen te bereiken. Indien de verdragsluitende partij deze aanbevelingen binnen deze termijn niet opvolgt, kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN iedere verdragsluitende partij waarvan de handel door die beperkingen wordt geschaad ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
(d) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nodigen op verzoek van elke verdragsluitende partij die duidelijk kan aantonen, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat haar handel daardoor wordt geschaad, een verdragsluitende partij die krachtens dit artikel beperkingen toepast uit hierover met hen in overleg te treden. Zulk een uitnodiging wordt echter slechts gedaan nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich ervan hebben vergewist, dat de rechtstreekse besprekingen tussen de betrokken verdragsluitende partijen niet tot een resultaat hebben geleid. Indien als gevolg van het overleg met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN geen overeenstemming wordt bereikt en deze vaststellen, dat de beperkingen worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de hierboven genoemde bepalingen en dat de handel van de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld daardoor wordt geschaad, of met schade wordt bedreigd, bevelen zij een intrekking of wijziging van de beperkingen aan. Indien de beperkingen niet binnen de termijn die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorschrijven worden ingetrokken of gewijzigd, kunnen zij de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld, ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
(e) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen bij elke ingevolge dit lid ingestelde procedure terdege rekening te houden met alle bijzondere externe factoren die schade toebrengen aan de uitvoerhandel van de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast.
(f) Een uitspraak krachtens dit lid dient op korte termijn te worden gedaan en wel, indien mogelijk, binnen zestig dagen na de aanvang van het overleg.
5.
Indien er voortdurend en op grote schaal krachtens dit artikel invoerbeperkingen worden toegepast, hetgeen duidt op een algehele verstoring van het evenwicht, waardoor de internationale handel wordt beperkt, openen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN besprekingen teneinde te overwegen of er andere maatregelen zouden kunnen worden genomen – hetzij door die verdragsluitende partijen wier betalingsbalans onder druk staat, hetzij door die wier betalingsbalans de neiging heeft bijzonder gunstig te zijn, hetzij door een bevoegde intergouvernementele organisatie – om de oorzaken die aan de evenwichtsverstoring ten grondslag liggen, weg te nemen. Op uitnodiging van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen de verdragsluitende partijen deel aan dergelijke besprekingen.
1.
Geen verdragsluitende partij mag de invoer van enig produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of de uitvoer van enig produkt bestemd voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij verbieden of beperken, tenzij de invoer van het overeenkomstige produkt van oorsprong uit ieder derde land of de uitvoer daarvan naar ieder derde land eveneens is verboden of beperkt.
2.
Bij de toepassing van invoerbeperkingen op enig produkt streven de verdragsluitende partijen naar een verdeling van de handel in dit produkt welke zo veel mogelijk het aandeel nabij komt dat de verschillende verdragsluitende partijen bij afwezigheid van zulke beperkingen naar alle waarschijnlijkheid hadden kunnen verkrijgen. Te dien einde nemen zij de volgende voorschriften in acht:
(a) Waar zulks uitvoerbaar is worden contingenten vastgesteld welke de totale toegestane importen (al dan niet onder de landen ven levering verdeeld) vertegenwoordigen en wordt de omvang van deze contingenten overeenkomst lid 3 (b) van dit artikel bekendgemaakt;
(b) Waar het niet mogelijk is contingenten vast te stellen kunnen de beperkingen worden opgelegd door middel van invoervergunningen of -consenten zonder contingentering;
(c) Behalve ten behoeve van de administratie van contingenten toegewezen overeenkomstig het gestelde sub (d) van dit lid eisen de verdragsluitende partijen niet, dat invoervergunningen of -consenten worden gebruikt voor de invoer van het desbetreffende produkt uit een bepaald land of een bepaalde bron;
(d) In gevallen waarin een contingent onder de landen van levering is verdeeld, kan de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast trachten ten aanzien van de toewijzing van aandelen in het contingent tot overeenstemming te komen met alle andere verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het betrokken produkt. In gevallen waarin deze methode niet wel mogelijk is wijst de verdragsluitende partij in kwestie aan de verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het produkt aandelen toe, evenredig aan de totale hoeveelheid of waarde van de invoer van het produkt hetwelk deze verdragsluitende partijen gedurende een vorige basisperiode leverden, daarbij terdege rekening houdende met de eventuele bijzondere factoren die van invloed waren of zijn op de handel in dit produkt. Er worden geen voorwaarden of formaliteiten voorgeschreven welke een verdragsluitende partij zouden beletten het haar toegewezen aandeel in zulk een totale hoeveelheid of waarde ten volle te benutten, mits de invoer geschiedt binnen de geldigheidsduur van het contingent.
3.
(a) In gevallen waarin invoervergunningen worden afgegeven in verband met invoerbeperkingen verstrekt de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast op verzoek van elke verdragsluitende partij die belang heeft bij de handel in het desbetreffende produkt alle terzake dienende gegevens omtrent de uitvoering van de beperkingen, de over een recent tijdvak afgegeven invoervergunningen, alsmede omtrent de verdeling van deze vergunningen over de landen van levering, mits er geen verplichting bestaat tot het mededelen van de namen van importeurs of leveranciers.
(b) In geval invoerbeperkingen het vaststellen van contingenten medebrengen brengt de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast de totale hoeveelheid of waarde van het produkt of de produkten die gedurende een bepaalde toekomstige periode mogen worden ingevoerd, alsmede elke verandering in deze waarde of hoeveelheid, ter algemene kennis. Eventuele partijen van het produkt in kwestie welke ten tijde van de algemene bekendmaking onderweg waren worden niet ten invoer geweigerd, behoudens dat zij, voor zover doenlijk, in mindering mogen worden gebracht op de in bedoelde periode ten invoer toe te laten hoeveelheid, alsook, waar nodig, op de hoeveelheden welke in de daarop volgende periode of perioden mogen worden ingevoerd, en behoudens verder dat deze handelwijze zal worden geacht ten volle aan het hierbij onder (b) bepaalde te voldoen, indien een verdragsluitende partij gewoon is produkten welke binnen een tijdvak van dertig dagen na de dag van genoemde algemene kennisgeving ten verbruike worden ingevoerd of uit entrepot worden uitgeslagen, van bedoelde beperkingen vrij te stellen.
(c) In geval contingenten zijn verdeeld onder de landen van levering zal de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast alle andere verdragsluitende partijen welke belang hebben bij de levering van het desbetreffende produkt onverwijld verwittigen van het in hoeveelheid of waarde uitgedrukte aandeel in het contingent hetwelk voor het lopende tijdvak is toegewezen en zulks ter algemene kennis brengen.
4.
Met betrekking tot de overeenkomstig lid 2 (d) van dit artikel of lid 2 (c) van artikel XI toegepaste beperkingen geschieden de keuze van een basisperiode voor een produkt en de waardering van eventuele bijzondere factoren die van invloed zijn op de handel in dit produkt in eerste aanleg door de verdragsluitende partij die de beperking oplegt; nochtans treedt genoemde verdragssluitende partij op verzoek van iedere andere verdragsluitende partij die een aanmerkelijk belang heeft bij de levering van dat produkt, dan wel op verzoek der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, onverwijld met die andere verdragsluitende partij, of met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, in overleg nopens de noodzaak van een correctie van de vastgestelde verhouding of de gekozen basisperiode, dan wel nopens de noodzaak van herwaardering van de desbetreffende bijzondere factoren of van afschaffing van voorwaarden, formaliteiten of andere bepalingen welke eenzijdig zijn vastgesteld met betrekking tot de toewijzing van een billijk contingent of de onbeperkte uitputting hiervan.
5.
De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk tariefcontingent dat door enige verdragsluitende partij wordt ingesteld of gehandhaafd, terwijl de beginselen van dit artikel, voor zover toepasselijk, zich eveneens uitstrekken tot uitvoerbeperkingen.
1.
Een verdragsluitende partij die krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII beperkingen toepast mag bij de toepassing dezer beperkingen op zodanige wijze afwijken van de bepalingen van artikel XIII, dat de uitwerking gelijkwaardig is aan die der beperkingen welke deze verdragsluitende partij op dat tijdstip op betalingen en overmakingen bij lopende internationale transacties mag toepassen krachtens artikel VIII of artikel XIV van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of krachtens hiermede overeenkomende bepalingen van een ingevolge lid 6 van artikel XV aangegane speciale valuta-overeenkomst.
2.
Een verdragsluitende partij die krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII invoerbeperkingen toepast, mag met toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN tijdelijk afwijken van de bepalingen van artikel XIII met betrekking tot een klein gedeelte van haar buitenlandse handel, in geval de hieruit voortvloeiende voordelen voor de betrokken verdragsluitende partij of verdragsluitende partijen de nadelen welke hierdoor voor de handel van andere verdragsluitende partijen kunnen optreden belangrijk overtreffen.
3.
De bepalingen van artikel XIII beletten niet, dat ingevolge de bepalingen van artikel XII of sectie B van artikel XVIII een groep gebieden die een gemeenschappelijk quotum hebben in het Internationale Monetaire Fonds beperkingen toepassen op de invoer uit andere landen, doch niet op hun onderlinge goederenverkeer, op voorwaarde dat dergelijke beperkingen in ieder ander opzicht verenigbaar zijn met de bepalingen van artikel XIII.
4.
Een verdragsluitende partij die invoerbeperkingen toepast krachtens artikel XII of sectie B van artikel XVIII wordt door de artikelen XI tot XV of door sectie B van artikel XVIII van deze Overeenkomst niet belet maatregelen toe te passen om, zonder af te wijken van de bepalingen van artikel XIII, haar uitvoer zodanig te richten, dat haar opbrengsten aan deviezen die zij kan benutten zo hoog mogelijk zijn.
5.
Een verdragsluitende partij wordt door de artikelen XI tot en met XV of door sectie B van artikel XVIII van deze Overeenkomst niet belet kwantitatieve beperkingen toe te passen:
(a) die een uitwerking hebben welke gelijkwaardig is aan beperkende deviezenbepalingen toegestaan krachtens sectie 3 (b) van artikel VII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds, of
(b) krachtens de preferentiële regelingen bedoeld in Bijlage A van deze Overeenkomst, in afwachting van het resultaat van de daarin genoemde onderhandelingen.
1.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN streven naar samenwerking met het Internationale Monetaire Fonds teneinde een gecoördineerd beleid te voeren ten aanzien van valuta-aangelegenheden behorende tot de competentie van het Fonds, alsmede ten aanzien van kwantitatieve beperkingen en andere handelsmaatregelen behorende tot de competentie van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.
2.
In alle gevallen waarin de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN problemen betreffende monetaire reserves, betalingsbalansen of deviezenregelingen krijgen te beoordelen of te behandelen plegen zij nauw overleg met het Internationale Monetaire Fonds. Bij zulk overleg aanvaarden de VEDRAGSLUITENDE PARTIJEN alle door het Fonds gegeven feitelijke uitspraken op statistisch en ander gebied ten aanzien van deviezen, monetaire reserves en betalingsbalansen, evenals de uitspraak van het Fonds of een door een Verdragsluitende partij genomen maatregel met betrekking tot valuta-aangelegenheden al dan niet in overeenstemming is met de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of met de bepalingen van een speciale valuta-overeenkomst tussen die verdragsluitende partij en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aanvaarden bij het nemen van een eindbeslissing in gevallen waarbij de in lid 2 (a) van artikel XII of in lid 9 van artikel XVIII genoemde criteria zijn betrokken, de uitspraak van het Fonds ten aanzien van hetgeen als een aanzienlijke daling, een zeer laag peil of een redelijke toeneming van de monetaire reserves der verdragsluitende partij wordt aangemerkt, zomede ten aanzien van de financiële aspecten van andere aangelegenheden waartoe het overleg zich in dergelijke gevallen uitstrekt.
3.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen met het Fonds tot overeenstemming te komen over de te volgen procedure bij het overleg bedoeld in lid 2 van dit artikel.
4.
De verdragsluitende partijen mogen noch door deviezenmaatregelen de opzet van deze Overeenkomst, noch door maatregelen op het gebied van de handel de opzet van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds verijdelen.
5.
Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te eniger tijd van oordeel zijn, dat een verdragsluitende partij deviezenbeperkingen op betalingen en overmakingen voortvloeiende uit de invoer toepast op een wijze welke onverenigbaar is met de uitzonderingen waarin deze Overeenkomst met betrekking tot kwantitatieve beperkingen voorziet geven zij daarvan kennis aan het Fonds.
6.
Elke verdragsluitende partij die geen lid is van het Fonds dient, binnen een door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN na overleg met het Fonds vast te stellen termijn, lid van het Fonds te worden of, bij gebreke daarvan, een speciale valuta-overeenkomst met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aan te gaan. Een verdragsluitende partij welke ophoudt lid te zijn van het Fonds gaat terstond een speciale valuta-overeenkomst met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aan. Iedere speciale valuta-overeenkomst door een verdragsluitende partij krachtens dit lid aangegaan vormt onmiddellijk daarna een deel van haar verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst.
7.
(a) Een speciale valuta-overeenkomst gesloten tussen een verdragsluitende partij en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN krachtens lid 6 van dit artikel dient ten genoege van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te bepalen dat de doeleinden van deze Overeenkomst niet zullen worden teniet gedaan door valutaregelingen van de betrokken verdragsluitende partij.
(b) De bepalingen van zulk een overeenkomst mogen aan de verdragsluitende partij geen verplichtingen inzake valuta-aangelegenheden opleggen die in het algemeen beperkender zijn dan die welke door de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds aan de leden van het Fonds worden opgelegd.
8.
Een verdragsluitende partij die geen lid is van het Fonds dient in het algemene kader van sectie 5 van artikel VIII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds alle gegevens te verstrekken die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen verlangen teneinde de hun bij deze Overeenkomst toegewezen taken te kunnen uitoefenen.
9.
Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag een beletsel vormen voor:
(a) het gebruik maken door een verdragsluitende partij van deviezenregelingen of -beperkingen overeenkomstig de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds of de speciale valuta-overeenkomst door deze verdragsluitende partij met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN gesloten; of
(b) het gebruik maken door een verdragsluitende partij van beperkingen van of regelingen inzake in- en uitvoer met als enig doel, naast hetgeen is toegestaan bij de artikelen XI, XII, XIII en XIV, de deviezenregelingen of -beperkingen doeltreffend te maken.
1.
Indien een verdragsluitende partij enige subsidie, daaronder begrepen elke vorm van bescherming van inkomen of steun aan prijzen, verleent of in stand houdt, welke rechtstreeks of middellijk vermeerdering van de uitvoer van een produkt uit haar gebied of vermindering van de invoer van een produkt in haar gebied ten gevolge heeft, geeft zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk kennis van de omvang en aard van de subsidiëring, van de vermoedelijke uitwerking hiervan op de hoeveelheid der betrokken in of uit te voeren goederen en van de omstandigheden die subsidiëring nodig maken. In alle gevallen waarin wordt vastgesteld, dat aan de belangen van een andere verdragsluitende partij door zulk een subsidiëring ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend, bespreekt de verdragsluitende partij die de subsidie verleent met de betrokken verdragsluitende partij of met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op verzoek de mogelijkheid van een beperking der subsidiëring.
2.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat het verlenen van een subsidie op de uitvoer van een produkt door een verdragsluitende partij voor andere verdragsluitende partijen, zowel importerende als exporterende, schadelijke gevolgen kan hebben, hun normale handelsbelangen in te grote mate kan verstoren, zomede de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst kan belemmeren.
3.
Dientengevolge moeten de verdragsluitende partijen trachten de verlening van subsidies op de uitvoer van basisprodukten te vermijden. Indien een verdragsluitende partij toch, rechtstreeks of middellijk, in welke vorm dan ook een subsidie verleent, welke ten doel heeft de uitvoer uit haar grondgebied van een basisprodukt te vergroten, mag deze subsidie niet zodanig worden toegepast, dat deze verdragsluitende partij meer dan een billijk aandeel in de werelduitvoerhandel van dat produkt verwerft, waarbij rekening wordt gehouden met het door de verdragsluitende partijen gedurende een vorige basisperiode verworven aandeel in die handel in dat produkt, zomede met alle speciale factoren welke de handel in het desbetreffende produkt hebben beïnvloed, dan wel kunnen beïnvloeden.
4.
Voorts verlenen de verdragsluitende partijen van 1 januari 1958 af, of zo spoedig mogelijk nadien, geen enkele subsidie meer, hetzij rechtstreeks hetzij middellijk, in welke vorm dan ook, op de uitvoer van een produkt, geen basisprodukt zijnde, welke subsidie tot gevolg heeft, dat het desbetreffende produkt wordt verkocht tegen een prijs die lager ligt dan de vergelijkbare prijs waartegen het overeenkomstige produkt aan kopers op de binnenlandse markt wordt aangeboden. Tot 31 december 1957 mag geen verdragsluitende partij de omvang van de door haar verleende subsidies verhogen tot boven die bestaande op 1 januari 1955, door het verlenen van nieuwe subsidies dan wel door verhoging van bestaande.
5.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen de werking van de bepalingen van dit artikel van tijd tot tijd aan een onderzoek teneinde in het licht van de opgedane ervaringen vast te stellen of zij op doelmatige wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst en daadwerkelijk verhinderen dat subsidies worden verleend die ernstige schade toebrengen aan de handel of de belangen van de verdragsluitende partijen.
1.
(a) Elke verdragsluitende partij verbindt zich, voor het geval zij een staatsonderneming sticht of in stand houdt, waar deze ook gevestigd is, of aan enige onderneming rechtens of in feite uitsluitende of bijzondere rechten verleent, dat zulk een onderneming bij haar aankopen of verkopen welke invoer of uitvoer ten gevolge hebben, zal handelen naar de algemene beginselen van non-discriminatoire behandeling die in deze Overeenkomst is voorgeschreven ten aanzien van regeringsmaatregelen betreffende de invoer of uitvoer door particuliere handelaren.
(b) De bepalingen sub (a) van dit lid moeten aldus worden verstaan, dat bedoelde ondernemingen, met inachtneming van de andere bepalingen van deze Overeenkomst, zich bij zulke aankopen en verkopen slechts mogen laten leiden door commerciële overwegingen, zoals prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere koop- of verkoopvoorwaarden, en aan de ondernemingen van andere verdragsluitende partijen voldoende gelegenheid dienen te geven, deel te nemen aan zulke aan- of verkopen op voorwaarde van vrije mededinging en overeenkomstig de gewone handelsgebruiken.
(c) Geen verdragsluitende partij mag een onderneming (al dan niet een onderneming bedoeld onder (a) van dit lid) welke onder haar rechtsmacht valt, verhinderen te handelen in overeenstemming met de beginselen genoemd sub (a) en (b) van dit lid.
2.
Het bepaalde in lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op invoer van produkten welke zijn bestemd voor onmiddellijk of uiteindelijk verbruik door of voor rekening van de overheid en overigens niet bestemd voor wederverkoop of gebruik bij de produktie van ten verkoop bestemde goederen. Ten aanzien van deze invoer kent elke verdragsluitende partij aan de handel van de andere verdragsluitende partijen een behoorlijke en billijke behandeling toe.
3.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat ondernemingen als bedoeld in lid 1 (a) van dit artikel zodanig kunnen werken, dat zij ernstige belemmeringen van de handel kunnen veroorzaken; zodoende is het houden van onderhandelingen, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, om zulke belemmeringen te beperken of te verminderen, van belang voor de uitbreiding van de internationale handel.
4.
(a) De verdragsluitende partijen geven aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op, welke produkten worden ingevoerd in of uitgevoerd uit hun grondgebied door ondernemingen als bedoeld in lid 1 (a) van dit artikel.
(b) Een verdragsluitende partij die een monopolie op de invoer van een produkt waarop geen concessie krachtens artikel II is verleend, instelt, handhaaft of erkent, moet, op verzoek van een andere verdragsluitende partij die een aanmerkelijk belang bij de handel in dit produkt heeft, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in kennis stellen van de prijsverhoging bij invoer van bedoeld produkt gedurende een recente basisperiode, dan wel, indien zulks niet mogelijk is, van de bij wederverkoop gevraagde prijs.
(c) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen, op verzoek van een verdragsluitende partij die redenen heeft aan te nemen dat haar belangen als gewaarborgd in deze Overeenkomst worden geschaad door de werking van een onderneming als bedoeld in lid 1 (a), de verdragsluitende partij die zulk een onderneming instelt, in stand houdt of erkent, uitnodigen inlichtingen te verschaffen omtrent de werking van bedoelde onderneming, voor zover zulks de uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst betreft.
(d) De bepalingen van dit lid verplichten een verdragsluitende partij niet vertrouwelijke inlichtingen te verstrekken, waarvan de openbaarmaking de toepassing van de wet belemmert, met het algemeen belang in strijd is of schade toebrengt aan de rechtmatige handelsbelangen van particuliere ondernemingen.
1.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst zal worden bevorderd door de toenemende ontwikkeling van hun economie, in het bijzonder van die verdragsluitende partijen wier economie de bevolking slechts een lage levensstandaard kan bieden en in het beginstadium van ontwikkeling verkeert.
2.
De verdragsluitende partijen erkennen voorts, dat het voor genoemde verdragsluitende partijen noodzakelijk kan zijn – teneinde de economische ontwikkelingsprogramma's uit te voeren, welke zijn gericht op de verhoging van de algemene levensstandaard van hun bevolking – beschermende of andere maatregelen te nemen, die de invoer betreffen en dat deze maatregelen gerechtvaardigd zijn voor zover zij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst bevorderen. Zij zijn derhalve van oordeel, dat bovengenoemde verdragsluitende partijen aanvullende faciliteiten dienen te genieten die hen in staat stellen (a) voldoende soepelheid te betrachten bij het hanteren van de tarieven voor invoerrechten, opdat zij de tariefbescherming kunnen verlenen welke vereist is bij de oprichting van een bepaalde industrie, en (b) kwantitatieve beperkingen toe te passen voor betalingsbalansdoeleinden op een wijze die volledig rekening houdt met het voortdurende hoge peil van de vraag naar importen, welke naar alle waarschijnlijkheid door hun economische ontwikkelingsprogramma's zal worden veroorzaakt.
3.
De verdragsluitende partijen erkennen ten slotte, dat dank zij de aanvullende faciliteiten waarin de secties A en B van dit artikel voorzien, de bepalingen van deze Overeenkomst, normaal gesproken, voldoende zijn om de verdragsluitende partijen in staat te stellen aan de behoeften voor hun economische ontwikkeling te voldoen. Zij erkennen echter, dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin het praktisch niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met deze bepalingen te nemen om een verdragsluitende partij die een economisch ontwikkelingsproces doormaakt in staat te stellen van regeringswege de hulp te verlenen die noodzakelijk is om de oprichting van bepaalde industrieën te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen. Speciale regelingen zijn voor deze gevallen vastgesteld in de secties C en D van dit artikel.
4.
(a) Dientengevolge heeft een verdragsluitende partij wier economie aan het volk slechts een lage levensstandaard kan verschaffen en in het beginstadium van ontwikkeling verkeert, het recht tijdelijk af te wijken van de andere artikelen van deze Overeenkomst, op de wijze als voorzien in de secties A, B en C van dit artikel.
(b) Een verdragsluitende partij wier economie een ontwikkelingsproces doormaakt, maar die niet valt onder de werkingssfeer van het hierboven onder (a) gestelde, kan een verzoek richten tot de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op grond van sectie D van dit artikel.
5.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat de opbrengsten uit export van verdragsluitende partijen wier economie het karakter heeft als omschreven in lid 4 (a) en (b) hierboven en die steunt op de uitvoer van een klein aantal basisprodukten, een ernstige verlaging kunnen ondergaan door vermindering van de verkoop van deze produkten. Dientengevolge kan een verdragsluitende partij haar toevlucht nemen tot de bepalingen inzake overleg van artikel XXII van deze Overeenkomst, wanneer de export van basisprodukten van deze verdragsluitende partij ernstig door maatregelen van een andere verdragsluitende partij wordt getroffen.
6.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen ieder jaar alle maatregelen welke krachtens de bepalingen van de secties C en D van dit artikel worden toegepast, aan een onderzoek.
7.
SECTIE B
(a) Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt het wenselijk acht een in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst vermelde concessie te wijzigen of in te trekken teneinde de oprichting van een bepaalde industrie te bevorderen, ter verhoging van de algemene levensstandaard van haar bevolking, stelt zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan in kennis en treedt in onderhandeling met elke verdragsluitende partij waarmede deze concessie oorspronkelijk was overeengekomen, zomede met elke andere verdragsluitende partij die naar het oordeel der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij deze concessie heeft. Indien de betrokken verdragsluitende partijen overeenstemming hebben bereikt, hebben zij het recht de in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijsten vermelde concessies te wijzigen of in te trekken teneinde de desbetreffende overeenkomst, daarbij inbegrepen de eventueel met die overeenkomst samenhangende compensaties, ten uitvoer te leggen.
(b) Indien binnen zestig dagen na de hierboven sub (a) bedoelde kennisgeving geen overeenstemming is bereikt, kan de verdragsluitende partij welke voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken de aangelegenheid aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorleggen, die haar onverwijld in onderzoek nemen. Wanneer het hun mocht blijken, dat de verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken alle pogingen in het werk heeft gesteld om overeenstemming te bereiken en dat de aangeboden compensatie voldoende is, heeft deze verdragsluitende partij het recht de concessie te wijzigen of in te trekken, onder voorwaarde dat zij tegelijkertijd de compensatie daadwerkelijk toepast. Wanneer het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de compensatie aangeboden door een verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken niet voldoende is, maar dat deze verdragsluitende partij alle pogingen die redelijkerwijze mogelijk waren in het werk heeft gesteld om een voldoende compensatie aan te bieden, heeft zij het recht deze wijziging of intrekking toe te passen. Indien zulk een maatregel wordt genomen, heeft elke andere verdragsluitende partij als sub (a) hierboven bedoeld het recht nagenoeg gelijkwaardige concessies waarover oorspronkelijk overeenstemming was bereikt met de verdragsluitende partij die de maatregel heeft genomen, te wijzigen of in te trekken.
8.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat verdragsluitende partijen die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel vallen en een snel ontwikkelingsproces doormaken betalingsbalansmoeilijkheden kunnen ondervinden, welke voornamelijk voortspruiten zowel uit hun pogingen om hun binnenlandse markt uit te breiden als uit de instabiliteit van hun ruilvoet.
9.
Teneinde haar buitenlandse financiële positie te beschermen en een voldoende stand der reserves ter uitvoering van haar programma voor economische ontwikkeling te verzekeren mag een verdragsluitende partij die binnen de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 10 tot 12, het algehele peil van haar import regelen door de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen te beperken, mits de opgelegde, gehandhaafde of verscherpte invoerbeperkingen niet verder gaan dan nodig is om:
(a) een ernstige daling van haar monetaire reserves te stuiten, dan wel een dreiging daartoe af te wenden, of,
(b) voor het geval het een verdragsluitende partij betreft met onvoldoende monetaire reserves, een redelijke mate van toeneming van haar reserves te bewerkstelligen.
In beide gevallen wordt terdege rekening gehouden met alle bijzondere factoren welke van invloed zijn op de reserves van de verdragsluitende partij of op haar behoefte aan reserves, en met name met de noodzaak om te voorzien in het juiste gebruik van bijzondere buitenlandse kredieten of andere bronnen wanneer deze de verdragsluitende partij ter beschikking staan.
10.
Bij de toepassing van deze beperkingen kan de verdragsluitende partij bepalen in welke mate deze de invoer van verschillende produkten of groepen van produkten zullen treffen, met dien verstande dat voorrang wordt verleend aan de invoer van die produkten welke in de lijn van haar beleid ten aanzien van economische ontwikkeling het meest noodzakelijk zijn. Niettemin dient bij de toepassing der beperkingen te worden vermeden, dat onnodige schade aan de commerciële en economische belangen van iedere andere verdragsluitende partij wordt toegebracht en dat zonder redelijke grond de invoer van minimale handelshoeveelheden wordt verhinderd van enigerlei goed welks uitsluiting het normale handelsverkeer zou schaden; bovendien mogen genoemde beperkingen niet zodanig worden toegepast, dat zij de invoer van handelsmonsters of het nakomen van voorschriften terzake van octrooien, handelsmerken of auteursrechten e.d. verhinderen.
11.
Bij de uitvoering van haar binnenlands beleid houdt de betrokken verdragsluitende partij terdege rekening met de noodzaak het evenwicht van haar betalingsbalans op gezonde en duurzame basis te herstellen, alsmede met de wenselijkheid een economisch gebruik van produktieve hulpbronnen te verzekeren. Zij verzacht geleidelijk aan alle krachtens deze sectie toegepaste beperkingen naarmate er in de omstandigheden verbetering optreedt en handhaaft deze slechts voor zover ze volgens de bepalingen van lid 9 van dit artikel nog noodzakelijk zijn; zij heft bedoelde beperkingen op zodra de omstandigheden de handhaving daarvan niet meer rechtvaardigen; niettemin is geen verdragsluitende partij gehouden beperkingen in te trekken of te wijzigen op grond van het feit dat een verandering in haar beleid inzake ontwikkeling de beperkingen welke zij krachtens deze sectie toepast onnodig zou maken.
12.
SECTIE C
(a) Elke verdragsluitende partij die nieuwe beperkingen toepast of die het algemene niveau van de bestaande beperkingen doet stijgen door een aanzienlijke verscherping van de ingevolge deze sectie toegepaste maatregelen, moet onmiddellijk na de instelling of de verscherping van deze beperkingen (of, in gevallen waarin voorafgaand overleg in de praktijk mogelijk is, alvorens tot het bovenstaande over te gaan) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg treden omtrent de aard van haar betalingsbalansmoeilijkheden, de verschillende maatregelen welke tot verbetering daarvan kunnen worden genomen, alsmede de mogelijke gevolgen van deze beperkingen voor de economie der andere verdragsluitende partijen.
(b) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen op een door hen te bepalen datum alle beperkingen welke nog op dat tijdstip krachtens deze sectie worden toegepast aan een onderzoek. Te beginnen twee jaar na dit tijdstip treden de verdragsluitende partijen welke ingevolge deze sectie beperkingen toepassen met een tussenruimte van ongeveer, doch niet minder dan, twee jaar conform het gestelde sub (a) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg volgens een door deze telken jare op te stellen programma; niettemin heeft geen overleg ingevolge deze alinea plaats binnen twee jaar na het beëindigen van een overleg van algemeen karakter dat wordt gehouden ingevolge enige andere bepaling van dit lid.
(c)
(i) Indien, gedurende het overleg krachtens het gestelde sub (a) en (b) van dit lid met een verdragsluitende partij, het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze sectie of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV), geven zij de punten van afwijking aan en kunnen zij adviseren passende wijzigingen in de beperkingen aan te brengen.
(ii) Indien echter de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN als gevolg van bovengenoemd overleg vaststellen, dat de toegepaste beperkingen in ernstige mate afwijken van de bepalingen van deze sectie of van die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat daardoor schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de handel van een verdragsluitende partij, stellen zij de verdragsluitende partij die de bepalingen toepast daarvan in kennis en doen passende aanbevelingen teneinde binnen een bepaalde periode naleving van de desbetreffende bepalingen te bereiken. Indien de verdragsluitende partij deze aanbevelingen binnen deze periode niet opvolgt, kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN elke verdragsluitende partij wier handel door de beperkingen is geschaad ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
(d) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nodigen op verzoek van elke verdragsluitende partij die duidelijk kan aantonen dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze sectie of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat haar handel daardoor wordt geschaad, een verdragsluitende partij die krachtens deze sectie beperkingen toepast uit hierover met hen in overleg te treden. Zulk een uitnodiging wordt echter slechts gedaan nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich ervan hebben vergewist, dat de rechtstreekse besprekingen tussen de betrokken verdragsluitende partijen niet tot een resultaat hebben geleid. Indien als gevolg van het overleg met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN geen overeenstemming wordt bereikt en deze vaststellen, dat de beperkingen worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de hierbovengenoemde bepalingen en dat de handel van de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld daardoor wordt geschaad, of met schade wordt bedreigd, bevelen zij een intrekking of wijziging van de beperkingen aan. Indien de beperkingen niet binnen de termijn die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorschrijven worden ingetrokken of gewijzigd, kunnen zij de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
(e) Indien een verdragsluitende partij tegen wie een maatregel overeenkomstig de laatste zin van het bepaalde sub (c) (ii) of sub (d) van dit lid is getroffen, van oordeel is, dat de door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN gemachtigde ontheffing van verplichtingen haar economisch ontwikkelingsprogramma benadeelt, heeft zij het recht, uiterlijk zestig dagen nadat zulk een maatregel is genomen, de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk kennis te geven van haar voornemen deze Overeenkomst op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht op de zestigste dag na die waarop de Uitvoerend Secretaris de kennisgeving heeft ontvangen.
(f) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen bij elke ingevolge dit lid ingestelde procedure terdege rekening te houden met de factoren bedoeld in lid 2 van dit artikel. Een uitspraak krachtens dit lid dient op korte termijn te worden gedaan en wel, indien mogelijk, binnen zestig dagen na de aanvang van het overleg.
13.
Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt van oordeel is, dat van regeringswege hulp noodzakelijk is om de oprichting van een bepaalde industrie te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen, maar dat het in de praktijk niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met de andere bepalingen van deze Overeenkomst te nemen om deze doelstelling te verwezenlijken, kan zij gebruik maken van de bepalingen en regelingen van deze sectie.
14.
De betrokken verdragsluitende partij stelt de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in kennis van de bijzondere moeilijkheden die zij ondervindt bij de verwezenlijking van de doelstelling genoemd in lid 13 van dit artikel; zij geeft nauwkeurig de invoerbelemmerende maatregel aan, die zij voornemens is te nemen om deze moeilijkheden te ondervangen. Zij treft deze maatregel niet vóór afloop van de periode bedoeld in lid 15, onderscheidenlijk lid 17, of slechts nadat zij de akkoordbevinding van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN overeenkomstig het bepaalde in lid 18 heeft verkregen, indien de maatregel de invoer nadelig beïnvloedt van een produkt waarop een concessie opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst is gegeven. Niettemin kan de verdragsluitende partij, indien de industrie die hulp ontvangt reeds is aangevangen met de produktie, zodanige maatregelen treffen, na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te hebben ingelicht, als noodzakelijk zijn om te beletten dat gedurende die periode de import van het produkt of de produkten in kwestie aanzienlijk boven het normale peil stijgen.
15.
Indien binnen dertig dagen na kennisgeving van de maatregel de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de betrokken verdragsluitende partij niet verzoeken met hen te overleggen, heeft deze verdragsluitende partij het recht af te wijken van de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om de voorgenomen maatregel toe te passen.
16.
Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zulks verzoeken, treedt de betrokken verdragsluitende partij met hen in overleg over de strekking van de voorgenomen maatregel, over de andere maatregelen die in het kader van deze Overeenkomst mogelijk zijn en over de vermoedelijke uitwerking van deze maatregel op de commerciële en economische belangen van andere verdragsluitende partijen. Indien als resultaat van dit overleg de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst, om de in lid 13 van dit artikel neergelegde doelstelling te verwezenlijken, en indien zij instemmen met de voorgenomen maatregel, wordt de betrokken verdragsluitende partij ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen.
17.
Indien binnen negentig dagen na de datum van kennisgeving van de voorgenomen maatregel overeenkomstig lid 14 van dit artikel, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich niet met deze maatregel hebben kunnen verenigen, kan de betrokken verdragsluitende partij genoemde maatregel nemen na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan op de hoogte te hebben gesteld.
18.
Indien de voorgenomen maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, die is opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, treedt de betrokken verdragsluitende partij in onderhandeling met elke andere verdragsluitende partij met wie deze concessie oorspronkelijk was overeengekomen, zomede met elke andere verdragsluitende partij die naar het oordeel der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij deze concessie heeft. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN stemmen met de maatregel in, indien zij erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst om de in lid 13 van dit artikel omschreven doelstelling te verwezenlijken, en indien zij ervan overtuigd zijn:
(a) dat als gevolg van bovengenoemd overleg overeenstemming is bereikt met de betrokken andere verdragsluitende partijen of
(b) dat, indien binnen zestig dagen nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de kennisgeving ingevolge lid 14 hebben ontvangen geen overeenstemming is bereikt, de verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie alle pogingen die redelijkerwijze mogelijk waren in het werk heeft gesteld om overeenstemming te bereiken en dat de belangen van andere verdragsluitende partijen voldoende zijn gewaarborgd.
De verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie wordt vervolgens ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen.
19.
Indien de voorgenomen maatregel van het soort is als omschreven in lid 13 van dit artikel en een industrie betreft waarvan de oprichting in de beginperiode werd bevorderd door een aanvullende bescherming die de betrokken verdragsluitende partij ingevolge de desbetreffende bepalingen van deze Overeenkomst had verleend door middel van beperkingen voor betalingsbalansdoeleinden, kan deze verdragsluitende partij gebruik maken van de bepalingen en procedures van deze sectie, mits zij de voorgenomen maatregel niet treft zonder toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.
20.
Geen enkele bepaling van de voorgaande leden van deze sectie geeft het recht af te wijken van de bepalingen van de artikelen I, II en XIII van deze Overeenkomst. De voorbehouden bij lid 10 van dit artikel zijn eveneens van toepassing op elke beperking ingevolge deze sectie.
21.
Op elk ogenblik gedurende de tijd dat een maatregel wordt toegepast krachtens lid 17 van dit artikel kan elke verdragsluitende partij die daardoor aanmerkelijk is geschaad ten aanzien van de handel van een verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie de toepassing opschorten van verleende concessies van nagenoeg gelijke waarde of van andere bij deze Overeenkomst aangegane verplichtingen, mits de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daartegen geen bezwaar maken en onder voorwaarde, dat niet later dan zes maanden nadat de maatregel is getroffen, dan wel aanzienlijk ten nadele van de desbetreffende verdragsluitende partij is gewijzigd, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zestig dagen tevoren van een dergelijke opschorting in kennis worden gesteld. Deze verdragsluitende partij biedt voldoende gelegenheid tot overleg overeenkomstig het bepaalde in artikel XXII van deze Overeenkomst.
22.
Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, in het belang van de ontwikkeling van haar economie een maatregel van het soort als omschreven in lid 13 van dit artikel wenst te nemen met betrekking tot de oprichting van een bepaalde industrie, mag zij een verzoek tot de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN richten tot goedkeuring van een dergelijke maatregel. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN treden onverwijld met deze verdragsluitende partij in overleg en laten zich bij hun besluit leiden door de in lid 16 omschreven overwegingen. Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN instemmen met de voorgenomen maatregel, ontheffen zij de betrokken verdragsluitende partij van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen. Indien de voorgestelde maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, is het bepaalde in lid 18 van toepassing.
23.
Iedere maatregel toegepast krachtens deze sectie dient in overeenstemming te zijn met het bepaalde in lid 20 van dit artikel.
1.
(a) Indien, ten gevolge van onvoorziene ontwikkelingen en op grond van de door een verdragsluitende partij krachtens deze Overeenkomst aangegane verplichtingen, met inbegrip van tariefconcessies, een produkt op het grondgebied van die verdragsluitende partij wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige voorwaarden, dat ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend aan binnenlandse producenten op dat grondgebied van overeenkomstige of rechtstreeks concurrerende produkten, staat het die verdragsluitende partij vrij, ten aanzien van zulk een produkt en voor zover en zo lang zulks nodig mocht zijn, de verplichting geheel of gedeeltelijk op te schorten of de concessie in te trekken of te wijzigen, zulks teneinde een dergelijk nadeel te voorkomen of te verhelpen.
(b) Indien een produkt waarvoor een concessie terzake van preferentiële behandeling is verleend op het grondgebied van een verdragsluitende partij wordt ingevoerd onder de sub (a) van dit lid uiteengezette omstandigheden, waardoor ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend aan binnenlandse producenten van overeenkomstige of rechtstreeks concurrerende produkten op het grondgebied van een andere verdragsluitende partij die zulk een preferentiële behandeling ontvangt of ontving, staat het de invoerende verdragsluitende partij vrij, zo de andere verdragsluitende partij zulks verzoekt, de betrokken verplichting geheel of ten dele op te schorten of de concessie inzake het produkt in te trekken of te wijzigen, voor zover en zo lang zulks nodig mocht zijn om een dergelijk nadeel te voorkomen of te verhelpen.
2.
Voordat een verdragsluitende partij maatregelen ingevolge het bepaalde in lid 1 van dit artikel neemt, stelt zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zo lang mogelijk te voren hiervan schriftelijk in kennis en stelt deze, alsook die verdragsluitende partijen die als exporteurs van het betrokken produkt daarbij een aanmerkelijk belang hebben, in de gelegenheid met hen over de voorgestelde maatregelen te beraadslagen. Wanneer zulk een kennisgeving een concessie terzake van preferentiële behandeling betreft, wordt daarin de naam vermeld van de verdragsluitende partij die om de maatregel heeft verzocht. In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken kunnen maatregelen ingevolge lid 1 van dit artikel voorlopig zonder voorafgaand overleg worden genomen, op voorwaarde dat overleg dan onmiddellijk daarna geschiedt.
3.
(a) Indien er tussen de belanghebbende verdragsluitende partijen geen overeenstemming wordt bereikt over de voorgestelde maatregelen, staat het de verdragsluitende partij die deze wenst te nemen of te blijven toepassen, niettemin vrij zulks te doen. In dat geval zal het de benadeelde verdagsluitende partijen vrijstaan, uiterlijk negentig dagen nadat de maatregelen zijn genomen en na het verstrijken van dertig dagen nadat bedoelde verdragsluitende partijen schriftelijk aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN van hun voornemen tot opschorting hebben kennis gegeven, de toepassing van bij deze Overeenkomst verleende concessies of andere aangegane verplichtingen van ongeveer gelijke waarde, op te schorten, en wel ten aanzien van de handel van de verdragsluitende partij die de maatregelen heeft genomen ofwel, in het geval bedoeld in lid 1 (b) van dit artikel, ten aanzien van de handel van de verdragsluitende partij die om de maatregel verzocht, een en ander mits de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN tegen deze opschorting geen bezwaar maken.
(b) Onverminderd het bepaalde sub (a) van dit lid, staat het in gevallen waarin zonder voorafgaand overleg maatregelen krachtens lid 2 van dit artikel worden genomen, die op het grondgebied van een verdragsluitende partij ernstig nadeel berokkenen of dreigen te berokkenen aan de binnenlandse producenten wier produkten door deze maatregelen worden getroffen, deze verdragsluitende partij vrij, indien uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, terstond bij de inwerkingstelling van de maatregelen en tijdens de gehele duur van het overleg concessies of andere verplichtingen op te schorten, voor zover zulks nodig is om het nadeel te voorkomen of te verhelpen.
Artikel XX. Algemene uitzonderingen [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Onder voorbehoud dat de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast, dat zij een middel vormen hetzij tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen waar dezelfde omstandigheden heersen, hetzij tot een verkapte beperking van de internationale handel, wordt niets in deze Overeenkomst uitgelegd als een beletsel voor het nemen of toepassen door enige verdragsluitende partij van maatregelen:
(a) noodzakelijk ter bescherming van de openbare zeden;
(b) noodzakelijk ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
(c) betreffende de in- en uitvoer van goud of zilver;
(d) noodzakelijk ter verzekering van de naleving van wetten of regelingen die niet onverenigbaar zijn met de bepalingen dezer Overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de toepassing van douanevoorschriften, de handhaving van monopolies uitgeoefend krachtens artikel II, lid 4, en artikel XVII, de bescherming van octrooien, handelsmerken en auteursrechten en het voorkomen van bedrieglijke praktijken;
(e) betreffende voortbrengselen van gevangenisarbeid;
(f) ter bescherming van nationaal bezit van kunstzinnige, geschiedkundige of oudheidkundige waarde;
(g) tot het behoud van uitputbare natuurlijke hulpbronnen, mits de toepassing van zulke maatregelen met beperking van de binnenlandse produktie of het binnenlandse verbruik gepaard gaat;
(h) ter nakoming van verplichtingen krachtens een intergouvernementele goederenovereenkomst welke voldoet aan criteria die aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN werden voorgelegd en door hen niet werden afgekeurd, of welke goederenovereenkomst zelf aldus werd voorgelegd en niet werd afgekeurd;
(i) welke uitvoerbeperkingen inhouden van binnenlandse grondstoffen teneinde de noodzakelijke hoeveelheid hiervan te reserveren voor een binnenlandse verwerkende industrie in tijden dat de binnenlandse prijs van deze grondstoffen beneden de wereldprijs wordt gehouden ter uitvoering van een van regeringswege opgesteld stabilisatieplan, mits echter zulke beperkingen niet leiden tot vergroting van de uitvoer of de bescherming van zulk een binnenlandse industrie en niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst betreffende non-discriminatie;
(j) onontbeerlijk tot het verkrijgen of distribueren van produkten waarvan een algemeen of plaatselijk tekort bestaat; nochtans dienen zulke maatregelen in overeenstemming te zijn met het beginsel, dat alle verdragsluitende partijen recht hebben op een billijk aandeel in de internationale voorziening in deze produkten, en dienen de maatregelen welke niet in overeenstemming zijn met de andere bepalingen van deze Overeenkomst ongedaan te worden gemaakt, zodra de omstandigheden welke hen in het leven hebben geroepen hebben opgehouden te bestaan. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bestuderen uiterlijk 30 juni 1960 de vraag of een verdere handhaving van het gedeelte sub (j) van dit lid noodzakelijk is.
Artikel XXI. Uitzonderingen met betrekking tot de staatsveiligheid [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Geen enkele bepaling in deze Overeenkomst mag zodanig worden uitgelegd dat zij:
(a) een verdragsluitende partij verplicht gegevens te verstrekken waarvan zij de openbaarmaking tegen het wezenlijke belang van haar veiligheid acht; of
(b) een verdragsluitende partij belet maatregelen te nemen welke die partij nodig acht ter bescherming van het wezenlijke belang van haar veiligheid en die
(i) betrekking hebben op splijtbare stoffen of tot grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;
(ii) betrekking hebben op de handel in wapens, munitie en oorlogstuig en alle handel in andere goederen en materialen welke rechtstreeks of middellijk dienen voor de bevoorrading van een militair apparaat;
(iii) worden toegepast in tijd van oorlog of van gevaarlijke internationale spanningen;
(c) een verdragsluitende partij belet maatregelen te nemen tot handhaving van de internationale vrede en veiligheid ingevolge haar verplichtingen krachtens het Handvest van de Verenigde Naties.
1.
Elke verdragsluitende partij neemt de door een andere verdragsluitende partij eventueel te berde gebrachte bezwaren betreffende enige zaak welke de uitvoering van deze Overeenkomst raakt in welwillende overweging en dient voldoende gelegenheid te bieden tot overleg.
2.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen op verzoek van een verdragsluitende partij in overleg treden met een of meer verdragsluitende partijen betreffende enigerlei kwestie waarvoor een bevredigende oplossing door middel van het overleg bedoeld in lid 1 niet kon worden gevonden.
1.
Indien een verdragsluitende partij meent, dat enig voordeel hetwelk voor haar rechtstreeks of middellijk uit deze Overeenkomst voortvloeit wordt teniet gedaan of uitgehold of dat het bereiken van een in deze Overeenkomst gesteld doel wordt verhinderd doordat (a) een andere verdragsluitende partij in gebreke blijft haar verplichtingen krachtens deze Overeenkomst na te komen of (b) een andere verdragsluitende partij, al dan niet in strijd met de bepalingen van deze Overeenkomst, een maatregel toepast of (c) enige andere omstandigheid aanwezig is, mag die verdragsluitende partij, teneinde tot een bevredigende regeling van de zaak te komen, schriftelijk bezwaren of voorstellen indienen bij de andere verdragsluitende partij of partijen welke naar haar mening hierbij betrokken zijn. Elke verdragsluitende partij tot wie dergelijke bezwaren of voorstellen worden gericht, dient hieraan welwillende aandacht te schenken.
2.
Indien de betrokken verdragsluitende partijen niet binnen redelijke tijd tot een vergelijk komen of indien de moeilijkheid van de in lid 1 (c) bedoelde aard is, kan de zaak worden verwezen naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. Deze nemen een aldus naar hen verwezen zaak terstond in onderzoek en doen aan de verdragsluitende partijen die zij erbij betrokken achten passende aanbevelingen of doen een uitspraak terzake. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen, indien zij zulks nodig achten, de verdragsluitende partijen, de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties en iedere daartoe geschikte intergouvernementele organisatie raadplegen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mogen, indien zij de omstandigheden daartoe ernstig genoeg achten, een of meer verdragsluitende partijen machtigen ten opzichte van een of meer verdragsluitende partijen zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende concessies of andere verplichtingen op te schorten als zij onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd achten. Indien de toepassing van een concessie of de nakoming van een andere verplichting ten opzichte van een verdragsluitende partij inderdaad is opgeschort, heeft genoemde verdragsluitende partij het recht, uiterlijk zestig dagen nadat zulk een maatregel is genomen, de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk in kennis te stellen van haar voornemen deze Overeenkomst op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht op de zestigste dag na die waarop de schriftelijke kennisgeving door de Uitvoerend Secretaris is ontvangen.
1.
De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op het douanegebied van het moederland der verdragsluitende partijen en op ieder ander douanegebied ten aanzien waarvan deze Overeenkomst ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast. Elk van deze douanegebieden wordt uitsluitend voor de territoriale toepassing van deze Overeenkomst als verdragsluitende partij beschouwd, met dien verstande echter dat de bepalingen van dit lid niet worden uitgelegd als scheppende rechten of verplichtingen tussen twee of meer douanegebieden ten aanzien waarvan deze Overeenkomst door een enkele verdragsluitende partij ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast.
2.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder douanegebied verstaan ieder gebied waarvoor afzonderlijk douanetarieven of andere handelsregelingen gelden ten aanzien van een aanmerkelijk deel van de handel van dat gebied met andere gebieden.
3.
De bepalingen van deze Overeenkomst mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij een beletsel vormen voor:
(a) het toestaan van faciliteiten door een verdragsluitende partij aan aangrenzende landen teneinde het grensverkeer te vergemakkelijken;
(b) het toestaan van faciliteiten ten aanzien van de handel met het Vrije Gebied van Triëst door landen die aan dit gebied grenzen, mits deze faciliteiten niet onverenigbaar zijn met de Vredesverdragen die uit de Tweede Wereldoorlog zijn voortgevloeid.
4.
De verdragsluitende partijen erkennen de wenselijkheid de vrijheid van handel te bevorderen door vrijwillige overeenkomsten die een nauwere integratie van de economieën van de daaraan deelnemende landen beogen. Zij erkennen ook, dat het doel van een douane-unie of van een vrijhandelsgebied moet zijn de vergemakkelijking van de handel tussen de samenstellende gebieden en niet de belemmering van de handel van andere verdragsluitende partijen met die gebieden.
5.
Dienovereenkomstig mogen de bepalingen van deze Overeenkomst niet beletten, dat tussen de gebieden van verdragsluitende partijen een douane-unie of een vrijhandelsgebied wordt ingesteld of dat een voorlopige overeenkomst wordt gesloten noodzakelijk tot het instellen van een douane-unie of een vrijhandelsgebied, mits:
(a) in het geval van een douane-unie of een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een douane-unie zal leiden de invoerrechten en andere regelingen van de handel, geheven onderscheidenlijk getroffen bij de instelling van een dergelijke unie of bij de sluiting van de voorlopige overeenkomst, over het geheel niet hoger of beperkender zijn voor de handel met verdragsluitende partijen die niet deel uitmaken van een dergelijke unie of partij zijn bij een dergelijke overeenkomst dan de invoerrechten en regelingen van de handel die in de samenstellende gebieden van toepassing waren voordat de unie werd ingesteld of de voorlopige overeenkomst werd gesloten;
(b) in het geval van een vrijhandelsgebied of een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een vrijhandelsgebied zal leiden, de invoerrechten en andere regelingen van de handel, van kracht in elk der samenstellende gebieden en van toepassing bij de instelling van een dergelijk vrijhandelsgebied of bij de sluiting van een dergelijke voorlopige overeenkomst, niet hoger of beperkender zijn voor de handel van verdragsluitende partijen die niet binnen dit gebied vallen of die geen partij zijn bij een dergelijke overeenkomst dan de overeenkomstige douanerechten en andere regelingen van de handel die in dezelfde samenstellende gebieden bestonden voordat het vrijhandelsgebied werd ingesteld of de voorlopige overeenkomst werd gesloten;
(c) iedere voorlopige overeenkomst bedoeld onder (a) en (b) een plan en een tijdschema zal inhouden voor de instelling van een dergelijke douane-unie of een dergelijk vrijhandelsgebied binnen een redelijke termijn.
6.
Indien bij het voldoen aan de vereisten gesteld sub a van lid 5, een verdragsluitende partij zich voorneemt enig recht in strijd met het bepaalde in artikel II te verhogen, wordt de procedure vermeld in artikel XXVIII toegepast. Bij het vaststellen van een compenserende regeling wordt terdege rekening gehouden met de compensatie die reeds wordt verschaft door de verlagingen van het overeenkomstige invoerrecht van de andere samenstellende delen van de Unie.
7.
(a) Een verdragsluitende partij die besluit deel uit te maken van een douane-unie of een vrijhandelsgebied of partij te worden bij een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een dergelijke unie of een dergelijk gebied zal leiden, doet aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN hiervan onverwijld mededeling en verstrekt hun over deze unie of dit gebied alle gegevens die hen in staat stellen tot de verdragsluitende partijen de verslagen en aanbevelingen te richten welke zij passend achten.
(b) Indien het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, nadat zij het plan en het tijdschema, opgenomen in een voorlopige overeenkomst bedoeld in lid 5, hebben bestudeerd, in overleg met de partijen bij die overeenkomst en terdege rekening houdende met de gegevens die overeenkomstig het bepaalde sub (a) ter beschikking zijn gesteld, blijkt dat een dergelijke overeenkomst waarschijnlijk niet zal leiden tot de instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied binnen de termijn die door de partijen bij de overeenkomst wordt beoogd of dat deze termijn niet redelijk is, doen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aanbevelingen aan de partijen bij de overeenkomst. De partijen mogen de overeenkomst niet handhaven, onderscheidenlijk in werking stellen, indien zij niet bereid zijn haar in overeenstemming met deze aanbevelingen te wijzigen.
(c) Iedere belangrijke verandering in het plan of het tijdschema bedoeld in lid 5 (c) moet worden medegedeeld aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, die de betrokken verdragsluitende partijen kunnen verzoeken met hen te beraadslagen, indien het waarschijnlijk lijkt dat de verandering de instelling van de douane-unie of het vrijhandelsgebied onnodig in gevaar zal brengen of vertragen.
8.
Voor de toepassing van deze Overeenkomst:
(a) verstaat men onder een douane-unie de vervanging van twee of meer douanegebieden door een enkel douanegebied, zodanig dat
(i) douanerechten en andere beperkende regelingen van de handel (uitgezonderd, waar nodig, die welke zijn geoorloofd krachtens de artikelen XI, XII, XIII, XIV, XV en XX) worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de gebieden waaruit de unie is samengesteld of ten minste ten aanzien van vrijwel de gehele handel in produkten van oorsprong uit deze gebieden, en,
(ii) behoudens het bepaalde in lid 9, in hoofdzaak dezelfde douanerechten en andere regelingen van de handel door ieder lid van de unie worden toegepast op de handel met gebieden die niet tot de unie behoren;
(b) verstaat men onder vrijhandelsgebied een groep van twee of meer douanegebieden waarin de douanerechten en andere beperkende regelingen op het gebied van de handel (uitgezonderd, waar nodig, die welke zijn geoorloofd krachtens de artikel XI, XII, XIII, XIV, XV en XX) worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de samenstellende gebieden in produkten van oorsprong uit deze gebieden.
9.
De instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied oefent geen invloed uit op de preferenties bedoeld in lid 2 van artikel I; deze mogen echter worden afgeschaft of aangepast door middel van onderhandelingen met de betrokken verdragsluitende partijen. Deze onderhandelingsprocedure met de betrokken verdragsluitende partijen is in het bijzonder van toepassing op de afschaffing van preferenties nodig om te voldoen aan de bepalingen van lid 8 (a) (i) en lid 8 (b).
10.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen met een meerderheid van twee derde voorstellen goedkeuren die niet geheel voldoen aan de vereisten van de leden 5 tot en met 9, op voorwaarde dat deze voorstellen leiden tot de instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied in de zin van dit artikel.
11.
Rekening houdende met de buitengewone omstandigheden die voortvloeien uit het feit dat India en Pakistan onafhankelijke Staten zijn geworden, en het feit erkennende dat zij reeds lange tijd een economische eenheid hebben gevormd, komen de verdragsluitende partijen overeen, dat de bepalingen van deze Overeenkomst de beide landen niet beletten bijzondere overeenkomsten aan te gaan ten aanzien van hun wederzijdse handel, zulks in afwachting van het definitief vaststellen van hun wederzijdse handelsbetrekkingen.
12.
Elke verdragsluitende partij neemt alle redelijke binnen haar bereik liggende maatregelen teneinde de naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst door de gewestelijke en plaatselijke besturen en autoriteiten binnen haar gebied te verzekeren.
1.
Er worden periodiek vergaderingen van vertegenwoordigers van de verdragsluitende partijen gehouden teneinde de uitvoering van die bepalingen van deze Overeenkomst welke een gezamenlijk optreden vereisen, te verzekeren en in het algemeen de toepassing van deze Overeenkomst te vergemakkelijken en de verwezenlijking van haar doeleinden te bevorderen. Overal waar in deze Overeenkomst sprake is van de gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen worden deze aangeduid als de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.
2.
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt verzocht de eerste vergadering van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN uiterlijk tegen 1 maart 1948 bijeen te roepen.
3.
Elke verdragsluitende partij heeft een stem op alle vergaderingen van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.
4.
Tenzij in deze Overeenkomst anders is voorgeschreven, worden de beslissingen van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij meerderheid der uitgebrachte stemmen genomen.
5.
In buitengewone omstandigheden waarvoor elders in deze Overeenkomst geen voorziening is getroffen, mogen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een verdragsluitende partij ontheffing verlenen van een haar bij deze Overeenkomst opgelegde verplichting, op voorwaarde echter dat zulk een beslissing door een meerderheid van twee derde der uitgebrachte stemmen wordt goedgekeurd en dat deze meerderheid meer dan de helft van de verdragsluitende partijen omvat. Bij een zodanige stemming kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN eveneens:
(i) bepaalde categorieën buitengewone omstandigheden vaststellen, waarbij andere voorwaarden van stemming zullen gelden, om een verdragsluitende partij van haar verplichtingen te ontheffen en
(ii) de maatstaven voorschrijven welke voor de toepassing van dit lid nodig kunnen zijn.
1.
De datum van deze Overeenkomst is 30 oktober 1947.
2.
Deze Overeenkomst staat open voor aanvaarding door iedere verdragsluitende partij die op 1 maart 1955 verdragsluitende partij was of in onderhandeling was teneinde tot deze Overeenkomst toe te treden.
3.
Deze Overeenkomst, gedaan in een enkel origineel in de Engelse taal en een enkel origineel in de Franse taal, zijnde beide teksten authentiek, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die gewaarmerkte afschriften ervan aan alle belanghebbende regeringen zal verstrekken.
4.
Elke regering die deze Overeenkomst aanvaardt dient een akte van aanvaarding neder te leggen bij de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, die alle belanghebbende regeringen in kennis zal stellen van de datum van nederlegging van elke akte van aanvaarding, alsmede van de datum waarop deze Overeenkomst krachtens lid 6 van dit artikel in werking treedt.
5.
(a) Elke regering die deze Overeenkomst aanvaardt doet zulks voor het moederland en voor de andere gebieden waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid draagt, met uitzondering van die afzonderlijke douanegebieden welke zij bij haar eigen aanvaarding aan de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN opgeeft.
(b) Een regering die een zodanige opgave aan de Uitvoerend Secretaris overeenkomstig de uitzonderingen bedoeld in dit lid sub (a) heeft gedaan, kan te allen tijde aan de Uitvoerend Secretaris kennis geven, dat haar aanvaarding alsnog rechtsgevolg zal hebben voor een afzonderlijk douanegebied hetwelk voordien was uitgezonderd; deze kennisgeving heeft rechtsgevolg op de dertigste dag na de datum waarop zij door de Uitvoerend Secretaris is ontvangen.
(c) Wanneer een der douanegebieden waarvoor een verdragsluitende partij deze Overeenkomst heeft aanvaard volledige autonomie bezit of verkrijgt ten aanzien van zijn buitenlandse handelsbetrekkingen en van de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden, wordt zulk een gebied, op voordracht van de verantwoordelijke verdragsluitende partij die in een verklaring het bovengenoemde feit vaststelt, geacht een verdragsluitende partij te zijn.
6.
De onderhavige Overeenkomst treedt tussen de regeringen die haar hebben aanvaard in werking op de dertigste dag na de datum waarop de akten van aanvaarding bij de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zijn nedergelegd namens die regeringen genoemd in Bijlage H welker gebieden 85 ten honderd vertegenwoordigen van de totale buitenlandse handel van de gebieden van de in die Bijlage genoemde regeringen, berekend volgens de desbetreffende daarin vervatte kolom met percentages. De akte van aanvaarding van elk der overige regeringen heeft rechtsgevolg op de dertigste dag na de datum waarop genoemde akte is nedergelegd.
7.
De Verenigde Naties zijn gemachtigd deze Overeenkomst te registreren zodra zij in werking treedt.
Artikel XXVII. Opschorting of intrekking van concessies [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Elke verdragsluitende partij staat het te allen tijde vrij een concessie welke is vermeld in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst geheel of ten dele op te schorten of in te trekken, op grond van het feit dat een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen met een regering die geen verdragsluitende partij is geworden of is opgehouden zulks te zijn. De verdragsluitende partij die zulk een maatregel neemt, is gehouden de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan in kennis te stellen en treedt, op daartoe gedaan verzoek, met verdragsluitende partijen die een aanmerkelijk belang bij het desbetreffende produkt hebben in overleg.
1.
Vanaf de eerste dag van ieder tijdvak van drie jaar, waarbij het eerste tijdvak aanvangt op 1 januari 1958, (of vanaf de eerste dag van ieder ander tijdvak dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN met twee derde der uitgebrachte stemmen vaststellen), mag een verdragsluitende partij (hierna in dit artikel te noemen „verzoekende verdragsluitende partij”) een concessie voorkomende in de desbetreffende bij deze Overeenkomst gevoegde Lijst wijzigen of intrekken, nadat zij in onderhandeling is getreden en overeenstemming heeft bereikt met de verdragsluitende partij met wie een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen, zomede met iedere andere verdragsluitende partij die naar het oordeel van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de voornaamste leverancier is (deze twee categorieën verdragsluitende partijen worden, evenals de verzoekende verdragsluitende partij, hierna in dit artikel de „voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen” genoemd), en onder voorbehoud van overleg met iedere andere verdragsluitende partij die naar het oordeel van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij een dergelijke concessie heeft.
2.
Bij dergelijke onderhandelingen en bij een dergelijke overeenstemming, welke laatste compensaties betreffende andere produkten kan bevatten, dienen de betrokken verdragsluitende partijen te trachten de overeengekomen wederkerige en wederzijds voordelige concessies te handhaven op een peil dat voor de handel niet minder gunstig is dan hetgeen was voorzien in deze Overeenkomst voordat bovengenoemde onderhandelingen werden gehouden.
3.
(a) Indien vóór 1 januari 1958 of vóór de afloop van het tijdvak bedoeld in lid 1 van dit artikel geen overeenstemming tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen kan worden bereikt, heeft de verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken, niettemin het recht zulks te doen. In dat geval heeft elke verdragsluitende partij met wie een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen, elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 1 wordt geacht de voornaamste leverancier te zijn en elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 1 wordt geacht een aanmerkelijk belang te hebben het recht om uiterlijk zes maanden nadat de maatregel is genomen nagenoeg gelijkwaardige concessies welke aanvankelijk werden overeengekomen met de verzoekende verdragsluitende partij in te trekken, doch zulks niet eerder dan dertig dagen nadat schriftelijk bericht van de intrekking door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is ontvangen.
(b) Indien tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen een overeenstemming is bereikt welke een andere verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel wordt geacht een aanmerkelijk belang te hebben niet bevredigt, heeft deze andere verdragsluitende partij het recht uiterlijk zes maanden nadat de maatregel is genomen nagenoeg gelijkwaardige concessies welke aanvankelijk met de verzoekende verdragsluitende partij waren overeengekomen in te trekken, doch zulks niet eerder dan dertig dagen nadat schriftelijk bericht van de intrekking door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is ontvangen.
4.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen te allen tijde in buitengewone omstandigheden een verdragsluitende partij machtigen in onderhandeling te treden over de wijziging of de intrekking van een concessie voorkomend in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, en wel overeenkomstig de volgende procedure en voorwaarden:
(a) Genoemde onderhandelingen en het daarop betrekking hebbende overleg worden gevoerd overeenkomstig de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel.
(b) Indien tijdens de onderhandelingen tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen overeenstemming is bereikt, is het bepaalde in lid 3 (b) van dit artikel van toepassing.
(c) Indien geen overeenstemming tussen de voornaamste belanghebbende partijen is bereikt binnen een termijn van zestig dagen nadat machtiging tot onderhandelen is gegeven, dan wel binnen een langere door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vastgestelde termijn, kan de verzoekende verdragsluitende partij de aangelegenheid verwijzen naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN.
(d) Indien een dergelijke aangelegenheid naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is verwezen, dienen deze haar onverwijld te bestuderen en de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen van hun bevindingen op de hoogte te brengen teneinde een vergelijk tot stand te brengen. Indien een vergelijk tot stand komt, is het bepaalde in lid 3 (b) toepasselijk als ware overeenstemming bereikt tussen de voornaamste belanghebbende verdragsluitende partijen. Indien geen vergelijk tot stand komt tussen de voornaamste belanghebbende partijen, heeft de verzoekende verdragsluitende partij het recht om de concessie te wijzigen of in te trekken, tenzij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN beslissen, dat de verzoekende verdragsluitende partij niet al het mogelijke heeft gedaan om een bevredigende compensatie aan te bieden. Indien tot een dergelijke maatregel wordt overgegaan, heeft elke verdragsluitende partij met wie een dergelijke concessie aanvankelijk werd overeengekomen, elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 4 (a) wordt geacht voornaamste leverancier te zijn en elke verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde in lid 4 (a) wordt geacht een aanmerkelijk belang te hebben, het recht om uiterlijk zes maanden nadat de maatregel is genomen nagenoeg gelijkwaardige concessies welke aanvankelijk met de verzoekende verdragsluitende partij waren overeengekomen, te wijzigen of in te trekken, doch zulks niet eerder dan dertig dagen nadat schriftelijk bericht van de intrekking door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN is ontvangen.
5.
Een verdragsluitende partij kan vóór 1 januari 1958 en vóór de afloop van elk tijdvak bedoeld in lid 1 zich door kennisgeving aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN het recht voorbehouden om gedurende de volgende periode de desbetreffende Lijst te wijzigen overeenkomstig de in de leden 1 tot 3 voorgeschreven procedures. Indien een verdragsluitende partij zich dit recht voorbehoudt, hebben andere verdragsluitende partijen het recht om gedurende hetzelfde tijdvak en volgens dezelfde procedures concessies te wijzigen of in te trekken welke aanvankelijk werden overeengekomen met die verdragsluitende partij.
1.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat invoerrechten dikwijls ernstige belemmeringen vormen voor de handel. Van groot belang voor de uitbreiding van de internationale handel zijn derhalve onderhandelingen op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel en gericht op aanmerkelijke verlaging van het algemene peil van de tarieven en van andere heffingen op in- en uitvoer en in het bijzonder op de verlaging van tarieven welke zo hoog zijn dat zij zelfs voor de invoer van minimale hoeveelheden een belemmering vormen, mits gevoerd met inachtneming van de doeleinden van deze Overeenkomst en de onderscheiden behoeften van de afzonderlijke verdragsluitende partijen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen daarom periodiek dergelijke onderhandelingen organiseren.
2.
(a) Onderhandelingen ingevolge dit artikel worden gevoerd over één voor één uitgekozen produkten of door toepassing van door de betrokken verdragsluitende partijen aanvaarde multilaterale procedures. Dergelijke onderhandelingen kunnen leiden tot de verlaging van invoerrechten, tot de binding van invoerrechten aan het alsdan bestaande peil of tot de verplichting dat afzonderlijke invoerrechten of gemiddelde invoerrechten op bepaalde categorieën produkten geen bepaald peil mogen overschrijden. De binding van lage invoerrechten of de vrijdom van invoerrechten wordt in beginsel erkend als een concessie gelijkwaardig aan een verlaging van hoge invoerrechten.
(b) De verdragsluitende partijen erkennen, dat in het algemeen de resultaten van multilaterale onderhandelingen afhangen van de deelneming van alle verdragsluitende partijen waarvan de onderlinge handel een aanmerkelijk deel vormt van hun buitenlandse handel.
3.
De onderhandelingen worden gevoerd op een grondslag welke ruimschoots gelegenheid biedt om rekening te houden met:
(a) de behoeften van afzonderlijke verdragsluitende partijen en afzonderlijke industrieën;
(b) de behoeften van minder-ontwikkelde landen aan een soepele tarifaire bescherming om hun economische ontwikkeling te bevorderen, alsmede de bijzondere behoeften van die landen om invoerrechten voor fiscale doeleinden in stand te houden; en
(c) alle andere terzake dienende omstandigheden, met inbegrip van fiscale, ontwikkelings-, strategische en andere behoeften van de desbetreffende verdragsluitende partijen.
1.
De verdragsluitende partijen verplichten zich zover als hun uitvoerend gezag strekt de algemene beginselen van de Hoofdstukken I tot en met VI en van Hoofdstuk IX van het Handvest van Havana in acht te nemen, zulks in afwachting van hun aanvaarding van dit Handvest overeenkomstig hun grondwettelijke procedures.
2.
Deel II van deze Overeenkomst zal worden geschorst op de dag waarop het Handvest van Havana in werking treedt.
3.
Indien op 30 september 1949 het Handvest van Havana niet in werking is getreden, komen de verdragsluitende partijen vóór 31 december 1949 bijeen teneinde onderling te beslissen of deze Overeenkomst dient te worden gewijzigd, aangevuld of gehandhaafd.
4.
Indien op enigerlei tijdstip het Handvest van Havana mocht ophouden van kracht te zijn, zullen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zo spoedig mogelijk daarna bijeenkomen teneinde onderling te beslissen of deze Overeenkomst dient te worden gewijzigd, aangevuld of gehandhaafd. In afwachting van een dergelijke overeenstemming treedt Deel II van deze Overeenkomst wederom in werking, met dien verstande echter dat de bepalingen van Deel II, behalve artikel XXIII, mutatis mutandis, worden vervangen in de vorm waarin zij toen in het Handvest van Havana voorkwamen en dat voorts geen verdragsluitende partij is gebonden door enige bepaling welke haar niet bond op het tijdstip waarop het Handvest van Havana ophield van kracht te zijn.
5.
Wanneer een verdragsluitende partij het Handvest van Havana op de dag waarop het in werking treedt niet heeft aanvaard, komen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bijeen teneinde tot overeenstemming te geraken of, en zo ja op welke wijze, deze Overeenkomst dient te worden aangevuld of gewijzigd, voor zover zij de verhouding raakt tussen deze verdragsluitende partij en andere verdragsluitende partijen. In afwachting van een dergelijke overeenstemming blijven de bepalingen van Deel II van deze Overeenkomst, niettegenstaande het bepaalde in lid 2 van dit artikel, van toepassing tussen deze verdragsluitende partij en de andere verdragsluitende partijen.
6.
Verdragsluitende partijen die Lid van de Internationale Handelsorganisatie zijn beroepen zich niet op de bepalingen van deze Overeenkomst teneinde de werking van enige bepaling van het Handvest van Havana te verhinderen. De toepassing van het aan dit lid ten grondslag liggende beginsel op enige verdragsluitende partij die geen Lid van de Internationale Handelsorganisatie is, zal onderwerp uitmaken van een overeenkomst ingevolge lid 5 van dit artikel.
1.
Voor zover niet elders in deze Overeenkomst voorzieningen inzake wijziging zijn getroffen, worden wijzigingen in de bepalingen van Deel I van deze Overeenkomst of in die van artikel XXIX of in die van dit artikel van kracht, zodra zij door alle verdragsluitende partijen zijn aanvaard, terwijl wijzigingen in andere bepalingen van deze Overeenkomst van kracht worden ten aanzien van die verdragsluitende partijen die ze aanvaarden, na aanvaarding door twee derde der verdragsluitende partijen en vervolgens ten aanzien van elke andere verdragsluitende partij, zodra deze de bedoelde wijzigingen aanvaardt.
2.
Elke verdragsluitende partij die een wijziging in deze Overeenkomst aanvaardt legt een akte van aanvaarding bij de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties neder binnen een daartoe door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vast te stellen termijn. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen bepalen dat een wijziging die ingevolge dit artikel van kracht wordt van zodanige aard is, dat een verdragsluitende partij die haar niet binnen een door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vastgestelde termijn heeft aanvaard, vrij zal zijn deze Overeenkomst op te zeggen of, met toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, verdragsluitende partij te blijven.
Artikel XXXI. Opzegging [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Onverminderd het bepaalde in artikel XVIII, lid 12, in artikel XXIII of in artikel XXX, lid 2, mag elke verdragsluitende partij deze Overeenkomst opzeggen of zulks afzonderlijk doen namens een of meer der afzonderlijke douanegebieden waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid draagt en die op dat ogenblik volledige autonomie bezitten ten aanzien van hun buitenlandse handelsbetrekkingen en de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan schriftelijk in kennis is gesteld.
1.
Onder verdragsluitende partijen bij deze Overeenkomst worden verstaan de regeringen die de bepalingen van deze Overeenkomst toepassen krachtens artikel XXVI of artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing.
2.
Te allen tijde nadat deze Overeenkomst ingevolge lid 6 van artikel XXVI in werking is getreden, mogen de verdragsluitende partijen die deze Overeenkomst ingevolge lid 4 van artikel XXVI hebben aanvaard, bepalen dat een verdragsluitende partij die haar niet op deze wijze heeft aanvaard zal ophouden verdragsluitende partij te zijn.
Artikel XXXIII. Toetreding [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Een regering die geen partij bij deze Overeenkomst is of een regering die handelt namens een afzonderlijk douanegebied dat volledige autonomie bezit ten aanzien van zijn buitenlandse handelsbetrekkingen en de andere bij deze Overeenkomst geregelde aangelegenheden kan tot deze Overeenkomst toetreden, hetzij voor zichzelf, hetzij namens dat gebied, op tussen deze regering en de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN overeen te komen voorwaarden. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen de beslissingen ingevolge dit lid bij een meerderheid van twee derde.
Artikel XXXIV. Bijlagen [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
De Bijlagen bij deze Overeenkomst vormen een integrerend deel daarvan.
1.
Deze Overeenkomst of artikel II van deze Overeenkomst is niet van toepassing tussen een verdragsluitende partij en een andere verdragsluitende partij, indien:
(a) de beide verdragsluitende partijen geen tariefonderhandelingen met elkaar zijn begonnen en
(b) een van beiden, op het ogenblik dat een hunner verdragsluitende partij wordt, niet in deze toepassing toestemt.
2.
Op verzoek van een verdragsluitende partij kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in bijzondere gevallen een onderzoek instellen naar de werking van dit artikel en passende aanbevelingen doen.
1.
De verdragsluitende partijen,
(a) zich ervan bewust dat de fundamentele doelstellingen van deze Overeenkomst de verhoging van de levensstandaard en de geleidelijke ontwikkeling van de economie van alle verdragsluitende partijen inhouden, en overwegende dat de verwezenlijking van deze doelstellingen voor de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzondere urgentie is;
(b) overwegende dat de inkomsten uit export van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van beslissende betekenis kunnen zijn voor hun economische ontwikkeling en dat de omvang van deze bijdrage zowel afhankelijk is van de prijzen die de minderontwikkelde verdragsluitende partijen moeten betalen voor de door hen ingevoerde onontbeerlijke goederen als van de omvang van hun uitvoer en van de voor de uitgevoerde goederen ontvangen prijzen;
(c) constaterende dat er een zeer groot verschil bestaat tussen de levensstandaard van de minder ontwikkelde landen en die van de overige landen;
(d) erkennende dat individueel en gezamenlijk optreden ter bevordering van de economische ontwikkeling van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen en ter verwezenlijking van een spoedige verhoging van de levensstandaard in deze landen noodzakelijk is;
(e) erkennende dat het internationale handelsverkeer als middel tot economische en sociale vooruitgang dient te worden beheerst door regels en procedures – en door met zulke regels en procedures in overeenstemming zijnde maatregelen – die verenigbaar zijn met de in dit artikel neergelegde doelstellingen;
(f) constaterende dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen in de gelegenheid kunnen stellen bijzondere maatregelen te nemen ter bevordering van hun handel en ontwikkeling;
zijn overeengekomen als volgt:
2.
Het is noodzakelijk zorg te dragen voor een snelle en aanhoudende stijging van de inkomsten uit export van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen.
3.
Het is noodzakelijk krachtige pogingen in het werk te stellen die erop zijn gericht de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen een deel te doen toevallen in de groei van de internationale handel, dat beantwoordt aan de behoeften van hun economische ontwikkeling.
4.
Aangezien vele minder ontwikkelde verdragsluitende partijen afhankelijk zullen blijven van de uitvoer van een beperkt aantal basisprodukten, is het noodzakelijk dat deze produkten in zo ruim mogelijke mate tegen gunstiger en aanvaardbare voorwaarden toegang krijgen tot de wereldmarkten; zonodig dienen maatregelen te worden getroffen, die erop zijn gericht de wereldmarkten voor deze produkten te stabiliseren en te verbeteren, en met name de prijzen te stabiliseren op een redelijk en lonend peil, dat een toeneming van de wereldhandel en van de vraag, alsmede een dynamische: en gestadige groei van de reële inkomsten uit export van deze landen mogelijk maakt, teneinde hun aldus steeds ruimere middelen voor hun economische ontwikkeling te verschaffen.
5.
De snelle groei van de economie van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen zal worden vergemakkelijkt door aan hun economische structuur een bredere basis te verlenen en te voorkomen dat zij in te hoge mate afhankelijk blijven van de uitvoer van basisprodukten. Er bestaat derhalve behoefte aan een betere toegang op zo ruim mogelijke schaal en onder gunstige omstandigheden tot de markten voor verwerkte en eindprodukten die van bijzonder belang zijn voor de uitvoer van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen of dit kunnen zijn.
6.
Wegens het chronische tekort aan inkomsten uit export en aan andere deviezeninkomsten van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, bestaat er een nauw verband tussen de handel en de financiële hulp bij de ontwikkeling. Het is derhalve noodzakelijk dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN en de internationale financieringsinstellingen ten nauwste blijven samenwerken, opdat zij op de meest doeltreffende wijze zullen kunnen bijdragen tot het verlichten van de taken die de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen op zich nemen in het belang van hun economische ontwikkeling.
7.
Het is noodzakelijk dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, andere intergouvernementele lichamen, alsmede de organen en organisaties van de Verenigde Naties, welker werkzaamheden liggen op het terrein van de handel en de economische ontwikkeling van de minder ontwikkelde landen, op doeltreffende wijze samenwerken.
8.
De ontwikkelde verdragsluitende partijen verwachten voor de door hen bij de handelsbesprekingen aanvaarde verplichtingen om de douanerechten en andere handelsbelemmeringen te verminderen of af te schaffen, geen wederkerige behandeling van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen.
9.
De aanvaarding van maatregelen tot uitvoering van deze beginselen en doelstellingen dient door de verdragsluitende partijen, zowel individueel als gezamenlijk, doelbewust en vastbesloten te worden nagestreefd.
1.
De ontwikkelde verdragsluitende partijen geven zo veel mogelijk – tenzij hun dit om dwingende redenen, eventueel van juridische aard, onmogelijk is – uitvoering aan de volgende bepalingen:
(a) zij kennen hoge prioriteit toe aan de verlaging en afschaffing van handelsbelemmeringen voor produkten die voor de uitvoer van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzonder belang zijn of kunnen zijn, met inbegrip van douanerechten en andere beperkingen die een onredelijk onderscheid maken tussen zulke produkten in onverwerkte en in verwerkte staat;
(b) zij onthouden zich van het instellen of het verhogen van douanerechten of non-tarifaire invoerbelemmeringen voor produkten die voor de uitvoer van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzonder belang zijn of kunnen zijn; en
(c)
(i) zij onthouden zich van het opleggen van nieuwe fiscale maatregelen, en
(ii) zij kennen bij de aanpassing van hun fiscaal beleid hoge prioriteit toe aan de verzachting en afschaffing van de bestaande fiscale maatregelen die in hoge mate belemmerend werken of zouden kunnen werken op de toeneming van het verbruik van basisprodukten, zowel in onverwerkte als in verwerkte staat, die geheel of grotendeels voortgebracht zijn op het grondgebied van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, indien zij speciaal op deze produkten worden toegepast.
2.
(a) In alle gevallen waarin men van oordeel is dat geen uitvoering wordt gegeven aan het gestelde onder (a), (b) of (c) van lid 1, dient dit aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN gemeld te worden, hetzij door de verdragsluitende partij die aan de betreffende bepalingen geen uitvoering geeft, hetzij door een andere belanghebbende verdragsluitende partij.
(b)
(i) De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen op verzoek van een belanghebbende verdragsluitende partij, ongeacht eventueel bilateraal overleg dienaangaande, met de betrokken verdragsluitende partij en alle belanghebbende verdragsluitende partijen over de betreffende aangelegenheid overleg te plegen met het oogmerk tot een oplossing te geraken, waarmede alle verdragsluitende partijen zich kunnen verenigen teneinde zodoende bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel XXXVI neergelegde doelstellingen. Bij dit overleg worden de redenen bestudeerd, die in de gevallen waarin geen uitvoering werd gegeven aan het gestelde onder (a), (b) of (c) van lid 1, daarvoor zijn aangevoerd.
(ii) Aangezien de uitvoering van het gestelde onder (a), (b) of (c) van lid 1 door de verdragsluitende partijen afzonderlijk in sommige gevallen gemakkelijker kan worden verwezenlijkt in het kader van een gezamenlijk optreden met andere ontwikkelde verdragsluitende partijen, kan het overleg in daarvoor in aanmerking komende gevallen op dit doel worden gericht.
(iii) In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan het overleg der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN ook zijn gericht op het bereiken van overeenstemming inzake gezamenlijk optreden ter verwezenlijking van de doel stellingen van deze Overeenkomst als beoogd in lid 1 van artikel XXV.
3.
De ontwikkelde verdragsluitende partijen dienen:
(a) in gevallen waarin een regering direct of indirect de verkoopprijzen vaststelt van produkten die geheel of grotendeels worden geproduceerd op het grondgebied van minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, alles in het werk te stellen teneinde de handelsmarges op een redelijk peil te handhaven;
(b) een grondige studie te maken van andere maatregelen ter verruiming van de mogelijkheden tot stijging van de invoer uit minder ontwikkelde verdragsluitende partijen en te dien einde in internationaal verband op doeltreffende wijze samen te werken;
(c) bijzondere aandacht te schenken aan de commerciële belangen van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen bij het overwegen van de toepassing van andere maatregelen die ingevolge deze Overeenkomst zijn toegestaan voor de oplossing van bijzondere vraagstukken en alle mogelijkheden voor constructieve bijdragen na te gaan, alvorens dergelijke maatregelen toe te passen, indien deze afbreuk zouden doen aan de essentiële belangen van die verdragsluitende partijen.
4.
De minder ontwikkelde verdragsluitende partijen komen overeen doeltreffende maatregelen te nemen voor de uitvoering van de bepalingen van Deel IV in het belang van de handel van andere minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, voor zover dit verenigbaar is met de huidige en toekomstige behoeften van hun ontwikkeling, financiën en handelsverkeer, daarbij rekening houdende met de vroegere ontwikkeling van het handelsverkeer, alsook met de commerciële belangen van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen als geheel.
5.
Bij de uitvoering van de in de leden 1 tot en met 4 vervatte verplichtingen verleent iedere verdragsluitende partij iedere andere belanghebbende verdragsluitende partij of alle andere belanghebbende verdragsluitende partijen alle faciliteiten om overeenkomstig de gebruikelijke procedures van deze Overeenkomst overleg te plegen over elke zich voordoende kwestie of moeilijkheid.
1.
De gezamenlijk optredende verdragsluitende partijen werken in het kader van deze Overeenkomst alsook anderszins, naar gelang de omstandigheden, samen teneinde de in artikel XXXVI neergelegde doelstellingen te bevorderen.
2.
In het bijzonder dienen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN:
(a) waar mogelijk, met name door middel van internationale regelingen, zorg te dragen dat de basisprodukten die voor de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen van bijzonder belang zijn, tegen gunstiger en aanvaardbare voorwaarden toegang krijgen tot de wereldmarkten, alsmede maatregelen te treffen, die erop zijn gericht de wereldmarkten voor deze produkten te stabiliseren en te verbeteren, en met name om de prijzen te stabiliseren op een redelijk peil, waarbij de uitvoer van genoemde produkten lonend is;
(b) op het gebied van het handels- en ontwikkelingsbeleid te streven naar doeltreffende samenwerking met de Verenigde Naties en de organen en organisaties daarvan, met inbegrip van eventueel op grond van de aanbevelingen van de Conferentie der Verenigde Naties voor Handel en Ontwikkeling in het leven te roepen instellingen;
(c) samen te werken bij het analyseren van de ontwikkelingsprogramma's en het ontwikkelingsbeleid van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen afzonderlijk en bij het bestuderen van het tussen handel en hulpverlening bestaande verband met het oogmerk te komen tot concrete maatregelen om het exportpotentieel te vergroten en de toegang tot de exportmarkten voor de produkten van de aldus uitgebreide produktiesectoren te vergemakkelijken en in dit verband te streven naar doeltreffende samenwerking met regeringen en internationale organisaties, en met name met organisaties die bevoegdheden uitoefenen op het gebied van financiële hulp voor economische ontwikkeling, voor het verrichten van systematische studies betreffende het verband tussen handel en hulpverlening in de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen afzonderlijk, met het oogmerk een duidelijk inzicht te verkrijgen inzake het exportpotentieel, de afzetmogelijkheden en andere eventueel noodzakelijke maatregelen;
(d) de ontwikkeling van de wereldhandel, in het bijzonder met betrekking tot het groeitempo van de handel der minder ontwikkelde verdragsluitende partijen, op de voet te volgen en aan de verdragsluitende partijen de met het oog op de omstandigheden in aanmerking komende aanbevelingen te doen;
(e) samen te werken bij het zoeken naar bruikbare methoden tot uitbreiding van het handelsverkeer ten behoeve van de economische ontwikkeling, door het nationale beleid en de nationale wettelijke bepalingen op internationaal niveau te harmoniseren en aan te passen, door toepassing van technische en commerciële normen betreffende de produktie, het vervoer en de afzet, alsmede door het bevorderen van de export door het nemen van maatregelen voor intensievere voorlichting op commercieel terrein en voor de uitbreiding van het marktonderzoek; en
(f) de voor de bevordering van de in artikel XXXVI neergelegde doelstellingen en voor de uitvoering van de bepalingen van dit Deel noodzakelijke institutionele maatregelen te treffen.
Bijlage A. Lijst van gebieden bedoeld in lid 2 (a) van artikel I [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Gebieden afhankelijk van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Canada
het Gemenebest van Australië
Gebieden afhankelijk van het Gemenebest van Australië
Nieuw-Zeeland
Gebieden afhankelijk van Nieuw-Zeeland
de Unie van Zuid-Afrika, met inbegrip van Zuid-West-Afrika
Ierland
India (op 10 april 1947)
Newfoundland
Zuid-Rhodesia
Birma
Ceylon
In sommige der bovengenoemde gebieden zijn twee of meer preferentiële tarieven voor bepaalde produkten van kracht. Deze gebieden kunnen, met goedvinden van de andere verdragsluitende partijen die de voornaamste leveranciers van deze produkten zijn onder de landen die meestbegunstiging genieten, deze preferentiële tarieven vervangen door een enkel preferentieel tarief, dat over het geheel genomen niet minder gunstig zal zijn voor leveranciers die van de meestbegunstiging genieten dan de preferenties die vóór deze vervanging van kracht waren.
Het instellen van een gelijkwaardige marge van tariefpreferentie ter vervanging van een preferentiële marge die ten aanzien van een binnenlandse belasting op 10 april 1947 uitsluitend tussen twee of meer van de in deze Bijlage vermelde gebieden bestond of ter vervanging van de preferentiële kwantitatieve regelingen omschreven in het volgende lid, wordt niet geacht een vergroting van de marge van tariefpreferentie te vormen.
De preferentiële regelingen bedoeld in lid 5 (b) van artikel XIV zijn die welke in het Verenigd Koninkrijk op 10 april 1947 van kracht waren ingevolge overeenkomsten met de Regeringen van Canada, Australië en Nieuw-Zeeland met betrekking tot gekoeld of bevroren rund- en kalfsvlees, bevroren schape- en lamsvlees, gekoeld of bevroren varkensvlees en bacon. Het is de bedoeling dat deze regelingen, onverminderd de maatregelen genomen krachtens het bepaalde onder I (h) van artikel XX worden afgeschaft of vervangen door tariefpreferenties en dat onderhandelingen hiertoe zo spoedig mogelijk zullen plaatsvinden tussen de landen die in hoofdzaak bij deze produkten rechtstreeks of middellijk zijn betrokken.
De belasting op de huur van films welke in Nieuw-Zeeland op 10 april 1947 van kracht was wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst behandeld als een douanerecht bedoeld in artikel I. De contingentering die op 10 april 1947 in Nieuw-Zeeland aan de huurders van films was opgelegd wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst behandeld als een projectie-tijdcontingent bedoeld in artikel IV.
De dominions India en Pakistan zijn niet afzonderlijk in de bovenstaande lijst genoemd, aangezien zij nog niet als zodanig bestonden op de peildatum 10 april 1947.
Bijlage B. Lijst van gebieden der Franse Unie bedoeld in lid 2 (b) van artikel I [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Frankrijk
Frans Equatoriaal-Afrika (Conventionele Kongo-bekken *)[67] en andere gebieden)
Frans West-Afrika
Kameroen onder Frans trustschap *)[68]
de Franse Somalikust en onderhorigheden
de Franse vestigingen in Oceanië
de Franse vestigingen in het condominium der Nieuwe Hebriden *)[69]
Indochina
Madagascar en onderhorigheden
Marokko (Franse zone) *)[70]
Nieuw-Caledonië en onderhorigheden
St. Pierre en Miquelon
Togo onder Frans trustschap *)[71]
Tunesië
Bijlage C. Lijst van gebieden bedoeld in lid 2 (b) van artikel I, betrekking hebbende op de douane-unie tussen België, Luxemburg en Nederland [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
De Belgisch-Luxemburgse Economische Unie
Belgisch Kongo
Ruanda-Urundi
Nederland
Nieuw-Guinea
Suriname
de Nederlandse Antillen
de Republiek Indonesië
Voor invoer uitsluitend in de gebieden welke de douane-unie vormen.
Bijlage D. Lijst van gebieden bedoeld in lid 2 (b) van artikel I met betrekking tot de Verenigde Staten van Amerika [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
de Verenigde Staten van Amerika (douanegebied)
Gebieden afhankelijk van de Verenigde Staten van Amerika
de Republiek der Philippijnen
Het instellen van een gelijkwaardige marge van tariefpreferentie ter vervanging van een preferentiële marge die ten aanzien van een binnenlandse belasting op 10 april 1947 uitsluitend tussen twee of meer van de in deze Bijlage vermelde gebieden bestond wordt niet geacht een vergroting van de marge van tarief preferentie te vormen.
1. Argentinië
2. Bolivia
3. Perú,
anderzijds.
1. Palestina
2. Transjordanië,
anderzijds.
Bijlage G. Data ter bepaling van de maximale preferentiële marges bedoeld in lid 4 van artikel I [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Australië ................ 15 oktober 1946
Canada ................ 1 juli 1939
Frankrijk ................ 1 januari 1939
de Syrisch-Libanese douane-unie ................ 30 november 1939
de Unie van Zuid-Afrika ................ 1 juli 1938
Zuid-Rhodesia ................ 1 mei 1941
[Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
Bijlage H. Percentage van de totale buitenlandse handel ten gebruike bij de berekening van het percentage bedoeld in artikel XXVI [Wordt voorlopig toegepast per 01-01-1948]
(gebaseerd op het gemiddelde van 1949-1953)
Indien, vóór de toetreding van de Regering van Japan tot de Algemene Overeenkomst, de onderhavige Overeenkomst is aanvaard door verdragsluitende partijen welker buitenlandse handel aangeduid in kolom I het percentage vertegenwoordigt van deze handel vastgesteld in lid 6 van artikel XXVI, is kolom I terzake van genoemd lid van toepassing. Indien de onderhavige Overeenkomst niet is aanvaard vóór de toetreding van de Regering van Japan, is kolom II terzake van genoemd lid van toepassing.
  Kolom I (verdragsluitende partijen op 1 maart 1955) Kolom II (verdragsluitende partijen op 1 mrt. 1955 en Japan)
Australië ................ 3,1 3,0
Oostenrijk................ 0,9 0,8
België-Luxemburg ................ 4,3 4,2
Brazilië ................ 2,5 2,4
Birma ................ 0,3 0,3
Canada ................ 6,7 6,5
Ceylon ................ 0,5 0,5
Chili ................ 0,6 0,6
Cuba ................ 1,1 1,1
Tsjechoslowakije ................ 1,4 1,4
Denemarken ................ 1,4 1,4
de Dominicaanse Republiek ................ 0,1 0,1
Finland ................ 1,0 1,0
Frankrijk ................ 8,7 8,5
de Bondsrepubliek Duitsland ................ 5,3 5,2
Griekenland ................ 0,4 0,4
  Kolom I (verdragsluitende partijen op 1 maart 1955) Kolom II (verdragsluitende partijen op 1 mrU 1955 en Japan)
Haïti ................ 0,1 0,1
India ................ 2,4 2,4
Indonesië ................ 1,3 1,3
Italië ................ 2,9 2,8
het Koninkrijk der Nederlanden ................ 4,7 4,6
Nieuw-Zeeland ................ 1,0 1,0
Nicaragua ................ 0,1 0,1
Noorwegen ................ 1,1 1,1
Pakistan ................ 0,9 0,8
Perú ................ 0,4 0,4
Rhodesia en Nyasaland ................ 0,6 0,6
Zweden ................ 2,5 2,4
Turkije ................ 0,6 0,6
de Unie van Zuid-Afrika ................ 1,8 1,8
het Verenigd Koninkrijk ................ 20,3 19,8
de Verenigde Staten van Amerika ................ 20,6 20,1
Uruguay ................ 0,4 0,4
Japan ................ 2,3
  ——— ———
  100,0 100,0

Aantekening: Deze percentages zijn berekend met inachtneming van de handel van alle gebieden waarin de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel wordt toegepast.
Bijlage I. Aantekeningen en aanvullende bepalingen
Ad artikel I
Lid 1
De verplichtingen welke zijn vervat in lid 1 van artikel I met verwijzing naar lid 2 en 4 van artikel III, alsmede die welke zijn vervat in lid 2 (b) van artikel II met verwijzing naar artikel VI, zullen voor de toepassing van het Protocol van voorlopige toepassing worden beschouwd als vallende binnen het kader van Deel II.
De verwijzing over en weer naar de leden 2 en 4 van artikel III in het onmiddellijk voorafgaande lid en in lid 1 van artikel I is slechts van toepassing nadat artikel III is gewijzigd door de inwerkingtreding van de wijziging bedoeld in het Protocol van 14 september 1948 tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.
Lid 4
Met de term „preferentiële marge” wordt bedoeld het absolute verschil tussen het meestbegunstigingsrecht en het preferentiële recht voor hetzelfde produkt en niet de verhouding tussen deze twee rechten. Bij voorbeeld:
(1) Indien het meest begunstigingsrecht 36% ad valorem bedraagt en het preferentiële recht 24% ad valorem, is de preferentiële marge 12% ad valorem en niet een derde van het meestbegunstigingsrecht;
(2) Indien het meest begunstigingsrecht 36% ad valorem bedraagt en het preferentiële recht wordt uitgedrukt als twee derde van het meestbegunstigingsrecht, is de preferentiële marge 12% ad valorem;
(3) Indien het meestbegunstigingsrecht 2 frank per kilogram bedraagt en het preferentiële recht 1,50 frank per kilogram, is de preferentiële marge 0,50 frank per kilogram.
De volgende douanemaatregelen genomen overeenkomstig reeds bestaande uniforme regelingen zijn niet in strijd met een algemene consolidatie der preferentiële marges:
(i) het wederom toepassen van een tariefindeling op een ingevoerd produkt of van een normaal daarop toepasselijk invoerrecht in gevallen waarin de toepassing van deze indeling of dit recht ten aanzien van het betrokken produkt op 10 april 1947 tijdelijk was opgeschort of buiten werking was gesteld; en
(ii) de indeling van een bepaald produkt onder een andere tariefpost dan die waaronder de invoer van dat produkt op 10 april 1947 was ingedeeld in gevallen waarin de tariefwet klaarblijkelijk de mogelijkheid voorziet, dat een dergelijk produkt onder meer dan één tariefpost wordt ingedeeld.Ad artikel II
Lid 2 (a)
De verwijzing over en weer naar lid 2 van artikel III in lid 2 (a) van artikel II zal slechts van toepassing zijn nadat artikel III is gewijzigd door de inwerkingtreding van de wijziging bedoeld in het Protocol van 14 september 1948 tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.
Lid 2 (b)
Zie de aantekening bij lid 1 van artikel I.
Lid 4
Voor zover niet uitdrukkelijk anders is overeengekomen tussen de verdragsluitende partijen die oorspronkelijk de concessie overeenkwamen, wordt het in dit lid bepaalde toegepast met inachtneming van de bepalingen van artikel 31 van het Handvest van Havana.Ad artikel III
Elke binnenlandse belasting of andere binnenlandse heffing of elke wet, elke verordening of elk voorschrift bedoeld in lid 1, van toepassing zowel op het geïmporteerde produkt als op het overeenkomstige binnenlandse produkt en geheven of ten uitvoer gelegd ten aanzien van het geïmporteerde produkt op het tijdstip of op de plaats van invoer, wordt niettemin beschouwd als een binnenlandse belasting of een andere binnenlandse heffing of als een wet, een verordening of een voorschrift bedoeld in lid 1 en valt mitsdien onder de bepalingen van artikel III.
Lid 1
De toepassing van lid 1 op binnenlandse belastingen, door lagere overheden binnen het gebied van een verdragsluitende partij opgelegd, is onderworpen aan het bepaalde in het laatste lid van artikel XXIV. De uitdrukking „redelijke maatregelen” in laatstgenoemd lid vereist niet, bij voorbeeld, de afschaffing van de bestaande binnenlandse wetgeving die bovenbedoelde overheden de bevoegdheid toekent binnenlandse belastingen op te leggen welke, hoewel naar vorm in strijd met de letter van artikel III, toch niet in strijd zijn met de strekking daarvan, indien deze afschaffing ernstige financiële moeilijkheden voor de betrokken lagere overheden zou opleveren. Wat betreft belastingen, door genoemde overheden geheven, welke zowel met de letter als met de strekking van artikel III in strijd zijn, staat de uitdrukking „redelijke maatregelen” het een verdragsluitende partij toe deze belastingen gedurende een overgangstijdvak geleidelijk af te schaffen, indien onmiddellijke opheffing ernstige bestuurlijke en financiële moeilijkheden zou veroorzaken.
Lid 2
Een belasting die aan de vereisten van de eerste zin van lid 2 voldoet wordt slechts dan als onverenigbaar met het bepaalde in de tweede zin beschouwd, wanneer zich concurrentie voordoet tussen het belaste produkt enerzijds en een rechtstreeks concurrerend produkt of een produkt dat het belaste produkt onmiddellijk kan vervangen en niet door een dergelijke heffing wordt getroffen anderzijds.
Lid 5
Verordeningen verenigbaar met het bepaalde in de eerste zin van lid 5 worden niet beschouwd in strijd te zijn met de bepalingen van de tweede zin, indien alle onder deze verordeningen vallende produkten in aanzienlijke hoeveelheden in het binnenland worden voortgebracht. Een verordening kan niet worden gerechtvaardigd als zijnde verenigbaar met het bepaalde in de tweede zin op grond van het feit dat het percentage of de hoeveelheid die aan ieder van de onder de verordening vallende produkten is toegewezen een billijke verhouding tussen de geïmporteerde en de binnenlandse produkten vormt.Ad artikel V
Lid 5
Wat de vervoerstarieven betreft, is het in lid 5 neergelegde beginsel van toepassing op gelijksoortige produkten die over eenzelfde traject onder overeenkomstige omstandigheden worden vervoerd.
1. Verkapte dumping door geassocieerde handelshuizen (hieronder wordt verstaan de verkoop door een importeur tegen een lagere prijs dan de betrokken factuurprijs die in rekening is gebracht door een exporteur met wie de importeur geassocieerd is en die tevens lager is dan de in het land van uitvoer gangbare prijs) wordt beschouwd als een vorm van prijsdumping waarvan de marge van dumping berekend kan worden uitgaande van de prijs waartegen de goederen door de importeur worden doorverkocht.
2. Men erkent dat bij invoer uit een land dat een volledig of nagenoeg volledig monopolie van zijn handel kent en waar alle binnenlandse prijzen worden vastgesteld door de Staat, zich bijzondere moeilijkheden kunnen voordoen bij het vergelijken van prijzen als bedoeld in lid 1. In zulke gevallen kunnen de importerende verdragsluitende partijen het noodzakelijk achten met de mogelijkheid rekening te houden, dat een strikte vergelijking met de binnenlandse prijzen in zulk een land niet altijd doelmatig kan zijn.
Leden 2 en 3
Aantekening 1. Zoals in de praktijk van het douanewezen dikwijls voorkomt, kan een verdragsluitende partij een redelijke zekerheidstelling (borgstelling of deposito in contanten) verlangen voor de betaling van anti-dumping- of compenserende rechten, zulks in afwachting van de uiteindelijke vaststelling der feiten, in alle gevallen waarin een verdenking van dumping of subsidiëring bestaat.
Aantekening 2. Het gebruikmaken van veelvoudige wisselkoersen kan onder bepaalde omstandigheden een subsidie op de uitvoer betekenen, die men kan ondervangen door compenserende rechten als bedoeld in lid 3, ofwel een vorm van dumping door middel van een gedeeltelijke depreciatie van het betaalmiddel van een land, die men kan ondervangen door maatregelen als bedoeld in lid 2. Met „het gebruikmaken van veelvoudige wisselkoersen” worden de door de regeringen gevolgde of goedgekeurde praktijken bedoeld.
Lid 6 (b)
Ontheffing op grond van het bepaalde in lid 6 (b) wordt alleen verleend op verzoek van de verdragsluitende partij die voornemens is een anti-dumping- of compenserend recht te heffen.Ad artikel VII
Lid 1
Onder de uitdrukking „of andere heffingen” worden niet geacht te zijn begrepen binnenlandse belastingen of gelijksoortige heffingen ingesteld op of verband houdende met de invoer van produkten.
Lid 2
1. Het is in overeenstemming met artikel VII aan te nemen dat de „werkelijke waarde” zich laat weergeven door het factuurbedrag, vermeerderd met de daarin niet opgenomen wettige kosten die daadwerkelijk deel uitmaken van de „werkelijke waarde” en voorts vermeerderd met eventuele ongebruikelijke kortingen op of andere abnormale verlagingen van de gewone concurrerende prijs.
2. Het is in overeenstemming met artikel VII, lid 2 (b), indien een verdragsluitende partij aan de uitdrukking „bij normale handelstransacties . . . . . bij volledige vrije mededinging” de uitleg geeft, dat iedere transactie wordt uitgesloten waarbij de koper en de verkoper niet onafhankelijk van elkaar zijn en de prijs niet de enige overweging is.
3. De norm „volledige vrije mededinging” verleent een verdragsluitende partij de bevoegdheid prijzen waarin bijzondere kortingen voor alleenvertegenwoordigers zijn begrepen, buiten beschouwing te laten.
4. Het gestelde sub (a) en (b) verleent een verdragsluitende partij de bevoegdheid de waarde voor de toepassing van de douaneformaliteiten op gelijkvormige wijze vast te stellen, hetzij (1) op basis van de door een bepaalde exporteur berekende prijs der ingevoerde goederen, hetzij (2) op basis van het algemene prijspeil van gelijksoortige goederen.
1. Hoewel artikel VIII geen betrekking heeft op het gebruik van meervoudige wisselkoersen als zodanig, veroordelen de leden 1 en 4 de heffing van belastingen of retributies op valutatransacties als een middel om meervoudige wisselkoersen toe te passen; indien echter een verdragsluitende partij met goedkeuring van het Internationale Monetaire Fonds meervoudige wisselkoersretributies heft ter bescherming van haar betalingsbalans, wordt haar positie geheel veilig gesteld door het bepaalde in lid 9 (a) van artikel XV.
2. Het is in overeenstemming met lid 1 indien bij de invoer van produkten uit het gebied van een verdragsluitende partij naar het gebied van een andere verdragsluitende partij, certificaten van oorsprong slechts worden geëist voor zover zulks strikt noodzakelijk is.Ad artikelen XI, XII, XIII, XIV en XVIII
In de artikelen XI, XII, XIII, XIV en XVIII hebben de uitdrukkingen „invoerbeperkingen” of „uitvoerbeperkingen” eveneens betrekking op beperkingen toegepast bij staatshandelstransacties.Artikel XI
Lid 2 (c)
De uitdrukking „in enigerlei vorm” in dit lid slaat op dezelfde produkten die, wanneer zij in een vroeg stadium van verwerking verkeren en nog aan bederf onderhevig zijn, onmiddellijk concurreren met het verse produkt en waarvan de vrije invoer ertoe kan leiden dat de beperking van de invoer van het verse produkt zonder uitwerking blijft.
Lid 2, laatste alinea
Onder de term „bijzondere factoren” worden mede begrepen veranderingen in de produktiviteitsverhouding tussen binnenlandse en buitenlandse producenten of tussen verschillende buitenlandse producenten, maar geen veranderingen die kunstmatig zijn teweeggebracht met middelen welke krachtens deze Overeenkomst niet zijn geoorloofd.Ad artikel XII
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen alle nodige maatregelen om de geheimhouding te verzekeren van ieder overleg dat ingevolge de bepalingen van dit artikel plaatsvindt.
Lid 3 (c) (i)
De verdragsluitende partijen die beperkingen toepassen dienen zich te beijveren om te vermijden dat ernstige schade wordt toegebracht aan de uitvoer van een produkt waarvan de economie van een verdragsluitende partij grotendeels afhankelijk is.
Lid 4 (b)
Het staat vast dat genoemde datum valt binnen een tijdvak van negentig dagen na de inwerkingtreding van de wijzigingen in dit artikel aangebracht door het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van deze Overeenkomst. Mochten de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN echter van oordeel zijn, dat de omstandigheden zich niet lenen tot de toepassing op de voorgenomen datum van het bepaalde sub (b) van dit lid, dan kunnen zij een latere datum vaststellen; nochtans dient deze latere datum te vallen binnen een tijdvak van dertig dagen na de datum waarop de verplichtingen voortvloeiende uit de secties 2, 3 en 4 van artikel VIII van de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds van toepassing worden voor die verdragsluitende partijen die lid zijn van het Fonds, waarvan de gezamenlijke buitenlandse handel ten minste vijftig ten honderd bedraagt van de gehele buitenlandse handel van alle verdragsluitende partijen.
Lid 4 (e)
Het staat vast dat lid 4 (e) geen nieuwe maatstaven geeft voor de instelling of de handhaving van kwantitatieve beperkingen voor betalingsbalansdoeleinden. Met dit lid wordt slechts beoogd dat volledig rekening wordt gehouden met alle externe factoren, zoals wijzigingen in de ruilvoet, kwantitatieve beperkingen, buitensporige tarieven en subsidies, welke kunnen bijdragen tot betalingsbalansmoeilijkheden van de verdragsluitende partij welke de beperkingen toepast.Ad artikel XIII
Lid 2 (d)
Voor de toewijzing van contingenten werden „commerciële overwegingen” niet als maatstaf genoemd, omdat men meende dat toepassing van deze maatstaf door de overheid niet altijd mogelijk zou zijn. Bovendien zou in gevallen waarin zulks uitvoerbaar is een verdragsluitende partij van deze maatstaf gebruik kunnen maken bij het streven naar overeenstemming overeenkomstig de algemene regel neergelegd in de eerste zin van lid 2.
Lid 4
Zie de aantekening betreffende „bijzondere factoren” in verband met de laatste alinea van lid 2 van artikel XI.Ad artikel XIV
Lid 1
De bepalingen van dit lid dienen niet zodanig te worden uitgelegd, dat de verdragsluitende partijen worden verhinderd gedurende het overleg genoemd in artikel XII, lid 4, en in artikel XVIII, lid 12, volledig rekening te houden met de aard en de uitwerking van en de redenen voor de discriminatie bij invoerbeperkingen.
Lid 2
Een van de omstandigheden waarop in lid 2 wordt gedoeld is die waarin een verdragsluitende partij over saldi beschikt die uit lopende transacties zijn verkregen en die zij niet kan gebruiken zonder een zekere mate van discriminatie toe te passen.Ad artikel XV
Lid 4
Met het woord „verijdelen” wordt te kennen gegeven, dat bij voorbeeld overtredingen van de letter van een artikel van deze Overeenkomst ten gevolge van deviezenmaatregelen niet worden beschouwd als een inbreuk op dit artikel, indien er in de praktijk niet noemenswaardig van de bedoeling van het artikel wordt afgeweken. Zo zal een verdragsluitende partij die in het kader van haar ingevolge de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds uitgeoefende deviezencontrole betaling voor haar uitvoer wenst te ontvangen in haar eigen munt of in de munt van een of meer leden van het Internationale Monetaire Fonds niet worden geacht daarbij in strijd te handelen met artikel XI of XIII. Een ander voorbeeld is, dat van een verdragsluitende partij die op een invoervergunning het land aangeeft vanwaar de goederen mogen worden ingevoerd, niet om een nieuw element van discriminatie in haar invoervergunningssysteem te brengen, maar om een geoorloofde deviezencontrole uit te oefenen.Ad artikel XVI
Wanneer een geëxporteerd produkt wordt vrijgesteld van rechten of belastingen welke worden geheven van een gelijksoortig voor binnenlands gebruik bestemd produkt, dan wel wanneer teruggave plaatsvindt van deze rechten of belastingen tot een bedrag dat niet hoger is dan de verschuldigde of gestorte bedragen, wordt zulks niet als een subsidie beschouwd.
Sectie B
1. Geen enkele bepaling van sectie B verhindert een verdragsluitende partij meervoudige wisselkoersen toe te passen in overeenstemming met de Overeenkomst betreffende het Internationale Monetaire Fonds.
2. Voor de toepassing van sectie B wordt onder de uitdrukking ,,basis-produkt” verstaan elk produkt van landbouw, boswezen of visserij of elke delfstof, hetzij in zijn natuurlijke vorm, hetzij be- of verwerkt als gemeenlijk is vereist voor de afzet in aanzienlijke hoeveelheden op de internationale markten.
Lid 3
1. Het feit, dat een verdragsluitende partij het betrokken produkt niet heeft uitgevoerd in de vorige basisperiode, mag op zichzelf deze verdragsluitende partij niet beletten een aandeel in de handel in genoemd produkt te verkrijgen.
2. Een stelsel om, onafhankelijk van het verloop der exportprijzen, de binnenlandse prijs of de opbrengst voor binnenlandse producenten van een basisprodukt te stabiliseren, welk stelsel somtijds ten gevolge heeft, dat een produkt tegen een lagere prijs ten verkoop wordt uitgevoerd dan de vergelijkbare prijs welke voor het overeenkomstige produkt aan kopers op de binnenlandse markt in rekening wordt gebracht, wordt niet geacht een uitvoer-subsidie te zijn in de zin van lid 3, indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vaststellen dat:
Niettegenstaande zulk een beslissing van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zijn maatregelen welke ter uitvoering van zulk een stelsel werden genomen onderworpen aan het in lid 3 bepaalde, wanneer zij naast uit de van de producenten van het desbetreffende produkt ingevorderde gelden geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd uit openbare middelen.
Lid 4
De bedoeling van lid 4 is, dat de verdragsluitende partijen vóór het einde van 1957 tot overeenstemming trachten te komen om alle overblijvende subsidies per 1 januari 1958 af te schaffen, of, bij gebreke daarvan, tot een overeenkomst te komen over de verlenging van de toepassing van de status-quo tot de datum waarop zij uiterlijk verwachten een dergelijke overeenstemming te bereiken.Ad artikel XVII
Lid 1
De transacties van bureaus die door verdragsluitende partijen zijn opgericht en zich bezighouden met koop of verkoop zijn onderworpen aan de bepalingen van de alinea's (a) en (b).
De werkzaamheden van bureaus die door verdragsluitende partijen zijn opgericht en niet kopen of verkopen, maar regels voor de particuliere handel stellen vallen onder de desbetreffende artikelen van deze Overeenkomst.
De bepalingen van dit artikel beletten een staatsonderneming niet bij verkoop van een produkt op verschillende markten verschillende prijzen te vragen, mits zij zulks om commerciële redenen doet teneinde te beantwoorden aan de omstandigheden van vraag en aanbod op de exportmarkten.
Lid 1 (a)
Overheidsmaatregelen welke zijn getroffen om zekere normen van kwaliteit en doeltreffendheid bij het drijven van buitenlandse handel te waarborgen of voorrechten welke zijn verleend ten behoeve van de exploitatie van nationale natuurlijke hulpbronnen maar zonder de regering het recht toe te kennen toezicht uit te oefenen op de handelsverrichtingen van de betrokken onderneming, vormen geen „uitsluitende of bijzondere rechten".
Lid 1 (b)
Het staat een land dat een „gebonden lening” ontvangt vrij deze als „commerciële overweging” aan te merken bij aankoop van benodigde goederen in het buitenland.
Lid 2
De term „goederen” blijft beperkt tot produkten zoals men dit woord in de praktijk van de handel verstaat; genoten en verleende diensten worden daaronder niet begrepen.
Lid 3
Wanneer de verdragsluitende partijen ingevolge dit lid besluiten onderhandelingen te voeren, kunnen deze zijn gericht op verlaging van invoerrechten en andere heffingen op de in- en uitvoer, dan wel op het afsluiten van iedere andere wederzijds bevredigende overeenkomst die voldoet aan de bepalingen van deze Overeenkomst. (Zie lid 4 van artikel II en de op dat lid betrekking hebbende aantekening.)
Lid 4 (b)
De uitdrukking „prijsverhoging bij invoer” in dit lid duidt de marge aan waarmede de door het invoermonopolie voor het geïmporteerde produkt berekende prijs de prijs bij de lossing overtreft (met uitsluiting van overeenkomstig de bepalingen van artikel III geheven binnenlandse belastingen, transport- en afzetkosten en andere op koop, verkoop of verdere bewerking betrekking hebbende kosten, alsmede een redelijke winstmarge).Ad artikel XVIII
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN en de betrokken verdragsluitende partijen betrachten de grootst mogelijke geheimhouding met betrekking tot alle aangelegenheden die zich ingevolge dit artikel voordoen.
Leden 1 en 4
(a) het stelsel ook heeft geleid, of is opgezet om te leiden, tot de uitvoer ten verkoop van het desbetreffende produkt tegen een hogere prijs dan de vergelijkbare prijs welke voor het overeenkomstige produkt aan kopers op de binnenlandse markt in rekening wordt gebracht; en
(b) het stelsel door doelmatige regeling van de produktie of anderszins zodanig werkt, of is opgezet om zodanig te werken, dat het de uitvoer niet overmatig stimuleert of op andere wijze de belangen van andere verdragsluitende partijen ernstig schaadt.
1. Wanneer de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een onderzoek instellen naar de vraag of de economie van een verdragsluitende partij „slechts een lage levensstandaard kan bieden", nemen zij de normale toestand van deze economie in aanmerking en baseren zij hun besluit niet op buitengewone omstandigheden zoals die welke kunnen voortspruiten uit het tijdelijk aanwezig zijn van bijzonder gunstige voorwaarden voor de uitvoer van het stapelprodukt of de stapelprodukten van deze verdragsluitende partij.
2. De uitdrukking „in het beginstadium van ontwikkeling” slaat niet alleen op de verdragsluitende partijen die juist aangevangen zijn met hun economische ontwikkeling, maar ook op verdragsluitende partijen die industrialiseren om aan een te sterke afhankelijkheid van de produktie van basisprodukten het hoofd te bieden.
Leden 2, 3, 7, 13 en 22
De verwijzing naar de oprichting van bepaalde industrieën slaat niet alleen op de oprichting van een nieuwe industrie, doch ook op de oprichting van een nieuwe tak van voortbrenging in een bestaande industrie, op een belangrijke omschakeling in een bestaande industrie, alsmede op een aanzienlijke uitbreiding van een bestaande industrie die in een betrekkelijk klein gedeelte van de binnenlandse vraag voorziet. Zij omvat ook het herstel van een industrie die is verwoest of zwaar beschadigd als gevolg van vijandelijkheden of natuurrampen.
Lid 7 (b)
Elke wijziging of intrekking ingevolge lid 7 (b) door een andere verdragsluitende partij dan degene bedoeld in lid 7 (a) die een verzoek daartoe heeft gedaan, moet worden ten uitvoer gelegd binnen zes maanden vanaf de datum waarop de verzoekende verdragsluitende partij de maatregelen heeft ingesteld; deze wijziging of intrekking wordt van kracht op de dertigste dag na de datum waarop de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan in kennis zijn gesteld.
Lid 11
De tweede zin in lid 11 betekent niet, dat een verdragsluitende partij gehouden is beperkingen te verzachten of af te schaffen, indien een dergelijke verzachting of afschaffing omstandigheden schept, die de verscherping, onderscheidenlijk de instelling, van beperkingen krachtens lid 9 van artikel XVIII rechtvaardigen.
Lid 12 (b)
De datum bedoeld in lid 12 (b) is de datum die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN vaststellen overeenkomstig het bepaalde in lid 4 (b) van artikel XII van deze Overeenkomst.
Leden 13 en 14
Men erkent, dat een verdragsluitende partij, alvorens te beslissen over het nemen van een maatregel en daarvan overeenkomstig lid 14 kennis te geven aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, een redelijke tijd nodig kan hebben om de situatie van de betrokken industrie uit het oogpunt van concurrentie te beoordelen.
Leden 15 en 16
Het is welverstaan, dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een verdragsluitende partij die voornemens is een maatregel te nemen krachtens sectie C, uitnodigen om met hen in overleg te treden overeenkomstig lid 16, indien een verzoek daartoe tot hen wordt gericht door een verdragsluitende partij wier handel aanmerkelijk door deze maatregel wordt beïnvloed.
Leden 16, 18, 19 en 22
1. Het is welverstaan, dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN hun toestemming tot een voorgenomen maatregel onder bepaalde voorwaarden of beperkingen kunnen verlenen. Indien de maatregel in strijd met de voorwaarden van de toestemming wordt toegepast, wordt hij te dezer zake beschouwd als een maatregel waarvoor de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN geen toestemming hebben verleend. In gevallen waarin de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN toestemming hebben verleend om een maatregel voor een bepaalde periode toe te passen, kan de betrokken verdragsluitende partij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN verzoeken om een verlenging van dit tijdvak overeenkomstig de bepalingen en procedures van sectie C of D, indien zij van oordeel is, dat de toepassing van de maatregel voor een verder tijdvak noodzakelijk is om het doel waarvoor de maatregel oorspronkelijk was getroffen te verwezenlijken.
2. Men rekent erop, dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich als regel zullen onthouden van het verlenen van toestemming tot een maatregel waarvan aangenomen kan worden, dat hij ernstig nadeel berokkent aan de export van een produkt waarvan de economie van een verdragsluitende partij grotendeels afhankelijk is.
Leden 18 en 22
De zinsnede „dat de belangen van andere verdragsluitende partijen voldoende zijn gewaarborgd” heeft ten doel voldoende speelruimte te geven om in elk afzonderlijk geval te onderzoeken, welke de meest geëigende methode is om deze belangen te waarborgen. Deze methode kan bijvoorbeeld zijn het verlenen van een aanvullende concessie door de verdragsluitende partij die gebruik maakt van sectie C of D gedurende de periode waarin de afwijking van de andere artikelen van de Overeenkomst van kracht is, dan wel het tijdelijk opschorten door iedere andere in lid 18 bedoelde verdragsluitende partij van een concessie die ongeveer gelijkwaardig is aan de benadeling toegebracht door de instelling van de desbetreffende maatregel. Deze verdragsluitende partij heeft het recht haar belangen te waarborgen door een dergelijke tijdelijke opschorting van een concessie; niettemin wordt dit recht niet uitgeoefend wanneer de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, indien het een maatregel betreft getroffen door een verdragsluitende partij die binnen de werkingssfeer van lid 4 (a) valt, hebben vastgesteld, dat de aangeboden compensatie voldoende is.
Lid 19
Het is de bedoeling dat het in lid 19 bepaalde van toepassing is in gevallen waarin een industrie reeds langer dan de „redelijke tijd” genoemd in de aantekening bij de leden 13 en 14 bestaat; dit moet niet zodanig worden uitgelegd, dat het een verdragsluitende partij die binnen de werkingssfeer van lid 4 (a) van artikel XVIII valt, het recht ontneemt met betrekking tot een nieuw opgerichte industrie gebruik te maken van de andere bepalingen van sectie C, daarbij inbegrepen lid 17, zelfs al heeft zij voordeel getrokken uit een aanvullende bescherming door beperkingen voor betalingsbalansdoeleinden.
Lid 21
Elke maatregel genomen overeenkomstig het bepaalde in lid 21 wordt onmiddellijk ingetrokken, indien de maatregel getroffen overeenkomstig lid 17 wordt ingetrokken of indien na afloop van de termijn van negentig dagen bedoeld in lid 17 de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN hun toestemming aan de voorgenomen maatregel vertenen.Ad artikel XX
Alinea (h)
De uitzondering bedoeld in het gestelde onder (h) omvat elke goederenovereenkomst welke in overeenstemming is met de beginselen goedgekeurd door de Economische en Sociale Raad in zijn Resolutie 30 (IV) van 28 maart 1947.Ad artikel XXIV
Lid 9
Het is welverstaan, dat de bepalingen van artikel I vereisen dat, wanneer een produkt dat tegen een preferentieel recht is ingevoerd binnen het gebied van een lid van een douane-unie of een vrijhandelsgebied, weer wordt uitgevoerd naar het gebied van een ander lid van deze unie of dat gebied, laatstgenoemd lid een invoerrecht dient te heffen dat gelijk is aan het verschil tussen het reeds betaalde invoerrecht en een eventueel hoger recht dat verschuldigd zou zijn indien het produkt regelrecht in zijn gebied was geïmporteerd.
Lid 11
Wanneer definitieve handelsovereenkomsten tussen India en Pakistan tot stand zijn gekomen, kunnen de door deze landen genomen maatregelen ter uitvoering van bedoelde overeenkomsten van sommige bepalingen van deze Overeenkomst afwijken; deze maatregelen mogen echter over het geheel genomen niet strijdig zijn met de doelstellingen van deze Overeenkomst.Ad artikel XXVIII
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN en elke betrokken verdragsluitende partij dienen maatregelen te nemen, opdat de onderhandelingen en het overleg onder de grootst mogelijke geheimhouding worden gevoerd teneinde een voortijdige openbaarmaking van bijzonderheden over de voorgenomen tariefwijzigingen te voorkomen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen terstond te worden ingelicht omtrent alle wijzigingen in het tarief (van invoerrechten) van een verdragsluitende partij voortvloeiende uit de gebruikmaking van dit artikel.
Lid 1
1. Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een andere dan een driejarige termijn vaststellen, kan een verdragsluitende partij op de eerste dag na die waarop deze termijn afloopt handelen volgens lid 1 of lid 3 van artikel XXVIII en duren de termijnen volgende op de aldus vastgestelde termijn drie jaar tenzij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN opnieuw een bepaalde termijn hebben vastgesteld.
2. De bepaling, dat op 1 januari 1958 en op andere overeenkomstig lid 1 vastgestelde data een verdragsluitende partij „een concessie . . . . mag wijzigen of intrekken”, betekent, dat op deze dag, en op de eerste dag na afloop van iedere termijn, de juridische verplichting krachtens artikel II voor deze verdragsluitende partij is gewijzigd; het betekent niet, dat de wijzigingen in haar tarief van invoerrechten noodzakelijkerwijze op die dag in werking moeten treden. Indien een tariefwijziging voortvloeiend uit onderhandelingen overeenkomstig dit artikel is vertraagd, mag eveneens de inwerkingstelling van compensaties worden uitgesteld.
3. Ten hoogste zes maanden en ten minste drie maanden vóór 1 januari 1958 of vóór de datum waarop een periode van tariefbinding eindigt, dient een verdragsluitende partij die een in de desbetreffende Lijst opgenomen concessie wenst te wijzigen of in te trekken de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN terzake in te lichten. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bepalen alsdan met welke verdragsluitende partij of verdragsluitende partijen de in lid 1 genoemde onderhandelingen of het in lid 1 genoemde overleg plaatsvindt. Elke aldus aangewezen verdragsluitende partij neemt aan deze onderhandelingen of dit overleg met de verzoekende verdragsluitende partij deel teneinde vóór het einde van de periode van tariefbinding overeenstemming te bereiken. Elke verlenging van de verplichte geldigheidsduur van de Lijsten heeft betrekking op de Lijsten zoals gewijzigd na dergelijke onderhandelingen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel XXVIII. Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorbereidingen treffen om binnen een periode van zes maanden vóór 1 januari 1958 of vóór elke andere overeenkomstig lid 1 vastgestelde datum multilaterale tariefonderhandelingen te houden, moeten zij bij die voorbereidingen een passende regeling treffen voor het houden van de in dit lid bedoelde onderhandelingen.
4. De deelneming aan de onderhandelingen niet alleen van een verdragsluitende partij met wie de concessie oorspronkelijk was overeengekomen, maar ook van een verdragsluitende partij die de voornaamste leverancier is, heeft ten doel te verzekeren, dat een verdragsluitende partij met een groter aandeel in de handel in het produkt waarop de concessie was gegeven dan de verdragsluitende partij met wie oorspronkelijk de concessie was overeengekomen een daadwerkelijke mogelijkheid heeft haar contractuele rechten uit deze Overeenkomst te beschermen. Anderzijds is het niet de bedoeling de onderhandelingen zodanig te doen voeren, dat de onderhandelingen en de overeenstemming ingevolge artikel XXVIII onnodig moeilijk worden gemaakt, noch dat bij de toekomstige toepassing van dit artikel verwikkelingen in de concessies die voortvloeien uit onderhandelingen krachtens dit artikel worden veroorzaakt. Dientengevolge dienen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN slechts vast te stellen, dat een verdragsluitende partij de voornaamste leverancier is, wanneer deze verdragsluitende partij gedurende een redelijke tijd vóór de onderhandelingen een groter aandeel in de handel met de verzoekende verdragsluitende partij heeft gehad dan de verdragsluitende partij met wie de concessie oorspronkelijk was overeengekomen, dan wel, volgens het oordeel van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, zulk een groter aandeel zou hebben gehad bij afwezigheid van door de verzoekende verdragsluitende partij toegepaste discriminatoire kwantitatieve beperkingen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen dus bezwaarlijk meer dan één verdragsluitende partij of, in buitengewone omstandigheden waarin bijna gelijkwaardigheid bestaat, meer dan twee verdragsluitende partijen aanwijzen die de voornaamste leverancier zijn.
5. Niettegenstaande de definitie van de voornaamste leverancier in aantekening 4 bij lid 1 kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij uitzondering vaststellen, dat een verdragsluitende partij de voornaamste leverancier is, indien de desbetreffende concessie de handel aantast van een aanzienlijk deel van de totale export van deze verdragsluitende partij.
6. Het is niet de bedoeling, dat de bepalingen inzake deelneming aan de onderhandelingen van een verdragsluitende partij die de voornaamste leverancier is en inzake overleg met een verdragsluitende partij die een aanmerkelijk belang heeft in de concessie welke de verzoekende verdragsluitende partij tracht te wijzigen of in te trekken, tot resultaat hebben laatstgenoemde verdragsluitende partij te verplichten een compensatie te geven of een vergeldingsmaatregel te doen ondergaan die zwaarder drukt dan de voorgenomen intrekking of wijziging, een en ander beschouwd in het licht van de situatie in de handel ten tijde van de voorgenomen intrekking of wijziging, rekening houdende met de door de verzoekende verdragsluitende partij in stand gehouden discriminatoire kwantitatieve beperkingen.
7. De uitdrukking „aanmerkelijk belang” leent zich niet tot een nauwkeurige definitie en kan derhalve moeilijkheden voor de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN opleveren. Deze uitdrukking dient evenwel zo te worden uitgelegd, dat zij slechts betrekking heeft op die verdragsluitende partijen die een aanzienlijk aandeel hebben in de handel van de verdragsluitende partij die de concessie tracht te wijzigen of in te trekken of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zij er een dergelijk aandeel in hebben, namelijk in geval van afwezigheid van discriminatoire kwantitatieve beperkingen die hun export aantasten.
Lid 4Ad DEEL IV
Onder de uitdrukking „ontwikkelde verdragsluitende partijen” en de uitdrukking „minder ontwikkelde verdragsluitende partijen” als gebezigd in Deel IV wordt verstaan, ontwikkelde en minder ontwikkelde landen die partij zijn bij de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.Ad artikel XXXVI
Lid 1
Dit artikel is gebaseerd op de doelstellingen neergelegd in artikel I, zoals dit zal worden gewijzigd, na inwerkingtreding van het Protocol tot wijziging van Deel I en de artikelen XXIX en XXX, ingevolge sectie A van lid 1 van dit Protocol.
Lid 4
De uitdrukking „basisprodukten” omvat mede landbouwprodukten; zie het gestelde onder 2 in de aantekening ad artikel XVI, sectie B.
Lid 5
Een programma ter verlening van een bredere basis aan de economische structuur van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen zal over het algemeen mede omvatten een intensivering van de activiteiten voor de verwerking van basisprodukten, alsmede uitbreiding van de industrieën voor eindprodukten, een en ander in verband met de in de betrokken verdragsluitende partij heersende omstandigheden en de vooruitzichten in de wereld voor de produktie en het verbruik van de verschillende produkten.
Lid 8
Met de zinsnede „verwachten geen wederkerige behandeling” wordt overeenkomstig de in dit artikel neergelegde doelstellingen verstaan dat van de minder ontwikkelde verdragsluitende partijen niet verwacht mag worden dat zij bij de handelsbesprekingen een bijdrage zullen leveren, die onverenigbaar is met de behoeften van hun ontwikkeling, hun financiën en hun handelsverkeer, zulks in verband met de vroegere ontwikkelingen van het handelsverkeer.
Dit lid is van toepassing bij maatregelen, genomen krachtens sectie A van artikel XVIII, artikel XXVIII, artikel XXVIII bis (welk laatste artikel artikel XXIX wordt nadat de wijziging ingevolge sectie A van paragraaf 1 van het Protocol tot wijziging van Deel I en de artikelen XXIX en XXX van kracht is geworden), artikel XXXIII of ingevolge iedere andere op grond van deze Overeenkomst vastgestelde procedure.Ad artikel XXXVII
Lid 1(a)
Dit lid is van toepassing bij onderhandelingen voor de verlaging of de afschaffing van douanerechten of andere beperkende bepalingen op het gebied van de handel op grond van de artikelen XXVIII, XXVIII bis (welk laatste artikel artikel XXIX wordt nadat de wijziging ingevolge sectie A van paragraaf 1 van het Protocol tot wijziging van Deel I en de artikelen XXIX en XXX van kracht is geworden) en artikel XXXIII, alsmede als gevolg van ieder ander optreden van de verdragsluitende partijen, teneinde een dergelijke verlaging of afschaffing tot stand te brengen.
Lid 3(b)
De in dit lid bedoelde andere maatregelen kunnen concrete bepalingen bevatten ter bevordering van wijzigingen in de binnenlandse structuur, ter stimulering van het verbruik van bijzondere produkten of ter invoering van maatregelen ter bevordering van de handel. ^ [1]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [2]
[Red: Als gevolg van de wijziging van artikel XXV van de Algemene Overeenkomst, voorzien in het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, dient te worden gelezen: „under paragraph 5 of Article XXV”.] ^ [3]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [4]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [5]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [6]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [7]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [8]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [9]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [10]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [11]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [12]
[Red: Gewijzigd bij het Bijzonder Protocol tot wijziging van artikel XIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [13]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [14]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (zoals verbeterd) en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [15]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [16]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [17]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [18]
[Red: Gewijzigd bij het (Eerste) Protocol van verbeteringen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [19]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [20]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [21]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [22]
[Red: Gewijzigd bij het Bijzonder Protocol tot wijziging van artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [23]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van zekere bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [24]
[Red: Kennelijk is bedoeld: „of this paragraph”.] ^ [25]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Protocol tot wijziging van artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.
Vergelijk de Resolutie van 7 maart 1955 van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij de Algemene Overeenkomst, houdende de eenstemmige goedkeuring om een voorbehoud te maken bij de aanvaarding der Overeenkomst overeenkomstig haar artikel XXVI.] ^ [26]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [27]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol van Torquay behorende bij de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [28]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [29]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [30]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (zoals verbeterd) en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [31]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van zekere bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [32]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van zekere bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [33]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van zekere bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [34]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [35]
[Red: Gewijzigd bij het (Eerste) Protocol van verbeteringen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Vierde Protocol van verbeteringen en wijzigingen van de teksten van de tarieflijsten behorende bij de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [36]
For imports into Metropolitan France and Territories of the French Union. ^ [37]
For imports into Metropolitan France and Territories of the French Union. ^ [38]
For imports into Metropolitan France and Territories of the French Union. ^ [39]
For imports into Metropolitan France and Territories of the French Union. ^ [40]
For imports into Metropolitan France and Territories of the French Union. ^ [41]
[Red: Gewijzigd bij het Derde Protocol van verbeteringen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Vierde Protocol van verbeteringen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Vijfde Protocol van verbeteringen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [42]
[Red: Als gevolg van de opneming in artikel I van de Algemene Overeenkomst van het nieuwe lid 3, voorzien in het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, dient de verwijzing te worden gelezen als: „referred to in paragraph 4 of Article I”.] ^ [43]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [44]
[Red: Titel van de Bijlage gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [45]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [46]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [47]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en gewijzigd bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [48]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [49]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [50]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (zoals verbeterd).] ^ [51]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (zoals verbeterd).] ^ [52]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [53]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [54]
[Red: Gewijzigd bij het Bijzonder Protocol tot wijziging van artikel XIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [55]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [56]
[Red: Gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [57]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van Deel II en artikel XXVI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en gewijzigd bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [58]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [59]
[Red: Gewijzigd bij het Bijzonder Protocol tot wijziging van artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, bij het Derde Protocol van verbeteringen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en bij het Protocol tot verbetering van de Franse tekst van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [60]
[Red: Geschrapt bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [61]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (zoals verbeterd).] ^ [62]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (zoals verbeterd).] ^ [63]
[Red: Ingelast bij het Protocol tot wijziging van Deel I en artikel XXIX van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [64]
[Red: Geschrapt bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [65]
[Red: Ingelast bij het Bijzonder Protocol tot wijziging van artikel XIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, maar geschrapt bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [66]
[Red: Ingelast bij het Bijzonder Protocol tot wijziging van artikel XIV van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, maar geschrapt bij het Protocol tot wijziging van de preambule en Deel II en III van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel.] ^ [67]
Voor invoer in het Franse moederland en in de gebieden der Franse Unie. ^ [68]
Voor invoer in het Franse moederland en in de gebieden der Franse Unie. ^ [69]
Voor invoer in het Franse moederland en in de gebieden der Franse Unie. ^ [70]
Voor invoer in het Franse moederland en in de gebieden der Franse Unie. ^ [71]
Voor invoer in het Franse moederland en in de gebieden der Franse Unie.
1. Elk verzoek tot machtiging om in onderhandeling te treden wordt vergezeld van alle noodzakelijke statistische en andere gegevens. Een beslissing op zulk een verzoek dient binnen dertig dagen na indiening te worden genomen.
2. Men erkent, dat men bepaalde verdragsluitende partijen die voor een groot deel afhankelijk zijn van een betrekkelijk klein aantal grondstoffen en op hun tarief van invoerrechten steunen als een belangrijke hulp om aan hun economie een bredere basis te verlenen of als een belangrijke bron van inkomsten, zou kunnen nopen concessies te wijzigen of in te trekken, hetgeen op de lange duur onnodig zou kunnen blijken, indien men die verdragsluitende partijen toestaat op gewone wijze alleen op grond van lid 1 van artikel XXVIII te onderhandelen over een wijziging of intrekking van een concessie. Om een dergelijke situatie te voorkomen machtigen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een dergelijke verdragsluitende partij overeenkomstig lid 4 in onderhandeling te treden, tenzij zij van oordeel zijn, dat zulks een zodanige verhoging in het tariefniveau veroorzaakt of daartoe dusdanig bijdraagt, dat de stabiliteit van de Lijsten bij deze Overeenkomst wordt bedreigd of een ongewenste verstoring in de internationale handel wordt veroorzaakt.
3. Men verwacht, dat de ingevolge lid 4 toegestane onderhandelingen tot wijziging of intrekking van een enkele tariefpost of een zeer klein aantal tariefposten, normaal gesproken, in zestig dagen kunnen worden beëindigd. Men erkent echter, dat zulk een tijdvak onvoldoende is, indien het gaat om onderhandelingen over wijziging of intrekking van een groter aantal tariefposten en in dergelijke gevallen dienen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN derhalve een langer tijdvak vast te stellen.
4. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen de beslissing bedoeld in lid 4 (d) te nemen binnen dertig dagen nadat de aangelegenheid aan hen is voorgelegd, tenzij de verzoekende verdragsluitende partij instemt met een langer tijdvak.
5. Het is welverstaan, dat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN bij hun beslissing krachtens lid 4 (d) omtrent de vraag of een verzoekende verdragsluitende partij niet alle pogingen die redelijkerwijze mogelijk zijn in het werk heeft gesteld om een voldoende compensatie te geven, terdege rekening houden met de bijzondere positie van een verdragsluitende partij die een groot deel van zijn tarief op zeer lage rechten heeft gebonden en die mitsdien minder gelegenheid heeft om compensatie te geven dan andere verdragsluitende partijen.Ad artikel XXVIIIbis
Lid 3
Het is welverstaan, dat de verwijzing naar de fiscale behoeften met name betrekking heeft op het fiscale aspect van de invoerrechten en in het bijzonder op de rechten die in eerste instantie worden geheven uit belastingoogpunt of op rechten die worden geheven van produkten die in de plaats kunnen worden gesteld van produkten die aan dergelijke fiscale rechten onderworpen zijn, zulks teneinde ontduiking van deze rechten te voorkomen.Ad artikel XXIX
Lid 1
De Hoofdstukken VII en VIII van het Handvest van Havana zijn niet in lid 1 opgenomen, aangezien zij over het algemeen handelen over de organisatie, de functies en de procedures van de Internationale Handelsorganisatie.