Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Algemeen militair ambtenarenreglement
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
+ Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
+ Hoofdstuk 2. Aanstelling
+ Hoofdstuk 3. Opleiding, functietoewijzing en bevordering alsmede functie- en loopbaanbegeleiding
+ Hoofdstuk 4. Doorstroom naar fase drie
+ Hoofdstuk 5. Schorsing
+ Hoofdstuk 6. Ontslag
+ Hoofdstuk 6a. Rechten en verplichtingen bij het vervallen dan wel het niet toewijzen van een functie
+ Hoofdstuk 7. Werk- en rusttijden
+ Hoofdstuk 8. Verlof
+ Hoofdstuk 9. Aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg
+ Hoofdstuk 10. Andere voorzieningen van materiële aard
+ Hoofdstuk 11a. Integriteit
+ Hoofdstuk 11b. Andere rechten en verplichtingen
+ Hoofdstuk 12. Overgangs- en slotbepalingen
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht

Algemeen militair ambtenarenreglement

Besluit van 25 februari 1982, houdende regelen betreffende de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie, C. L. J. van Lent van 25 mei 1981, nr. PP81/091/1244;
Overwegende, dat het wenselijk is de bepalingen inzake de rechtstoestand van de militaire ambtenaren van de krijgsmacht aan te passen aan de thans dienaangaande bestaande inzichten en opvattingen;
Gelet op artikel 68 van de Grondwet (Stb. 1972, 193), artikel 125 van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530), artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (Stb. 519) en artikel 2 van de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht (Stb. 1954, 576);
De Raad van State gehoord (advies van 5 oktober 1981, nr. 810923/16);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie, J. van Houwelingen van 18 februari 1982, nr. PP81/094/403;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1.
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister
Onze Minister van Defensie;
b. militair
de militaire ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
c. militair in werkelijke dienst – tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald – de militair die:
1. is aangesteld bij het beroepspersoneel, tenzij hij op non-activiteit is gesteld of hem buitengewoon verlof van lange duur is verleend;
2. behoort tot het reservepersoneel en als zodanig feitelijk onder de wapenen is;
d. officiersrang
de rang van luitenant ter zee der 3 e klasse of van tweede-luitenant of een hogere rang;
e. operationeel commando:
de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht en de Koninklijke marechaussee;
f. militaire inkomsten
alle beloningen in geld waarop de militair aanspraak kan maken krachtens de voor hem geldende bezoldigingsregeling of bezoldigingsregelingen, en krachtens de ter uitvoering van deze regeling of regelingen gegeven voorschriften;
g. initiële opleiding
de opleiding als genoemd in artikel 13, eerste lid;
h. de commandant operationeel commando
de Commandant Zeestrijdkrachten, de Commandant Landstrijdkrachten, de Commandant Luchtstrijdkrachten, de Commandant Koninklijke Marechaussee, voor het desbetreffende commando;
i. hoofd defensieonderdeel
1°. de Secretaris-Generaal, voor zover het betreft de Bestuursstaf;
2°. de commandant operationeel commando voor het desbetreffende commando;
3°. de directeur van de Defensie Materieel Organisatie, voor zover het betreft de Defensie Materieel Organisatie, met uitzondering van het deel ondergebracht in de Bestuursstaf;
4°. de commandant van het Commando Dienstencentra, voor zover het betreft het Commando Dienstencentra.
j. de commandant
een bij ministeriële regeling aan te wijzen functionaris;
k. doorstroombesluit:
een besluit, als bedoeld in artikel 31, waarmee de militair wordt medegedeeld dat de loopbaan bij Defensie al dan niet wordt voortgezet;
l. fase één:
de periode waarin de aan de aanstelling verbonden verplichting als bedoeld in artikel 12k, eerste en tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, juncto artikel 7 van dit besluit, van toepassing is;
m. fase twee:
de periode van de datum waarop fase één eindigt tot en met de datum waarop het doorstroombesluit in werking treedt, respectievelijk de periode na inwerkingtreding van een doorstroombesluit indien hierin wordt bepaald dat de loopbaan bij Defensie niet wordt voortgezet;
n. fase drie:
de periode na inwerkingtreding van een doorstroombesluit waarin wordt bepaald dat de loopbaan bij Defensie wordt voortgezet;
o. effectieve rang:
het bekleden van een rang anders dan titulair of tijdelijk;
p. onderofficier:
de militair ingedeeld bij de Koninklijke marine met de rang van korporaal, sergeant, sergeant-majoor of adjudant-onderofficier, de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht en marechaussee met de rang van sergeant, sergeant der eerste klasse, wachtmeester, wachtmeester der eerste klasse, sergeant-majoor, opperwachtmeester of adjudant-onderofficier;
q. maximum looptijd:
het aantal jaren dat een militair maximaal in een bepaalde rang of stand mag doorbrengen;
r. functie:
een samenstel van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
s. functietoewijzing:
de aanwijzing van een militair voor het vervullen van een functie;
t. rang:
een militaire rang en stand of klasse, voor zover niet titulair toegekend;
u. functionele chef:
de functionaris onder wiens directe toezicht en rechtstreekse leiding de toegewezen functie wordt vervuld, dan wel die als zodanig door het hoofd defensieonderdeel is aangewezen;
v. passende functie
een functie als bedoeld in artikel 53b.
2.
Voor de toepassing van dit besluit wordt mede begrepen onder «rang», «stand» of «klasse»: de bij het koninklijk besluit van 20 juni 1956 (Stb. 361) met die rang, stand of klasse gelijkgestelde rang, stand of klasse.
3.
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:
a. echtgenote of echtgenoot
1°. de geregistreerde partner;
2°. degene die door de militair als partner is aangemeld bij de Stichting pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt, op voorwaarde dat de militair een bewijs van die aanmelding heeft overlegd aan de commandant;
b. huwelijk
1°. geregistreerd partnerschap;
2°. het samenleven met de partner die door de militair als zodanig is aangemeld bij de Stichting pensioenfonds ABP en door het bestuur van dat fonds als zodanig is aangemerkt.
4.
De gelijkstellingen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2° en onderdeel b, onder 2° eindigen op de dag waarop de aanmelding van het partnerpensioen door het Stichting Pensioenfonds ABP wordt doorgehaald. De militair meldt die doorhaling aan de commandant, waarbij hij een afschrift van de mededeling van die doorhaling verstrekt.
5.
Voor de toepassing van de hoofdstukken 5, 7, 8, 9 en 10, alsmede de artikelen 39, tweede lid, onderdelen a, f en g, 39a, aanhef en onderdeel e, 44, 49, 126b, 126d tot en met 126f, 130, 134 en 144 tot en met 148, wordt onder «militair» mede begrepen hij die bij het Ministerie van Defensie op grond van artikel 6 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn. Deze geestelijk verzorger wordt, in voorkomend geval, mede begrepen onder het beroepspersoneel. De hoofdstukken 4, 5, 6 en 8, alsmede de artikelen 70b, 70d tot en met 70f, 76, 85, 87a, 88, 93, 109 tot en met 111, 114, 121, eerste lid, onderdelen f en h, derde lid, 127 en 127a van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie zijn op hem niet van toepassing.
6.
Voor de toepassing van de hoofdstukken en artikelen, genoemd in het vijfde lid, wordt voor de geestelijk verzorger als genoemd in het vijfde lid in voorkomend geval onder hoofd defensieonderdeel verstaan: de commandant van het Commando Dienstencentra.
7.
Op degene die is aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger niet doorlopend werkzaam te zijn, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat hij in voorkomend geval wordt mede begrepen onder het reservepersoneel.
Artikel 2. Afwijking van dit besluit
Onze Minister kan voorts bijzondere regelen, die afwijken van dit besluit, vaststellen ten aanzien van militairen die tewerkgesteld zijn:
a. onder leiding of toezicht van een orgaan van de Verenigde Naties;
b. bij of ten behoeve van een bondgenootschappelijk orgaan of bondgenootschappelijke strijdkrachten;
c. ten behoeve van operaties in het kader van internationale overeenkomsten of andere verplichtingen door Nederland aangegaan.
d. buiten het Ministerie van Defensie, anders dan in de gevallen, bedoeld onder a, b en c,
met dien verstande dat de bevoegdheid tot afwijken niet geldt met betrekking tot aangelegenheden, geregeld in de hoofdstukken 2, 4, 5 en 6.
Artikel 3. Ter inzage leggen van dit besluit
De commandant draagt er zorg voor dat een of meer exemplaren van dit besluit en van alle overige voorschriften betreffende de rechtstoestand van de militair steeds bij de eenheid of het onderdeel, waartoe de militair behoort, ter inzage aanwezig zijn.
Artikel 3a. Mandaatverlening
De bevoegdheid tot het vaststellen van ministeriële regelingen als bedoeld in de hoofdstukken 2 tot en met 12 kan door Onze Minister worden gemandateerd aan de hoofddirecteur personeel van het Ministerie van Defensie.
1.
Aanstelling kan plaatsvinden:
a. bij het beroepspersoneel;
b. bij het reservepersoneel.
2.
De aanstelling waarbij een officiersrang wordt toegekend, geschiedt bij koninklijk besluit.
3.
De aanstelling waarbij een rang of stand en klasse wordt toegekend beneden de rang van luitenant ter zee der 3e klasse/tweede-luitenant, geschiedt door Onze Minister.
4.
De aanstelling van een lid van het Koninklijk Huis geschiedt bij koninklijk besluit.
1.
De Onze Minister maakt bij de werving bekend en verschaft informatie over:
a. de voorwaarden voor aanstelling als bedoeld in artikel 5;
b. de uiterlijke datum van inzending van de sollicitatieformulieren;
c. bijzondere selectie-onderzoeken;
d. de arbeidsvoorwaarden;
e. de inhoud van de opleiding;
f. de inhoud van de in de regel te vervullen functies;
g. de loopbaanmogelijkheden die de militair heeft.
2.
Tijdens de selectie worden de gestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste lid onder a, niet ten nadele van de gegadigde gewijzigd.
3.
Het inwinnen van inlichtingen – anders dan in het kader van het veiligheidsonderzoek – bij personen en instanties buiten het Ministerie van Defensie staat in direct verband met het functioneren binnen de organisatie en vindt uitsluitend plaats onder opgave van redenen aan de gegadigde en nadat met hem is overeengekomen bij wie en in welke fase van het selectieonderzoek dat kan geschieden.
4.
De gegadigde wordt – op diens verzoek – geïnformeerd omtrent de inhoud van de inlichtingen, bedoeld in het derde lid en welke betekenis hieraan voor de selectie is toegekend. De informant wordt vooraf van dit recht van de gegadigde in kennis gesteld.
5.
De gegadigde heeft het recht kennis te nemen van de uitslag van het psychologisch onderzoek en om, desgewenst, hierop een toelichting te ontvangen van respectievelijk de psycholoog die het onderzoek heeft verricht of de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het psychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.
6.
De gegadigde heeft het recht om kennis te nemen van de uitslag van het geneeskundig onderzoek binnen twee weken na vaststelling en om, desgewenst, hierop een toelichting te ontvangen van respectievelijk de arts die het onderzoek heeft verricht of de arts onder wiens verantwoordelijkheid het geneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden.
7.
De gegadigde heeft het recht zijn bedenkingen tegen de uitslag van een geneeskundig of psychologisch onderzoek kenbaar te maken. Indien deze bedenkingen door een door Onze Minister aan te wijzen arts respectievelijk psycholoog gegrond zijn verklaard, kan hij desgewenst aan een hernieuwd onderzoek worden onderworpen.
8.
Aan de gegadigde die deelneemt aan de selectie of onderdelen daarvan wordt een tegemoetkoming wegens ondergane inkomstenderving en gemaakte reiskosten verleend. De kosten die de gegadigde maakt teneinde resultaten van onderdelen van de selectie te verkrijgen worden niet vergoed.
1.
Om in aanmerking te komen voor een aanstelling dient de gegadigde:
a. het Nederlanderschap te bezitten;
b. te voldoen aan de eisen van lichamelijke en geestelijke geschiktheid die ter zake zijn gesteld bij of krachtens het Militair Keuringsreglement ;
c. zich schriftelijk bereid te verklaren tot het afleggen van de eed of belofte;
d. afhankelijk van de functie dan wel de groepen van functies waarvoor hij is bestemd te voldoen aan, voor zover niet bij of krachtens wet anders is bepaald, door de commandant operationeel commando vastgestelde bijzondere eisen inzake:
1°. vooropleiding;
2°. geschiktheid, anders dan bedoeld onder b, en bekwaamheid.
2.
Wanneer aan de aanstelling een proeftijd is verbonden, kan in bijzondere gevallen worden afgeweken van de bij en krachtens het eerste lid, onder a, b en d, gestelde voorwaarden, indien in redelijkheid mag worden verwacht dat vóór het einde van de proeftijd wel aan de voorwaarden is voldaan. Indien op de laatste dag van de proeftijd niet is voldaan aan alle voorwaarden voor aanstelling, eindigt met ingang van die dag de aanstelling van rechtswege.
3.
De gegadigde kan alleen worden aangesteld als ten diens aanzien in verband met de voorgenomen aanstelling een verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken is afgegeven.
1.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een aanstelling als militair moet de gegadigde een zodanige leeftijd bezitten, dat:
a. hem voldoende loopbaanmogelijkheden kunnen worden geboden gelet op de ambities van de gegadigde en de aan de aanstelling verbonden verplichting; en
b. er uit oogpunt van het waarborgen van de operationele inzetbaarheid een evenwicht bestaat tussen de leeftijd van de gegadigde en de functie of groep van functies waarvoor de gegadige wordt bestemd.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke categorieën personeel, met inachtneming van het eerste lid, concrete leeftijdsgrenzen worden gesteld.
3.
De gegadigde die bij aanstelling is bestemd voor functievervulling in fase drie is op de datum van aanstelling niet minder dan twaalf jaar verwijderd van zijn datum van leeftijdsontslag, bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel a. Indien de gegadigde reeds eerder gedurende een periode van ten minste twee jaar was aangesteld als militair bij het beroepspersoneel wordt de periode van twaalf jaar beperkt tot een periode van tien jaar.
1.
Aan een aanstelling bij het beroepspersoneel is de verplichting verbonden deel uit te maken van het beroepspersoneel gedurende de initiële opleiding en aansluitend een periode van vier jaar.
2.
Bij ministeriële regeling kan voor specifieke categorieën personeel worden bepaald dat de duur van de in het eerste lid genoemde verplichting wordt verminderd.
Artikel 8. Rang of stand en klasse bij aanstelling
Aan de militair wordt door het op grond van artikel 4 bevoegde gezag bij aanstelling een rang of stand en klasse toegekend.
1.
Aan een aanstelling is een proeftijd van zes kalendermaanden verbonden.
2.
Wanneer sprake is van een hernieuwde aanstelling van een gewezen militair, kan door Onze Minister worden afgeweken van het eerste lid, waarbij de proeftijd maximaal drie kalender maanden bedraagt.
Artikel 10. Bekendmaking van functies
Aan de militair, aangesteld bij het beroepspersoneel, wordt bij aanstelling inzicht gegeven in de functie dan wel groepen van functies waarvoor hij is bestemd.
1.
Wegens en voor de duur van de vervulling van een functie die niet door reeds in werkelijke dienst verblijvende militairen kan worden vervuld, kan in bijzondere gevallen tijdelijke aanstelling als militair bij het beroepspersoneel plaatsvinden.
2.
Bij de in het eerste lid bedoelde tijdelijke aanstelling kan worden afgeweken van de bij en krachtens artikel 5, eerste lid, gestelde voorwaarden.
3.
Indien een als zodanig tijdelijk aangestelde militair wordt ontheven van zijn functie, eindigt de aanstelling met ingang van de dag van die ontheffing van rechtswege.
Artikel 12. Akte van aanstelling
Aan de militair wordt zo spoedig mogelijk na aanstelling een akte van aanstelling uitgereikt. Deze moet in ieder geval inhouden:
a. naam en voornamen, alsmede de plaats en datum van geboorte van de militair;
b. het operationeel commando waarbij de militair wordt ingedeeld;
c. de categorie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, waartoe de militair behoort;
d. de rang of stand en klasse die de militair is toegekend;
e. de functie dan wel groepen van functies waarvoor de militair is bestemd;
f. de datum van ingang van de aanstelling;
g. de aan de aanstelling verbonden verplichting.
1.
De militair kan door Onze Minister worden bestemd voor een andere functie of groep van functies dan waarvoor hij tot dan toe was bestemd:
a. op zijn aanvraag, binnen het operationeel commando waarbij hij is ingedeeld;
b. op zijn aanvraag, bij een ander operationeel commando, waarbij ook indeling bij dat operationeel commando kan plaatsvinden;
c. bij gebleken noodzaak en met de instemming van de militair in het belang van de dienst binnen het operationeel commando waar hij is ingedeeld;
d. bij gebleken noodzaak en met de instemming van de militair in het belang van de dienst bij een ander operationeel commando, waarbij ook indeling bij dat operationeel commando kan plaatsvinden.
2.
Bij toepassing van het eerste lid wordt gewijzigd hetgeen ingevolge artikel 12, onderdelen b en e en in voorkomend geval onderdeel g, in de aanstellingsbeschikking is opgenomen.
Artikel 13. Initiële opleidingen
De militair wordt door Onze Minister bij aanstelling in beginsel aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding. Deze opleiding is ten minste gericht op het verkrijgen van de benodigde kennis en vaardigheid voor de eerste functie(s) waarvoor hij is bestemd.
1.
De militair wordt voor het verkrijgen van benodigde kennis en vaardigheden door Onze Minister aangewezen voor:
a. een opleiding benodigd voor de vervulling van zijn huidige functie of voor een vervolgfunctie die past binnen de groep van functies waarbinnen hij zijn loopbaan vervult;
b. een opleiding benodigd voor de vervulling van functies in een andere groep van functies dan waarvoor hij is bestemd.
2.
Onze Minister vergoedt de aan een functieopleiding verbonden kosten.
1.
De militair kan met inachtneming van artikel 28a door Onze Minister worden aangewezen voor een opleiding gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het vervullen van functies waaraan een hogere rang is verbonden dan de militair bekleedt.
2.
Onze Minister vergoedt de aan een loopbaanopleiding verbonden kosten.
1.
De militair wordt op zijn aanvraag door Onze Minister aangewezen voor een opleiding die ziet op zijn persoonlijke ontwikkeling ten behoeve van de verbreding van zijn loopbaanmogelijkheden binnen Defensie. De aanvraag gaat vergezeld van een advies van de loopbaanbegeleider.
2.
Onze Minister vergoedt de aan een opleiding in het kader van de persoonlijke ontwikkeling verbonden noodzakelijke kosten, die voor rekening van de militair komen.
3.
Wanneer de opleiding dan wel de noodzakelijke voorbereiding daarop plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid. Indien zwaarwegende redenen van dienstbelang dit noodzakelijk maken, kan de vrijstelling van arbeid door Onze Minister tijdelijk worden opgeheven.
1.
De militair kan een aanvraag indienen bij Onze Minister om te worden aangewezen voor een opleiding, gericht op een loopbaan buiten het ministerie van Defensie. De aanvraag gaat vergezeld van een advies van de loopbaanbegeleider of, wanneer sprake is van een extern bemiddelingstraject, als bedoeld in artikel 31a, van een advies van de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel.
2.
Bij een besluit van Onze Minister tot aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met:
a. het bij de aanvraag gevoegde advies van de loopbaanbegeleider of van de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel;
b. de beroepswensen van de militair;
c. de arbeidsmarkt relevantie van de gewenste opleiding en de verhouding tot het werkervarings- en opleidingsniveau van de militair.
3.
Wanneer de opleiding is gericht op het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie binnen het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, en op een vergelijkbaar werkniveau worden de kosten voor de opleiding volledig vergoed.
4.
Wanneer de opleiding is gericht op het voortzetten van de loopbaan buiten Defensie buiten het functiegebied, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, dan wel op een hoger werkniveau worden de kosten voor de opleiding vergoed tot bij ministeriële regeling vast te stellen maximum bedragen.
5.
Wanneer de opleiding niet kan worden afgerond voordat ontslag plaatsvindt op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, kan, in voorkomend geval in afwijking van artikel 29a tot en met 29c, de ingangsdatum van het ontslag door Onze Minister met instemming van de militair worden opgeschort tot:
a. de opleiding is afgerond, wanneer sprake is van een opleiding, als bedoeld in het derde lid;
b. uiterlijk twaalf maanden na de oorspronkelijke ontslagdatum, wanneer sprake is van een opleiding, als bedoeld in het vierde lid.
6.
Wanneer bemiddeling van de militair op basis van artikel 31a van dit besluit binnen het functiegebied en op een vergelijkbaar werkniveau, waarin de militair bij Defensie werkzaam is, niet mogelijk is, en de militair aangeeft een opleiding, als bedoeld in het vierde lid, te willen volgen, zijn het derde en vijfde lid, onder a, van overeenkomstige toepassing zijn op deze opleiding.
7.
Met instemming van de militair kan door Onze Minister worden afgeweken van het vierde en vijfde lid, onder b, waar het gaat om maximale duur van de voortzetting van het dienstverband met het oog op de afronding van de opleiding en daarmee samenhangende vergoeding van de kosten.
8.
Wanneer de opleiding plaatsvindt tijdens de arbeidstijd van de militair, wordt hij door Onze Minister hiervoor vrijgesteld van arbeid, tenzij dit op grond van zwaarwegende redenen van dienstbelang niet mogelijk is.
9.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van dit artikel.
1.
Onze Minister kan de militair vrijstelling verlenen van een opleiding, bedoeld in artikel 13 tot en met 16, of delen daarvan, indien blijkt dat reeds over de benodigde kennis en vaardigheid wordt beschikt.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het eerste lid.
1.
Aan de militair kan op diens aanvraag een voorschot worden verstrekt voor de door hem te maken kosten voor een opleiding, als bedoeld in artikel 16 en 16a.
2.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van het eerste lid.
Artikel 16d. Ontheffing van een opleiding
De militair, die is aangewezen voor het volgen van een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16, kan daarvan door Onze Minister worden ontheven, indien hij niet voldoet aan de voor de opleiding gestelde eisen of indien ontheffing in het belang van de dienst of van de militair noodzakelijk is.
1.
Aan de aanwijzing voor een opleiding, als bedoeld in artikel 13 tot en met 16a, kan door Onze Minister de verplichting worden verbonden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding, indien de militair na het verstrijken van de voor hem geldende proeftijd:
a. in verband met aan hem te verwijten omstandigheden wordt ontheven van de opleiding;
b. in verband met aan hem te verwijten omstandigheden wordt ontheven van de functie waarvoor hij is opgeleid;
2.
Bij de berekening van het terug te betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van risico's tussen werkgever en werknemer.
3.
Het bedrag van de terugbetalingsverplichting in geval van een initiële opleiding, als bedoeld in artikel 13, wordt naar evenredigheid verminderd naarmate de termijn van de hem op basis van artikel 12k van de Militaire Ambtenarenwet 1931 opgelegde verplichting is verstreken met dien verstande dat de periode van de proeftijd hierbij meetelt.
4.
Het door de militair terug te betalen bedrag wordt als volgt vastgesteld:
a. voor het deel van de opleiding dat is gevolgd binnen het Ministerie van Defensie: overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde kosten van die opleiding per cursist;
b. voor het deel van de opleiding dat is gevolgd buiten het Ministerie van Defensie: de opleidingskosten die rechtstreeks door het Ministerie van Defensie aan die onderwijsinstelling zijn betaald;
c. de militaire inkomsten die volgens het Inkomstenbesluit militairen zijn ontvangen tijdens een:
verminderd met het minimumloon over die periode, vastgesteld conform hetgeen is bepaald bij en krachtens de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag .
(1) opleiding, die is gevolgd bij een externe onderwijsinstelling, met volledige vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen voor de volle duur van die opleiding waarop de militair is vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair,
(2) opleiding, die is gevolgd bij een externe onderwijsinstelling, met gedeeltelijke vrijstelling van het verrichten van arbeid: over de werkdagen van die opleiding waarop de militair is vrijgesteld van werkzaamheden en diensten als militair,
5.
De militair op wie een terugbetalingsverplichting rust, wordt ontslagen van die verplichting, indien hij bij ontslag op aanvraag, als bedoeld in artikel 39, eerste lid, binnen zes maanden na dat ontslag wordt aangesteld als ambtenaar bij het Ministerie van Defensie.
6.
Het door de militair terug te betalen bedrag is direct opeisbaar, wanneer een omstandigheid, als bedoeld in het eerste lid, zich voordoet, en wordt in beginsel in één termijn voldaan. Onze Minister kan een afbetalingsregeling treffen.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de uitvoering van dit artikel.
1.
Functietoewijzing en ontheffing uit een functie geschiedt door Onze Minister.
2.
De functie wordt in beginsel voor minimaal twee jaar en maximaal drie jaar toegewezen. De duur van de functievervulling kan met instemming van de militair worden verlengd tot een maximum van vijf jaar.
3.
De militair is gehouden de hem toegewezen functie te vervullen.
4.
Gedurende de eerste twee jaar van functievervulling komt de militair in beginsel niet in aanmerking voor plaatsing op een andere functie.
5.
Na ontheffing uit de functie volgt in beginsel functietoewijzing of bestemming voor een functieopleiding.
6.
Indien de militair buiten staat is de hem toegewezen functie te vervullen, kunnen daaraan door Onze Minister consequenties worden verbonden.
7.
In afwijking van het tweede lid kan voor bij ministeriële regeling aan te wijzen specifieke functiegroepen de functievervullingsduur worden vastgesteld tot een maximum van zeven jaar. In geval van een afwijkende functievervullingsduur van meer dan vijf jaar, kan tevens een van het vierde lid afwijkende termijn worden vastgesteld tot een maximum van vier jaar.
1.
De militair wordt in de gelegenheid gesteld zijn voorkeur kenbaar te maken voor te vervullen functies. Hiertoe worden in ieder geval de beschikbare functies bekend gesteld.
2.
Bij de bekendstelling van functies worden in ieder geval vermeld:
a. de functie-eisen;
b. een indicatie van de datum waarop de functie voor toewijzing in aanmerking komt.
1.
Om voor een functie in aanmerking te komen voldoet de militair aan de gestelde eisen over de opbouw van kennis, ervaring en vaardigheden.
2.
Tot de in het eerste lid bedoelde eisen worden in ieder geval gerekend:
a. de voor de functievervulling en het functieniveau vereiste bekwaamheden en vooropleidingen;
b. de voor de functievervulling en het functieniveau vereiste ervaring;
c. de eventuele voor de functievervulling en voor bepaalde functiegroepen vereiste competenties;
d. de eventuele functionele eisen ten aanzien van de lichamelijke geoefendheid.
1.
Bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende factoren:
a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies;
b. de door de militair kenbaar gemaakte voorkeur; met inachtneming van artikel 28a;
c. de beschikbaarheid van de militair;
d. de uit een oogpunt van opbouw van kennis en ervaring wenselijke spreiding van de loopbaan van de militair over verschillende functies;
e. de bekwaamheid en de geschiktheid van de militair voor de functie.
2.
Bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing worden in ieder geval de volgende kandidaten in ogenschouw genomen:
a. de militairen, voor wie een voorkeurspositie geldt, omdat zij in aanmerking komen voor ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, onder f;
b. andere bepaalde categorieën militairen aan wie een voorkeurspositie is toegekend;
c. de militair die zijn voorkeur voor de functie heeft kenbaar gemaakt;
d. militairen die in het kader van een reorganisatie zijn aangemerkt als herplaatsingkandidaat en die voor de vervulling van de vacante functie zijn voorgedragen;
e. militairen die op grond van organisatiebelang geschikt worden geacht voor de functie, met inbegrip van de militair die op grond van het gevoerde loopbaanbeleid voor toewijzing van de functie in aanmerking komt.
3.
Bij de bekwaamheid en geschiktheid van de militair, genoemd in het eerste lid onder e worden in beginsel in beschouwing genomen:
a. de mate waarin de militair voldoet aan de functie-eisen als bedoeld in artikel 19;
b. de uitkomst van functioneringsgesprekken, als bedoeld in artikel 28;
c. de uitkomst van loopbaangesprekken, als bedoeld in artikel 28a;
d. de voor het besluit tot functietoewijzing relevante beoordelingen, als bedoeld in artikel 28b.
1.
Onze Minister stelt de betrokken militair indien mogelijk zes maanden voor de datum van ingang van de functievervulling, in kennis van het besluit tot functietoewijzing onder vermelding van:
a. de functie;
b. de standplaats;
c. de datum van ingang;
d. een indicatie van de duur van functievervulling.
2.
Van de termijn, genoemd in het eerste lid, kan door Onze Minister worden afgeweken tot een termijn van ten minste twee maanden, indien naar zijn oordeel het dienstbelang hiertoe noodzaakt.
3.
In afwijking van het eerste lid wordt voor in het buitenland geplaatste militairen in beginsel een termijn van 12 maanden maar ten minste 9 maanden gehanteerd, indien zij na hun buitenlandse plaatsing een functie in Nederland gaan vervullen.
1.
De militair kan door Onze Minister eenmaal tijdens een functievervulling voor een periode van maximaal 12 maanden worden belast met de volledige waarneming van een functie. Onder volledige waarneming van een functie wordt verstaan: het op aanwijzing van Onze Minister in de plaats van de eigen functie uitoefenen van het volledige samenstel van werkzaamheden van een andere functie.
2.
Voorts kan de militair eenmaal tijdens een functievervulling door Onze Minister voor een periode van maximaal 12 maanden, naast het blijven vervullen van zijn eigen functie, worden belast met de waarneming van een deel van het samenstel van werkzaamheden, verbonden aan een andere functie dan die aan hem is toegewezen.
3.
Een militair kan alleen worden belast met de waarneming van een functie waaraan zijn eigen rangsniveau of het naasthogere rangsniveau is verbonden.
4.
De militair wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van het besluit hem te belasten met de waarneming van een functie indien de waarneming voorzienbaar langer dan 30 dagen zal duren. Hierbij wordt vermeld:
a. de functie die wordt waargenomen;
b. of er sprake is van volledige of gedeeltelijke waarneming;
c. indien het een gedeeltelijke waarneming betreft, welk gedeelte van de functie niet wordt waargenomen;
d. de datum van aanvang en de vermoedelijke einddatum van de waarneming;
e. de mogelijkheid dat de waarneming eerder kan eindigen dan de aangegeven vermoedelijke einddatum.
f. het feit of een toelage wordt toegekend als bedoeld in artikel 11 van het Inkomstenbesluit militairen.
5.
De commandant van de in het tweede lid bedoelde militair draagt er zorg voor dat de combinatie van de waar te nemen werkzaamheden en de eigen werkzaamheden de belasting van één functie niet overschrijdt.
1.
Onze Minister kan de militair ontheffen van de eisen die aan de hem toe te wijzen functie zijn verbonden wanneer het onder bijzondere omstandigheden onmogelijk is gebleken de militair tijdig aan te wijzen voor een opleiding als bedoeld in artikel 14, eerste lid en artikel 15 eerste lid.
2.
De in het eerste lid genoemde ontheffing geldt voor de duur dat de militair de opleiding nog niet heeft voltooid.
3.
Onze Minister stelt de militair met voorrang in de gelegenheid de voor de vervulling van de hem toegewezen functie noodzakelijke opleidingen te volgen.
1.
Bij koninklijk besluit geschiedt de bevordering van:
a. een militair met een rang beneden de rang van luitenant ter zee der derde klasse/tweede luitenant tot een officiersrang;
b. een militair die een officiersrang bekleedt;
c. een lid van het Koninklijk Huis;
d. een militair die behoort tot het Militaire huis van Hare Majesteit de Koningin;
e. een militair tot de rang van commandeur/brigadegeneraal/commodore of tot een hogere rang.
2.
De bevoegdheid tot de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bevordering kan bij koninklijk besluit aan Onze Minister worden toegekend.
3.
De overige bevorderingen geschieden door Onze Minister.
4.
Aan de militair die een functie is toegewezen waaraan een hogere rang is verbonden dan de rang die hij bekleedt, wordt met ingang van de datum van ingang van functievervulling die hogere rang toegekend. Het toekennen van die rang kan tevens, voor een korte periode van voorbereiding, daaraan voorafgaand geschieden.
5.
In afwijking van het vierde lid kan aan de militair in bijzondere gevallen tijdelijk een hogere rang worden toegekend dan die welke hij bekleedt indien:
a. het gewenste optreden van de militair daartoe noodzaakt en het optreden een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de functie
b. de militair wordt ingezet in het kader van een vredesoperatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en hij niet voldoet aan de eisen, genoemd in artikel 19.
6.
De in het vijfde lid bedoelde militair keert van rechtswege terug tot de rang of klasse die hij daarvoor bekleedde indien de reden tot het toekennen van de hogere rang vervalt.
7.
De navolgende bevorderingen kunnen geschieden in afwijking van het vierde lid:
a. bij de Koninklijke marine: de bevorderingen in de stand van matroos en de bevordering van de luitenant ter zee der derde klasse tot luitenant ter zee der tweede klasse;
b. bij de Koninklijke landmacht: de bevorderingen in de stand van soldaat, de bevordering van korporaal tot korporaal der eerste klasse, de bevordering van sergeant/wachtmeester tot sergeant/wachtmeester der eerste klasse en de bevordering van tweede luitenant tot eerste luitenant;
c. bij de Koninklijke luchtmacht: de bevorderingen in de stand van soldaat, de bevorderingen van korporaal tot korporaal der eerste klasse, de bevordering van sergeant tot sergeant der eerste klasse en de bevordering van tweede luitenant tot eerste luitenant;
d. bij de Koninklijke marechaussee: de bevorderingen in de stand van marechaussee der vierde en derde klasse; de bevordering van marechaussee der tweede klasse tot marechaussee der eerste klasse, de bevordering van de wachtmeester tot wachtmeester der eerste klasse en de bevordering van tweede luitenant tot eerste luitenant.
8.
Indien een militair die een rang tijdelijk bekleedt, overlijdt, wordt hij geacht de tijdelijke rang effectief te hebben bekleed op het tijdstip van zijn overlijden.
1.
Indien naar aanleiding van de uitkomst van een functiewaarderingsonderzoek bij een bestaande functie sprake is van een verhoging van de rang die wordt verbonden aan de functie, wordt de militair, die deze functie vervult, bevorderd tot deze hogere rang.
2.
De bevordering gaat in op de datum waarop de aanvraag tot het houden van een functiewaarderingsonderzoek is aangeboden aan het hoofd van het defensieonderdeel.
1.
De militair kan tijdens een initiële opleiding door Onze Minister worden bevorderd wegens het afsluiten van de opleiding of een gedeelte daarvan.
2.
Onze Minister kan aan de militair tijdens een opleiding een titulaire rang of een rang tijdelijk toekennen.
3.
De militair, ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, de Koninklijke luchtmacht of de Koninklijke marechaussee wordt in verband met opgedane ervaring of de gevolgde opleiding bevorderd tot:
a. eerste luitenant wanneer hij de effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaren heeft bekleed;
b. sergeant/wachtmeester der eerste klasse wanneer hij de effectieve rang van sergeant/wachtmeester gedurende vier jaren heeft bekleed;
c. korporaal/marechaussee der eerste klasse wanneer hij de effectieve rang van korporaal dan wel marechaussee der tweede klasse gedurende twee jaren heeft bekleed;
d. soldaat der eerste klasse wanneer hij de effectieve stand van soldaat der tweede klasse gedurende één jaar heeft bekleed en zijn initiële opleiding met goed gevolg heeft afgerond dan wel zijn initiële opleiding niet heeft kunnen afronden in verband met een niet voor zijn rekening of risico komende omstandigheid;
e. marechaussee der tweede klasse wanneer hij zijn initiële opleiding met goed gevolg heeft afgerond.
4.
De militair voldoet aan de in het derde lid genoemde ervaringseis indien de militair gedurende de in dat lid genoemde en voor zijn aanstellingscategorie en functieniveau geldende periode op voldoende wijze heeft gefunctioneerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de bekwaamheid en geschiktheid, als bedoeld in artikel 20, derde lid. De duur van de genoemde periode kan in geval van onvoldoende functioneren worden verlengd met ten hoogste een jaar.
5.
De militair, ingedeeld bij de Koninklijke marine, wordt in verband met opgedane ervaring bevorderd tot korporaal wanneer hij is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot onderofficier en deze met goed gevolg heeft afgerond.
6.
De militair, ingedeeld bij de Koninklijke marine, die is aangewezen voor een loopbaanopleiding tot officier wordt bevorderd tot:
a. tijdelijk luitenant ter zee der 3e klasse/tweede luitenant wanneer hij het theoretische deel van die functie- of loopbaanopleiding met goed gevolg heeft afgerond;
b. luitenant ter zee der 2e klasse/eerste luitenant wanneer hij de gehele functie- of loopbaanopleiding met goed gevolg heeft afgerond.
7.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor bevordering tijdens of aansluitend op een opleiding dan wel op grond van ervaringsopbouw.
Artikel 24c. Akte van bevordering
Aan de militair die is bevorderd, wordt als akte van bevordering een afschrift van of uittreksel uit het betreffende besluit tot bevordering uitgereikt. In een akte inzake een tijdelijke bevordering als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, en artikel 24b, tweede lid, worden de reden en het tijdelijke karakter van die bevordering uitdrukkelijk vermeld.
1.
De militair ingedeeld bij Koninklijke marine die op 9 december 2003 de rang van korporaal bekleedde zal, indien hij 12 jaren die rang heeft bekleed, bij voorrang een functie worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is verbonden, voor zover een dergelijke functie beschikbaar is, met dien verstande dat een dergelijke functietoewijzing niet kan geschieden binnen een termijn van twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als bedoeld in artikel 39a, onder a, zal worden verleend.
2.
Indien het niet mogelijk is om de militair, bedoeld in het eerste lid, een functie toe te wijzen waaraan de rang van sergeant is verbonden, wordt hij, op het moment dat hij de rang van korporaal 15 jaar heeft bekleed, bevorderd tot sergeant.
3.
De militair ingedeeld bij de Koninklijke marine, die op 9 december 2003 de rang van korporaal bekleedde en aan wie twee jaar voor de dag waarop hem ontslag als bedoeld in artikel 39a onder a, zal worden verleend, nog geen functie is of kan worden toegewezen waaraan de rang van sergeant is verbonden, wordt niettemin bevorderd tot sergeant.
4.
Om voor toewijzing van een functie waaraan de rang van sergeant is verbonden, als bedoeld in het eerste lid, dan wel voor bevordering tot sergeant, als bedoeld in het tweede en derde lid, in aanmerking te komen dient de militair te voldoen aan de gestelde eisen als bedoeld in artikel 19.
1.
In bijzondere gevallen en voor ten hoogste achttien maanden kan aan de militair een functie worden toegewezen waaraan een lagere rang is verbonden dan de effectieve rang die hij bekleedt.
2.
De in het eerste lid bedoelde militair, alsmede de militair die is aangewezen voor het volgen van een opleiding, behoudt zijn rang.
Artikel 27. Informatie tijdens de loopbaan
De militair wordt tijdens zijn loopbaan geïnformeerd over:
a. de inhoud van de door de militair te vervullen functie, aan de hand van een functie-introductiegesprek;
b. de wijze van functioneren, aan de hand van een functioneringsgesprek en in voorkomend geval een beoordeling;
c. de loopbaanmogelijkheden, aan de hand van een loopbaangesprek;
d. de wijze waarop de selectie voor doorstroom naar fase drie plaatsvindt.
1.
Aan de wijze waarop de militair – aangesteld bij het beroepspersoneel – functioneert wordt ten minste eenmaal per jaar aandacht besteed in een functioneringsgesprek. Met de militair, aangesteld bij het reservepersoneel, wordt door de commandant, in beginsel ten minste eenmaal per drie jaar een functioneringsgesprek gehouden.
2.
Indien een militair naast de uit zijn functie voortvloeiende arbeid andere opgedragen arbeid heeft verricht, wordt tevens aan de wijze waarop hij die arbeid heeft verricht, aandacht besteed.
3.
Onverminderd het eerste lid wordt een functioneringsgesprek gehouden indien daartoe de behoefte wordt aangegeven door de militair of door de functionele chef. Hierbij geldt dat sprake is van een dienstverhouding van ten minste twee maanden.
4.
Aan het functioneringsgesprek wordt deelgenomen door de militair en diens functionele chef.
5.
Op initiatief van een van de deelnemers aan het functioneringsgesprek kunnen een of meer andere personen deelnemen aan het gesprek, mits dit uiterlijk een week voordat het gesprek plaatsvindt, wordt gemeld aan de andere deelnemer(s) aan het gesprek.
6.
Het functioneringsgesprek is ten minste gericht op de navolgende onderdelen:
a. het functioneren en de werkomstandigheden van de militair in de omgeving waarin hij zijn functie vervult, waarbij aandacht wordt besteed aan de functionele, wederzijdse relatie tussen de militair en zijn functionele chef, de verhouding tussen de getoonde kennis en vaardigheden en de functie-eisen;
b. de toetsing in hoeverre eerder gemaakte afspraken zijn nagekomen;
c. de persoonlijke ontwikkeling van de militair in zijn huidige functie;
d. andere onderwerpen, waaronder in ieder geval sociale aspecten van leiderschap en het levensfasebeleid.
7.
De functionele chef legt een samenvatting van de inhoud van het gesprek alsmede de gemaakte afspraken en besproken aandachtspunten vast in het bij ministeriële regeling vast te stellen functioneringsgesprekformulier. Het formulier wordt voor een correcte weergave daarvan door de militair en de functionele chef ondertekend, waarna de militair een afschrift van het formulier ontvangt. De samenvatting van de inhoud van het gesprek, de gemaakte afspraken en de besproken aandachtspunten worden in het personeelsdossier opgelegd.
8.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van functioneringsgesprekken.
1.
Met de militair die zich in loopbaanfase één bevindt:
a. wordt in ieder geval een jaar voor het einde van loopbaanfase één een loopbaangesprek gevoerd door de loopbaanbegeleider;
b. wordt daarnaast op zijn aanvraag een loopbaangesprek gevoerd door de loopbaanbegeleider.
2.
Met de militair die zich in loopbaanfase twee of drie bevindt wordt tijdens elke functievervulling, maar ten minste eenmaal per drie jaar, minimaal één loopbaangesprek gevoerd door de loopbaanbegeleider.
3.
Op verzoek van de militair kan een derde persoon deelnemen aan het loopbaangesprek, mits dit uiterlijk een week voordat het gesprek plaats vindt, wordt gemeld aan de andere deelnemer(s) aan het gesprek.
4.
In het loopbaangesprek wordt ten minste aan de volgende aspecten aandacht besteed:
a. de loopbaanwensen van de militair;
b. de kansen en mogelijkheden binnen het door hem gevolgde loopbaanpad;
c. de kansen en mogelijkheden bij het mogelijk wijzigen van het loopbaanpad;
d. de ontwikkelpunten inzake kennis, ervaring en competenties, gericht op het vervolg van de loopbaan.
5.
Indien het een militair betreft die een functie in fase twee vervult, wordt daarnaast aandacht besteed aan de kansen en mogelijkheden voor het vervolgen van de loopbaan in fase drie in afwachting van het doorstroombesluit.
6.
Afspraken die in het loopbaangesprek worden gemaakt, worden vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen persoonlijk ontwikkelplanformulier. Het formulier wordt ondertekend door de militair, de loopbaanbegeleider en de commandant operationeel commando.
7.
De afspraken uit het persoonlijk ontwikkelplan, vastgelegd in het formulier, genoemd in het zesde lid, zijn bindend, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich verzet tegen uitvoering van de gemaakte afspraken.
8.
Indien de in het zesde lid genoemde afspraken niet kunnen worden uitgevoerd om zwaarwegende redenen van dienstbelang, biedt de commandant van het operationeel commando, waarbij de militair is ingedeeld, binnen één jaar, vanaf het moment dat duidelijk wordt dat de oorspronkelijke afspraak niet wordt uitgevoerd, een gelijkwaardig alternatief aan.
9.
Wanneer de afspraken niet zijn nagekomen en de militair van mening is dat geen gelijkwaardig alternatief, bedoeld in het achtste lid, is aangeboden kan hij zich binnen vier weken wenden tot een door Onze Minister in te stellen commissie van advies voor een mogelijke oplossing.
10.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het houden van loopbaangesprekken en het opstellen, vaststellen en nakomen van de afspraken, vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelplanformulier alsmede ten aanzien van de commissie van advies, genoemd in het negende lid.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
a. eerste beoordelaar:
de functionele chef van de militair;
b. tweede beoordelaar:
de commandant van de militair. In het geval de commandant de eerste beoordelaar is, treedt in beginsel de functionele chef van de commandant op als tweede beoordelaar.
2.
Indien de militair of zijn commandant dit wenselijk vindt wordt een beoordeling over het functioneren van de militair opgemaakt. De militair kan hiertoe een aanvraag indienen bij zijn commandant.
3.
Onze Minister kan opdracht geven tot het opmaken van een beoordeling.
4.
In de beoordeling wordt een oordeel gegeven over de wijze waarop de militair zijn functie, inclusief eventueel andere opgedragen werkzaamheden, heeft vervuld gedurende het beoordelingstijdvak. De beoordeling wordt gebaseerd op concrete handelingen, resultaten en gedragingen van de te beoordelen militair. Daarbij kunnen ook omstandigheden worden meegewogen buiten de dienst die van invloed zijn geweest op het vervullen van de functie.
5.
Het beoordelingstijdvak, waarin ten minste één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste zes maanden en maximaal 2 jaren. Per kalenderjaar kan slechts één beoordeling worden opgemaakt.
6.
De beoordeling wordt opgemaakt door de eerste beoordelaar en vastgelegd in het bij ministeriële regeling vast te stellen beoordelingsformulier.
7.
Na het opstellen van de beoordeling wordt deze besproken met de militair. De militair ontvangt een afschrift van de beoordeling waarna hij twee weken de tijd heeft om bedenkingen kenbaar te maken bij de tweede beoordelaar. Deze termijn kan op verzoek van de militair met twee weken worden verlengd.
8.
De tweede beoordelaar neemt de beoordeling en de eventueel daartegen ingediende bedenkingen in beschouwing en stelt de beoordeling vast. De militair ontvangt een afschrift van de vastgestelde beoordeling.
9.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten aanzien van het opmaken en vaststellen van beoordelingen.
1.
Gegevens betreffende gedragingen of omstandigheden van een militair kunnen schriftelijk worden vastgelegd in een ambtsbericht.
2.
De militair wordt schriftelijk in kennis gesteld van een voorgenomen ambtsbericht, waarna hij vier weken de tijd heeft om eventuele schrifelijke bedenkingen kenbaar te maken. Deze termijn kan op verzoek van de militair met twee weken worden verlengd.
3.
Onze Minister houdt bij de vaststelling van een ambtsbericht rekening met de door de militair ingediende bedenkingen en stelt vervolgens het ambtsbericht vast. Onze Minister kan besluiten af te zien van het vaststellen van het ambtsbericht.
4.
De militair ontvangt een afschrift van het ambtsbericht. Indien Onze Minister besluit af te zien van het vaststellen van een ambtsbericht ontvangt de militair een afschrift hiervan.
5.
Een ambtsbericht kan gedurende een periode van ten hoogste zes jaar na de vaststelling worden meegewogen bij een te nemen rechtspositioneel besluit.
6.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vorm en de wijze van indiening van ambtsberichten.
Artikel 29. Maximum aantal militairen in een bepaalde rang
Onze Minister stelt het aantal militairen vast dat een bepaalde rang mag bekleden.
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder soldaten: bij de Koninklijke landmacht en luchtmacht: soldaten der 1 e , 2 e en 3 e klasse.
2.
Voor soldaten bedraagt de maximum looptijd in rang in totaal acht jaren.
3.
Ten aanzien van soldaten wordt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, door Onze Minister besloten of hij tijdens de resterende periode kan worden bevorderd naar een hogere rang, als bedoeld in artikel 29b en 29c.
4.
Onze Minister besluit over de bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis van:
a. de beschikbare functies;
b. het aantal militairen dat de hogere rang mag bekleden, genoemd in artikel 29 en
c. de geschiktheid van de militair voor functievervulling in de hogere rang.
5.
Soldaten komen niet in aanmerking voor doorstroom naar functievervulling in fase drie.
6.
Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder korporaals en overeenkomstige rangen:
a. bij de Koninklijke marine: matrozen der 1 e klasse en mariniers der 1 e klasse;
b. bij de Koninklijke landmacht en luchtmacht: korporaals en korporaals der 1 e klasse;
c. bij de Koninklijke marechaussee: marechaussees der 1 e en 2 e klasse.
2.
Voor korporaals en overeenkomstige rangen bedraagt de maximum looptijd in rang in totaal acht jaren.
3.
Ten aanzien van korporaals en overeenkomstige rangen wordt uiterlijk twee jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, door Onze Minister besloten of hij tijdens de resterende periode kan worden bevorderd naar een hogere rang, als bedoeld in artikel 29c.
4.
Onze Minister besluit over de bevordering naar een hogere rang, genoemd in het derde lid, op basis van:
a. de beschikbare functies;
b. het aantal militairen dat de hogere rang mag bekleden, genoemd in artikel 29 en
c. de geschiktheid van de militair voor functievervulling in de hogere rang.
5.
Korporaals of militairen met een overeenkomstige rang komen niet in aanmerking voor doorstroom naar functievervulling in fase drie.
6.
Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
1.
Voor korporaals bij de Koninklijke marine, sergeanten, wachtmeesters alsmede sergeanten/wachtmeesters der 1 e klasse bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht en marechaussee bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee in totaal tien jaren.
2.
Voor officieren in de rang van luitenant ter zee der 2 e klasse oudste categorie, kapitein der mariniers of kapitein bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht of marechaussee bedraagt de maximum looptijd in rang in fase een en twee negen jaren.
3.
Voor een onderofficier bedoeld in het eerste lid en een officier bedoeld in het tweede lid, wordt uiterlijk drie jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, een besluit genomen over zijn mogelijkheden tot doorstroom naar fase drie.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen voor specifieke functiegroepen nadere regels worden gesteld over een afwijkende maximale looptijd in rang. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies binnen die functiegroep in samenhang met de arbeidsmarktpositie van de militairen, behorende tot de aan te wijzen functiegroep.
1.
Met inachtneming van artikel 29a, derde lid, 29b, derde lid, en 29c, kan Onze Minister een militair voordragen voor doorstroom naar fase drie.
2.
Wanneer een militair op verzoek van de commandant van het operationeel commando zijn voorkeur kenbaar maakt voor een of meerdere, door de commandant van het operationeel commando bepaalde functies en dit leidt tot een functietoewijzing, die gepaard gaat met een doorstroom naar fase drie, wordt dit aangemerkt als een voordracht, bedoeld in het eerste lid. Wanneer geen functietoewijzing plaatsvindt, wordt het kenbaar maken van de voorkeur door de militair niet aangemerkt als een aanvraag, bedoeld in het derde lid.
3.
Onverminderd het eerste en tweede lid, kan de militair in fase een of twee zelf maximaal drie maal een aanvraag voor doorstroom naar fase drie bij Onze Minister indienen.
4.
Onze Minister informeert de militair tijdig over de mogelijkheid, bedoeld in het derde lid.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
1.
Onze Minister besluit in beginsel binnen uiterlijk zes weken na ontvangst van de voordracht, genoemd in artikel 30, eerste lid, of de aanvraag, genoemd in artikel 30, derde lid, op basis van:
a. de beschikbare functies;
b. het aantal militairen dat een bepaalde rang mag bekleden, genoemd in artikel 29 en
c. de geschiktheid van de militair voor functievervulling in fase drie.
2.
Bij de bepaling van de geschiktheid van de militair, bedoeld in het eerste lid, onder c worden ten minste in beschouwing genomen:
a. het verloop van het gevolgde loopbaanpad;
b. de uitkomst van functioneringsgesprekken en beoordelingen;
c. de gevolgde opleidingen;
d. de uitkomst van loopbaangesprekken;
e. de mate waarin de militair voldoet aan de eisen voor functievervulling in fase 3.
3.
In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen kan worden afgeweken van de in het eerste lid genoemde termijn van zes weken tot een maximum van tien weken.
4.
In het in het eerste lid genoemde besluit wordt de militair meegedeeld dat hij:
a. doorstroomt naar fase 3;
b. nog niet doorstroomt naar fase drie;
c. niet doorstroomt naar fase drie.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.
1.
De soldaat, genoemd in artikel 29a, de korporaal of de militair met een overeenkomstige rang, genoemd in artikel 29b, of de militair aan wie een besluit, als bedoeld in artikel 31, vierde lid onder b of c, is meegedeeld en aan wie ontslag zal worden verleend op grond van artikel 39, tweede lid, onder i, wordt door de commandant van het operationeel commando, waarbij hij is ingedeeld, uiterlijk één jaar voor het beoogde ontslagmoment aangemeld bij de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel, voor begeleiding bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
2.
De militair die om ontslag verzoekt, kan op zijn aanvraag, onder regie van de organisatie-eenheid belast met de externe bemiddeling van defensiepersoneel, gedurende ten hoogste een periode van een jaar, voorafgaand aan de datum van ontslag, worden begeleid bij de overgang naar een betrekking op de civiele arbeidsmarkt.
3.
Afspraken, gemaakt in het kader van de bemiddeling, worden vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelplanformulier, genoemd in artikel 28a, zesde lid. Artikel 28a, zevende tot en met tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
1.
De militair is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij die vrijheidsbeneming het gevolg is van:
a. een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen , genomen in het belang van de volksgezondheid of;
b. een straf op grond van de Wet militair tuchtrecht .
2.
De militair kan voorts in zijn ambt worden geschorst:
a. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. wanneer hem is medegedeeld dat hij in aanmerking zal worden gebracht voor ontslag als bedoeld in artikel 39, tweede lid, onderdeel k, l, m of n, dan wel als bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931;
c. wanneer het belang van de dienst zulks vordert.
1.
Schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, geschiedt door de commandant.
2.
In afwijking van het eerste lid geschiedt de schorsing van een geestelijk verzorger en van een militair als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel c, d en e, door Onze Minister.
3.
Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, gaat in op het tijdstip, waarop deze de betrokken militair bekend wordt gemaakt. Indien het gedurende zes dagen feitelijk niet mogelijk is de militair het schorsingsbesluit ter kennis te brengen, gaat de schorsing in op de zevende dag na de dagtekening van het schorsingsbesluit.
1.
Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel a en b, eindigt wanneer hij wordt opgeheven door de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 35.
2.
Een schorsing als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel c, wordt opgeheven wanneer de belangen van de dienst de schorsing niet meer vorderen, doch uiterlijk na drie maanden, tenzij de omstandigheid die aanleiding gaf voor die schorsing zich nog immer voordoet.
1.
Het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang geschiedt bij koninklijk besluit.
2.
Het verlenen van ontslag aan de militair met een rang beneden de rang van luitenant ter zee der 3e klasse/tweede-luitenant, of een stand, geschiedt door Onze Minister.
1.
Aan de militair kan ontslag op aanvraag worden verleend, indien hij daartoe aan het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag schriftelijk de wens te kennen geeft. Indien de ontslagaanvraag wordt ingediend tijdens de proeftijd vindt artikel 12m, onder b, c of d, van de Militaire ambtenarenwet 1931, geen toepassing.
2.
Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend:
a. ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van 60 jaar;
b. wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;
c. wanneer zijn diensten door het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet langer nodig worden geoordeeld, nadat hij ingevolge artikel 8 van de Uitkeringswet gewezen militairen weder is aangesteld;
d. wegens overtolligheid indien er voor hem geen functie beschikbaar is, onverminderd het bepaalde in artikel 42;
e. wanneer hij, bij ontslag uit een ambt, voor het bekleden waarvan hij op non-activiteit was gesteld:
1°. het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet doet blijken van zijn verlangen om in werkelijke dienst te worden gehandhaafd; dan wel
2°. ofschoon hij dat verlangen te kennen heeft gegeven, naar verwachting niet binnen twee jaren bij het krijgsmachtdeel waartoe hij behoort, of indien dat niet mogelijk is bij een ander krijgsmachtdeel, kan worden geplaatst;
f. ter zake van blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de dienst uit hoofde van een ziekte of een gebrek;
g. ter zake van het bereiken of overschrijden van de leeftijd van vijftig jaar, wanneer hij naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag - in verband met zijn leeftijd voor het vervullen van de dienst niet meer ten volle geschikt is;
h. wegens ontheffing van de initiële opleiding tot het volgen waarvan hij bij zijn aanstelling is aangewezen, om reden dat hij niet voldoet aan de bij die opleiding gestelde eisen;
i. voor soldaten en korporaals wegens het niet kunnen worden bevorderd op basis van een besluit als bedoeld in artikel 29a, derde lid, respectievelijk 29b, derde lid, uiterlijk twee jaar na dat besluit dan wel voor onderofficieren en officieren wegens het niet kunnen doorstromen naar fase drie op basis van een besluit als bedoeld in artikel 31 vierde lid onder c, uiterlijk drie jaar na dat besluit;
j. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie of voor de vervulling van functies binnen de groepen van functies, waarvoor hij is bestemd, wat de ongeschiktheid betreft, voor zover het bepaalde onder f of g niet toepasselijk is; een en ander onverminderd het bepaalde in artikel 43;
k. wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van zijn plichten;
l. wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt;
m. wegens een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en is gewezen in verband met een feit van zodanige aard, dat, mede gelet op het algemeen gedrag van de militair, diens ontslag in het belang van de dienst noodzakelijk is;
n. ter zake van misleiding bij zijn indiensttreding indien blijkt dat hij bij zijn aanmelding onjuiste gegevens heeft verstrekt of omstandigheden heeft verzwegen en de juiste gegevens of de verzwegen omstandigheden de aanstelling zouden hebben belet, tenzij de militair aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.
3.
Aan de militair die behoort tot het reserve-personeel kan voorts ontslag worden verleend ter zake van een aanstelling in een betrekking, die krachtens enig wettelijk voorschrift onverenigbaar is met de militaire dienst.
4.
Aan de militair die is aangesteld bij het reserve-personeel op grond van zijn burgerlijke betrekking kan voorts nog ontslag worden verleend ter zake van beëindiging van die burgerlijke betrekking.
5.
Aan de militair die behoort tot het reservepersoneel kan voorts nog ontslag worden verleend indien het op grond van artikel 38 bevoegde gezag handhaving van die dienstverhouding niet langer nodig oordeelt.
6.
a. Aan de militair behorend tot het beroepspersoneel die de rang van commandeur, brigade-generaal of commodore bekleedt, of die een hogere rang bekleedt, kan voorts ontslag worden verleend.
1°. op voordracht van Onze minister-president en Onze Minister, wanneer het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt;
2°. op andere gronden;
b. In deze gevallen wordt bij koninklijk besluit - in het geval bedoeld onder a, ten eerste, op de gezamenlijke voordracht van Onze minister-president en van Onze Minister - een regeling getroffen waarbij aan de betrokkene een uitkering wordt toegekend welke met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Die regeling zal in geen geval nadeliger mogen zijn dan die volgens welke de uitkering ingevolge de Uitkeringswet gewezen militairen zou zijn toegekend, waarop de betrokken militair aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hem, in plaats van vorenbedoeld ontslag, op grond van het tweede lid onder a, ontslag zou zijn verleend.
7.
Aan de militair voor wie na de aanstelling een proeftijd geldt, kan tijdens die proeftijd ontslag worden verleend zonder toepassing van één van de in het tweede lid genoemde ontslaggronden.
8.
Wanneer een ontslag op aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend in verband met het aanvaarden van een betrekking op de civiele arbeidsmarkt binnen drie maanden voor het bereiken van het moment van ontslag, genoemd in artikel 39, tweede lid, onder i, wordt dit ontslag aangemerkt als een ontslag op grond van het tweede lid, onder i.
Artikel 39a. Overgangsbepaling ontslagleeftijd
In afwijking van artikel 39, tweede lid, onderdeel a, kan aan de militair die vóór 1 januari 2002 voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel, ontslag worden verleend wegens het bereiken of overschrijden van de volgende ontslagleeftijd:
a. Voor de militair van de zeemacht zonder rang, of die een rang bekleedt lager dan luitenant ter zee der derde klasse, die de leeftijd van vijftig jaar bereikt:
1°. in het jaar 2006: vijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2007: vijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2008: vijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2009: eenenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2010: eenenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2011: eenenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2012: tweeënvijftig jaar;
8°. in het jaar 2013: tweeënvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2014: drieënvijftig jaar;
10°. in het jaar 2015: drieënvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2016: vierenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2017: vierenvijftig jaar en zes maanden;
13°. in het jaar 2018 tot en met het jaar 2024: vijfenvijftig jaar.
b. Voor de militair van de zeemacht, die de rang bekleedt van luitenant ter zee der derde klasse, luitenant ter zee der tweede klasse of luitenant ter zee der tweede klasse oudste categorie, die de leeftijd van tweeënvijftig jaar bereikt:
1°. in het jaar 2006: tweeënvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2007: tweeënvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2008: tweeënvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2009: drieënvijftig jaar;
5°. in het jaar 2010: drieënvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2011: drieënvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2012: vierenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2013: vierenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2014: vijfenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2015: vijfenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2016: zesenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2017: zesenvijftig jaar en zes maanden;
13°. in het jaar 2018 tot en met het jaar 2026: zevenenvijftig jaar.
c. Voor de militair van de zeemacht die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een hogere rang:
1°. tot en met 30 juni 2006: vierenvijftig jaar en drie maanden;
2°. van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007: vierenvijftig jaar en zes maanden;
3°. van 1 juli 2007 tot en met 30 juni 2008: vierenvijftig jaar en negen maanden;
4°. van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2008: vijfenvijftig jaar;
d. Voor de militair van de zeemacht die de rang bekleedt van luitenant ter zee der eerste klasse, of een hogere rang, die de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereikt:
1°. in het jaar 2009: vijfenvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2010: vijfenvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2011: vijfenvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2012: zesenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2013: zesenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2014: zesenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2015: zevenenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2016: zevenenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2017: achtenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2018: achtenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2019: negenenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2020: negenenvijftig jaar en zes maanden.
e. Voor de overige militairen, die de leeftijd van vijfenvijftig jaar bereiken:
1°. in het jaar 2006: vijfenvijftig jaar en drie maanden;
2°. in het jaar 2007: vijfenvijftig jaar en zes maanden;
3°. in het jaar 2008: vijfenvijftig jaar en negen maanden;
4°. in het jaar 2009: zesenvijftig jaar;
5°. in het jaar 2010: zesenvijftig jaar en drie maanden;
6°. in het jaar 2011: zesenvijftig jaar en zes maanden;
7°. in het jaar 2012: zevenenvijftig jaar;
8°. in het jaar 2013: zevenenvijftig jaar en zes maanden;
9°. in het jaar 2014: achtenvijftig jaar;
10°. in het jaar 2015: achtenvijftig jaar en zes maanden;
11°. in het jaar 2016: negenenvijftig jaar;
12°. in het jaar 2017: negenenvijftig jaar en zes maanden.
Artikel 39b. Leeftijdsontslag voor militairen met de rang van kapitein ter zee, kolonel of een hogere rang en academisch geschoolde kapitein-luitenants ter zee en luitenant-kolonels
In afwijking van artikel 39, tweede lid, onderdeel a, wordt, onverminderd artikel 39a, ontslag verleend wegens het bereiken van een individueel te bepalen leeftijd gelegen tussen de leeftijd van zestig en vijfenzestig jaar:
a. aan militairen met de rang van kapitein ter zee / kolonel of een hogere rang;
b. met hun instemming, aan militairen met de rang van kapitein-luitenant ter zee / luitenant-kolonel die een academische opleiding hebben afgerond en als zodanig werkzaam zijn in het veld van hun academische deskundigheid.
1.
De voor de militair geldende ontslagleeftijd kan met een maximum van twee jaren worden verlaagd in verband met de buiten Nederland doorgebrachte inzet in het kader van een vredes- of humanitaire operatie met dien verstande dat de ontslagleeftijd nimmer lager kan zijn dan achtenvijftig jaar.
2.
De in het eerste lid bedoelde verlaging bedraagt:
a. één derde van de tijd die vanaf 1 januari 1990 tot en met 31 december 2007 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht; en
b. de helft van de tijd die vanaf 1 januari 2008 in het kader van een vredes- of humanitaire operatie buiten Nederland is doorgebracht.
Artikel 40. Ontslag bij aanvaarding van het ambt van minister of staatssecretaris
Aan de militair die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt om die reden ontslag verleend.
Artikel 41. Aanduiding van het ontslag
Het ontslag wordt "eervol" verleend, behoudens in de gevallen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder k, l, m en n, in welke gevallen het ontslag zonder die aanduiding wordt verleend.
Artikel 42. Ontslag wegens overtolligheid van personeel
Ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder d, kan slechts plaatsvinden indien het naar het oordeel van Onze Minister na een zorgvuldig onderzoek bedoeld in artikel 53c, eerste en tweede lid, niet mogelijk is gebleken de militair binnen het gezagsbereik van Onze Minister een andere passende functie toe te wijzen. Het ontslag zal worden verleend na ommekomst van het volledige herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 53c of eerder indien zulks met de militair wordt overeengekomen dan wel sprake is van een situatie bedoeld in artikel 53e, derde lid.
Artikel 43. Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
Ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder j, kan slechts plaatsvinden indien het naar het oordeel van Onze Minister na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de militair binnen het gezagsbereik van Onze Minister een andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passende, functie toe te wijzen, dan wel indien hij een zodanige functie weigert te aanvaarden. In het onderzoek wordt de mogelijkheid tot bij- of omscholing van de militair betrokken.
Artikel 44. Ontslag wegens blijvende geestelijke of lichamelijke ongeschiktheid
Ontslag om de reden, genoemd in artikel 39, tweede lid onder f, wordt pas verleend, nadat de militair ter zake van het ontstaan, de aard en de gevolgen van zijn ziekte of gebrek is onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld bij het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen .
1.
Ontslag om de reden als bedoeld in artikel 12g, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931, kan slechts plaatsvinden met medewerking van Onze Minister-President dan wel, indien het de militair met een officiersrang betreft, op voordracht van Onze Minister-President en Onze Minister. Daaraan voorafgaand wordt het advies ingewonnen van een commissie, bestaande uit vijf leden en vijf plaatsvervangende leden.
2.
De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie, bedoeld in het eerste lid worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van Onze Minister-President en van Onze Minister. De taak, samenstelling en werkwijze van de commissie worden bij de instelling geregeld.
1.
Ontslag wordt in het algemeen verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.
2.
Een ontslag op aanvraag anders dan tijdens de proeftijd en een ontslag om een van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder c, d, e, f, g, i en j, gaan niet eerder in dan nadat ten minste drie maanden zijn verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend onderscheidenlijk de militair van de beslissing tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.
3.
Een ontslag op aanvraag tijdens de proeftijd en de ontslagen, bedoeld in artikel 39, tweede lid onder h, en zevende lid, gaan niet eerder in dan nadat ten minste een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop het aanvraag om ontslag is ingediend of de militair van de beslissing onderscheidenlijk het voorstel tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld.
4.
De in het tweede en derde lid genoemde termijnen kunnen op verzoek van de militair worden bekort.
5.
Een ontslag ten gevolge van het aanvaarden van het ambt van minister of staatssecretaris, als bedoeld in artikel 40, gaat in op de dag van aanvaarding van dit ambt.
Artikel 48. Intrekking van reeds verleend ontslag
Ontslag dat is verleend om een andere reden dan genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n, en dat nog niet is ingegaan, wordt ingetrokken, indien zich inmiddels een omstandigheid heeft voorgedaan die het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag aanleiding geeft de militair te ontslaan om één van de redenen, genoemd in artikel 39, tweede lid onder k, l, m of n.
1.
In afwijking van artikel 47, tweede lid, kan het tijdstip van ingang van een ontslag-op-aanvraag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, worden uitgesteld voor de tijd die onvermijdelijk nodig is om hem aldaar te vervangen, maar voor ten hoogste drie maanden.
2.
Het ontslag van de militair die om redenen van dienst buiten Nederland verblijft, gaat eerst in op een datum gelegen na het tijdstip van zijn terugkeer in Nederland.
3.
Van het tweede lid kan worden afgeweken, indien de militair zulks aanvraagt en het dienstbelang zich naar het oordeel van het ingevolge artikel 38 bevoegde gezag niet verzet tegen inwilliging van het aanvraag, of indien de terugkeer niet tijdig plaatsvindt ten gevolge van omstandigheden die zijn te wijten aan de schuld of het toedoen van de militair.
1.
Aan de militair aan wie ontslag wordt verleend nadat hij ten minste één jaar in werkelijke dienst is geweest, wordt op zijn verzoek de commandant operationeel commando een getuigschrift uitgereikt.
2.
Het getuigschrift vermeldt:
a. de begindatum en einddatum van de dienstverhouding, alsmede de arbeidsduur per week;
b. de aard van de verrichte werkzaamheden;
c. de wijze waarop de militair zijn werkzaamheden heeft verricht;
d. de grond waarop aan de militair ontslag is verleend.
3.
De in lid 2, onderdelen c en d, genoemde gegevens worden slechts op verzoek van de militair in het getuigschrift vermeld.
Artikel 53. Ontslag van rechtswege
De militair is van rechtswege ontslagen:
a. zodra hij het Nederlanderschap verliest;
b. zodra een tegen hem gewezen vonnis waarbij de bijkomende straf van ontzetting van het recht om bij de gewapende macht te dienen is opgelegd zonder dat daarbij is bepaald dat deze straf geheel of gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.
In deze gevallen wordt de militair door Onze Minister schriftelijk in kennis gesteld van het feit dat, de datum met ingang waarvan en de reden waarom hij van rechtswege ontslagen is.
Artikel 53a. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
militair
de militair die is aangesteld bij het beroepspersoneel;
boventalligheid
de situatie dat een militair zijn functie verliest omdat binnen de te reorganiseren organisatie of een onderdeel daarvan, meerdere militairen een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies resteren;
1.
Een functie is in beginsel passend wanneer de daaraan verbonden werkzaamheden op de capaciteiten en ervaring van de militair zijn berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de militair kan worden gevergd.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid.
1.
De militair wordt door de commandant operationeel commando aangewezen als herplaatsingskandidaat indien:
a. hem met toepassing van artikel 17 binnen drie maanden na het vervallen van zijn functie of de vaststelling van zijn boventalligheid geen functie is of kan worden toegewezen;
b. hem met toepassing van artikel 17 binnen drie maanden na afloop van de duur van een functievervulling of na het afronden van een opleiding geen functie is of kan worden toegewezen.
2.
De militair wordt over zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat bedoeld in het eerste lid, schriftelijk geïnformeerd.
3.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister in een ministeriële regeling bepalen dat specifieke categorieën militairen, aan wie geen functie is of kan worden toegewezen bedoeld in het eerste lid, niet worden aangewezen als herplaatsingskandidaat.
1.
Onze Minister onderzoekt gedurende drie maanden, te rekenen vanaf het moment dat de militair is aangewezen als herplaatsingskandidaat, of herplaatsing van de militair op een passende functie binnen het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
2.
Indien het onderzoek bedoeld in het eerste lid niet heeft geleid tot herplaatsing, onderzoekt Onze Minister, aansluitend aan de periode bedoeld in het eerste lid, gedurende drie maanden of herplaatsing van de militair op een passende functie binnen of buiten het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
3.
Indien het onderzoek bedoeld in het tweede lid niet heeft geleid tot herplaatsing, onderzoekt Onze Minister, aansluitend aan de periode bedoeld in het tweede lid, gedurende zes maanden of herplaatsing van de militair op een passende functie buiten het gezagsbereik van Onze Minister mogelijk is.
4.
De periode van zes maanden bedoeld in het derde lid, wordt voor elk volledig jaar dat de militair is aangesteld bij het Ministerie van Defensie, verlengd met een halve maand tot maximaal twaalf maanden.
5.
Onze Minister kan op verzoek van de militair die is aangewezen als herplaatsingskandidaat de duur van de herplaatsingsperiode, zoals vastgesteld op grond van het eerste tot en met het vierde lid, verlengen indien de omstandigheden naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
6.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
1.
De herplaatsingskandidaat is verplicht al het mogelijke te doen om een passende functie te vinden en mee te werken aan het herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 53d.
2.
De herplaatsingskandidaat is verplicht een passende functie te aanvaarden tijdens het herplaatsingsonderzoek bedoeld in artikel 53d, derde en vierde lid.
3.
De herplaatsingskandidaat die zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van dit artikel opgelegde verplichting, kan in verband daarmee een ontslag bedoeld in artikel 39, tweede lid, aanhef en onder d, worden verleend.
1.
Onze Minister kan voorzieningen treffen:
a. om dreigende overtolligheid te voorkomen door ontslag op aanvraag te stimuleren;
b. ten behoeve van militairen die zijn aangewezen als herplaatsingskandidaat bedoeld in artikel 53c.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 54a. Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. militair:
de militair in werkelijke dienst;
b. diensten:
activiteiten die zijn vereist voor het functioneren van de militaire organisatie, voor zover deze zijn ingesteld door het hoofd defensieonderdeel;
c. werkzaamheden:
activiteiten die voortvloeien uit de door de militair vervulde functie, alsmede andere opgedragen activiteiten die om redenen van dienst of in het algemeen belang noodzakelijk zijn, doch die niet kunnen worden aangemerkt als diensten;
d. werktijd:
het totaal van de in kloktijden aangegeven perioden gedurende welke een militair de hem opgedragen werkzaamheden of diensten moet verrichten;
e. rooster:
een voor een periode van tenminste een week opgesteld en van tevoren schriftelijk bekendgemaakt schema van aanvang en einde van de dagelijkse werk- en rusttijden, eventueel afzonderlijk vastgesteld voor werkzaamheden en voor diensten;
f. arbeidsduur:
de tijdsduur, uitgedrukt in een aantal uren per dag of per week, gedurende welke een militair werkzaamheden of diensten verricht;
g. nachtdienst:
een werkdag waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn begrepen;
h. werkdag:
een aaneengesloten tijdruimte waarin werkzaamheden of diensten worden verricht en die is gelegen tussen twee voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden;
i. pauze:
een tijdruimte van ten minste 15 achtereenvolgende minuten, waarmee de werkzaamheden of diensten tijdens de werkdag worden onderbroken en de militair geen enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen werkzaamheden of diensten;
j. consignatie:
een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende werkdagen of tijdens een pauze, waarin die militair uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen werkzaamheden of diensten te verrichten;
k. aanwezigheidsdienst:
een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren, waarin de militair, zo nodig naast het verrichten van de bedongen werkzaamheden of diensten, consignatie wordt opgelegd waarbij die militair verplicht is op de werkplek aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen werkzaamheden of diensten te verrichten;
l. piket:
een periode waarin de militair, zo nodig naast het verrichten van de bedongen werkzaamheden of diensten, consignatie wordt opgelegd waarbij de militair verplicht is om in verband met zijn bereikbaarheid op de werkplek aanwezig te zijn;
m. oefening:
elk door defensiepersoneel in de praktijk brengen van onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van aan de krijgsmacht opgedragen operationele taken te verwerven, te vergroten of te onderhouden.
1.
De militair verricht de hem opgedragen werkzaamheden of diensten in beginsel gedurende vastgestelde werktijden.
2.
De werk- en rusttijden van de militair worden met inachtneming van de bepalingen in dit hoofdstuk, en nadat hierover overeenkomstig het Besluit medezeggenschap defensie overeenstemming is bereikt met de betrokken medezeggenschapscommissie, vastgesteld door de commandant en schriftelijk vastgelegd in roosters.
3.
De werktijd dient zoveel mogelijk te zijn gelegen tussen 07.00 en 18.00 uur.
4.
De arbeidsduur bedraagt gerekend over de periode waarvoor het rooster is vastgesteld ten hoogste gemiddeld 38 uren per week. Hiervan kan worden afgeweken ter zake van het verrichten van diensten.
5.
Door Onze Minister kunnen functies worden aangewezen waarbij het reizen, naar en vanaf de plaats waar de militair werkzaamheden of diensten moet verrichten, een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van de functie. Bij die functies wordt de reisduur buiten de voor de militair geldende werktijd als arbeidsduur aangemerkt.
1.
De commandant die een rooster vaststelt of opnieuw vaststelt, maakt het rooster ten minste 28 dagen vóór de datum van inwerkingtreding bekend aan de militair.
2.
Indien de aard van de werkzaamheden of diensten toepassing van het eerste lid onmogelijk maakt, stelt de commandant ten minste 28 dagen van tevoren aan de militair bekend op welke dag de rusttijd, bedoeld in de artikelen 56e en 57a, eerste lid, aanvangt. Tevens maakt hij aan de militair ten minste 4 dagen van tevoren de tijdstippen bekend waarop hij werkzaamheden of diensten moet verrichten.
3.
De commandant dient overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt af te wijken van het eerste of tweede lid.
1.
De militair kan bij de commandant eenmaal per kalenderjaar een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar met 2 uren per week te verlengen wanneer:
a. de militair is aangesteld bij het beroepspersoneel; en
b. de militair een functie vervult in fase twee of fase drie; en
c. het rooster van de militair in het resterende deel van dat kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
2.
De commandant wijst een aanvraag als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In ieder geval wordt de aanvraag afgewezen indien de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur geen effect heeft op de formatie, onder door Onze Minister bij ministeriële regeling nader vast te stellen voorwaarden.
3.
Een toegestane verlenging van de arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verlenging is toegestaan.
4.
Een toegestane verlenging van de arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de militair een aanvraag indient om de tijdelijke verlenging van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de militair een aanvraag indient als bedoeld in artikel 54e, eerste lid; of
c. de commandant de verlenging van de arbeidsduur beëindigt omdat hij van oordeel is dat het dienstbelang zich tegen een voortgezette verlenging daarvan verzet.
5.
Indien de militair een andere functie wordt toegewezen vervalt met ingang van de datum waarop hij de nieuwe functie gaat vervullen de verlenging van de arbeidsduur. In dat geval kan de militair bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
6.
Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verlengd ontvangt de militair een maandelijkse toeslag. Deze toeslag bedraagt acht maal 1/165 deel van het voor de betrokken militair geldende maandsalaris, of een evenredig deel daarvan voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
1.
De militair kan bij de commandant eenmaal per kalenderjaar een aanvraag indienen om zijn arbeidsduur gedurende het resterende deel van dat kalenderjaar met 2 uren per week te verkorten wanneer:
a. de militair is aangesteld bij het beroepspersoneel; en
b. de militair een functie vervult in fase twee of fase drie; en
c. het rooster van de militair in het resterende deel van dat kalenderjaar zal zijn gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
2.
De in het eerste lid bedoelde verkorting van de arbeidsduur wordt verwerkt in het voor de betrokken militair geldende rooster dan wel wordt toegekend in de vorm van acht spaaruren per maand wanneer het een militair betreft van wie het rooster is gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week. Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de ingevolge de vorige volzin geldende aanspraak vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
3.
De commandant wijst een aanvraag indien het gaat om een militair als bedoeld in het eerste lid toe.
4.
Een toegestane verkorting van de arbeidsduur gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de verkorting is toegestaan.
5.
Een toegestane verkorting van de arbeidsduur wordt jaarlijks stilzwijgend voortgezet tenzij:
a. de militair een aanvraag indient om de tijdelijke verkorting van de arbeidsduur te beëindigen; of
b. de militair een aanvraag indient als bedoeld in artikel 54d, eerste lid.
6.
Indien de militair een andere functie wordt toegewezen vervalt met ingang van de datum waarop hij de nieuwe functie gaat vervullen de verkorting van de arbeidsduur. In dat geval kan de militair bij zijn nieuwe commandant een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen.
7.
Voor het deel dat de arbeidsduur wordt verkort, wordt maandelijks een inhouding op de inkomsten van de militair toegepast. Deze inhouding bedraagt 2 maal 1/165 deel van het voor de betrokken militair geldende maandsalaris, of een evenredig deel daarvan voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week.
1.
De spaaruren, bedoeld in artikel 54e, tweede lid, worden geheel of gedeeltelijk in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren en ten hoogste 960 spaaruren opgenomen. Voor de militair die in verband met deeltijdverlof een arbeidsduur heeft van gemiddeld minder dan 38 uur per week wordt de in de vorige volzin genoemde verplichting vastgesteld op een aaneengesloten periode van een evenredig aantal spaaruren van het aantal dat geldt voor een militair met een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
2.
De spaaruren worden in beginsel opgenomen bij functiewisseling, voorafgaand aan de datum van plaatsing op de nieuwe functie.
3.
In afwijking van het tweede lid kan de opname van spaaruren gedurende de functievervulling worden toegestaan, tenzij het dienstbelang zich hiertegen verzet.
4.
Indien de militair van functie wisselt kan het hoofd defensieonderdeel op aanvraag van de militair afwijken van het minimum aantal op te nemen spaaruren. Indien de militair wordt verplaatst kan het hoofd defensieonderdeel op aanvraag van de militair afwijken van het gestelde in het eerste lid dat de spaaruren in een aaneengesloten periode van ten minste 288 spaaruren worden opgenomen. Indien met een dergelijke aanvraag wordt ingestemd, dan wordt het gehele tegoed aan spaaruren opgenomen bij functiewisseling, voorafgaand aan de datum van plaatsing op de nieuwe functie.
5.
Een aanvraag voor de opname van spaaruren wordt ten minste 6 maanden voorafgaande aan de gewenste datum van aanvang van de opnameperiode, ingediend bij het hoofd defensieonderdeel.
6.
De in een kalenderjaar opgebouwde spaaruren vervallen na een periode van 10 kalenderjaren, te rekenen vanaf de dag van aanvang van het daarop volgende kalenderjaar.
7.
Indien vanwege dienstbelang dan wel persoonlijke omstandigheden de militair gedurende de periode van 10 jaar bedoeld in het zesde lid niet in de gelegenheid is gesteld de spaaruren op te nemen, maakt het hoofd defensieonderdeel in afwijking van het zesde lid met de militair afspraken over de opname van de spaaruren binnen de 2 daaropvolgende kalenderjaren.
8.
Ten aanzien van de opname van spaaruren zijn de artikelen 64, 65, 66 en 67 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 54fa
In afwijking van het bepaalde in de artikelen 54d, 54e, 54f berust de bevoegdheid tot het toekennen van een aanvraag van militairen met de rang van kapitein ter zee/kolonel en hoger op grond van deze artikelen, bij de Secretaris-Generaal.
Artikel 54g. Spaaruren en ontslag
Indien de militair op de datum dat hij de werkelijke dienst verlaat nog een tegoed aan spaaruren heeft, dan wordt voor elk spaaruur een vergoeding toegekend van 1/165 deel van het voor de betrokken militair geldende maandsalaris, zoals dit gold direct voorafgaande aan het verlaten van de werkelijke dienst.
1.
De commandant voert een deugdelijke registratie ter zake van de werk- en rusttijden en de realisatie daarvan, welke het toezicht op de naleving van de bepalingen in dit hoofdstuk mogelijk maakt.
2.
De in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden worden ten minste 52 weken, gerekend vanaf de datum waarop de desbetreffende gegevens en bescheiden betrekking hebben, bewaard.
Artikel 54i. Gelijkstelling met arbeidsduur
Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk, ten aanzien van de arbeidsduur, wordt voor het bepalen van het aantal uren dat werkzaamheden of diensten worden verricht, meegeteld de uren waarop de militair de werkzaamheden of diensten zou hebben verricht, maar deze uren in het kader van de medezeggenschap als bedoeld in artikel 17 van het Besluit medezeggenschap defensie, ziekte, verlof als bedoeld in artikel 61, tweede lid, met uitzondering van buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid, of de vervulling van door wet of overheid opgelegde verplichting welke niet in zijn vrije tijd kon geschieden, niet heeft verricht.
Artikel 54j. Gelijkstelling met de zondag
Voor de toepassing van de bepalingen in dit hoofdstuk ten aanzien van de zondag, vindt voor de militair, die in verband met zijn godsdienstige of levensbeschouwelijke opvatting, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing ten aanzien van die dag in plaats van ten aanzien van de zondag, indien die militair dit schriftelijk verzoekt.
1.
Indien uit arbeidsgezondheidskundig onderzoek blijkt, dat de gezondheidsproblemen van een militair voortvloeien uit het verrichten van nachtdiensten, dan worden de werkzaamheden of diensten van die militair binnen redelijke termijn zodanig ingericht, dat hij werkzaamheden of diensten verricht anders dan in nachtdienst.
2.
De commandant voldoet aan de voor hem uit het eerste lid voortvloeiende verplichting, tenzij hij aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
1.
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van paragraaf 12, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht:
a. ten tijde van buitengewone omstandigheden, alsmede ten aanzien van een onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de mededeling bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht is gedaan;
b. ter uitvoering van bij wet of daarop berustende bepalingen opgedragen taken, voor zover de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen een goede taakuitoefening belemmert;
c. in door Onze Minister te bepalen andere gevallen waarin onderdelen van de krijgsmacht worden ingezet;
d. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op de omstandigheden, bedoeld onder a, b, en c.
2.
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 11 en 12, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht:
a. tijdens varen, vliegen en oefeningen;
b. inzake aangelegenheden die rechtstreeks betrekking hebben op het varen, het vliegen en het houden van oefeningen.
Artikel 55b. Opleidingen
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2 en 12, niet van toepassing op verrichtingen van de militair die een opleiding volgt als bedoeld in de artikelen 13, 14 en 15.
Artikel 55c. Inzet brandweer
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door militair brandweerpersoneel, tenzij dit personeel repressief optreedt bij brand en ongevallen.
Artikel 55d. Leidinggevenden en hoger personeel
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, derde tot en met vijfde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door:
a. de militair van 18 jaar en ouder met de rang van luitenant ter zee der 1e klasse dan wel majoor of een hogere rang die uitsluitend of in hoofdzaak leiding geeft;
b. de militair van 18 jaar en ouder met de rang van kapitein-luitenant ter zee dan wel luitenant-kolonel of met een hogere rang, tenzij hij werkzaamheden of diensten pleegt te verrichten in nachtdienst dan wel werkzaamheden of diensten verricht waaraan of in rechtstreeks verband waarmee ernstige gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van personen zijn verbonden.
Artikel 55e. Internationaal tewerkgesteld
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, vierde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, eerste en tweede lid, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door de militair, bedoeld in artikel 2, tweede lid, voor zover hij is tewerkgesteld buiten Nederland.
Artikel 55f. Medisch specialisten
Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen zijn, met uitzondering van de paragrafen 2, 11 en 12, en de artikelen 54a, 54b, derde tot en met vijfde lid, 54d, 54e, 54f, 54g, 54k en 57a, niet van toepassing op werkzaamheden of diensten verricht door de militair van 18 jaar en ouder die werkzaam is als medisch specialist, als huisarts of als sociaal geneeskundige en als zodanig staat geregistreerd in één van de registers van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, dan wel als tandheelkundig specialist en als zodanig staat ingeschreven in het specialistenregister van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde.
1.
De arbeidsduur van de militair bedraagt ten hoogste 10 uren per werkdag, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.
2.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair meer dan 9 uren per werkdag of meer dan 45 uren per week werkzaamheden of diensten verricht.
3.
Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per werkdag, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
1.
Van de in artikel 56a genoemde arbeidsduur kan worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de aard van de werkzaamheden of diensten, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.
2.
De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 12 uren per werkdag, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48 uren per week.
3.
Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 56p, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
4.
Indien als gevolg van de toepassing van het eerste lid werkzaamheden of diensten worden verricht in nachtdienst, welke werkzaamheden of diensten eindigen vóór of op 02.00 uur, dan zijn hierop de in paragraaf 5 opgenomen bepalingen ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden of diensten in nachtdienst niet van toepassing.
Artikel 56c. Arbeidsduur jeugdige militair
In afwijking van artikel 56a, eerste lid, artikel 56b, tweede lid, artikel 58b, vijfde lid, artikel 58c, derde lid, onderdeel b, en artikel 58d, vierde lid, bedraagt de arbeidsduur van de militair die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
1.
De militair heeft in elke aaneengesloten tijdruimte van 24 uren recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren.
2.
De in het voorgaande lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.
1.
De militair heeft recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren. De voorgeschreven rusttijd van 60 uren mag éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken worden bekort tot 32 uren.
2.
De in het voorgaande lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.
1.
Voor de militair die werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht, bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 9 uren per nachtdienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 50 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
2.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair meer dan 8 uren per nachtdienst of meer dan 45 uren per week werkzaamheden of diensten verricht.
3.
Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 8 uren per nachtdienst, ten hoogste 45 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
1.
Van de in artikel 56f genoemde arbeidsduur kan worden afgeweken indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet periodiek, voordoet, of de aard van de werkzaamheden of diensten, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt.
2.
De arbeidsduur bedraagt in situaties als bedoeld in het eerste lid ten hoogste 10 uren per nachtdienst, ten hoogste 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week.
3.
Op de afwijking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 56p, vierde lid, onderdelen b en c, en het zesde lid, niet van toepassing.
1.
De militair heeft na het verrichten van werkzaamheden of diensten in nachtdienst, welke eindigen ná 02.00 uur, recht op een onafgebroken rusttijd van tenminste 14 uren, welke éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden bekort tot ten minste 8 uren.
2.
De commandant dient over de toepassing van de in het eerste lid bedoelde bekorting van de onafgebroken rusttijd tot ten minste 8 uren overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
3.
De in het eerste lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.
1.
De militair verricht in elke periode van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 52 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst, indien de werkzaamheden of diensten eindigen vóór of op 02.00 uur.
2.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair in een periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 16 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht, indien die werkzaamheden of diensten eindigen vóór of op 02.00 uur.
1.
De militair verricht in elke periode van 13 achtereenvolgende weken niet meer dan ten hoogste 28 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst, indien de werkzaamheden of diensten eindigen ná 02.00 uur.
2.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang het noodzakelijk maakt dat de militair in elke periode van 4 achtereenvolgende weken meer dan 10 maal en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken meer dan 25 maal werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht, indien die werkzaamheden of diensten eindigen ná 02.00 uur.
1.
In afwijking van artikel 56j, eerste lid, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
Indien de aard van de werkzaamheden of diensten met zich brengt dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst worden verricht, en dit door het op een andere wijze organiseren van die werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair:
a. hetzij ten hoogste 35 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken werkzaamheden of diensten in nachtdienst;
b. hetzij ten hoogste 20 uren in elke periode van 2 achtereenvolgende weken werkzaamheden of diensten tussen 00.00 uur en 06.00 uur.
3.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
1.
Na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst te hebben verricht, heeft de militair recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.
2.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang noodzakelijk maakt dat de militair 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht die eindigen vóór of op 02.00 uur, hetzij 6 of 7 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht die eindigen ná 02.00 uur.
3.
Indien het eerste lid niet wordt toegepast, dan heeft de militair,:
a. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 6 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst te hebben verricht, die eindigen vóór of op 02.00 uur;
b. hetzij na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 5 maal achtereen werkzaamheden of diensten in nachtdienst te hebben verricht, die eindigen ná 02.00 uur,
recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 48 uren.
1.
In afwijking van artikel 56f, eerste lid, en artikel 56g, tweede lid, ten aanzien van het gemiddeld aantal uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
Indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden voordoet of de aard van de werkzaamheden of diensten het noodzakelijk maakt dat de militair slechts incidenteel of voor korte tijd werkzaamheden of diensten in nachtdienst verricht en dit door het op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair in elke periode van 52 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week werkzaamheden of diensten.
3.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
1.
In afwijking van de artikelen 56a, 56b, 56f en 56g, ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag of nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
Indien de werkzaamheden of diensten geen uitstel gedogen, en door het nemen van andere maatregelen redelijkerwijs niet is te voorkomen, verricht de militair ten hoogste éénmaal in elke periode van 2 achtereenvolgende weken 14 uren werkzaamheden of diensten per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst.
3.
Het tweede lid is eveneens van toepassing, indien de werkzaamheden of diensten worden verstoord door een zich plotseling voordoende situatie:
a. waarbij personen ernstig letsel oplopen, dan wel daartoe de onmiddellijke dreiging bestaat;
b. waarbij buitengewoon ernstige schade aan goederen ontstaat, dan wel dreigt te ontstaan.
1.
De commandant kan, in afwijking van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst en de onafgebroken rusttijd, dit artikel toepassen.
2.
De arbeidsduur per werkdag of per nachtdienst onderscheidenlijk de onafgebroken rusttijd wordt met ten hoogste 15 achtereenvolgende minuten verlengd onderscheidenlijk ingekort, indien de werkzaamheden of diensten van de militair aan het eind van de werkdag worden overgenomen en direct daaropvolgend worden voortgezet door een andere militair en de goede voortgang van die werkzaamheden of diensten overdracht noodzakelijk maakt.
3.
Op de afwijking bedoeld in het tweede lid zijn de artikelen 56i, 56j en 56k, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst worden verricht, niet van toepassing.
1.
Indien de arbeidsduur van de militair meer dan 5½ uur per werkdag of nachtdienst bedraagt, dan worden de werkzaamheden of diensten afgewisseld door een pauze.
2.
De in het eerste lid bedoelde pauze bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten, welke mag worden gesplitst in twee pauzes van ten minste 15 achtereenvolgende minuten.
3.
De commandant dient over de toepassing van het tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
4.
Indien het tweede lid niet wordt toegepast, dan worden, met inachtneming van het eerste lid, de werkzaamheden of diensten van de militair:
a. indien hij niet meer dan 8 uren werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste een half uur;
b. indien hij meer dan 8 uren, doch niet meer dan 10 uren werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 45 minuten;
c. indien hij meer dan 10 uren werkzaamheden of diensten per werkdag of nachtdienst verricht, afgewisseld door pauzes van tezamen ten minste 1 uur.
5.
Eén van de pauzes, bedoeld in het vierde lid, bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.
6.
De pauzes, bedoeld in het vierde lid, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na de aanvang en 2 uren voor het einde van de werkzaamheden of diensten.
1.
De commandant kan van het bepaalde in artikel 54a, onderdeel j, en artikel 58a, tweede lid, afwijken, indien de aard van de werkzaamheden of diensten van de militair het noodzakelijk maakt dat hij tijdens de pauze bereikbaar is onderscheidenlijk op de werkplek aanwezig is om op oproep zo spoedig mogelijk die werkzaamheden of diensten te verrichten, en dit door het op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen.
2.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid geldt de tijd tijdens de werkplekgebonden pauze waarop de werkzaamheden of diensten van de militair zich uitsluitend beperken tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als pauze.
1.
De commandant kan van het bepaalde in artikel 56p, eerste lid, afwijken, indien de militair:
a. werkzaamheden of diensten verricht zonder enig direct contact met een andere militair of ambtenaar die vergelijkbare werkzaamheden of diensten verricht, of
b. indien de aard van de werkzaamheden of diensten met zich brengt dat de afwisseling van de werkzaamheden of diensten per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst door een pauze onmogelijk is en dit door het op een andere wijze organiseren van de werkzaamheden of diensten redelijkerwijs niet is te voorkomen.
2.
De commandant dient over de toepassing van het eerste lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
3.
Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de militair in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week werkzaamheden of diensten.
4.
Indien het eerste lid wordt toegepast, verricht de militair in afwijking van artikel 57c, tweede lid, en artikel 59b, tweede lid, ten hoogste 12 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten.
1.
Op zaterdag en zondag worden aan de militair geen werkzaamheden of diensten opgedragen. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zulks onvermijdelijk maakt.
2.
Het eerste lid geldt mede voor Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag, 5 mei en de door Onze Minister aan te wijzen feest- of gedenkdagen.
3.
Er dient naar te worden gestreefd dat de militair geen werkzaamheden of diensten verricht op de dagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, die voorafgaan aan, vallen in of aansluiten op een aan hem verleend verlof van meer dan 3 dagen, doch minder dan 10 dagen. De militair verricht in beginsel geen werkzaamheden of diensten op de in de eerste volzin bedoelde dagen, die voorafgaan aan, vallen in of aansluiten op een hem verleend verlof van 10 dagen of meer.
4.
De militair verricht geen werkzaamheden of diensten op ten minste 26 zondagen per periode van 52 weken.
5.
De voor de militair, die volgens rooster werkzaamheden of diensten in continu- of ploegendienst verricht, geldende arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, wordt tijdens de desbetreffende roosterperiode evenredig verminderd indien hij op dagen als bedoeld in het tweede lid, die niet op zaterdag of zondag vallen:
a. daadwerkelijk werkzaamheden of diensten heeft verricht, of;
b. volgens rooster niet was aangewezen voor het verrichten van werkzaamheden of diensten.
Een dergelijk vermindering van de arbeidsduur zal per dag, als bedoeld in het tweede lid, niet meer dan acht uren bedragen.
6.
Ten aanzien van militairen die zijn ingedeeld bij eenheden die onmiddellijk in actie moeten kunnen komen of bij eenheden die dienst verrichten buiten Nederland, kan bij het opstellen van het rooster door de commandant worden afgeweken van het eerste, het tweede en het derde lid met betrekking tot de zaterdagmorgen en de feest- of gedenkdagen.
7.
Indien naar het oordeel van de commandant de belangen van de dienst zich hiertegen niet verzetten, wordt de militair, aan wie op een zondag of een dag als bedoeld in het tweede lid of het zesde lid, werkzaamheden of diensten zijn opgedragen, tijdens de werktijd in de gelegenheid gesteld de godsdienstuitoefening van de gezindte waartoe hij behoort bij te wonen.
8.
Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel bij ministeriële regeling nadere regels stellen.
1.
In afwijking van de artikelen 56b en 56g ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
Indien de aard van de werkzaamheden of diensten, of de bedrijfsomstandigheden, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Koninginnedag of 5 december dit noodzakelijk maakt, verricht de militair in de aaneengesloten periode van 7 dagen voorafgaand aan die dag ten hoogste tweemaal 14 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten.
3.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
4.
Artikel 56n is niet van toepassing indien het eerste en tweede lid wordt toegepast.
1.
In afwijking van artikel 56a, eerste lid, en artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid, ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
De militair verricht, in verband met de Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag en Eerste en Tweede Kerstdag, in de tijdruimte tussen de dag voorafgaand aan bedoelde dagen 18.00 uur en de op deze dagen volgende dag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten. De militair heeft na het verrichten van die werkzaamheden of diensten een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3.
Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast, dan organiseert de commandant de werkzaamheden of diensten zodanig, dat zoveel mogelijk militairen op de in het tweede lid bedoelde dagen geen werkzaamheden of diensten verrichten in de tijdruimte gelegen tussen 00.00 uur en de daarop volgende dag 06.00 uur.
4.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
1.
De commandant kan de militair consignatie opleggen.
2.
Ten minste gedurende 2 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 4 achtereenvolgende weken wordt geen consignatie opgelegd.
3.
Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen consignatie opgelegd.
4.
Als consignatie wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
5.
Indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
6.
Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
7.
De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
8.
Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5 ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht niet van toepassing.
1.
In afwijking van artikel 58a, tweede lid, kan de commandant de militair ten hoogste 3 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de commandant de militair gedurende ten hoogste 6 weken in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren en ten hoogste 26 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.
3.
Als het tweede lid wordt toegepast heeft de militair na de aanwezigheidsdienst of reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten een onafgebroken rusttijd die ten minste even lang is als de voorafgaande aanwezigheidsdienst onderscheidenlijk reeks van aaneengesloten aanwezigheidsdiensten.
4.
Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen aanwezigheidsdienst opgelegd.
5.
Als een aanwezigheidsdienst wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
6.
Indien de aanwezigheidsdienst geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
7.
Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.
8.
Voor de toepassing van het vijfde en zesde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
9.
De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
10.
Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
1.
Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de militair die met goed gevolg een brandweeropleiding heeft afgesloten en die als zodanig werkzaam is, alsmede de militair die in directe samenhang met voornoemde militair werkzaamheden of diensten verricht.
2.
In afwijking van artikel 58a, tweede lid, kan de commandant de militair ten hoogste 4 maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, ten hoogste 46 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken en ten hoogste 124 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken een aanwezigheidsdienst opleggen.
3.
Indien het tweede lid wordt toegepast, dan:
a. heeft de militair vóór en ná een aanwezigheidsdienst een onafgebroken rusttijd van ten minste 11 uren, welke rusttijd éénmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag worden ingekort tot ten minste 8 uren;
b. bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 10 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 45 uren per week.
4.
Het derde lid, onderdeel a, blijft buiten toepassing, indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen waardoor het aantal militairen dat nodig is onder het vereiste minimum komt, die een dergelijke afwijking noodzakelijk maakt.
5.
Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens een aanwezigheidsdienst, waarbij de dienst van de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.
6.
Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
7.
De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
8.
Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
1.
In afwijking van artikel 58a, tweede lid, kan de commandant de militair ten hoogste een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren piket opleggen.
2.
Als piket wordt opgelegd, dan wordt de militair ten minste gedurende 8 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 13 achtereenvolgende weken geen piket, aanwezigheidsdienst of consignatie opgelegd.
3.
Tijdens de onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan en direct volgend op een nachtdienst wordt geen piket opgelegd.
4.
Als piket wordt opgelegd bedraagt de arbeidsduur ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
5.
Indien het piket geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur tot 06.00 uur bestrijkt, bedraagt de arbeidsduur, in afwijking van het vorige lid ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, ten hoogste 60 uren per week en ten hoogste gemiddeld 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken.
6.
Voor de toepassing van dit artikel geldt de tijd tijdens het piket, waarbij de dienst van de militair zich uitsluitend beperkt tot de verplichte aanwezigheid op de werkplek, als rusttijd.
7.
Voor de toepassing van het vierde en vijfde lid vangt de arbeidsduur aan op het moment van de oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep opnieuw een oproep wordt gedaan, wordt de tussenliggende tijd gerekend tot de arbeidsduur. Indien binnen een half uur één of meer keren werkzaamheden voortvloeiend uit een oproep worden verricht, wordt de arbeidsduur geacht ten minste een half uur te bedragen.
8.
De werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep worden voor de toepassing van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen ten aanzien van rusttijd en pauze buiten beschouwing gelaten.
9.
Op de werkzaamheden die voortvloeien uit een oproep zijn de bepalingen in paragraaf 5, ten aanzien van het aantal malen dat werkzaamheden of diensten in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.
Artikel 59a. Continu- en ploegendienst
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op werkzaamheden of diensten die door de militair in continu- of ploegendienst worden verricht.
1.
In afwijking van artikel 56a, eerste lid, en artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid, ten aanzien van de onafgebroken rusttijd na een nachtdienst, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
De militair verricht in de tijdruimte gelegen tussen vrijdag 18.00 uur en de daaropvolgende maandag 08.00 uur ten hoogste 11 uren per werkdag onderscheidenlijk per nachtdienst werkzaamheden of diensten.
3.
Indien het eerste en tweede lid wordt toegepast heeft de militair na het verrichten van die werkzaamheden of diensten een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren, en verricht hijten minste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken geen werkzaamheden of diensten in de tijdruimte gelegen tussen zaterdag 00.00 uur en de daaropvolgende maandag 06.00 uur.
4.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
1.
In afwijking van artikel 56e, eerste lid, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
De militair heeft recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren, welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 72 uren.
3.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
4.
Indien het eerste en tweede lid niet wordt toegepast, dan heeft de militair recht op een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren, hetzij ten minste 92 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uren.
5.
De in het tweede en vierde lid bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de militair werkzaamheden of diensten verricht.
1.
In afwijking van artikel 56p, tweede lid, kan de commandant dit artikel toepassen.
2.
Indien de arbeidsduur meer dan 5½ uur per werkdag of nachtdienst bedraagt, dan worden de werkzaamheden of diensten van de militair afgewisseld door een pauze.
3.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
1.
Indien zich incidentele en onvoorziene omstandigheden voordoen, waardoor het aantal militairen in een ploeg onder het vereiste minimum komt, kan de commandant afwijken van artikel 56f, eerste lid, ten aanzien van de arbeidsduur per nachtdienst, en artikel 56h, eerste lid.
2.
Onverminderd het gestelde in artikel 57c, en artikel 59b ten aanzien van de zondag,:
a. verricht de militair bij toepassing van het eerste lid gedurende ten hoogste 2 maal in elke periode van 4 achtereenvolgende weken en 8 maal in elke periode van 52 achtereenvolgende weken, ten hoogste 11 uur per nachtdienst werkzaamheden of diensten;
b. heeft de militair na het verrichten van die werkzaamheden of diensten recht op een onafgebroken rusttijd van ten minste 12 uren.
3.
De commandant dient over de toepassing van het eerste en tweede lid overeenstemming te bereiken met de betrokken medezeggenschapscommissie, indien het dienstbelang toepassing noodzakelijk maakt.
1.
De werkzaamheden of diensten van een zwangere militair worden zodanig ingericht, dat rekening wordt gehouden met haar specifieke omstandigheden. De commandant voldoet, met inachtneming van het tweede tot en met vijfde lid, aan de voor hem uit de eerste volzin voortvloeiende verplichting binnen een redelijke termijn nadat een aanvraag daartoe door de zwangere militair is gedaan. Bij deze aanvraag wordt desgevraagd een schriftelijke verklaring overgelegd van een geneeskundige of een verloskundige waaruit blijkt, dat de betrokken militair zwanger is.
2.
De zwangere militair heeft het recht de werkzaamheden of diensten af te wisselen met één of meer pauzes buiten die bedoeld in artikel 56p. Deze extra pauze onderscheidenlijk pauzes bedragen tezamen ten minste 15 minuten en ten hoogste één achtste deel van de voor haar geldende arbeidsduur per werkdag of nachtdienst. De in de vorige volzin bedoelde pauzes gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
3.
De zwangere militair heeft het recht werkzaamheden of diensten te verrichten in een bestendig en regelmatig werk- en rusttijdenpatroon.
4.
De zwangere militair kan niet worden verplicht werkzaamheden of diensten te verrichten anders dan op grond van artikel 56a is toegestaan.
5.
De zwangere militair kan niet worden verplicht werkzaamheden of diensten te verrichten in nachtdienst, tenzij de commandant aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
6.
De commandant stelt de zwangere militair in de gelegenheid de noodzakelijke zwangerschapsonderzoeken te ondergaan. De tijd van de in de vorige volzin bedoelde onderzoeken geldt voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
Artikel 59g. Bevalling
De commandant organiseert de werkzaamheden of diensten zodanig, dat een vrouwelijke militair:
a. geen werkzaamheden of diensten verricht binnen 28 dagen voor de vermoedelijke datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de vrouwelijke militair aan de commandant overgelegde schriftelijke verklaring van een geneeskundige of verloskundige waaruit de vermoedelijke datum van bevalling blijkt. Het in de eerste volzin bedoelde tijdvak wordt verlengd met het tijdvak dat verloopt tussen de vermoedelijke datum van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling;
b. geen werkzaamheden of diensten verricht binnen 42 dagen na haar bevalling.
Artikel 59h. Werk- en rusttijden na de bevalling
Artikel 59f is, met uitzondering van het zesde lid, van overeenkomstige toepassing gedurende een periode van 6 maanden na de bevalling.
1.
Een vrouwelijke militair, die een borstkind voedt, heeft, indien zij de commandant hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende ten minste de eerste 9 levensmaanden van dat kind het recht de werkzaamheden of diensten te onderbreken ten einde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De commandant biedt haar daartoe de gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten ruimte ter beschikking.
2.
De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is doch bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de arbeidsduur per werkdag of nachtdienst. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken vrouwelijke militair na overleg met de commandant.
3.
De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk als arbeidsduur.
Artikel 60a. Herleiding werktijd
Indien de aard van de te verrichten diensten daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister bij ministeriële regeling bepalen dat de tijd, gedurende welke deze diensten worden verricht slechts voor een deel tot de arbeidsduur wordt gerekend.
Artikel 60b. Beperking van de bewegingsvrijheid
Door het hoofd defensieonderdeel kan aan de militair de verplichting worden opgelegd buiten de voor hem vastgestelde werktijden met het oog op eventuele dienstverrichting:
a. zich op een bepaalde plaats ter beschikking te houden;
b. binnen een bepaald gebied te verblijven of zich op bepaalde tijdstippen te melden.
Artikel 60c. Vergoeding van extra beslaglegging
Aan de militair kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels worden toegekend:
a. een toelage voor het volgens een rooster regelmatig of vrij regelmatig verrichten van werkzaamheden of diensten op ongebruikelijke tijdstippen, of;
b. een vergoeding over de tijd gedurende welke op hem een verplichting rust als bedoeld in de artikelen 56q, 58a, 58b, 58c, 58d en 60b, of;
c. een vergoeding voor de overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, of;
d. een vergoeding voor meerdaagse activiteiten, met een duur van ten minste een etmaal, of;
e. een vergoeding voor het verrichten van diensten, of werkzaamheden, of meerdaagse activiteiten, op een dag als bedoeld in artikel 57a, eerste en tweede lid.
Artikel 60d. Toepasselijkheid verlofbepalingen
Indien de overschrijding van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 54b, vierde lid, wordt vergoed in tijd, zijn op deze tijd de artikelen 63 tot en met 67 van overeenkomstige toepassing.
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. «verlof» elke vorm van verlof genoemd in het tweede lid;
b. «militair» de militair in werkelijke dienst;
c. «maand» de periode tussen een datum van een kalendermaand en de overeenkomstige datum van de volgende kalendermaand, waarbij een resterend aantal van zestien of meer dagen voor een maand wordt gerekend.
2.
De verloven die aan de militair kunnen worden verleend worden onderscheiden in:
a. vakantieverlof;
b. inschepings- en ontschepingsverlof;
c. buitengewoon verlof;
d. buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg.
Artikel 62. Bevoegdheid tot het verlenen van verlof
Verlof wordt verleend door de commandant van de militair tenzij in dit hoofdstuk anders wordt bepaald.
1.
Het verlof, bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met c, waarop de militair ingevolge dit hoofdstuk aanspraak heeft, wordt hem al dan niet op zijn aanvraag verleend.
2.
Verlof op aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt, onder vermelding van de redenen, niet verleend voor zover de belangen van de dienst dit, naar het oordeel van degene die bevoegd is het verlof te verlenen, vorderen.
3.
Het verlof, bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdeel d, wordt na melding door de militair verleend met inachtneming van de Wet arbeid en zorg en de bepalingen in paragraaf 4b van dit hoofdstuk.
1.
De dagen gedurende welke een militair, ware hij niet met verlof geweest, verhinderd zou zijn geweest dienst te verrichten wegens ziekte of een ongeval, worden niet aangemerkt als verlof mits hij degene die het verlof heeft verleend, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, zo spoedig mogelijk van die ziekte of dat ongeval in kennis heeft gesteld. Het voorgaande vindt geen toepassing voor de dagen waarop buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931 of artikel 86, aanhef en onder b van dit besluit wordt genoten.
2.
Wanneer een militair tijdens een hem verleend vakantieverlof, inschepings- of ontschepingsverlof aanspraak kan maken op buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 85 of buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg als bedoeld in paragraaf 4b, wordt het vakantieverlof, inschepings- of ontschepingsverlof als niet verleend aangemerkt, maar, met inachtneming van artikel 85, tweede lid, onderscheidenlijk paragraaf 4b als buitengewoon verlof dan wel buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg aangemerkt, mits hij degene die het verlof heeft verleend, tijdig van de reden voor dat buitengewoon verlof in kennis heeft gesteld.
1.
Verleend verlof als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met c, kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien de belangen van de dienst zulks naar het oordeel van degene die het verlof heeft verleend, uitdrukkelijk vorderen.
2.
Een dag waarop een militair door een maatregel als bedoeld in het eerste lid slechts voor een gedeelte verlof heeft genoten, wordt niet aangemerkt als een verlofdag.
3.
Voorts kan verleend verlof als bedoeld in artikel 61, tweede lid, onderdelen a tot en met c, geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken op aanvraag van de betrokken militair, indien naar het oordeel van degene die het verlof heeft verleend, de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten.
4.
Buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg eindigt met inachtneming van paragraaf 4b.
Artikel 66. Verlof buiten het land van plaatsing
De militair die voornemens is een verlof door te brengen buiten het land waar hij is geplaatst kan om redenen van operationele aard door degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, worden verplicht hem van dat voornemen tijdig schriftelijk mededeling te doen onder vermelding van het land of de landen die hij tijdens zijn verlof zal bezoeken.
1.
De militair aan wie een verlof is verleend en die geldelijke schade lijdt als gevolg van het geheel of gedeeltelijk intrekken van dat verlof krachtens artikel 65, eerste lid, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk beëindigen van dat verlof krachtens artikel 65, vierde lid, of als gevolg van een verbod als bedoeld in artikel 12e van de Militaire Ambtenarenwet 1931, heeft aanspraak op vergoeding van die schade, voor zover hij die redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
2.
Aan de militair die met het oog op de besteding van een verlof waarop hij aanspraak kan doen gelden maar dat hem nog niet is verleend, met schriftelijke instemming van degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, bepaalde voorzieningen heeft getroffen en:
a. aan wie het verlof wordt geweigerd om redenen die op het tijdstip waarop de instemming werd verleend niet konden worden voorzien, of
b. wiens voorgenomen besteding van het verlof als gevolg van een verbod als bedoeld in het eerste lid geen doorgang kan vinden, kan door het hoofd defensieonderdeel een gehele of gedeeltelijke vergoeding worden toegekend van de geldelijke schade die hij als gevolg van die weigering of dat verbod heeft geleden.
Artikel 67a. Afronding
Indien een berekening van een vakantieverlof ingevolge de artikelen 69, 70, 71, 71a, 74, 75, 80, 80a, 80b of 81 niet uitmondt in een afgerond aantal uren, wordt een gedeelte van een uur naar boven afgerond tot een heel uur.
1.
De militair ingedeeld bij de Koninklijke marine die gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft over dat jaar aanspraak op het navolgende vakantieverlof:
a. in het tijdvak van 1 juni tot 15 september: een aaneengesloten zomerverlof, omvattende 120 uren;
b. in het tijdvak van 1 december van het lopende kalenderjaar tot 1 februari van het daarop volgende jaar: een aaneengesloten winterverlof, omvattende 80 uren;
c. In het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december op een tijdstip naar eigen keuze: 32 uren, zoveel mogelijk op te nemen in aaneengesloten perioden van ten minste 4 uren.
2.
Het hoofd defensieonderdeel kan voor bijzondere gevallen van het eerste lid afwijkende vakantieverloftijdstippen vaststellen.
3.
De commandant kan een militair in bijzondere gevallen toestaan:
a. het hem toekomende zomer- of winterverlof op te nemen buiten de tijdvakken, genoemd in het eerste lid, onder a en b, of
b. die verloven aaneengesloten op te nemen.
1.
De militair ingedeeld bij de Koninklijke marine die niet gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft - behalve indien hij in dienst is gekomen voor een periode van minder dan 85 dagen - over dat jaar aanspraak op het navolgende vakantieverlof:
a. indien hij in dienst is getreden:
(1). vóór 1 juni: op het in het vorige artikel bedoelde zomer- en winterverlof;
(2). op of na 1 juni doch vóór 1 november: op het in het vorige artikel bedoelde winterverlof;
b. indien hij de dienst zal verlaten:
(1). vóór 1 juni: op een vijfde deel van het in het vorige artikel bedoelde aantal uren zomerverlof voor elke kalendermaand dat hij in werkelijke dienst zal zijn;
(2). in het tijdvak van 1 juni tot en met 31 augustus: op het in het vorige artikel bedoelde zomerverlof;
(3). in het tijdvak van 1 september tot en met 30 november: op het in het vorige artikel bedoelde zomerverlof alsmede op een derde deel van het in het vorige artikel bedoelde aantal uren winterverlof voor elke kalendermaand dat hij na 31 augustus in werkelijke dienst zal zijn;
(4). op of na 1 december: op het in het vorige artikel bedoelde zomer- en winterverlof;
c. op een twaalfde deel van het in het vorige artikel, eerste lid onder c, bedoelde vakantieverlof, voor elke maand dat hij in werkelijke dienst zal zijn.
2.
In afwijking van het eerste lid kan aan de militair niettemin het in artikel 68 bedoelde zomer- en winterverlof worden verleend, indien de eenheid waar hij metterdaad dienst verricht gedurende de verlofperiode wordt gesloten.
3.
Het tweede en derde lid van artikel 68 zijn van toepassing.
1.
Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke marine in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantieverlof. Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke marine gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij feitelijk dienst verricht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing:
a. in geval geen dienst is verricht wegens verleend verlof, niet zijnde buitengewoon verlof;
b. in geval geen dienst is verricht wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg;
c. in geval gedurende een periode, korter dan 52 weken geen dienst is verricht wegens ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de militair is te wijten, waarbij een hervatting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen nieuwe periode van 52 weken inluidt;
d. in andere gevallen, indien degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, daartoe aanleiding aanwezig acht.
3.
Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke marine ingevolge artikel 68 of 69 aanspraak maakt:
a. wordt verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem langer durend zorgverlof als bedoeld in artikel 87c, of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 87d, is verleend;
b. kan, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, worden verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 of artikel 86, aanhef en onder b, is verleend.
4.
Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke marine ingevolge artikel 68 of 69 aanspraak maakt wordt naar evenredigheid verminderd indien hem op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid wordt verleend. In geval van vermeerdering van de arbeidsduur op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen wordt de in de vorige volzin genoemde verminderde aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid vermeerderd.
5.
De militair heeft geen aanspraak op vakantieverlof indien artikel 17, vijfde lid, onderdeel j van het Inkomstenbesluit militairen van toepassing is.
1.
Aan een militair ingedeeld bij de Koninklijke marine die naar het oordeel van de commandant. buiten zijn wil of toedoen het hem ingevolge artikel 68 of 69 toekomende zomer- en/of winterverlof geheel of gedeeltelijk niet heeft kunnen genieten gedurende het lopende kalenderjaar of in de maand januari van het volgende kalenderjaar, kan het niet genoten vakantieverlof alsnog worden verleend zodra dat mogelijk is, doch uiterlijk op een zodanig tijdstip dat het zal zijn genoten voor het einde van dat volgende kalenderjaar.
2.
Het vakantieverlof, bedoeld in artikel 68, eerste lid onder c, en 69, eerste lid onder c, dat in enig kalenderjaar niet is genoten, wordt in het volgende kalenderjaar verleend, echter tot ten hoogste de helft van het aantal in die leden onder c genoemde onderscheidenlijk bedoelde aantal uren.
1.
Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor ieder uur vakantieverlof dat hem niet is verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/165 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2.
Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/165 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.
3.
Indien de militair uiterlijk veertien dagen na het tijdstip waarop hij in de loop van een kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat weer in werkelijke dienst komt of wordt aangesteld als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kan de militair, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de vakantieverlofaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet zijn genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantieverlof dat in het lopende kalenderjaar is verleend in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
4.
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof, dat, wanneer het nog niet is genoten op de datum waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, vervalt.
1.
De militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee, die gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft over dat jaar aanspraak op het navolgende vakantieverlof:
a. een militair beneden de rang van majoor: 184 uren;
b. een militair met de rang van majoor of een hogere rang: 192 uren.
2.
Voor de toepassing van het vorige lid is bepalend de rang of de stand die de militair op 1 januari van het kalenderjaar bekleedt.
3.
De volgens het eerste lid vastgestelde aantallen uren vakantieverlof worden verhoogd volgens onderstaande tabel, afhankelijk van de leeftijd die de militair in het desbetreffende kalenderjaar bereikt:
leeftijd verhoging
18 jaar en jonger 24 uren
19 jaar 16 uren
20 jaar 8 uren
van 30 tot en met 39 jaar 8 uren
van 40 tot en met 44 jaar 16 uren
van 45 tot en met 49 jaar 24 uren
van 50 tot en met 54 jaar 32 uren
van 55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar en ouder 48 uren
1.
De militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee die niet gedurende een vol kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst is, heeft - behalve indien hij in dienst is gekomen voor een periode van minder dan 85 dagen - over dat jaar aanspraak op het in het vorige artikel bedoelde vakantieverlof, vastgesteld naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hij in dat jaar in werkelijke dienst is.
2.
Voor de toepassing van het vorige lid is bepalend:
a. indien de militair in de loop van het kalenderjaar als zodanig in werkelijke dienst komt: de rang of stand die hij op het tijdstip van indiensttreding bekleedt;
b. indien de militair in de loop van het kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat: de rang of stand die hij op 1 januari van dat kalenderjaar bekleedt.
1.
Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee in het geheel geen dienst verricht, heeft hij geen aanspraak op vakantieverlof. Over kalendermaanden gedurende de welke de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop hij feitelijk dienst verricht.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing:
a. in geval geen dienst is verricht wegens verleend verlof, niet zijnde buitengewoon verlof;
b. in geval geen dienst is verricht wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof, als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg;
c. in geval gedurende een periode, korter dan 52 weken geen dienst is verricht wegens ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de militair is te wijten, waarbij een hervatting gedurende dertig kalenderdagen of minder geen nieuwe periode van 52 weken inluidt;
d. in andere gevallen, indien degene die tot het verlenen van het verlof bevoegd is, daartoe aanleiding aanwezig acht.
3.
Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee ingevolge artikel 73 of 74 aanspraak maakt:
a. wordt verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem langer durend zorgverlof als bedoeld in artikel 87c, of ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 87d, is verleend;
b. kan, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, worden verminderd naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hem buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 of artikel 86, aanhef en onder b, is verleend.
4.
Het vakantieverlof waarop een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee ingevolge artikel 73 of 74 aanspraak maakt, wordt naar evenredigheid verminderd indien hem op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid wordt verleend. In geval van vermeerdering van de arbeidsduur op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen wordt de in de vorige volzin genoemde verminderde aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid vermeerderd.
5.
Voor de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee aan wie ten hoogste veertien dagen voor het tijdstip waarop hij in werkelijke dienst komt, ontslag is verleend uit een andere overheidsbetrekking, wordt het aantal uren vakantieverlof waarop ingevolge artikel 73 of 74 aanspraak bestaat vermeerderd met zoveel uren vakantieverlof als hij uit hoofde van die vorige betrekking over het lopende kalenderjaar nog tegoed had.
6.
De militair heeft geen aanspraak op vakantieverlof indien artikel 17, vijfde lid, onderdeel j van het Inkomstenbesluit militairen van toepassing is.
1.
Vakantieverlof wordt aan een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee verleend:
a. op zijn aanvraag;
b. niet op zijn aanvraag, voor zover naar het oordeel van degene die het verlof verleent, de belangen van de dienst dat vorderen.
2.
Aan de militair dient in elk kalenderjaar ten minste 120 uren vakantieverlof te worden verleend, waarvan ten minste 80 uren aaneengesloten of tot in evenredigheid lagere getallen indien de militair buitengewoon verlof in verband met deeltijdarbeid is verleend op grond van het Besluit aanpassing arbeidsduur militairen .
1.
Vakantieverlof wordt zoveel mogelijk opgenomen in aaneengesloten perioden van ten minste 4 uren.
2.
Indien voor een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee een periode of perioden is of zijn vastgesteld, gedurende welke hem vakantieverlof niet-op-aanvraag wordt verleend, wordt hem vakantieverlof op aanvraag zoveel mogelijk verleend voorafgaand aan of in aansluiting op die periode of perioden.
3.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van artikel 79, wordt aan de militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee op zijn aanvraag zoveel mogelijk een vakantieverlof in een door hem gekozen periode verleend van tenminste twee aaneengesloten weken.
1.
Gedurende een bepaalde tijd, doch ten hoogste gedurende de eerste zes maanden nadat hij als zodanig in werkelijke dienst is gekomen, wordt aan een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee op zijn aanvraag slechts zoveel maal een twaalfde deel van het hem ingevolge artikel 73 of 74 toekomende vakantieverlof verleend als hij volle maanden in werkelijke dienst is.
2.
Het vorige lid blijft buiten toepassing, indien de militair onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop hij als zodanig in werkelijke dienst kwam - een onderbreking van veertien dagen of minder buiten beschouwing gelaten -:
a. reeds uit anderen hoofde in werkelijke dienst verbleef, dan wel
b. reeds gedurende ten minste zes maanden een andere overheidsbetrekking vervulde.
3.
Het eerste lid blijft eveneens buiten toepassing, indien aan de militair vakantieverlof niet-op-aanvraag wordt verleend.
1.
Bij het verlenen van vakantieverlof niet-op-aanvraag, dat altijd ten minste 2 aaneengesloten werkdagen bedraagt, wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de belangen van de militair.
2.
Van het aantal uren vakantieverlof dat een militair ingedeeld bij de Koninklijke landmacht, Koninklijke luchtmacht of Koninklijke marechaussee in enig kalenderjaar toekomt, kunnen, in overleg met de medezeggenschapscommissie:
a. ten hoogste 120 uren als vakantieverlof niet-op-aanvraag worden verleend, in een periode van ten hoogste drie weken, dan wel
b. ten hoogste 40 uren als vakantieverlof niet-op-aanvraag worden verleend.
3.
De in het tweede lid, onder a, bedoelde periode dient zoveel mogelijk te zijn gelegen in de periode van de zomervakanties in het onderwijs.
1.
Niet verleend vakantieverlof, waaronder eventueel van vorige jaren overgeboekt vakantieverlof, wordt overgeboekt naar het volgende kalenderjaar tot een maximum van het aantal uren per jaar, te berekenen volgens artikel 73, verminderd met het in artikel 76, tweede lid, bedoelde aantal verplicht te verlenen uren.
2.
Uitsluitend indien operationele omstandigheden het tot het verlof verlenen bevoegd gezag hebben verhinderd vakantieverlof te verlenen of, naar het oordeel van het tot het verlof verlenen bevoegd gezag, gewichtige persoonlijke omstandigheden de militair hebben verhinderd het vakantieverlof te genieten, kan worden afgeweken van het overeenkomstig het eerste lid maximaal naar het volgend kalenderjaar over te boeken vakantieverlof.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof.
1.
Vakantieverlof op aanvraag dat in enig kalenderjaar teveel is verleend, wordt in mindering gebracht op het vakantieverlof over het volgende kalenderjaar of over de volgende twee of drie kalenderjaren, indien het teveel meer beloopt dan één derde onderscheidenlijk twee derde gedeelte van het de militair ingevolge artikel 73 toekomende vakantieverlof.
2.
Het in enig kalenderjaar verleende vakantieverlof niet-op-aanvraag dat, uitsluitend omdat de militair reeds vakantieverlof op aanvraag is verleend, leidt tot overschrijding van het aan de militair toekomende aantal uren vakantieverlof in dat jaar, wordt niet in mindering gebracht op het vakantieverlof over het volgend kalenderjaar of de volgende kalenderjaren.
1.
Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor ieder uur vakantieverlof dat hem niet is verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/165 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2.
Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/165 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had.
3.
Indien de militair uiterlijk veertien dagen na het tijdstip waarop hij in de loop van een kalenderjaar de werkelijke dienst verlaat weer in werkelijke dienst komt of wordt aangesteld als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie, kan de militair, in afwijking van het eerste lid, ervoor kiezen de vakantieverlofaanspraken van het lopende kalenderjaar die niet zijn genoten, te behouden. Daarbij wordt vakantieverlof dat in het lopende kalenderjaar is verleend in mindering gebracht op de aanspraken in dat jaar.
4.
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van op 31 december 1996 nog niet verleend vakantieverlof, dat, wanneer het nog niet is genoten op de datum waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, vervalt.
1.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld die afwijken van de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80, indien de belangen van de dienst een zodanige afwijking vorderen.
2.
Indien op een militair een afwijkende verlofregeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, zijn de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80 niet van toepassing en worden vakantieverloftegoeden, opgebouwd op grond van die artikelen voor dat de afwijkende verlofregeling op de militair van toepassing werd, bevroren. Verlof, opgebouwd op grond van de afwijkende verlofregeling, vervalt op het moment dat de afwijkende verlofregeling niet meer van toepassing is.
3.
Indien een militair kan aantonen dat hij gedurende de tijd dat op hem een afwijkende verlofregeling van toepassing is geweest, minder uren vakantieverlof heeft kunnen opnemen dan het aantal uren vakantieverlof waarop hij aanspraak had kunnen maken op grond van de artikelen 68 tot en met 71 en 73 tot en met 80, indien op hem de afwijkende verlofregeling niet van toepassing zou zijn geweest, heeft hij aanspraak op het resterende verschil in uren vakantieverlof.
4.
De militair, op wie over een gedeelte van een kalenderjaar een afwijkende verlofregeling als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, heeft over het overblijvende gedeelte van dat jaar aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid van de tijd gedurende welke hij in dat gedeelte in werkelijke dienst is.
1.
Aan de militair die is aangewezen voor het verrichten van dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland en om die reden naar verwachting ten minste 6 maanden achtereen buiten Europa onderscheidenlijk buiten Nederland zal verblijven, wordt uiterlijk vóór de dag van vertrek inschepingsverlof verleend voor:
a. 5 werkdagen, indien het verblijf buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland naar verwachting minder dan 9 maanden achtereen zal duren;
b. 10 werkdagen, indien het verblijf buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland naar verwachting 9 maanden of meer zal duren.
2.
Aan de militair die is aangewezen voor het verrichten van dienst buiten Nederland in Europa, anders dan aan boord van een varend schip en om die reden naar verwachting ten minste 6 maanden achtereen buiten Nederland zal verblijven, wordt uiterlijk vóór de dag van vertrek inschepingsverlof verleend voor ten hoogste 5 werkdagen.
3.
Ten aanzien van de militair die inschepingsverlof heeft genoten en die zijn bestemming niet volgt ten gevolge van omstandigheden afhankelijk van zijn wil of toedoen, kan het hoofd defensieonderdeel dat verlof aanmerken als verleend vakantieverlof.
1.
De militair heeft na een verblijf voor dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland gedurende één maand of langer achtereen, aanspraak op ontschepingsverlof van één werkdag voor elke maand dat het verblijf voor dienst buiten Europa dan wel aan boord van een varend schip buiten Nederland heeft geduurd, zulks met een maximum van 20 werkdagen.
2.
Het ontschepingsverlof, bedoeld in het eerste lid, wordt aaneengesloten of in gedeelten aan de militair verleend zo spoedig mogelijk nadat hij in Nederland is teruggekeerd.
3.
Aan de militair wordt na een verblijf voor dienst buiten Nederland in Europa, anders dan aan boord van een varend schip, van ten minste 6 maanden achtereen, ten hoogste 5 werkdagen ontschepingsverlof verleend.
4.
De aanspraak op ontschepingsverlof dat binnen 12 maanden na terugkeer niet is genoten, vervalt. Het hoofd defensieonderdeel kan bepalen dat het ontschepingsverlof alsnog na het verstrijken van dat tijdvak wordt verleend, indien naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden, verband houdende met de dienst, het verlenen van ontschepingsverlof aan de betrokken militair binnen dat tijdvak hebben belet.
1.
Aan de militair wordt op zijn aanvraag buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten verleend:
a. tot het bijwonen van vergaderingen van organen van het georganiseerd overleg militairen;
b. voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van verenigingen van militairen, die aangesloten zijn bij een tot het overleg toegelaten centrale van overheidspersoneel als bedoeld in artikel 4 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie, zulks volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
c. tot het verkrijgen van woonruimte, indien de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, verandert: voor ten hoogste twee werkdagen ingeval het land van plaatsing niet verandert, en voor ten hoogste vier werkdagen indien het land van plaatsing wel verandert, welke dagen desgewenst in halve dagen kunnen worden verleend;
d. bij verhuizing, indien de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, verandert: voor ten hoogste vier werkdagen, indien de militair een eigen huishouding voert, of voor ten hoogste twee werkdagen, indien zulks niet het geval is;
e. bij zijn ondertrouw: voor één werkdag, indien de ondertrouw op zulk een dag valt;
f. bij zijn huwelijk: voor vier werkdagen, met dien verstande dat de militair dat verlof desgewenst kan opnemen gedeeltelijk ten tijde van de voltrekking van het huwelijk en gedeeltelijk ten tijde van de godsdienstige plechtigheden die verband houden met het huwelijk;
g. bij het huwelijk van bloed- of aanverwanten in de eerste graad, van stief- of pleegouders, dan wel van stief- of pleegkinderen: voor één werkdag, indien het huwelijk wordt voltrokken in de woonplaats van de militair, en voor ten hoogste twee werkdagen, indien het huwelijk buiten die plaats wordt voltrokken;
h. bij de toekenning van een diensttijdgratificatie wegens het volbrengen van een diensttijd van 25 of 35 jaren, en bij zijn vijfentwintig- en veertigjarig huwelijksjubilieum: voor één werkdag, indien de datum van de gebeurtenis op zulk een dag valt of op zulk een dag wordt gevierd;
i. tot het bijwonen van het vijfentwintig-, het veertig-, het vijftig- en het zestigjarig huwelijksjubileum van zijn ouders, stief-, pleeg-, schoon- of grootouders: voor één werkdag, indien het jubileum op zulk een dag valt of op zulk een dag wordt gevierd;
j. tot het deelnemen aan een bezinningsbijeenkomst, georganiseerd door of met medewerking van een dienst van de geestelijke verzorging bij de krijgsmacht: eenmaal per kalenderjaar voor ten hoogste twee werkdagen;
k. voor het afleggen van bezoeken of het voldoen aan oproepingen, verband houdende met het zoeken van een werkkring: gedurende de laatste zes maanden van zijn verblijf in werkelijke dienst voor in totaal ten hoogste vier werkdagen;
2.
Buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid wordt niet verleend en verleend verlof wordt ingetrokken, indien het niet zal of kan worden gebruikt voor het doel waarvoor het is bestemd.
Artikel 86. Buitengewoon verlof in andere gevallen
In andere gevallen dan die, genoemd in artikel 85, kan aan de militair op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden verleend, indien naar het oordeel van degene die bevoegd is het verlof te verlenen bijzondere redenen daartoe aanleiding geven, met dien verstande dat:
a. de commandant dit verlof slechts kan verlenen voor ten hoogste 10 werkdagen per kalenderjaar en
b. het hoofd defensieonderdeel dit – zonder de onder a bedoelde beperking van het aantal werkdagen per kalenderjaar –, eveneens kan verlenen al of niet met behoud van militaire inkomsten of een gedeelte daarvan naar nader bij ministeriële regeling te stellen regels.
1.
Het hoofd defensieonderdeel kan, indien daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat, aan de militair op diens aanvraag buitengewoon verlof van lange duur verlenen, al of niet met behoud van militaire inkomsten en volgens nader bij ministeriële regeling te stellen regels.
2.
Indien het verlof, bedoeld in het vorige lid, uitsluitend het persoonlijk belang van de militair dient, kan hem dat verlof slechts worden verleend zonder behoud van militaire inkomsten.
3.
Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, ten doel heeft de militair in de gelegenheid te stellen een functie buiten de krijgsmacht te vervullen en met de verlening van het verlof naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet alleen het persoonlijke belang van de militair, maar mede het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof - onverminderd het bepaalde in het vierde lid - in beginsel worden verleend voor ten hoogste een jaar en zonder behoud van militaire inkomsten.
4.
Indien het verlof, bedoeld in het eerste lid, ten doel heeft de militair in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst, hetzij een functie te vervullen in dienst van een volkenrechtelijke organisatie, hetzij tijdelijk werkzaam te zijn ten behoeve van de Nederlandse Antillen dan wel als deskundige ten behoeve van een vreemde mogendheid, en naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel met de verlening van het verlof in overwegende mate het algemeen belang wordt gediend, kan het verlof in beginsel worden verleend voor ten hoogste drie jaren en zonder behoud van militaire inkomsten.
5.
Het verlof, bedoeld in de vorige leden, gaat niet eerder in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de militair.
1.
Onverminderd artikel 4:1 van de Wet arbeid en zorg wordt aan de militair buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten verleend:
bij plotselinge ziekte van de echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- of aanverwanten in de eerste graad of wanneer een andere noodsituatie, waarvoor de militair onverwijld een voorziening moet treffen, ontstaat: voor de duur benodigd voor de eerste opvang en het treffen van verdere voorzieningen, maar voor ten hoogste één werkdag per zich voordoende situatie;
bij de bevalling van zijn echtgenote of de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont;
bij overlijden en lijkbezorging van de echtgenote of echtgenoot van de militair, de persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont of een van zijn bloed- en aanverwanten in de eerste graad: vanaf het overlijden tot en met de dag van de begrafenis of de crematie en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten;
bij overlijden van:
met dien verstande dat indien de militair is belast met de regeling van de begrafenis, de crematie of van de nalatenschap dan wel van beide, het verlof voor ten hoogste 4 werkdagen kan worden verleend en indien sprake is van bijzondere godsdienstige plechtigheden zoveel werkdagen als benodigd om overeenkomstig de bepalingen van die godsdienst rouwceremoniën te verrichten.
bloed- of aanverwanten in de 2e graad, dan wel van pleegbroers of -zusters: voor ten hoogste 2 werkdagen;
bloed- of aanverwanten in de 3e of 4e graad of een van zijn huisgenoten: voor 1 werkdag,
2.
De militair meldt vooraf aan de commandant dat hij het verlof, bedoeld in het eerste lid, opneemt onder opgave van de reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt de militair het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de commandant onder opgave van de reden.
3.
Het verlof, bedoeld in het eerste lid, vangt niet aan of eindigt in ieder geval zodra de commandant aan hem kenbaar maakt dat tegen het opnemen van het verlof onderscheidenlijk de voortzetting daarvan een zodanig zwaarwegend dienstbelang bestaat, dat het belang van de militair daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
4.
Van een zwaarwegend dienstbelang als bedoeld in het derde lid, is in ieder geval sprake bij het varen, het vliegen en oefeningen en de direct daarmee samenhangende werkzaamheden als mede de daadwerkelijke inzet van de krijgsmacht en de voorbereiding daarop.
5.
De commandant kan achteraf van de militair verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij geen dienst heeft kunnen verrichten wegens een van de redenen, genoemd in het eerste lid.
Artikel 87b. Kort durend zorgverlof
Het kort durend zorgverlof, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg, wordt verleend met behoud van militaire inkomsten.
1.
Aan de militair wordt langer durend zorgverlof met behoud van militaire inkomsten verleend voor hulpverlening aan een tijdelijk ernstig hulpbehoevende of stervende echtgenote, echtgenoot of persoon met wie de militair ongehuwd samenwoont, ouders, stief-, pleeg- of schoonouders, eigen of aangehuwde kinderen, stief- of pleegkinderen.
2.
Voor de toepassing van dit artikel is artikel 87a, tweede tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, waarbij de militair bij de melding, bedoeld in artikel 87a, tweede lid, ook de omvang, de wijze van opneming en zo mogelijk de vermoedelijke duur van het verlof aangeeft.
1.
Wanneer aan de militair door de commandant ouderschapsverlof, als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg, wordt verleend, behoudt hij over de eerste periode van het ouderschapsverlof, die overeenkomt met dertien maal de voor de militair geldende arbeidsduur per week, 75% van zijn bezoldiging. Over de resterende periode van het verleende ouderschapsverlof, ontvangt de militair over de ouderschapsverlofuren geen bezoldiging.
2.
De militair kan door de commandant worden verplicht tot terugbetaling van de tijdens het ouderschapsverlof genoten inkomsten wanneer hem tijdens de verlofperiode of binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend op zijn aanvraag dan wel op grond van aan de militair te wijten omstandigheden. Indien binnen één jaar na afloop van het ouderschapsverlof ontslag wordt verleend, wordt de verplichting tot terugbetaling naar evenredigheid beperkt. Indien het ontslag verband houdt met een aanstelling als burgerlijk ambtenaar bij het Ministerie van Defensie of indiensttreding bij een andere overheidssector bestaat geen verplichting tot terugbetaling.
3.
De militair meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste zes maanden voor het tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan de commandant.
4.
De commandant kan bepalen dat de aanspraak op ouderschapsverlof op grond van zwaarwegend dienstbelang wordt opgeschort tot een later tijdstip, waarbij kan worden afgeweken van de datum, waarop op grond van artikel 6:4 van de Wet arbeid en zorg geen recht bestaat op ouderschapsverlof.
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, ingeval het betreft buitengewoon verlof anders dan van lange duur of buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg, toekomend aan een militair die werkzaamheden en/of diensten in continu- of ploegendienst verricht, onder werkdag verstaan elke tijdseenheid van ten hoogste vierentwintig uur gedurende welke de militair volgens het voor hem geldende rooster zodanige werkzaamheden en/of diensten moet verrichten.
2.
Indien aan de in het eerste lid bedoelde militair met toepassing van artikel 85, 86 of paragraaf 4b buitengewoon verlof onderscheidenlijk buitengewoon verlof in het kader van arbeid en zorg wordt verleend kan daarbij:
a. overschrijding plaatsvinden van het met toepassing van het vorige lid vastgestelde aantal tijdseenheden buitengewoon verlof, indien zulks nodig is ter verwezenlijking van het met het buitengewoon verlof beoogde doel;
b. vermindering plaatsvinden van het met toepassing van het vorige lid vastgestelde aantal tijdseenheden buitengewoon verlof, indien met minder tijdseenheden kan worden volstaan voor de verwezenlijking van het met het buitengewoon verlof beoogde doel.
1.
De militair in werkelijke dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, met inbegrip van de militair aan wie buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten is verleend, is verzekerd voor geneeskundige verzorging aan de militair verleend door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.
2.
Bij ministeriële regeling wordt de omvang van de geneeskundige zorg vastgesteld.
3.
Bij ministeriële regeling wordt de in verband met de verzekering verschuldigde premie vastgesteld na ontvangst van een daartoe strekkend voorstel van de in artikel 90a bedoelde rechtspersoon. De premie wordt ingehouden op de bezoldiging, voor zover door Onze Minister niet in de premie wordt bijgedragen.
4.
Onze Minister draagt op bij ministeriële regeling te bepalen wijze bij in de in het derde lid bedoelde premie.
5.
De in het derde lid bedoelde ministeriële regeling vormt geen onderwerp van overleg als bedoeld in artikel 3 van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie.
6.
Aan de verzekering kunnen geen aanspraken worden ontleend door of ten behoeve van:
a. degene die tijdens een vredes- of humanitaire operatie in het buitenland plaatselijk is geworven en met toepassing van artikel 11 tijdelijk is aangesteld als militair;
b. de ambtenaar bedoeld in artikel 1 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie die met toepassing van artikel 11 tijdelijk is aangesteld als militair.
1.
Een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon is belast met de uitvoering van de in artikel 90 bedoelde verzekering.
2.
De voorzitter en de overige leden van het bestuur van de rechtspersoon worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.
3.
Wijzigingen in de statuten van de rechtspersoon worden ter goedkeuring voorgelegd aan Onze Minister.
4.
De rechtspersoon verstrekt Onze Minister informatie met betrekking tot de uitvoering van de verzekering, waaronder jaarlijks een jaarrekening die is voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
5.
Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde aanwijzing intrekken, wanneer de rechtspersoon tekortschiet in de uitvoering van de verzekering dan wel de verplichtingen genoemd in dit artikel niet nakomt.
b. artikel 90, zesde lid,
heeft gedurende de periode dat hij in werkelijke dienst is, aanspraak op geneeskundige verzorging door of vanwege de militair geneeskundige diensten.
Artikel 91. Geneeskundige verzorging
De geneeskundige verzorging verleend door of vanwege de militair geneeskundige dienst omvat al de maatregelen, voorzieningen en geneeskundige verstrekkingen in het belang van de bescherming, het behoud, het herstel en de bevordering van de gezondheid van de militair alsmede in het belang van het behoud, het herstel en de bevordering van de geschiktheid van de militair voor de dienst.
Artikel 91a. Ziekte of een gebrek verband houdende met de uitoefening van de dienst
De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die lijden aan een ziekte of een gebrek, verband houdende met de uitoefening van de dienst, hebben ten aanzien van die ziekte of dat gebrek naar bij ministeriële regeling te stellen regels en voorwaarden aanspraak op geneeskundige verzorging tot het op grond van artikel 90a, derde lid vastgestelde maximum.
Artikel 92. Maatregelen ter bescherming van de gezondheid
De militair in werkelijke dienst is verplicht de maatregelen in acht te nemen die door de minister worden voorgeschreven ter bescherming van de gezondheid van de militair of die van anderen, zulks onverminderd de wettelijke mogelijkheden ten aanzien van bepaalde maatregelen van die verplichting te worden ontheven.
1.
De militair in werkelijke dienst die wegens ziekte geheel of gedeeltelijk verhinderd is dienst te verrichten, is verplicht, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, daarvan kennis te geven aan zijn commandant en een (tand)arts te consulteren.
2.
De in het vorige lid bedoelde militair kan op verzoek van zijn commandant door of vanwege de militair geneeskundige dienst aan een onderzoek worden onderworpen ter beantwoording van de vragen:
a. of, in welke mate en tot welk tijdstip er van die verhindering tot dienstverrichting sprake is;
b. of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn geschiktheid voor de dienst.
3.
De militair in werkelijke dienst is in geval van ziekte verplicht zich te houden aan de voorschriften, hem door de behandelend (tand)arts gegeven, met dien verstande dat hij niet verplicht is zich te onderwerpen aan een ingreep van heelkundige aard of een andere kunstbewerking.
4.
De militair in werkelijke dienst die zich onder behandeling heeft gesteld van een (tand)arts, niet behorende tot de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst, is verplicht hiervan kennis te geven aan deze dienst.
1.
De commandant is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs mogelijk is, opdat de militair die in verband met ongeschiktheid als gevolg van ziekte verhinderd is dienst te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Indien vaststaat, dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen het gezagsbereik van Onze Minister geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de commandant, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, de inschakeling van de militair in voor hem passende arbeid buiten het gezagsbereik van Onze Minister.
2.
Uit hoofde van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, stelt de commandant in overeenstemming met de militair of de gewezen militair een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de militair of de gewezen militair regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
3.
Om te beoordelen of de militair gevolg geeft aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 94a wint de commandant een hierop betrekking hebbend advies in van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en neemt dit advies mede in beschouwing.
1.
De militair die als gevolg van ziekte ongeschikt is dienst te verrichten, is verplicht tot:
a. gedurende het eerste jaar van zijn ziekte, het verrichten van hem opgedragen passende arbeid. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de militair is berekend, tenzij deze om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;
b. gedurende het tweede jaar van zijn ziekte en daarna, het verrichten van hem opgedragen gangbare arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2.
De militair, bedoeld in het eerste lid, is verplicht tot het opvolgen van door de commandant of door een door deze aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en is verplicht mee te werken aan door hen getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de arbeid als bedoeld in het eerste lid te verrichten.
3.
De militair, bedoeld in het eerste lid, is verplicht zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing wanneer de militair onder andere voorwaarden wordt verplicht tot het verrichten van dienst.
Artikel 95. Diensthervatting na ziekte
Zodra de verhindering tot dienstverrichting heeft opgehouden te bestaan, is de in werkelijke dienst verblijvende militair verplicht zich te wenden tot de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst teneinde zo nodig een onderzoek te ondergaan ter beantwoording van de vraag of hij weer volledig geschikt kan worden geacht voor de uitoefening van de dienst.
De commandant kan in afwijking hiervan de aanwijzing geven dat betrokkene zich meldt bij de bedrijfsgeneeskundige dienst. Betrokkene is verplicht de dienst te hervatten, behoudens indien en voor zover door of vanwege vorenbedoelde geneeskundige dienst anders wordt bepaald.
1.
De militair in werkelijke dienst die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektenwet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, mag de militair geen dienst verrichten en heeft hij geen toegang tot de plaats van zijn tewerkstelling dan met toestemming gegeven door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege deze dienst gegeven aanwijzingen, welke mede kunnen bestaan in een verbod om zich naar een eenheid of onderdeel van de krijgsmacht te begeven.
3.
Indien een militair krachtens het tweede lid geen dienst mag verrichten, wordt hij voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wegens ziekte verhinderd te zijn tot dienstverrichting.
1.
De militair in werkelijke dienst kan worden verplicht zich periodiek te onderwerpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.
2.
Aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek als bedoeld in het eerste lid zal in ieder geval worden onderworpen de militair die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van die werkzaamheden aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen.
Artikel 98. Incidenteel geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
De militair in werkelijke dienst kan worden verplicht zich te onderwerpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst, wanneer de commandant operationeel commando dit noodzakelijk acht in verband met toelating tot een opleiding, plaatsing in een andere functie, plaatsing bij bepaalde onderdelen of in bepaalde gebieden, dan wel beëindiging van het verblijf in werkelijke dienst.
Artikel 99. Geneeskundig of tandheelkundig onderzoek op verzoek van de commandant
De militair in werkelijke dienst, van wie door zijn commandant op goede gronden wordt verondersteld dat zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid een beletsel vormt om naar behoren dienst te verrichten, kan, op verzoek van zijn commandant, worden onderworpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.
1.
Indien bij een onderzoek als bedoeld in de artikelen 97, 98, en 99 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke gesteldheid van de militair, dat zijn belangen of het dienstbelang zich tegen gehele of gedeeltelijke voortzetting van zijn werkzaamheden of diensten verzetten, wordt hij door zijn commandant geheel of gedeeltelijk van die werkzaamheden of diensten vrijgesteld. Alsdan kunnen hem door zijn commandant – in overleg met de betrokken militair geneeskundige dienst – passende andere werkzaamheden of diensten worden opgedragen.
2.
Indien en voor zover een militair krachtens het vorige lid van de dienst is vrijgesteld van zijn normaliter te verrichten werkzaamheden of diensten en hem geen passende andere werkzaamheden of diensten zijn opgedragen, wordt hij voor de toepassing van dit hoofdstuk geacht wegens ziekte verhinderd te zijn tot dienstverrichting.
Artikel 101. Kennisgeving geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
Van het voornemen tot het instellen van een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek als bedoeld in de artikelen 97, tweede lid, 98 en 99, wordt de militair door zijn commandant, onder vermelding van de redenen en van de desbetreffende bepaling van dit besluit, schriftelijk in kennis gesteld.
Artikel 102. Verplichting tot medewerking aan een onderzoek
De militair in werkelijke dienst is verplicht medewerking te verlenen aan de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 93, tweede lid, 95, 97, 98 en 99.
Artikel 103. Uitslag geneeskundig of tandheelkundig onderzoek
De uitslag van een onderzoek als bedoeld in artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet, alsmede in de artikelen 93, tweede lid, 95, 97, 98 en 99, wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de militair medegedeeld.
1.
De militair die zich niet kan verenigen met de in artikel 103 bedoelde uitslag, kan, indien het een onderzoek als bedoeld in artikel 93, tweede lid, of artikel 95, betreft, binnen drie maal vierentwintig uren en, zo het een onderzoek als bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 betreft, binnen zes weken, nadat de uitslag te zijner kennis is gebracht, schriftelijk onder opgave van de redenen daartegen zijn bedenkingen kenbaar maken bij de commandant operationeel commando. Het indienen van de bedenkingen heeft geen schorsende werking.
2.
Behalve indien de commandant operationeel commando, na overleg met de betrokken militair geneeskundige dienst, de bedenkingen van de militair reeds aanstonds voldoende gegrond acht, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift, een hernieuwd geneeskundig of tandheelkundig onderzoek ingesteld.
3.
Het hernieuwd onderzoek geschiedt door een (of meer) daartoe door de inspecteur van de betrokken militair geneeskundige dienst aangewezen deskundige(n) die niet aan het voorafgaande onderzoek heeft (hebben) deelgenomen. De uitslag van het hernieuwd onderzoek wordt de militair zo spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis gebracht.
1.
De militair in werkelijke dienst, van wie op goede gronden wordt verondersteld dat hij blijvend ongeschikt is voor het vervullen van de dienst, kan, in opdracht van Onze Minister, worden onderworpen aan een geneeskundig onderzoek naar de regelen, gesteld in het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen .
2.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 101 en 102 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 106. Begripsbepalingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Ziektewet Werkloosheidswet WAO ZW WW artikel 18, eerste lid van de WAO artikel 1, eerste lid, onder 1 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie
WAO:
ZW:
WW:
Werknemersverzekering: , , dan wel
Arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van
Bovenwettelijke WW-uitkering: de uitkering bedoeld in .
1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1.
Aan de militair kan gedurende zijn verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, door de commandant van rijkswege huisvesting worden verleend.
2.
De huisvesting van rijkswege wordt zoveel mogelijk verleend bij de eenheid of het onderdeel waar de militair is tewerkgesteld.
3.
Bij ministeriële regeling kunnen omstandigheden worden aangegeven waarin de militair verplicht is gebruik te maken van de gelegenheid tot nachtverblijf die hem van rijkswege is geboden.
1.
Aan de militair kan gedurende zijn verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, door de commandant van rijkswege voeding worden verstrekt.
2.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de verstrekking van huisvesting van rijkswege geschiedt in combinatie met de verstrekking van voeding van rijkswege.
Artikel 110. Vergoeding ter zake van huisvestings- of voedingskosten
De militair die buiten zijn woonplaats is tewerkgesteld en uitsluitend om redenen van dienst gewoonlijk niet dagelijks heen en weer kan reizen tussen die woonplaats en de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, kan, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, een vergoeding worden toegekend ter zake van de kosten wegens het zelf voorzien in huisvesting of voeding.
1.
De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen moeten reizen teneinde te voldoen van een oproep van het bevoegde gezag, dan wel in verband met het verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel 104, hebben volgens bij ministeriële regeling te stellen regels aanspraak op vervoer voor rekening van het Rijk alsmede op een tegemoetkoming in de noodzakelijk gemaakte verblijfkosten, voor zover zij hierop niet uit anderen hoofde aanspraak kunnen doen gelden.
2.
Indien een militair of een gewezen militair, als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op degene die hem begeleidt.
1.
De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair die inkomsten derven wegens het voldoen aan een oproep van het bevoegde gezag, danwel in verband met het verwezenlijken van aanspraken op grond van artikel 104, hebben in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen aanspraak op een uitkering ter zake van gederfde inkomsten over de tijd die zij als gevolg daarvan noodzakelijk hebben verlet, voorzover zij hierop niet uit anderen hoofde recht kunnen doen gelden.
2.
Het bedrag van de uitkering, bedoeld in het vorige lid, is gelijk aan dat van de gederfde netto-inkomsten, maar beloopt per dag ten hoogste het bedrag, genoemd in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, eventueel gewijzigd krachtens artikel 18 van die wet.
3.
Indien een militair of een gewezen militair, als bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van de functionaris, bij wie hij zich moet vervoegen, niet alleen kan reizen, zijn het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing op degene die hem begeleidt.
1.
In geval van verpleging in een zieken- of verplegingsinrichting van een militair in werkelijke dienst kan aan diens naaste betrekkingen een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van vervoer en van verblijf ter zake van reizen die zij tot het bezoeken van de militair hebben gemaakt.
2.
In geval van overlijden van een militair in werkelijke dienst kan aan diens naaste betrekkingen een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid worden verleend ter zake van reizen die zij tot het bezoeken van het stoffelijk overschot hebben gemaakt.
3.
Een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste en tweede lid kan in de aldaar bedoelde gevallen eveneens worden verleend aan de naaste betrekkingen van de niet in werkelijke dienst verblijvende militair of van de gewezen militair die wordt of - ten tijde van zijn overlijden - werd verpleegd in een zieken- of verplegingsinrichting.
4.
Indien de betrekkingen van de militair of de gewezen militair, in dit artikel, naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel niet alleen kunnen reizen, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing op degene die hen begeleidt.
5.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent het verlenen van de tegemoetkoming bedoeld in dit artikel.
1.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder belanghebbenden begrepen de echtgenote, ouders, pleeg-, stief- of schoonouders, grootouders, zwagers en schoonzusters, eigen kinderen, stief- of pleegkinderen, kleinkinderen, voogden, verloofde, broers en zusters.
2.
Aan de militair in werkelijke dienst die ingevolge een dienstopdracht in het buitenland verblijft, kunnen door het hoofd defensieonderdeel voor rekening van het rijk berichten worden verzonden in geval van:
a. overlijden van belanghebbenden;
b. ziekte of ongeval van belanghebbenden;
c. bevalling van de echtgenote;
d. bijzondere gevallen, die naar het oordeel van de met berichtgeving belaste ambtenaar onmiddellijk aan de militair moeten worden bericht.
Artikel 114. Voortijdige terugkeer of overkomst in verband met omstandigheden in het gezin
Aan de militair die om redenen van dienst verblijft buiten het land, waar zijn gezin woonachtig is, kan door het hoofd defensieonderdeel worden toegestaan voor rekening van het rijk voortijdig naar dat land terug te keren of over te komen, indien naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel omstandigheden in het gezin die terugkeer of die overkomst noodzakelijk maken.
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder kinderopvang en gastouderopvang verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen .
2.
Door het hoofd defensieonderdeel kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels, financieel worden bijgedragen in de kosten van de militair voor kinderopvang of gastouderopvang van een of meerdere kinderen.
3.
De bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, eindigt met ingang van de dag waarop de militair ontslag wordt verleend.
4.
Wanneer sprake is van een ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, onder d, van dit besluit, eindigt de bijdrage, als bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het vierde lid, 6 maanden na de datum waarop dat ontslag is ingegaan, of op het moment dat uit andere hoofde aanspraak bestaat op een bijdrage, als bedoeld in het tweede lid. Gedurende deze periode van 6 maanden blijft de situatie van voor het ontslag ongewijzigd gehandhaafd.
Artikel 115. Schadeloosstelling
Onze Minister kan de militair naar billijkheid schadeloos stellen voor schaden anders dan bedoeld in artikel 26 van het Inkomstenbesluit militairen en is bevoegd hieromtrent voor groepen van militairen regels te geven.
1.
De militair heeft met betrekking tot de uniformkleding en andere goederen, behorende tot zijn persoonlijke standaarduitrusting, aanspraak hetzij op een verstrekking van rijkswege en voor rekening van het rijk in natura, hetzij op een tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing.
2.
Met betrekking tot de uniformkleding en andere goederen, bedoeld in het vorige lid, die de militair in eigendom moet hebben, kan hem een tegemoetkoming worden verleend in de kosten van onderhoud en vernieuwing en in de kosten van voorgeschreven veranderingen van die kleding en goederen.
3.
Aan de militair kan in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen een tegemoetkoming in de kosten van aanschaffing of van onderhoud en vernieuwing worden verleend ter zake van uniformkleding en andere goederen die niet tot zijn persoonlijke standaarduitrusting behoren, maar die hij niettemin in eigendom moet hebben, alsmede ter zake van burgerkleding van hemzelf en - in geval van uitzending van de militair met zijn gezin naar bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden - van kleding van leden van zijn gezin.
4.
De verstrekking in natura en die van de tegemoetkomingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, geschieden naar regels bij ministeriële regeling te stellen.
1.
Indien een militair in Nederland overlijdt terwijl hij om redenen van dienst buiten zijn woonplaats verbleef, worden aan de nabestaanden de kosten vergoed van het doen overbrengen van het stoffelijk overschot naar een plaats van keuze in Nederland.
2.
Indien een militair in werkelijke dienst overlijdt en het overlijden verband houdt met de uitoefening van de militaire dienst, wordt aan de nabestaanden een tegemoetkoming in de kosten van lijkbezorging verleend tot maximaal € 5 000.
3.
Indien een militair in werkelijke dienst overlijdt ten gevolge van een vliegongeval tijdens een dienstreis als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit dienstreizen defensie, wordt aan de nabestaanden een som ineens ten bedrage van € 15 000 toegekend. Deze aanspraak vervalt wanneer de Regeling uitkering vliegongeval van toepassing is.
4.
Voor zover Onze Minister niet anders bepaalt, is dit artikel niet van toepassing in buitengewone omstandigheden en ten aanzien van militairen die zijn overleden in de tijd waarin zij waren ingedeeld bij een eenheid of onderdeel van de krijgsmacht, waaraan de bekendmaking, bedoeld in artikel 71 van het Wetboek van Militair Strafrecht, is gedaan.
1.
In geval van overlijden van de militair wordt een uitkering verstrekt:
a. aan de echtgenoot van de militair, dan wel
b. indien de militair geen echtgenoot heeft nagelaten, aan of ten behoeve van het kind of de kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat, dan wel
c. indien de militair geen echtgenoot of kinderen als bedoeld onder b heeft nagelaten, aan zijn ouders, broers, zusters of kinderen waarvoor geen aanspraak op kinderbijslag bestaat, indien hij naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel in de noodzakelijke kosten van hun levensonderhoud grotendeels bijdroeg.
2.
Indien het eerste lid geen toepassing kan vinden, kan het hoofd defensieonderdeel de uitkering geheel of gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de laatste ziekte en de begrafenis of crematie van de militair.
3.
De uitkering is gelijk aan driemaal het bedrag van de bezoldiging waarop de militair op de dag van zijn overlijden aanspraak had, vermeerderd met het bedrag per maand van de andere inkomsten die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag, ongeacht of hij daarover pensioenbijdrage was verschuldigd.
4.
In voorkomend geval wordt de bezoldiging, bedoeld in het derde lid, verhoogd met de toelage-buitenland, bedoeld in het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel.
5.
Op de uitkering worden de aan de militair reeds vóór zijn overlijden betaalde inkomsten met betrekking tot een na zijn overlijden gelegen tijdvak, in mindering gebracht.
6.
De artikelen 54g, 71a, eerste lid, en 80b, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 118b. Uitkering bij vermissing
Het hoofd defensieonderdeel kan artikel 118a van overeenkomstige toepassing verklaren in geval van vermissing van de militair.
1.
Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, kunnen de naaste betrekkingen van een militair die vermist is geraakt bij de uitoefening van de dienst dan wel ten gevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van de dienst hebben voorgedaan, in aanmerking komen voor bemiddeling van Onze Minister bij het voeren van de procedure tot het verkrijgen van een verklaring, dat rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste militair bestaat.
2.
De naaste betrekkingen van een militair als bedoeld in het vorige lid hebben, indien de procedure, bedoeld in dat lid, niet kosteloos kan worden gevoerd, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, aanspraak op een vergoeding van de kosten die ter zake voor hun rekening zijn gekomen.
3.
Het hoofd defensieonderdeel kan, indien een gezinslid van een militair vermist is geraakt ten gevolge van omstandigheden die naar zijn oordeel verband houden met de dienst van de militair, ten aanzien van die militair overeenkomstige voorzieningen treffen.
1.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. gewezen militair: de militair die is ontslagen uit de dienst bij het beroepspersoneel;
b. laatstelijk genoten bezoldiging: de som van de geldelijke inkomsten per maand, die in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de pensioengrondslag van de militair, zulks naar de toestand op de dag voorafgaande aan het ontslag.
2.
De gewezen militair die wegens ziekte of een gebrek, ontstaan voor het tijdstip van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft gedurende een termijn van twaalf maanden na zijn ontslag aanspraak op zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Vervolgens heeft hij aanspraak op 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging. Het in de vorige volzin bepaalde geldt slechts voor zover de termijn van achttien kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste ziektedag, nog niet is verstreken.
3.
De gewezen militair die binnen een maand na het tijdstip van ingang van zijn ontslag wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, heeft, mits hij gedurende twee maanden onmiddellijk aan evenbedoeld tijdstip voorafgaande in werkelijke dienst is geweest, naar regels bij ministeriële regeling te stellen, gedurende die ongeschiktheid, doch uiterlijk tot een jaar na de aanvang daarvan, aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging.
4.
Indien de gewezen militair binnen een tijdvak van vier weken, nadat de volgens het tweede en derde lid geregelde doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging in verband met zijn herstel is gestaakt, wederom wegens ziekte of een gebrek ongeschikt wordt voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, wordt de nieuw opgetreden ongeschiktheid als een voortzetting van de vorige ongeschiktheid beschouwd en wordt de doorbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging hervat. Voor het bepalen van het tijdstip, waarop de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen zijn verstreken, worden perioden van in die leden bedoelde ongeschiktheid welke elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken zijn opgevolgd, samengeteld.
5.
a. Het tweede, derde en vierde lid zijn eveneens van toepassing op de gewezen vrouwelijke militair die na afloop van de periode gedurende welke zij in verband met zwangerschap of bevalling aanspraak heeft op een uitkering op basis van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg nog wegens ziekte arbeidsongeschikt is voor het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht.
b. De in het derde lid bedoelde termijn van een jaar vangt aan op de dag na die van de bevalling.
6.
De voorgaande leden vinden geen toepassing op de gewezen militair die op het tijdstip van ingang van zijn ontslag ongeschikt is dan wel binnen een maand daarna ongeschikt wordt, en op de gewezen vrouwelijke militair wier ongeschiktheid na het tijdstip, bedoeld in het vorige lid onder b, voortduurt, vanaf de dag met ingang waarvan zij na evenbedoelde tijdstippen in verband met de aanvaarding van een volledige betrekking aanspraak kunnen maken op loon of bezoldiging, dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet .
7.
De aanspraak op de laatstelijk genoten bezoldiging bestaat niet indien de betrokkene:
a. de ziekte of het gebrek heeft voorgewend, althans zodanig overdreven voorgesteld, dat ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, niet kan worden aangenomen; of
b. de ongeschiktheid tot het verrichten van naar aard en omvang soortgelijke arbeid als die welke als militair werd verricht, opzettelijk heeft veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt.
8.
De uitbetaling van de laatstelijk genoten bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang de betrokkene de door Onze Minister krachtens het tweede of derde lid vastgestelde voorschriften niet nakomt.
9.
Het bedrag van de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in dit artikel, wordt in voorkomende gevallen:
a. gewijzigd overeenkomstig een algemene herziening die voor de betrokkene zou hebben gegolden, ware hij niet ontslagen;
b. verminderd na toepassing van artikel 120a;
c. verminderd met:
de periodieke inkomsten waarop hij uit hoofde van het laatstelijk door hem beklede ambt na het ontslag aanspraak kan maken;
inkomsten die hij inmiddels mocht zijn gaan genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf. Bij deze vermindering wordt uitgegaan van de volledige laatstgenoten bezoldiging.
1.
Indien de gewezen militair, bedoeld in artikel 120, recht heeft op een uitkering op grond van een werknemersverzekering, dan wel een bovenwettelijke WW-uitkering berustend op de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten bezoldiging is verbonden, wordt die uitkering daarop in mindering gebracht.
2.
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door die gewezen militair geen uitkering op grond van de WAO wordt toegekend, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van een uitkering op grond van die wet , zoals die zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
3.
Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door die gewezen militair het bedrag van de uitkering op grond van de in het eerste lid bedoelde werknemersverzekering of een bovenwettelijke WW-uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk niet wordt toegekend, wordt deze uitkering voor de toepassing van het eerste lid steeds aangemerkt als een uitkering die onverminderd is genoten.
4.
Indien die gewezen militair over een periode ter zake van de dienstbetrekking waaraan de laatstgenoten bezoldiging is verbonden aanspraak heeft of had kunnen hebben op een uitkering op grond van de ZW of de WAO , is het verplichtingen- en sanctieregime van die wet over die periode van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien ten aanzien van die wettelijke uitkering een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast, wordt door de commandant operationeel commando zoveel mogelijk dezelfde verplichting opgelegd dan wel een overeenkomstige sanctie toegepast op het verminderde bedrag van de laatstgenoten bezoldiging.
6.
De aanspraak op doorbetaling van bezoldiging ingevolge artikel 120 vervalt, indien de gewezen militair zonder deugdelijke grond weigert de hem door de commandant operationeel commando aangeboden gangbare arbeid, waartoe de militair geneeskundige dienst hem in staat acht, te aanvaarden.
1.
De niet in werkelijke dienst verblijvende militair en de gewezen militair, die verplicht tot het reserve-personeel behoort onderscheidenlijk laatstelijk heeft behoord, hebben, indien zij ten gevolge van een ziekte of een gebrek, verband houdende met de uitoefening van de dienst, tijdelijk niet in staat zijn:
a. de inkomsten te verwerven die zij uit hoofde van hun beroep of bedrijf gemiddeld verdienden of zouden kunnen verdienen, dan wel
b. de inkomsten te verwerven die zij - zo de inkomsten, bedoeld onder a, niet kunnen worden vastgesteld - zouden kunnen verdienen met arbeid die voor hun krachten en bekwaamheid is berekend
naar regels bij ministeriële regeling te stellen, aanspraak op een uitkering zolang zij in vorenbedoelde omstandigheden verkeren, maar ten hoogste gedurende twee jaren. Deze aanspraak bestaat niet indien ter zake uit anderen hoofde aanspraak bestaat op inkomsten, waarvan het totale bedrag gelijk is aan of hoger is dan dat van de inkomsten, bedoeld onder a of b.
2.
Het bedrag van de uitkering is gelijk aan het verschil tussen de inkomsten, bedoeld in het vorige lid onder a of b, en de inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde aanspraak heeft of aanspraak had kunnen maken gedurende de tijd waarin hij verkeert in de omstandigheid, bedoeld in dat lid. De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.
3.
Voor de toepassing van de vorige leden worden als inkomsten waarop de belanghebbende uit anderen hoofde aanspraak kan maken, aangemerkt:
a. uitkeringen op grond van artikel 123;
b. inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf;
c. uitkeringen krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313) of krachtens enige sociale verzekeringswet;
d. uitkeringen wegens een particuliere verzekering ter zake van de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid;
e. inkomsten ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen met uitzondering van een bedrag, gelijk aan dat van het invaliditeitspensioen, alsmede van de bijzondere invaliditeitsverhoging ingevolge die bepalingen.
4.
Onze Minister kan in naar zijn oordeel bijzondere gevallen:
a. de termijn van twee jaren, genoemd in het eerste lid, verlengen;
b. op de uitkering een suppletie verlenen.
1.
Na het overlijden van:
a. de gewezen militair die op de dag van het overlijden in het genot was van een uitkering ingevolge artikel 120;
b. de gewezen militair die op de dag van het overlijden in het genot was van een uitkering ingevolge artikel 124;
wordt een bedrag uitgekeerd aan de volgende nagelaten betrekkingen:
1°. aan de langstlevende der echtgenoten, tenzij zij duurzaam gescheiden leefden;
2°. bij ontstentenis van de onder 1° bedoelde echtgenote, ten behoeve van het kind of de kinderen voor wie de overledene aanspraak op kinderbijslag had;
3°. bij ontstentenis van de onder 1° en 2° bedoelde betrekkingen, aan of ten behoeve van de ouders, broers, zusters of kinderen van de overledene, voor wie hij naar het oordeel van de commandant operationeel commando grotendeels in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud bijdroeg.
2.
Indien de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het vorige lid nalaat, kan de commandant operationeel commando het in dat lid bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk doen aanwenden ter bestrijding van de kosten van de laatste ziekte en de begrafenis of crematie.
3.
Het uit te keren bedrag is indien het een overledene betreft als bedoeld in het eerste lid:
a. onderdeel a: gelijk aan het bedrag van de laatstgenoten bezoldiging, bedoeld in artikel 120 eerste lid, zonder vermindering ingevolge artikel 120a;
b. onderdeel b: gelijk aan de uitkering welke belanghebbende op de dag van zijn overlijden genoot;
en wordt berekend over een tijdvak van drie maanden.
4.
Op dat bedrag worden in mindering gebracht de uitkering ingevolge artikel 35 van de Ziektewet, dan wel artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering waarop de overledene aanspraak had dan wel zou kunnen hebben gehad, alsmede naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen.
1.
Zo spoedig mogelijk na aanstelling legt de militair de volgende eed of belofte af:
«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de wetten en onderwerping aan de krijgstucht.
Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)».
2.
In afwijking van het eerste lid legt de militair die bij zijn aanstelling is aangewezen voor het volgen van een initiële opleiding, de eed of belofte af zo spoedig mogelijk na het voltooien van die opleiding.
3.
Indien de militair ingevolge een eerdere aanstelling reeds de eed of belofte heeft afgelegd, wordt deze niet opnieuw afgelegd.
1.
De militair meldt aan Onze Minister, op een door Onze Minister te bepalen wijze, de nevenwerkzaamheden die de militair verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.
2.
Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3.
De door militairen met de rang van vice-admiraal/luitenant-generaal of een hogere rang gemelde nevenwerkzaamheden worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door Onze Minister aan het verrichten van de nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
4.
De militair verricht geen nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
1.
Onze Minister wijst de militairen aan die werkzaamheden verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is. De aangewezen militair meldt financiële belangen, alsmede het bezit van en transacties met effecten die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken, aan een daartoe aangewezen functionaris.
2.
Onze Minister voert een registratie van de op grond van het eerste lid gedane meldingen.
3.
De militair verstrekt nadere informatie of bescheiden met betrekking tot de financiële belangen of het bezit van of de transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister of de door Onze Minister aangewezen functionaris, bedoeld in het eerste lid, aanleiding bestaat op grond van de melding of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.
4.
Het is de militair verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst, voorzover dit in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de melding, bedoeld in het eerste lid, de registratie, bedoeld in het tweede lid, en het verbod, bedoeld in het vierde lid.
1.
Vergoedingen, beloningen, giften of beloften worden door de militair in zijn ambt niet van derden gevorderd of verzocht of, anders dan met goedvinden van Onze Minister, aangenomen.
2.
De militair neemt geen steekpenningen aan.
1.
De militair neemt geen deel, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van openbare diensten, tenzij daarvoor toestemming is verleend.
2.
De militair gedraagt zich naar hetgeen voor de militair is bepaald ten aanzien van het deelnemen, direct of indirect, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.
Artikel 126f. Deelneming aan vennootschappen, stichtingen of verenigingen
Aan de militair die is aangesteld bij het beroepspersoneel kan door Onze Minister worden verboden commissaris, bestuurder of vennoot te zijn van een vennootschap, stichting of vereniging, die geregeld in aanraking komt, of krachtens haar opzet kan komen met de krijgsmacht.
Artikel 126g
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. organisatie: een ministerie met inbegrip van de daaronder ressorterende diensten en instellingen, de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, het bureau van de Nationale ombudsman, de Hoge Raad van Adel, de Kanselarij der Nederlandse Orden, het Kabinet der Koningin, de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de politie, het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Raad voor de rechtspraak en de daaronder ressorterende diensten, alsmede de diensten die door een gerechtelijk college of de Raad voor de rechtspraak gezamenlijk of in samenwerking met een ander orgaan van de rijksoverheid in stand worden gehouden;
b. bevoegd gezag: het tot aanstellen bevoegde gezag, bedoeld in artikel 4, met dien verstande dat daaronder mede wordt begrepen degene aan wie de bevoegdheid tot aanstellen is gemandateerd en dat in de gevallen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, Onze Minister optreedt als bevoegd gezag in de zin van deze paragraaf;
c. vermoeden van een misstand: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van:
een schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels;
een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu;
een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten, die een gevaar vormt voor het goed functioneren van de openbare dienst;
bij het Ministerie van Defensie, of bij een andere organisatie indien de militair uit hoofde van zijn ambtenaarschap met die organisatie in aanraking is gekomen en kennis heeft gekregen van de misstand;
d. melder: de militair die een vermoeden van een misstand meldt overeenkomstig dit besluit;
e. melding: de melding van een vermoeden van een misstand door een melder;
f. commissie: de Commissie integriteit overheid, bedoeld in het Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie ;
g. vertrouwenspersoon: Centrale adviseur integriteit Defensie of Functionaris Integriteitzorg.
1.
Ten aanzien van een melder wordt als gevolg van het te goeder trouw melden van een vermoeden van een misstand geen besluit met nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie genomen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een melder niet op andere wijze bij de uitoefening van zijn functie nadelige gevolgen ondervindt ten gevolge van die melding.
2.
Ten aanzien van een vertrouwenspersoon of een gewezen vertrouwenspersoon, wordt vanwege de uitoefening van zijn taken op basis van dit besluit geen besluit met nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie genomen. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat hij niet op andere wijze bij de uitoefening van zijn functie nadelige gevolgen ondervindt in de uitoefening van zijn taken.
3.
Onder een besluit met nadelige gevolgen voor de rechtspositie wordt in ieder geval verstaan een besluit dat strekt tot:
a. het verlenen van ontslag anders dan op eigen verzoek;
b. het verplaatsen of overplaatsen of het weigeren van een verzoek daartoe;
c. het treffen van een ordemaatregel;
d. het treffen van een disciplinaire maatregel;
e. het onthouden van salarisverhoging;
f. het onthouden van promotiekansen;
g. het afwijzen van verlof.
1.
Onze Minister wijst een of meer vertrouwenspersonen aan.
2.
Lokale vertrouwenspersoon heeft tot taak:
a. een militair op diens verzoek te adviseren over een melding;
b. de Secretaris-Generaal te informeren over een melding; en
c. het bevoegd gezag en de Secretaris-Generaal te adviseren over vermoedens van misstanden.
3.
Als vertrouwenspersoon wordt niet een militair van de Koninklijke marechaussee belast met een feitelijke opsporingsfunctie aangewezen.
1.
Een militair doet een melding bij zijn leidinggevende, bij een vertrouwenspersoon, of, indien daartoe aanleiding bestaat, rechtstreeks bij de commissie.
2.
Een militair doet een melding over een organisatie anders dan het Ministerie van Defensie, bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of indien daartoe aanleiding bestaat, rechtstreeks bij de commissie.
3.
Een melding laat wettelijke verplichtingen tot het doen van aangifte van strafbare feiten onverlet.
Artikel 126k
Indien een melder niet meer werkzaam is bij de organisatie waarop de melding betrekking heeft, doet hij de melding binnen twee jaar na zijn vertrek.
Artikel 126l
Lokale vertrouwenspersoon, Centrale adviseur integriteit Defensie of Functionaris Integriteitzorg maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder instemming van de melder.
Artikel 126m
Diegenen die betrokken zijn bij de behandeling van een melding gaan op behoorlijke en zorgvuldige wijze met de identiteit van de melder om.
Artikel 126n
Degene bij wie een melding is gedaan stelt de Secretaris-Generaal onverwijld schriftelijk in kennis van de melding en de datum waarop deze is ontvangen.
1.
De Secretaris-Generaal:
a. bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk aan de melder of de vertrouwenspersoon; en
b. informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
2.
Indien de Secretaris-Generaal de ontvangst van de melding aan de vertrouwenspersoon heeft gemeld, stuurt deze de ontvangstbevestiging door aan de melder.
1.
Het bevoegd gezag stelt een onderzoek in naar het vermoeden van een misstand.
2.
Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoede misstand.
3.
Het onderzoek en de verdere behandeling van de melding kan in ieder geval achterwege worden gelaten als:
a. geen sprake is van een vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 126g, onderdeel c;
b. de melding niet is gedaan binnen de in artikel 126k genoemde termijn, wanneer de melder niet meer werkzaam is bij de organisatie waarop de melding betrekking heeft;
c. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
4.
Het bevoegd gezag meldt het achterwege laten van een onderzoek en van de verdere behandeling van de melding zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de melder of de vertrouwenspersoon, alsmede aan de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een ander onderzoeksbelang kan worden geschaad. De vertrouwenspersoon stuurt de kennisgeving door aan de melder.
5.
Bij de kennisgeving, bedoeld in het vierde lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de commissie.
1.
Het bevoegd gezag stelt de melder of de vertrouwenspersoon binnen twaalf weken na de melding schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
2.
Als niet binnen twaalf weken toepassing kan worden gegeven aan het eerste lid, wordt de melder of de vertrouwenspersoon voordat deze termijn verlopen is daarvan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte gesteld. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen de melder of de betrokken vertrouwenspersoon een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid ontvangt.
3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4.
Indien het bevoegd gezag de kennisgeving, bedoeld in het eerste of tweede lid, zendt aan de vertrouwenspersoon, stuurt deze de kennisgeving door aan de melder.
5.
Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de commissie.
1.
Behoudens de rechtstreekse melding bij de commissie, bedoeld in artikel 126j, eerste en tweede lid, kan een melder een vermoeden van een misstand melden bij de commissie, indien hij:
a. zich niet kan vinden in de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in artikel 126p, vierde lid;
b. zich niet kan vinden in de inhoud van de kennisgeving, bedoeld in artikel 126q, eerste lid;
c. niet binnen de termijn, genoemd in artikel 126q, eerste lid, of de door het bevoegd gezag aangegeven termijn, bedoeld in artikel 126q, tweede lid, een kennisgeving heeft ontvangen;
d. de door het bevoegd gezag aangegeven termijn, bedoeld in artikel 126q, tweede lid, onredelijk lang is.
2.
De melding bevat ten minste:
a. naam en adres van de melder;
b. de organisatie waar de betrokkene werkzaam is of is geweest;
c. de organisatie waarop de melding betrekking heeft;
d. een omschrijving van de misstand die wordt vermoed;
e. de reden van de melding aan de commissie.
3.
De melder verschaft voorts de gegevens die voor het advies van de commissie nodig zijn en waarover de melder redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Artikel 126s
De commissie maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder instemming van de melder.
Artikel 126t
De commissie bevestigt de ontvangst van een melding aan de melder en stelt het bevoegd gezag op de hoogte van de melding. De commissie informeert voorts de persoon of de personen op wie de vermoede misstand betrekking heeft, dat een melding is gedaan, tenzij dit een onderzoeksbelang kan schaden.
1.
De commissie stelt een onderzoek in.
2.
Het onderzoek en de verdere behandeling van de melding kan achterwege worden gelaten indien:
a. de termijnen, genoemd in artikel 126r, eerste lid, onder c en d, nog niet verstreken zijn;
b. niet is voldaan aan artikel 126j, eerste of tweede lid;
c. niet is voldaan aan artikel 126r, tweede lid, met dien verstande dat de melder eerst de gelegenheid moet hebben gehad binnen een door de commissie gestelde termijn de melding aan te vullen;
d. de melding niet is gedaan binnen de in artikel 126k genoemde termijn, wanneer de melder niet meer werkzaam is bij de organisatie waarop de melding betrekking heeft.
3.
Het achterwege laten van een onderzoek en de verdere behandeling van de melding wordt onder vermelding van redenen zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld aan de melder, het bevoegd gezag, alsmede aan de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een ander onderzoeksbelang kan worden geschaad.
4.
Ten behoeve van het onderzoek kan de commissie bij het bevoegd gezag alle inlichtingen inwinnen die zij voor de vorming van haar advies nodig acht. Het bevoegd gezag verschaft aan de commissie de gevraagde inlichtingen.
5.
Wanneer de inhoud van bepaalde door het bevoegd gezag verstrekte inlichtingen vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van de commissie dient te blijven, wordt dit aan de commissie medegedeeld. De commissie draagt er zorg voor in dergelijke gevallen vertrouwelijk met deze informatie om te gaan en deze waar nodig te beveiligen tegen kennisneming door onbevoegden.
6.
De kosten van het onderzoek komen voor rekening van de organisatie waarop de melding betrekking heeft.
1.
De commissie legt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twaalf weken na ontvangst van de melding, haar bevindingen omtrent de melding neer in een advies, gericht aan het bevoegd gezag.
2.
Als niet binnen twaalf weken kan worden geadviseerd, kan de commissie het uitbrengen van een advies verdagen. Het bevoegd gezag en de melder worden daarover tijdig schriftelijk en met vermelding van redenen geïnformeerd. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen zij het advies ontvangen.
3.
De commissie zendt aan de melder een afschrift van het advies.
1.
Na ontvangst van het advies, bedoeld in artikel 126v, stelt het bevoegd gezag de melder, de commissie en, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad, de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twaalf weken schriftelijk in kennis van zijn standpunt dienaangaande en de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.
2.
Als het standpunt en de consequenties afwijken van het advies, vermeldt het bevoegd gezag de reden voor de afwijking.
3.
Als de commissie de identiteit van de melder niet bekend heeft gemaakt, stuurt de commissie de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, door aan de melder.
4.
Nadat de commissie het standpunt van het bevoegd gezag heeft ontvangen maakt deze haar advies in geanonimiseerde vorm openbaar. Indien de commissie het standpunt na twaalf weken na verzending van het advies aan het bevoegd gezag nog niet heeft ontvangen, maakt de commissie haar advies openbaar. Indien zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan blijft openbaarmaking van het advies achterwege.
5.
Het bevoegd gezag maakt zijn standpunt in geanonimiseerde vorm openbaar tenzij zwaarwegende redenen hieraan in de weg staan.
1.
De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon die bezwaar maakt, beroep of hoger beroep instelt of een verzoek om voorlopige voorziening bij de bestuursrechter doet, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van die procedures, op voorwaarde dat:
a. de rechtsprocedure is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 126h, eerste of tweede lid;
b. bedoeld besluit is genomen binnen vijf jaar nadat het bevoegd gezag kennis heeft gegeven van de bevindingen en het oordeel, bedoeld in artikel 126q, eerste lid, of nadat het bevoegd gezag kennis heeft gegeven van het standpunt, bedoeld in artikel 126w, eerste lid; en
c. bedoeld besluit wordt aangevochten op de grond dat het is genomen vanwege een melding.
2.
De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon die op grond van artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen besluit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten op voorwaarde dat:
a. het voorgenomen besluit betreft een besluit als bedoeld in artikel 126h, eerste of tweede lid;
b. het voorgenomen besluit is kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde termijn; en
c. in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat het voorgenomen besluit verband houdt met de melding.
3.
De melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon richt een verzoek om een tegemoetkoming aan het bevoegd gezag.
1.
Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover:
a. door de melder in verband met de in artikel 126x bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; en
b. het verzoek door het bevoegd gezag is ontvangen voordat op het bezwaar is beslist of uitspraak is gedaan in de procedure waarop het verzoek betrekking heeft.
2.
Het bevoegd gezag kan het verzoek in ieder geval afwijzen indien het onderzoek en de verdere behandeling van de melding op grond van artikel 126p, derde lid, en 126u, tweede lid, achterwege zijn gelaten.
1.
De tegemoetkoming voor iedere afzonderlijke procedure, genoemd in artikel 126x, eerste en tweede lid, is gelijk aan tweemaal het bedrag, genoemd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht .
2.
Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
1.
Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek.
2.
Het bevoegd gezag kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 126ab
Degene aan wie een tegemoetkoming is toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling, indien hij de procedure waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, staakt voordat op het bezwaar is beslist of uitspraak is gedaan. Deze verplichting geldt niet, indien het staken van de procedure direct voortvloeit uit de intrekking door het bevoegd gezag van het besluit, waartegen de procedure is gericht.
1.
Als een besluit of een voorgenomen besluit waarvoor op grond van artikel 126x, eerste of tweede lid, aanspraak bestaat op een tegemoetkoming in de kosten van de procedures, in de bezwaarprocedure of zienswijzeprocedure wordt herroepen wegens een aan het bevoegd gezag te wijten onrechtmatigheid of het bestreden besluit als gevolg van een uitspraak van de rechter die onherroepelijk is geworden wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten, vergoedt het bevoegd gezag voor iedere afzonderlijke procedure aan de melder, de vertrouwenspersoon of de gewezen vertrouwenspersoon alle daadwerkelijk en in redelijkheid door hem gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met dien verstande dat:
a. de vergoeding wordt toegekend zonder toepassing van het tariefsysteem in voornoemd besluit;
b. de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed voor een bedrag van ten hoogste € 200 per uur tot een bedrag van ten hoogste € 5000, beide bedragen exclusief BTW en kantoorkosten;
c. aan de melder toegekende bedragen waarop de melder op grond van een ander wettelijk voorschrift of een uitspraak van een gerechtelijke instantie aanspraak heeft in verband met de vergoeding van kosten als bedoeld in dit artikel, in aftrek worden gebracht op de vergoeding.
2.
De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het voorafgaande jaar.
1.
Aan de militair kan ter zake van bijzondere dienstverrichtingen, dan wel langdurige en eervolle dienst, naar regelen bij koninklijk besluit te stellen, een onderscheiding worden toegekend.
2.
De militair kan, in afwijking van de bepalingen van hoofdstuk 3, buitengewoon worden bevorderd ter beloning van een zeer belangrijk wapenfeit of een andere daad of verrichting, waardoor hij zich zeer bijzonder heeft onderscheiden.
3.
Aan de militair kan ter zake van het op een bijzondere wijze hebben bijgedragen tot de behartiging van de belangen van de krijgsmacht een titulaire rang worden toegekend.
Artikel 133. Non-activiteit
In geval van buitengewone omstandigheden kan Onze Minister de militair die in verband met een functie in een publiekrechtelijk college ingevolge artikel 12c, eerste lid, van de Militaire ambtenarenwet 1931 op non-activiteit is gesteld, in werkelijke dienst terugroepen.
1.
De militair in werkelijke dienst is verplicht tijdens de voor hem vastgestelde werktijden het voor hem vastgestelde uniform te dragen. De vaststelling van het uniform geschiedt, voor zover Wij Ons dat niet hebben voorbehouden, door de commandant operationeel commando.
2.
Het kan de militair die al dan niet in werkelijke dienst verblijft door de commandant operationeel commando worden toegestaan onder bepaalde omstandigheden het uniform al dan niet te dragen.
1.
De militair in werkelijke dienst kan door Onze Minister worden verplicht tot sportbeoefening in dienstverband.
2.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 139. Bereikbaarheidsplicht
De militair in werkelijke dienst kan door Onze Minister worden verplicht zodanige maatregelen te treffen, dat hij aan per radio, televisie of andere wijze gedane oproepingen om zich te melden onverwijld gevolg kan geven.
Artikel 142. Onderzoek aan kleding dan wel lichaam
De commandant is bevoegd tot het gelasten van een onderzoek aan kleding dan wel lichaam, als bedoeld in artikel 12d van de Militaire ambtenarenwet 1931 en met inachtneming van dat artikel.
Artikel 143. Verplichting tot wonen binnen een bepaalde afstand van de plaats van tewerkstelling
De militair kan worden verplicht te wonen op een bepaalde afstand van de plaats, waar hij in de regel dienst verricht, of in een ambts- of dienstwoning, indien dit naar het oordeel van het hoofd defensieonderdeel in het belang van de dienst nodig of gewenst is.
1.
De militair die een ambts- of dienstwoning bewoont, draagt de kosten van het onderhoud, dat volgens de wet en het plaatselijk gebruik voor rekening van de huurder komt, tenzij bij ministeriële regeling afwijkende regels worden gesteld.
2.
Ingeval de militair overlijdt behouden de achtergebleven gezinsleden gedurende de maand van het overlijden en de volgende drie maanden het gebruik van de ambts- of dienstwoning waarin zij met de militair woonden. Het hoofd defensieonderdeel kan die termijn bekorten indien het belang van de dienst dit noodzakelijk maakt. Alsdan wordt door het hoofd defensieonderdeel naar billijkheid een schadevergoeding gegeven.
3.
Bij vrijwillig verlaten van de ambts- of dienstwoning binnen de termijn gedurende welke de woning nog mag worden gebruikt, kan het hoofd defensieonderdeel een uitkering geven.
1.
Onze Minister kan de militair verplichten tot geheel of gedeeltelijke vergoeding van de door de dienst geleden schade:
a. indien deze schade in het kader van de vervulling van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid van de militair, dan wel
b. indien deze schade buiten het kader van aan de militair opgedragen diensten en werkzaamheden is ontstaan door verwijtbaar handelen van de militair.
2.
Wanneer de schade is veroorzaakt door meerdere personen gezamenlijk is in beginsel ieder hoofdelijk aansprakelijk.
Artikel 146. Verplichting tot aanzuivering van een tekort
De militair die uit hoofde van zijn functie is belast met het beheer over of de bewaring van aan het rijk toebehorende of toevertrouwde gelden of geldswaardige papieren kan, bij constatering van een tekort, worden verplicht dat tekort geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren, indien en voor zover hij niet aannemelijk maakt dat het ontstaan van dat tekort hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.
1.
Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, wordt van elk ongeval dat aan een militair in werkelijke dienst tijdens de uitoefening van de dienst is overkomen, zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt. De militair is verplicht, zodra hij daartoe redelijkerwijs in staat is, kennis te geven van een hem overkomen ongeval als vorenbedoeld aan zijn commandant.
2.
Naar regels bij ministeriële regeling te stellen, wordt van elk ongeval dat aan een militair in werkelijke dienst is overkomen en waarvan niet reeds op grond van het vorige lid een proces-verbaal is opgemaakt, op aanvraag van de militair zo spoedig mogelijk een proces-verbaal opgemaakt. Bedoelde aanvraag kan, indien de militair hiertoe niet in staat is, ook worden gedaan door zijn naaste betrekkingen. Een proces-verbaal als in dit lid bedoeld kan ook ambtshalve worden opgemaakt.
3.
Onze Minister beslist of het ongeval waarop een proces-verbaal betrekking heeft, wordt geacht wel of niet in verband te staan met de uitoefening van de dienst, van welke beslissing de militair schriftelijk in kennis wordt gesteld.
4.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder militair in werkelijke dienst mede begrepen de militair, aan wie buitengewoon verlof van lange duur met behoud van militaire inkomsten is verleend.
1.
Onverminderd artikel 147, tweede lid, is de militair in werkelijke dienst verplicht Onze Minister onverwijld kennis te geven van elk ongeval dat hem is overkomen, indien:
a. bij dat ongeval een derde is betrokken en
b. hij tengevolge van dat ongeval verhinderd is zijn normale werkzaamheden uit te oefenen of geneeskundige hulp heeft moeten inroepen.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder militair in werkelijke dienst mede begrepen de militair, aan wie buitengewoon verlof van lange duur met behoud van militaire inkomsten is verleend.
3.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels ter uitvoering van dit artikel vastgesteld.
Artikel 153a. Afwijking van dit hoofdstuk
Ten aanzien van militairen die deelnemen aan een initiële opleiding kunnen bij ministeriële regeling met betrekking tot de aangelegenheden geregeld in dit hoofdstuk bijzondere afwijkende regels worden vastgesteld.
1.
De militair die voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel is vanaf 1 januari 2008 aangesteld bij de krijgsmacht en ingedeeld bij het krijgsmachtdeel waarbij hij vóór deze datum was aangesteld.
2.
Een bestaande verplichting om deel uit te maken van het beroepspersoneel wordt gehandhaafd.
3.
Voor de toepassing van dit besluit wordt de in het eerste lid bedoelde militair gelijk gesteld met de militair die zich in fase drie bevindt.
1.
De militair die voor een bepaalde tijd is aangesteld bij het beroepspersoneel blijft voor een bepaalde tijd bij het beroepspersoneel aangesteld.
2.
Hieraan is de verplichting verbonden gedurende die tijd deel uit te maken van het beroepspersoneel.
3.
Voor de toepassing van dit besluit wordt de in het eerste lid bedoelde militair gelijk gesteld met de militair die zich in fase één bevindt, met dien verstande dat de militair die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van dit artikel aanspraak had op deelname aan flexibilisering arbeidsduur als bedoeld in de artikelen 54d en 54e, deze aanspraak behoudt.
4.
De aanstelling van de militair bedoeld in het eerste lid aan wie vóór 31 december 2007 schriftelijk een aanstelling voor onbepaalde tijd bij het beroepspersoneel in het vooruitzicht is gesteld wordt aan het einde van de aanstellingsduur omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase drie.
1.
De in artikel 154a, eerste lid, bedoelde militair wordt eervol ontslag verleend vanwege het eindigen van de tijd waarvoor de aanstelling is geschied.
2.
In afwijking van het eerste lid kan de aanstelling van de in artikel 154a, eerste lid, bedoelde militair met diens instemming en onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden:
a. aan het einde van de initiële of verlengde aanstellingsduur worden omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase twee;
b. tijdens de initiële of verlengde aanstellingsduur worden omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, waarbij de militair gaat functioneren in fase één respectievelijk fase twee.
3.
In het geval, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt de verplichting om deel uit te maken van het beroepspersoneel als bedoeld in artikel 154a, tweede lid, gehandhaafd.
1.
Aan de in artikel 154a bedoelde militair wordt een premie toegekend:
a. nadat hij de bij zijn aanstelling op hem gelegde verplichting heeft volbracht;
b. nadat hij in voorkomend geval een verlengde verplichting heeft volbracht; of
b. nadat hij zijn opleiding met gunstig resultaat heeft volbracht, en hij niet heeft kunnen voldoen aan de uit de aanstelling voortvloeiende of in voorkomend geval verlengde verplichting, door een naar het oordeel van Onze Minister niet aan hem zelf te wijten oorzaak.
2.
De premie is ten minste een bedrag gelijk aan 5% van het bij de aanstelling geldende laagste salarisbedrag verbonden aan de rang behorende bij de functie waarvoor hij is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.
3.
De premie is ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de bezoldiging behorende bij ten hoogste salarisnummer 19 van het salaris van de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te weten:
a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
4.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien artikel 154b, tweede lid, wordt toegepast met dien verstande dat:
a. de premie van de militair, waarvan de aanstelling tijdens de initiële aanstellingsduur wordt omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, wordt berekend over de duur van de aan de aanstelling verbonden verplichting;
b. de premie van de militair, waarvan de aanstelling tijdens de verlengde aanstellingsduur wordt omgezet naar een aanstelling bij de krijgsmacht, wordt naar rato berekend over de periode tot de omzetting.
5.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het toekennen van de premie.
Artikel 154d. Andere percentages
Door Onze Minister kunnen uitsluitend ten aanzien van bepaalde doelgroepen van militairen andere percentages dan de percentages genoemd in artikel 154c, derde lid onder a tot en met d, worden vastgesteld indien vaststaat dat met toepassing van laatstgenoemde percentages onvoldoende in de werving van tot deze doelgroepen behorende militairen kan worden voorzien.
Artikel 154e. Uitbetaling van de premie
Een premie als bedoeld in artikel 154c wordt uitbetaald binnen twee maanden nadat daarop aanspraak is ontstaan. Een voorschot op deze premie kan worden uitgekeerd aan de militair die zijn initiële opleiding als bedoeld in artikel 13 met goed gevolg heeft afgerond: voor ten hoogste een kwart van de bij zijn aanstelling toegekende premie.
1.
De in artikel 154a bedoelde militair kan, met het oog op het na zijn verblijf in werkelijke dienst uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, in de gelegenheid worden gesteld een bij zijn aanstelling vastgestelde burgerberoepsopleiding te volgen.
2.
Deze opleiding vindt plaats tijdens het verblijf in werkelijke dienst en geschiedt voor rekening van en, indien en voorzover dat naar het oordeel van Onze minister wenselijk en mogelijk is, door de zorg van het Rijk.
3.
Bij de regeling bedoeld in het eerste lid worden voor de onderscheiden opleidingen maximum tijdsduren vastgesteld, gedurende welke die opleidingen op rijkskosten kunnen worden gevolgd, met dien verstande dat deze tijdsduur nimmer meer kan bedragen dan vierentwintig maanden.
4.
Gedurende zes maanden na de datum van aanstelling kan, in overeenstemming tussen Onze minister en de betrokken militair, eenmaal wijziging in de burgerberoepsopleiding worden gebracht. Indien het dienstbelang zulks vordert kan ook na vorenbedoelde termijn Onze minister de burgerberoepsopleiding met instemming van de militair wijzigen. De voorgaande leden zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien de militair de burgerberoepsopleiding, als gevolg van een naar het oordeel van Onze minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak, niet binnen de voor hem op grond van het derde lid vastgestelde maximum tijdsduur met gunstig resultaat heeft voltooid, kan Onze minister bepalen, dat bij een verlengde verplichting een gedeelte van die verlenging wordt bestemd voor het voltooien van de opleiding.
6.
De militair die door een naar het oordeel van Onze minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak wordt ontslagen nadat de aan de aanstelling verbonden proeftijd is verstreken, maar voordat de – eventueel verlengde – verplichting is volbracht, kan op zijn aanvraag in aanmerking worden gebracht voor een tegemoetkoming ten einde de in dit artikel bedoelde burgerberoepsopleiding te voltooien.
1.
De in artikel 154a bedoelde militair die, met het oog op het na zijn verblijf in werkelijke dienst uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij, tijdens zijn verblijf in werkelijke dienst algemeen vormend of vak onderricht volgt, kan op zijn aanvraag, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, in het genot worden gesteld van faciliteiten, verband houdende met het volgen van het onderricht.
2.
De in het eerste lid bedoelde militair, die de uit zijn aanstelling voortvloeiende verplichting en eventueel verlengde verplichting heeft volbracht, kan op zijn aanvraag gedurende ten hoogste één jaar na de datum van ingang van zijn ontslag in het genot van de in het eerste lid bedoelde faciliteiten worden gesteld, in geval deze verband houden met het volgen van onderwijs.
Artikel 154h. Studietoelagen
De in artikel 154a bedoelde militair die de uit zijn aanstelling voortvloeiende verplichting heeft volbracht, of daaraan – nadat hij met gunstig resultaat zijn opleiding heeft voltooid – niet heeft kunnen voldoen door een naar het oordeel van Onze minister niet aan hemzelf te wijten oorzaak, kan op zijn aanvraag na de datum van ingang van zijn ontslag, naar bij ministeriële regeling te stellen regels, in het genot worden gesteld van een studietoelage, indien hij met het oog op het uitoefenen van een beroep in de burgermaatschappij aan een in Nederland gevestigde en erkende onderwijsinstelling niet-schriftelijk wetenschappelijk, algemeen vormend of vak onderricht volgt.
1.
De in artikel 154a genoemde militair die geen aanspraak maakt op een tegemoetkoming in het dagelijks reizen, heeft, indien zijn plaats van tewerkstelling in Nederland, België of Duitsland is gelegen, eenmaal in de twee weken aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van het reizen ten behoeve van familiebezoek over een enkele reis afstand van ten hoogste 460 kilometer, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 25 van het Verplaatsingskostenbesluit militairen.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde militair tevens aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de reiskosten op grond van het Verplaatsingskostenbesluit militairen , bestaat slechts aanspraak op de hoogste vergoeding per maand.
3.
De in dit artikel bedoelde aanspraak is niet van toepassing voor de militair die voorzieningen geniet ingevolge het Dienst Buitenlandse Zaken Voorzieningenstelsel (DBZV).
1.
De militair die voor onbepaalde tijd is aangesteld bij het reservepersoneel is vanaf 1 januari 2008 aangesteld bij het reservepersoneel en ingedeeld bij het krijgsmachtdeel waarbij hij vóór deze datum was aangesteld.
2.
Artikel 154 is op de in het eerste lid bedoelde militair van overeenkomstige toepassing.
1.
De militair die voor een bepaalde tijd is aangesteld bij het reservepersoneel blijft voor een bepaalde tijd bij het reservepersoneel aangesteld.
2.
Artikel 154a is op de in het eerste lid bedoelde militair van overeenkomstige toepassing.
Algemene termijnenwet van Algemeen militair ambtenarenreglement">
Artikel 161. Toepasselijkheid van de Algemene termijnenwet
De Algemene termijnenwet (Stb. 1964, 314) is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld.
Artikel 163. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als "Algemeen militair ambtenarenreglement", afgekort AMAR.
Artikel 164. Inwerkingtreding
De artikelen van dit besluit treden in werking op een door Ons te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, alsook per krijgsmachtdeel, verschillend kan worden gesteld.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 25 februari 1982
De Staatssecretaris van Defensie,
Uitgegeven de achtste juni 1982
De Minister van Justitie,