Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 2a
Artikel 3
Artikel 3a
Artikel 3b
Artikel 4
Artikel 4a
Artikel 5
Artikel 5a
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 10a
Artikel 10b
Artikel 10c
Artikel 11
Artikel 11a
Artikel 11b
Artikel 12
Artikel 12a
Artikel 12b
Artikel 13
Artikel 13a
Artikel 13b
Artikel 13c
Artikel 14
Artikel 14a
Artikel 14b
Artikel 14c
Artikel 14d
Artikel 14e
Artikel 15
Artikel 15a
Artikel 15b
Artikel 15c
Artikel 15d
Artikel 16
Artikel 16a
Artikel 16b
Artikel 17
Artikel 18
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Jurisprudentie
Voorbeelden van het gebruik van deze artikel(en) in rechterlijke uitspraken
Let op. Deze wet is vervallen op 1 januari 2006. U leest nu de tekst die gold op -.

Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw

Besluit van 23 december 1965, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Ziekenfondswet
Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 1 december 1965, Directoraat-Generaal van de Volksgezondheid, Directie Gezondheidszorg, Hoofdafdeling Gezondheidszorg I, Afd. M.G.Z., Nr. 130.093;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onder b, 5, derde lid, en 18 van de Ziekenfondswet (Stb. 392, 1964);
De Raad van State gehoord (advies van 13 december 1965, nr. 43);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid van 21 december 1965, Directoraat-Generaal van de Volksgezondheid, Directie Gezondheidszorg, Hoofdafdeling Gezondheidszorg I, Afd. M.G.Z., nr. 131.363;
Hebben goedgevonden en verstaan.
Artikel 1
Verzekerd is, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 van de Ziekenfondswet:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. [vervallen;]
d. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en die op grond van een uitkeringsregeling wegens werkloosheid of ontslag, ter zake waarvan hij verzekerd was ingevolge onderdeel f, een uitkering wegens ziekte, zwangerschap of bevalling ontvangt;
e. gedurende ten hoogste achttien maanden, degene, die ononderbroken onbetaald verlof in de zin van artikel 1, onderdeel e, van de Ziektewet opneemt en direct voorafgaand aan het verlof verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet . Als ononderbroken onbetaald verlof worden mede aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen;
f. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en anders dan krachtens of anders dan in aanvulling op de Werkloosheidswet of de Toeslagenwet dan wel de voorzieningen en regelingen, bedoeld onder g, x en aa, een uitkering of wachtgeld ter zake van werkloosheid of ontslag ontvangt op grond van de arbeidsvoorwaarden, verbonden aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij verzekerd was als overheidswerknemer in de zin van artikel 1, onder l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen dan wel in die hoedanigheid uitsluitend in verband met overschrijding van de voor de verplichte ziekenfondsverzekering geldende loongrens niet verzekerd was. Met een uitkering als bedoeld in de vorige alinea wordt gelijkgesteld een overbruggingsuitkering, welke aan een gewezen werknemer van de steenkolenmijn-industrie is toegekend op grond van de regeling inzake aanvullende voorzieningen in het kader van artikel 4 van de beschikking nr. 3–65 van de Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van 17 februari 1965, welke op 19 april 1967 door de vereniging «De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg» is vastgesteld;
g. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en die een uitkering geniet ter zake van vervroegde uittreding uit het arbeidsproces, mits hij op de dag, voorafgaande aan die met ingang waarvan de uitkering wordt toegekend, verzekerd was op grond van de Ziekenfondswet . Onder een uitkering ter zake van vervroegde uittreding uit het arbeidsproces wordt verstaan een uitkering ingevolge een van rijkswege dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde regeling ter zake van vervroegde uittreding uit het arbeidsproces of een ter zake van vervroegde uittreding uit het arbeidsproces getroffen regeling voor personen van 55 jaar of ouder waarbij het uitkeringspercentage op ten minste 70% van het laatstgenoten loon is vastgesteld;
h. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en de wachtdagen vervult voor de uitkering van ziekengeld op grond van artikel 46 van de Ziektewet, mits hij op de dag, waarop de verzekering eindigde ter zake waarvan artikel 46 toepassing vindt, verzekerd was op grond van de Ziekenfondswet ;
i. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en ziekengeld krachtens Hoofdstuk II van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen dan wel arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens Hoofdstuk III van die wet ontvangt, mits - voor zover de uitkering werd toegekend krachtens Hoofdstuk III van genoemde wet - deze werd berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 45%;
j. degene die een uitkering ontvangt ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars ;
k. degene wiens dienstbetrekking is geëindigd anders dan door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn, en die in verband met de eindiging van die dienstbetrekking recht heeft op inkomsten, indien hij op de dag voorafgaande aan die waarop de dienstbetrekking is geëindigd, verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet , voor de duur van de bij opzegging rechtens geldende termijn;
l. degene, die werkloos is en die geen recht heeft op een uitkering ingevolge artikel 16, 17a of 20 van de Werkloosheidswet, en die een vervangende uitkering ontvangt ingevolge artikel 24C van de collectieve arbeidsovereenkomst voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf en die op de dag, voorafgaande aan die met ingang waarvan de vervangende uitkering wordt toegekend, verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet;
m. gedurende het kalenderjaar waarop de verklaring ziet, maar uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die een verklaring heeft ontvangen als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet, en van wie nadien wordt vastgesteld dat hij over het jaar waarop de verklaring ziet, niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet, tenzij de afgifte van de verklaring het gevolg is van het feit dat deze persoon de rijksbelastingdienst of het ziekenfonds ten onrechte niet heeft gemeld dat hij niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet;
n. degene, die hier te lande zijn woonplaats heeft en wiens medeverzekering als bedoeld in artikel 4 van de Ziekenfondswet een einde heeft gevonden door het overlijden van degene op wiens verzekering de medeverzekering steunde, gedurende een aaneengesloten periode van 6 weken te rekenen van de dag af, waarop het recht op medeverzekering een einde nam;
o. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft, in werkelijke militaire dienst is ingevolge de Wet voor het reserve-personeel der krijgsmacht 1985 en die langer dan 100 dagen onafgebroken in werkelijke militaire dienst is of geacht kan worden te zullen verblijven, mits een of meer personen ingevolge het bepaalde bij of krachtens artikel 4 van de Ziekenfondswet op grond van zijn verzekering in aanmerking komen voor medeverzekering;
p. degene, die behoort tot een of meer door Onze Minister en door Onze Minister van Defensie aan te wijzen groepen van personen, die kunnen worden geacht niet langer dan 100 dagen onafgebroken in werkelijke militaire dienst te zullen verblijven;
q.
1. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene van 55 jaar of ouder die zijn woonplaats hier te lande heeft en die ten gevolge van bedrijfsbeëindiging niet langer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet, indien hij op de dag, voorafgaande aan die waarop die verzekering ten gevolge van bedrijfsbeëindiging is geëindigd, verzekerd is op grond van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet. Onder bedrijfsbeëindiging wordt verstaan het geheel staken van de onderneming en het in verband daarmee niet langer genieten van winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet. De verzekering vangt aan met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de verzekering ingevolge artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet eindigt. De verzekering eindigt op het tijdstip waarop betrokkene weer verzekerd wordt ingevolge 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet;
2. voor de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de inspecteur van de rijksbelastingdienst bij voor bezwaar vatbare beschikking een verklaring waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden;
3. artikel 76 van de Ziekenfondswet is van overeenkomstige toepassing;
r. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die zijn woonplaats hier te lande heeft en die een pensioen geniet, berekend naar een invaliditeit van tenminste 45%, dat is toegekend of geacht wordt te zijn toegekend ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen. Onder pensioen wordt ten deze niet verstaan het ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen toegekende uitgestelde pensioen of het dienovereenkomstige pensioen dat geacht wordt krachtens die wet te zijn toegekend;
s. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en wiens verplichte verzekering op grond van de Ziekenfondswet is geëindigd, zulks indien hij wacht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van verplichte verzekering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering , mits en voor zolang het ziekenfonds waarbij hij staat ingeschreven, het aannemelijk acht dat hem die arbeidsongeschiktheidsuitkering zal worden toegekend, doch gedurende ten hoogste 13 weken;
t. tot de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en die een pensioen geniet ten laste van de pensioenkas van de Stichting "Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg", mits hij op 31 december 1972 lid was van het Algemeen Ziekenfonds van voornoemde Stichting en hij, bij pensionering na laatstgenoemde datum, in aansluiting aan zijn actief lidmaatschap van genoemde pensioenkas in het genot van pensioen is gesteld. De in de vorige volzin bedoelde gepensioneerde, die op 31 december 1972 op grond van een dienstverhouding buiten het mijnbedrijf als verplicht-verzekerde bij een ander ziekenfonds was ingeschreven, wordt niettemin voor de toepassing van de vorige volzin geacht op dat tijdstip lid te zijn geweest van voornoemd Algemeen Ziekenfonds;
u. gedurende de in artikel 3, tweede lid, onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen bedoelde wachttijd, degene die, indien hij op de dag, voorafgaande aan die waarop die bepaling op hem van toepassing werd, verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet ;
v. degene die zijn woonplaats hier te lande heeft en die een toelage ontvangt krachtens artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ;
w. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft en die een WAO-uitkering als overheidswerknemer in de zin van artikel 1, onder l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen ontvangt, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%;
x.
1. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die algemene bijstand ontvangt met toepassing van de artikelen 20 of 21 van de Wet werk en bijstand;
2. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die algemene bijstand ontvangt met toepassing van artikel 23 van de Wet werk en bijstand;
y. degene wiens bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand tot € 0 is verlaagd;
z. degene die zijn woonplaats hier te lande heeft en die met ingang van een dag, gelegen op of na de dag van inwerkingtreding van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen , in het genot is gesteld van een uitkering ter zake van vervroegde pensionering en die op de dag, voorafgaande aan die met ingang waarvan de uitkering wordt toegekend, verzekerd was op grond van de Ziekenfondswet . Onder een uitkering ter zake van vervroegde pensionering wordt verstaan een uitkering ter zake van pensionering voor de 65-jarige leeftijd ingevolge een pensioenregeling die ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij ouderdom;
aa. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die zijn woonplaats hier te lande heeft en die een uitkering ontvangt krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers dan wel de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ;
bb. degene van 65 jaar of ouder die algemene bijstand ontvangt met toepassing van de artikelen 22 of  23 van de Wet werk en bijstand;
cc. [vervallen;]
dd. [vervallen;]
ee. [vervallen;]
ff. degene, die zijn woonplaats hier te lande heeft, jonger dan 18 jaar is en een financiële bijdrage ontvangt voor het deelnemen aan een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand, voorzover hij uit hoofde daarvan niet als werknemer in de zin van de Ziektewet wordt aangemerkt.
gg. [vervallen;]
hh. vanaf de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die hier te lande woonachtig is en die op de laatste dag van de daaraan voorafgaande maand, op grond van een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid of op grond van een verordening van de Raad van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte als gezinslid aanspraak kon doen gelden op de in beginsel ten laste van een orgaan van een andere verdragsstaat respectievelijk van een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel van de Europese Economische Ruimte door een Nederlands ziekenfonds te verlenen verstrekkingen, tenzij ingevolge de desbetreffende verdragsbepalingen het recht op medische zorg als gezinslid bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet wordt beëindigd;
ii.
1. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder f tot en met k, van de Vreemdelingenwet 2000 en die werknemer is in de zin van de Ziektewet en wiens loon niet meer bedraagt dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet genoemde bedrag;
2. de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid blijft verzekerd indien hij uit hoofde van het verrichten van arbeid als bedoeld in het eerste lid, recht heeft op betaling van loon als bedoeld in artikel 629, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet , de Werkloosheidswet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , alsmede indien de arbeid, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk is onderbroken als gevolg van betaald verlof, staking of uitsluiting;
3. met ingang van de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, de in het eerste onderdeel bedoelde vreemdeling die op de laatste dag van de daaraan voorafgaande maand ingevolge onderdeel 1 of 2 verzekerd was;
jj.
1. tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, de in Nederland wonende vreemdeling die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000:
voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of
binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6.11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en I, van de Vreemdelingenwet 2000, en
die op de dag, voorafgaande aan die met ingang waarvan hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijf hield in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en I, van de Vreemdelingenwet 2000 verzekerd was op grond van de Ziekenfondswet , zolang en voor zover betrokkene het loon of de uitkering waarop de ziekenfondsverzekering steunde blijft ontvangen;
2. met ingang van de eerste dag van de maand waarin betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, de in het eerste onderdeel bedoelde vreemdeling die op de laatste dag van de daaraan voorafgaande maand ingevolge dat onderdeel verzekerd was;
3. de verzekering op grond van onderdeel 1 of 2 eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven;
kk. degene die niet in Nederland woont en een periodieke uitkering ontvangt ingevolge artikel 4, eerste of vierde lid, of artikel 5 van de Remigratiewet, indien betrokkene met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Unie of een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, in de staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht kan doen gelden op verstrekkingen die hem in beginsel worden verleend ten laste van de middelen van de ziekenfondsverzekering en
1. de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, dan wel
2. 65 jaar of ouder is.
1.
Artikel 1, onder e, k, u en bb is niet van toepassing op degene die op grond van enige andere bepaling verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet is.
2.
Het bepaalde in artikel 1, onder f, is niet van toepassing, indien het overeengekomen vaste loon in geld, waarnaar de uitkering of het wachtgeld is berekend, dan wel – zodra gedurende 26 weken uitkering werd ontvangen – indien het bruto ongekorte uitkeringsbedrag, herleid op jaarbasis, meer bedraagt dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet genoemde bedrag. Tot het bruto ongekorte uitkeringsbedrag wordt mede gerekend de toeslag ingevolge artikel 9 van de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657).
3.
[Vervallen.]
4.
Artikel 1, onder o, p en r is niet van toepassing op degene wiens bezoldiging of pensioenuitkering, in voorkomend geval met inbegrip van de vergoeding in de zin van de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen wegens het verschuldigd zijn van een premie krachtens een algemene pensioenwet en van de toeslag, bedoeld in artikel 10 van de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel (Stb. 657), meer bedraagt dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet genoemde bedrag per jaar.
Daarbij wordt het over één of meer gedeelten van een jaar genotene op jaarbasis herleid en wordt tot het einde van een kalenderjaar geen rekening gehouden met wijzigingen van de bezoldiging en de uitkering, welke na 1 november van het voorafgaande kalenderjaar plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.
5.
Het bepaalde in artikel 1, onder t, is niet van toepassing op degene, die een pensioen ten laste van de pensioenkas van de Stichting "Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg" geniet, indien de pensioenuitkering, in voorkomend geval met inbegrip van de vergoeding, bedoeld in artikel 55 van het Reglement voor het Algemeen Mijnwerkersfonds van de Steenkolenmijnen in Limburg op jaarbasis meer bedraagt dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet genoemde bedrag. Daarbij wordt tot het einde van een kalenderjaar geen rekening gehouden met wijzigingen van de pensioenuitkering, welke na 1 november van het voorafgaande kalenderjaar plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.
6.
Het bepaalde in artikel 1, onder v, is niet van toepassing op:
a. degene die een toelage ontvangt indien 70% van zijn dagloon ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dan wel van zijn dagloon krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen - herleid tot jaarloon - meer bedraagt dan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Ziekenfondswet genoemde bedrag, tenzij hij op de dag, voorafgaande aan die, waarop dit het geval is, verzekerd was op grond van de Ziekenfondswet . Hierbij wordt tot het einde van een kalenderjaar geen rekening gehouden met wijzigingen van het dagloon, welke na 1 november van het voorafgaande jaar plaatsvinden of hebben plaatsgevonden.
b. degene die een toelage ontvangt welke minder dan 35% bedraagt van de grondslag, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarop hij recht heeft dan wel recht zou hebben, indien hij voor toekenning van zulk een uitkering in aanmerking zou komen, is of zou zijn berekend, tenzij hij op de dag voorafgaande aan die met ingang waarvan de toelage wordt toegekend verzekerd was op grond van de verplichte verzekering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .
7.
[Vervallen.]
8.
Artikel 1, onder i, voor zover dit betrekking heeft op degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, alsmede onder n, r, t, v en w, is niet van toepassing op degene die deelneemt dan wel op de dag, voorafgaande aan de dag waarop zijn recht op uitkering of pensioen ingaat, deelnam aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren, bedoeld in artikel 4, zestiende lid, onder b, van de Ziekenfondswet.
9.
Artikel 1, onder g, s, x, z, aa en bb, is niet van toepassing op degene die deelneemt aan een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren, bedoeld in artikel 4, zestiende lid, onder b, van de Ziekenfondswet.
10.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, categorieën van personen aanwijzen, op wie artikel 1, onder r, niet van toepassing is.
11.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, categorieën van personen, behorende tot de in artikel 1, onder r, bedoelde personen, aanwijzen, die indien zij de wens daartoe te kennen geven, niet verzekerd worden ingevolge de Ziekenfondswet . In hetgeen verder met betrekking tot de vorige volzin regeling behoeft, wordt voorzien door Onze Minister.
12.
Artikel 1, onder x, onderdeel 1, is niet van toepassing indien de in dat onderdeel bedoelde uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand betrekking heeft op de premie voor een particuliere ziektekostenverzekering, dan wel wordt verleend aan een zelfstandige als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
13.
Artikel 1, onder z, is niet van toepassing op degene die uitsluitend een uitgesteld vervroegd pensioen ontvangt. Onder een uitgesteld vervroegd pensioen wordt verstaan een vervroegd pensioen uit een dienstbetrekking die niet onmiddellijk voorafgaande aan de dag van ingang van dat pensioen is geëindigd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt de dienstbetrekking geacht voort te duren zolang en voor zover in het tijdvak gelegen tussen de beëindiging van de dienstbetrekking en de ingangsdatum van het vervroegde pensioen, in verband met de beëindiging van bedoelde dienstbetrekking een uitkering op grond van een sociale verzekeringswet dan wel een uitkering als bedoeld in artikel 1, onder g of aa, is toegekend.
14.
Artikel 1, onderdeel hh, is niet van toepassing op degene die in het tijdvak van vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, minder dan drie jaar verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet , dan wel rechthebbende op verstrekkingen ingevolge de wettelijke regeling van een of meer andere staten waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten of van een of meer andere lidstaten van de Europese Unie dan wel van de Europese Economische Ruimte. Voorzover voor de vaststelling van de in de eerste volzin bedoelde periode nodig, worden de tijdvakken gedurende welke betrokkene aanspraken had op grond van de in die volzin bedoelde wettelijke regelingen samengeteld, voorzover deze tijdvakken niet samenvallen. Onze Minister kan bepalen dat door hem aangewezen categorieën van personen als bedoeld in het eerste lid, onder hh, niet behoeven te voldoen aan de in de eerste volzin bedoelde voorwaarde.
15.
Artikel 1 is niet van toepassing op degene die recht heeft op medische zorg krachtens een regeling van een op grond van artikel 3, eerste lid, onder d, dan wel artikel 14, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 aangewezen volkenrechtelijke organisatie.
16.
Het bepaalde in artikel 1 is - tenzij anders bepaald - niet van toepassing op degene, die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
17.
Artikel 1, onderdeel kk, is niet van toepassing op degene die op de dag voor de inwerkingtreding van de Remigratiewet is geremigreerd.
Artikel 2a
Waar ingevolge dit besluit voor de verzekering als voorwaarde wordt gesteld dat betrokkene zijn woonplaats hier te lande heeft, is deze voorwaarde niet van toepassing op degene die buiten het Rijk woont op het grondgebied van een staat waar hij hetzij krachtens verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen, hetzij krachtens een verdrag recht heeft op verstrekkingen, welke in beginsel worden verleend ten laste van de Algemene Kas bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet.
1.
Degene, tot wie een of meer personen bedoeld in artikel 1, onder ii, onderdeel 1 of 2, en jj, onderdeel 1, in dienstbetrekking staan, wordt mede voor de toepassing van artikel 5 van de Ziekenfondswet beschouwd als werkgever. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10 en 12 van de Ziektewet is van overeenkomstige toepassing.
2.
Degene, die belast is met de uitkering van wachtgeld, rente, pensioen of enige andere uitkering als bedoeld in de artikelen 1, 15, en 15 a, wordt mede voor de toepassing van artikel 5 van de Ziekenfondswet beschouwd als werkgever van degene, aan wie het wachtgeld, de rente, het pensioen of enige andere uitkering als vorenbedoeld is toegekend.
3.
Degene die belast is met de uitkering van pensioen of enige uitkering aan de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b en c, van de Ziekenfondswet, wordt, voor zover deze met de inhouding van ziekenfondspremie is belast, mede voor de toepassing van artikel 5 van de Ziekenfondswet beschouwd als werkgever van degene, aan wie het pensioen of de uitkering, als vorenbedoeld, is toegekend.
4.
Degene die de bijstand van de persoon, bedoeld in artikel 1, onder y, heeft verlaagd, wordt voor de toepassing van artikel 5 van de Ziekenfondswet als diens werkgever beschouwd.
Artikel 3a
Waar in het vervolg van dit besluit regelen worden gesteld krachtens welke een procentuele premie wordt geheven gelden deze regelen onverminderd hetgeen bij of krachtens artikel 16 a omtrent de daarbedoelde nominale premie is bepaald.
Artikel 3b
Bij de premieheffing ingevolge dit besluit over uitkeringen en pensioenen niet zijnde loon als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Ziekenfondswet, wordt geen premie geheven over:
a. bedragen die worden ingehouden als verplichte bijdrage ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde uittreding;
b. eenmalige uitkeringen en verstrekkingen ter zake van overlijden;
c. uitkeringen en verstrekkingen tot dekking van op de uitkerings- of pensioengerechtigde drukkende kosten ter zake van ziekte, invaliditeit en bevalling;
d. geschenken ter gelegenheid van algemeen erkende feestdagen en het Sint-Nicolaasfeest, een jubileum van de inhoudingsplichtige, dan wel de verjaardag en andere persoonlijke feestdagen van de uitkerings- of pensioengerechtigde, voor zover de waarde daarvan een bedrag van € 35 per jaar niet overtreft;
e. een tegemoetkoming in de voor rekening van de vervroegd gepensioneerde komende ziekenfondspremie tot ten hoogste het bedrag, dat overeenstemt met het werkgeversdeel, dat verschuldigd zou zijn, als de uitkering als loon zou worden aangemerkt.
1.
Voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 1, onder d, wordt over de uitkering een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
3.
Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswet alsmede het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing, waarbij de uitkering, bedoeld in het eerste lid, als loon wordt aangemerkt en het orgaan dat de uitkering doet als werkgever wordt beschouwd.
4.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 1, onder f, wordt van de uitkering en het wachtgeld, welke de verzekerden hebben genoten in het tijdvak, waarover de betaling loopt, een premie geheven tot het krachtens het eerste lid van artikel 15 van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage. Daarbij wordt in voorkomend geval mede als uitkering of wachtgeld aangemerkt de toeslag ingevolge artikel 9 van de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ( Stb. 657).
2.
Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswet alsmede het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing, waarbij het orgaan, dat de uitkering of het wachtgeld verleent, als werkgever wordt beschouwd en de uitkering en het wachtgeld als loon worden aangemerkt.
Artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van overeenkomstige toepassing.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 1, onder g, wordt van de uitkering ter zake van vervroegde uittreding, de vakantie-uitkering daaronder begrepen, een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
2.
Bij ministeriële regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat bij de premieberekening een daarbij aan te geven deel van de uitkering of de vakantie-uitkering buiten beschouwing blijft.
3.
Indien de uitkering niet of slechts ten dele wordt uitbetaald wegens samenloop met andere inkomsten, wordt de uitkering voor de toepassing van dit artikel geacht ten volle te worden uitbetaald, tenzij de uitkering niet of slechts ten dele wordt uitbetaald wegens samenloop met loon of uitkering waarover reeds krachtens een andere bepaling premie voor de ziekenfondsverzekering verschuldigd is.
4.
Voor de toepassing van dit artikel is van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
5.
Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, en artikel 15, derde, vierde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet zijn van overeenkomstige toepassing. Het orgaan dat de uitkering doet, wordt als werkgever beschouwd en de uitkering wordt als loon aangemerkt. In afwijking van artikel 15, derde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet stort de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, de in het eerste lid bedoelde premie rechtstreeks in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet.
6.
Indien de uitkering wordt gedaan door de werkgever bij wie degene, bedoeld in artikel 1, onder g, vóór de uittreding in dienstbetrekking was, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
7.
Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 1, onder i, die in het genot zijn van een ziekengeld krachtens Hoofdstuk II of een uitkering krachtens Hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen wordt van het ziekengeld onderscheidenlijk de uitkering een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage. Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, alsmede artikel 15, derde, vierde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet en artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering zijn van overeenkomstige toepassing. Het orgaan dat het ziekengeld onderscheidenlijk de uitkering verleent, wordt als werkgever beschouwd. Het ziekengeld wordt als loon aangemerkt.
2.
Een toeslag ingevolge de Toeslagenwet , genoten in het tijdvak waarover de betaling loopt, wordt tot het ziekengeld gerekend.
3.
Als uitkering worden tevens aangemerkt een toeslag ingevolge de Toeslagenwet en aanspraken krachtens een andere wettelijke regeling, waarmee bij de vaststelling van het bedrag van de uitkering rekening werd gehouden, voor zover over het bedrag van die aanspraken niet reeds premie wordt geheven.
4.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stort de premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Een verzekerde als bedoeld in artikel 1, onder e, is naast de jaarlijkse nominale premie, bedoeld in artikel 16 a , eerste lid, een premie verschuldigd die op een door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen te bepalen bedrag wordt vastgesteld.
2.
De in het eerste lid bedoelde premie wordt bij de verzekerde geïnd door het ziekenfonds waarbij hij staat ingeschreven.
3.
Als werkgever wordt beschouwd de werkgever bij wie de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, op de datum van aanvang van het onbetaald verlof in dienstbetrekking was.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Ziekenfondswet, voor zover zij recht hebben op een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet, wordt een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage. De premie wordt per maand berekend over de uitkering met inbegrip van de vakantie-uitkering, waarop de verzekerde aanspraak heeft krachtens de Algemene nabestaandenwet, onder toepassing van artikel 18 van die wet. Indien de uitkering slechts ten dele wordt toegekend in verband met samenloop met een uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid, wordt de uitkering voor de vaststelling van de verschuldigde premie geacht ten volle te worden uitbetaald.
2.
Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswet is van overeenkomstige toepassing. De Sociale verzekeringsbank wordt als werkgever beschouwd.
3.
De Sociale verzekeringsbank houdt de door de verzekerde ingevolge dit artikel verschuldigde premie in op de uitkering, waarop de verzekerde aanspraak heeft krachtens de Algemene nabestaandenwet.
4.
De Sociale verzekeringsbank stort de in het eerste lid bedoelde premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
Artikel 10
Voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 1, onder h, n, s en u, is alleen een nominale premie verschuldigd als bedoeld in artikel 16a.
1.
Voor de verzekering van verzekerden, bedoeld in artikel 1, onder j, wordt van de uitkering, die zij hebben genoten in het tijdvak waarover de betaling loopt, een premie geheven tot een door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen te bepalen percentage.
2.
Het bepaalde krachtens artikel 15, derde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet is van overeenkomstige toepassing. Het orgaan dat de uitkering doet, wordt als werkgever beschouwd en de uitkering wordt als loon aangemerkt.
3.
Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
4.
De ingevolge het eerste lid afgedragen premie kan niet worden teruggevorderd indien na de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 16 van de Wet werk en inkomen kunstenaars, de verleende uitkering, bedoeld in artikel 15 van die wet, geheel of gedeeltelijk wordt teruggevorderd.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 1, onder k, geschiedt de procentuele premiebetaling door betaling ineens van een jaarlijks door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast te stellen bedrag, welk bedrag gebaseerd is op de geschatte opbrengst aan procentuele premie van de betreffende categorie van verzekerden indien zij een loongerelateerde uitkering zouden hebben ontvangen.
2.
Als werkgever van de verzekerde, bedoeld in artikel 1, onder k, wordt beschouwd de werkgever bij wie de verzekerde op de dag voorafgaande aan de eindiging van zijn dienstbetrekking in dienstbetrekking stond.
1.
Degenen, bedoeld in artikel 1, onder l, zijn over de uitkering een premie verschuldigd tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
2.
Artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van overeenkomstige toepassing, waarbij de uitkering, bedoeld in het eerste lid, als loon wordt aangemerkt.
3.
Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde krachtens artikel 15, derde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet van overeenkomstige toepassing, waarbij de uitkering, bedoeld in het eerste lid, als loon wordt aangemerkt en het orgaan dat de uitkering doet, als werkgever wordt beschouwd.
4.
Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Onze Minister en Onze Minister van Defensie stellen de premie vast, verschuldigd voor de verzekering van verzekerden, bedoeld in artikel 1, onder o en p.
2.
Onze beide voornoemde Ministers stellen daarbij tevens vast naar welke regelen de premie wordt berekend, wie de premie verschuldigd is en welk orgaan deze int. Hierbij kunnen voorschriften worden gegeven ten aanzien van de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie. Voorts kan voor één of meer van de hierbedoelde groepen worden bepaald, dat de premiebetaling zal geschieden door betaling ineens van een jaarlijks door Onze Minister en Onze Minister van Defensie vast te stellen bedrag.
1.
De verzekerde, bedoeld in artikel 1, onder m of onder q, is premie verschuldigd overeenkomstig het in artikel 15a, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage over het inkomen, bedoeld in artikel 3d, vierde lid, van de Ziekenfondswet.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van degene die krachtens artikel 1, onder m of onder q, verzekerd is en die tevens ingevolge artikel 3 van de Ziekenfondswet verzekerd is, de reeds uit hoofde van artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet betaalde procentuele premie in mindering gebracht tot maximaal de ingevolge het eerste lid verschuldigde premie.
4.
De ontvanger van de rijksbelastingdienst stort de ingevolge dit artikel ontvangen bedragen in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 1, onder r, wordt van het uit te betalen pensioen een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt mede als uit te betalen pensioen aangemerkt:
a. de bestanddelen van het pensioen ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen ter zake van ziekten of gebreken, de invaliditeitsverhoging, de bijzondere invaliditeitsverhoging, de tropenverhoging, de overlijdensuitkering, de aanpassing aan algemene bezoldigingswijzigingen en de toeslag op het pensioen ter zake van ziekten of gebreken beneden de leeftijd van 65 jaar;
b. de toeslag, bedoeld in artikel 10 van de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages van ontslaguitkerings- en arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel .
3.
Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswet en artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van overeenkomstige toepassing. Onze Minister van Defensie wordt als werkgever beschouwd en het pensioen wordt als loon aangemerkt.
4.
Onze Minister van Defensie houdt de door de verzekerde ingevolge dit artikel verschuldigde premie in op het pensioen.
5.
De in het vierde lid bedoelde minister stort de in het eerste lid bedoelde premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister en Onze Minister van Defensie tezamen kunnen voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 1, onder t, wordt van het pensioen, de vakantie-uitkering daaronder begrepen, een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
2.
Indien het pensioen slechts ten dele wordt uitbetaald wegens samenloop met wettelijke uitkeringen dan wel in verband met samenloop met uitkeringen ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid, wordt het pensioen voor de toepassing van het eerste lid geacht ten volle te zijn uitbetaald, voor zover over het bedrag van die aanspraken niet reeds premie wordt geheven.
3.
Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswet en artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering zijn van overeenkomstige toepassing. Het orgaan dat de pensioenuitkering doet, wordt als werkgever beschouwd en het pensioen wordt als loon aangemerkt.
4.
Het orgaan dat de pensioenuitkering doet, houdt de door de verzekerde ingevolge dit artikel verschuldigde premie in op het pensioen.
5.
Het in het vierde lid bedoelde orgaan stort de in het eerste lid bedoelde premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Voor de verzekering op grond van de arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dan wel de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten van degenen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Ziekenfondswet, alsmede voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 1, onder v, wordt van de uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering welke de verzekerde heeft genoten in het tijdvak waarover de betaling loopt, een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als uit te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkering aangemerkt de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 26 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en artikel 22 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de toelage, bedoeld in artikel 58, eerste en derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet , de toeslag op grond van de Toeslagenwet , alsmede het bedrag, waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering of genoemde vakantie-uitkering wordt beperkt in verband met samenloop met een uitkering op grond van de sociale wetgeving van een andere Mogendheid.
3.
Voor de toepassing van dit artikel is het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswet van overeenkomstige toepassing, waarbij het orgaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering doet als werkgever wordt beschouwd.
4.
Voor de toepassing van dit artikel is artikel 9, tweede en tiende lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering van overeenkomstige toepassing.
Voor een verzekerde die tevens verzekerd is krachtens artikel 3, eerste lid, onder a , van de Ziekenfondswet, uit hoofde van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een verplichte verzekering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden voor de toepassing van de vorige volzin de uitkeringen, bedoeld in dit artikel, samengeteld.
5.
Het orgaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering doet, houdt de door de verzekerde ingevolge dit artikel verschuldigde premie in op de uitkering.
6.
Het in het vijfde lid bedoelde orgaan stort de in het eerste lid bedoelde premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
7.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van degene die naast een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), of een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid een aanvullende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ontvangt, de som van de uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van die andere Mogendheid als grondslag voor de berekening van de verschuldigde ziekenfondspremie aangemerkt.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in de artikelen 1, onder x, onderdeel 1, en onder aa, ff en 15c, eerste lid, wordt van de uitkering onderscheidenlijk vergoeding, herleid tot een bruto-bedrag, die zij hebben genoten in het tijdvak waarover de betaling loopt, een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
2.
Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, en artikel 15, derde, vierde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet zijn van overeenkomstige toepassing. Het orgaan dat de uitkering doet, wordt als werkgever beschouwd en de uitkering wordt als loon aangemerkt.
3.
Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
4.
De ingevolge het eerste lid afgedragen premie kan niet worden teruggevorderd indien de in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 van de Wet werk en bijstand verstrekte bijstand wordt afgelost.
1.
Voor de verzekering van degenen bedoeld in de artikelen 1, onder x, onderdeel 2, en 15c, tweede lid, is door de werkgever een door Onze Minister vast te stellen premie verschuldigd, welke wordt gebaseerd op de landelijk gemiddelde jaarlijkse kosten van een ziekenfondsverzekerde.
2.
Voor de toepassing van dit artikel is artikel 15, derde en vijfde lid, van de Ziekenfondswet van overeenkomstige toepassing.
3.
Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
Artikel 13b
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 1, onder y, wordt geen premie geheven.
1.
Voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk, onder 1, wordt over de bruto periodieke uitkering waarop de verzekerde aanspraak heeft ingevolge artikel 4, eerste of vierde lid, of ingevolge artikel 5 van de Remigratiewet, een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage. Indien de periodieke uitkering slechts ten dele wordt uitbetaald wegens samenloop met wettelijke uitkeringen, wordt de uitkering voor de vaststelling van de verschuldigde premie geacht ten volle te zijn uitbetaald, voor zover over het bedrag van die andere wettelijke uitkeringen niet reeds premie wordt geheven.
2.
Voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk, onder 2, wordt over de bruto periodieke uitkering waarop de verzekerde aanspraak heeft ingevolge artikel 4, eerste of vierde lid, of artikel 5 van de Remigratiewet, een premie geheven tot het krachtens artikel 14, tweede lid, vastgestelde percentage. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
3.
Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede en vierde lid, van de Ziekenfondswet is van overeenkomstige toepassing. De Sociale verzekeringsbank wordt als werkgever beschouwd en de uitkering wordt als loon aangemerkt.
4.
De Sociale verzekeringsbank houdt de voor de verzekerde ingevolge dit artikel verschuldigde premie in op de uitkering.
5.
De Sociale verzekeringsbank stort de in het eerste lid bedoelde premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q, eerste lid, van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
6.
De ingevolge dit artikel afgedragen premie wordt niet teruggevorderd van de Algemene Kas indien de periodieke uitkering, anders dan in verband met overlijden, ten volle wordt teruggevorderd.
1.
Degenen, bedoeld in de artikelen 1, onder bb, hh, ii, onderdeel 3, jj, onderdeel 2, kk, onderdeel 2, 15b en 15c, derde lid, en in artikel 3, eerste lid, onder c, en in artikel 3c van de Ziekenfondswet, zijn een premie verschuldigd over het ouderdomspensioen, de toeslag en de vakantie-uitkering, waarop zij aanspraak hebben krachtens de Algemene Ouderdomswet , alsmede over hun inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven. Onze Minister bepaalt welke inkomsten worden beschouwd als inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.
2.
Over het ouderdomspensioen, de toeslag, de vakantie-uitkering en de tegemoetkoming waarop de verzekerde aanspraak heeft krachtens de Algemene Ouderdomswet of de Tijdelijke regeling tegemoetkoming AOW-ers , is een premie verschuldigd tot een door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen te bepalen percentage. De premie wordt per maand berekend over het ouderdomspensioen en de toeslag, met inbegrip van de vakantie-uitkering. Geen premie is verschuldigd over de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet, en de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 32 in verbinding met artikel 18, van die wet.
3.
Over de inkomsten van de verzekerde uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven wordt een premie geheven tot een door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zamen te bepalen percentage.
a. de in het tweede lid bedoelde premie door de Sociale verzekeringsbank, ingehouden op het ouderdomspensioen en de toeslag waarop de verzekerde aanspraak heeft krachtens de Algemene Ouderdomswet, welk orgaan de premie stort in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan in afwijking hiervan bepalen dat in door hem vast te stellen gevallen tot een door hem vast te stellen tijdstip de inning van de hier bedoelde ziekenfondspremie geschiedt op de wijze, bedoeld onder c;
b. de in het derde lid bedoelde premie op de inkomsten uit of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven, voor zover die inkomsten bestaan uit door Onze Minister aan te wijzen uitkeringen, ingehouden door het orgaan dat die uitkeringen betaalbaar stelt, welk orgaan de premie stort in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet; Onze Minister kan in afwijking hiervan bepalen dat in door hem vast te stellen gevallen tot een door hem vast te stellen tijdstip de inning van de hier bedoelde ziekenfondspremie geschiedt op de wijze, bedoeld onder c;
c. de premie over alle overige inkomsten waarover premie verschuldigd is, bij de verzekerde geïnd door het ziekenfonds waarbij de verzekerde staat ingeschreven.
5.
[Vervallen.]
6.
Indien de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, niet bij een ziekenfonds staat ingeschreven wordt de premie geïnd door het ziekenfonds waarbij de verzekerde laatstelijk was ingeschreven. Indien de eerste volzin niet van toepassing is of de woonplaats van verzekerde is gewijzigd dan wordt de premie geïnd door het ziekenfonds waarbij de verzekerde zich bij of krachtens artikel 5, eerste lid, van de Ziekenfondswet dient aan te melden.
7.
Voor de toepassing van dit artikel is van overeenkomstige toepassing artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
8.
Onze Minister kan aan de in het vierde lid, onder b , bedoelde organen verplichtingen opleggen en voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
9.
Voor de toepassing van dit artikel wordt ten aanzien van de verzekerde die een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet geniet en daarnaast een uitkering ontvangt ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid in verband waarmee genoemd ouderdomspensioen is gekort, die uitkering gelijkgesteld met een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, voor zover bedoelde uitkering de vorenbedoelde op het ouderdomspensioen toegepaste korting niet te boven gaat. Indien het een gehuwde pensioengerechtigde betreft wordt voor de toepassing van de vorige volzin de korting op de toeslag ingevolge artikel 8 van de Algemene Ouderdomswet dan wel op het ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet van de huwelijkspartner mede in aanmerking genomen.
10.
In afwijking van het vierde lid, onder b , wordt de over een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand verschuldigde premie, ingehouden door het orgaan dat die uitkering betaalbaar stelt, welk orgaan de premie afdraagt aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
1.
Voor de verzekering van degene die een uitkering geniet ter zake van vervroegde pensionering als bedoeld in artikel 1, onder z, wordt een premie geheven tot een door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen te bepalen percentage over het gedeelte van de uitkering dat in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd te zijner tijd zal vervallen.
Over het deel van de uitkering dat het in de vorige volzin bedoelde bedrag te boven gaat wordt een premie geheven tot het krachtens artikel 15, eerste lid, van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage.
2.
Behoudens nadere, door Onze Minister vast te stellen regelen, wordt de premie berekend over de uitkering, de vakantie-uitkering daaronder begrepen.
3.
De in het eerste lid bedoelde premie over de uitkering wordt ingehouden door het orgaan dat de uitkering betaalbaar stelt. Bedoeld orgaan stort de premie in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan in afwijking hiervan bepalen dat in door hem vast te stellen gevallen tot een door hem vast te stellen tijdstip de inning van de hier bedoelde ziekenfondspremie bij de verzekerde geschiedt door het ziekenfonds waarbij de verzekerde staat ingeschreven.
4.
Voor de toepassing van dit artikel is artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering van overeenkomstige toepassing.
5.
Onze Minister kan aan het in het derde lid bedoelde orgaan verplichtingen opleggen en voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Degenen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 14a, eerste lid, zijn verplicht aan het orgaan dat met de premie-inhouding en -afdracht is belast, aan het ziekenfonds, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder b, laatste volzin, en onder c, en in artikel 14a, derde lid, en aan degene bedoeld in artikel 14, zesde lid, alsmede aan de door hen gemachtigde personen, alle gevraagde inlichtingen te verstrekken en inzage te geven in alle boeken en bescheiden, voor zover deze zulks voor de beoordeling van de verzekeringsplicht en de vaststelling van de premie nodig achten.
2.
Degenen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, en artikel 14a, zijn verplicht het ziekenfonds, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onder b, laatste volzin, en onder c, en in artikel 14a, derde lid, en degene bedoeld in artikel 14, zesde lid, tijdig in te lichten over wijzigingen in de inkomsten, welke van belang zijn voor de premieheffing door het ziekenfonds.
3.
Overtreding van het eerste en tweede lid wordt aangeduid als een strafbaar feit als bedoeld in artikel 84 van de Ziekenfondswet.
1.
Voor de verzekering van verzekerden als bedoeld in artikel 1, onder ii, onderdelen 1 en 2, en jj, onderdeel 1, wordt een premie geheven tot het krachtens het eerste lid van artikel 15 van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage van het loon dan wel van de uitkering, dat door de verzekerde is genoten in het tijdvak, waarover de betaling loopt.
2.
Artikel 15, tweede lid, alsmede de artikelen 15, derde tot en met vijfde lid, en 16 van de Ziekenfondswet zijn van overeenkomstige toepassing. In het geval een uitkering wordt genoten, wordt het orgaan dat de uitkering doet, als werkgever beschouwd en wordt de uitkering als loon aangemerkt.
Artikel 14d
Voor zover de premie welke ingevolge dit besluit verschuldigd is, niet wordt geheven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verricht het College zorgverzekeringen de controle op de inning en afdracht van de ziekenfondspremie. Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.
1.
Indien blijkt dat voor de verzekering van de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b of d, van de Ziekenfondswet, die gelijktijdig verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a of b, van de Ziekenfondswet of een of meer onderdelen van artikel 1 van dit besluit over in totaal een hoger bedrag premie is betaald dan het bedrag, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt de premie betaald over het bedrag dat hoger is dan het hiervoor bedoelde bedrag, terugbetaald volgens nader te stellen regelen.
2.
De in het eerste lid bedoelde regelen worden vastgesteld door het College zorgverzekeringen. Het College zorgverzekeringen kan daarbij bepalen door en aan wie die premie wordt terugbetaald en zonodig aan die regelen terugwerkende kracht verlenen.
3.
Artikel 13, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering is van overeenkomstige toepassing.
1.
Verzekerd is voorts, met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, en voor zover de betrokkene de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en zijn woonplaats hier te lande heeft:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. [vervallen;]
d. [vervallen;]
e. degene, die een rente of uitkering ontvangt op grond van het bepaalde in artikel 14 van de Liquidatiewet ongevallenwetten;
f. degene, die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is geweest van een publiekrechtelijk lichaam en wegens ziekte of ongeval, in verband met deze dienstbetrekking ontstaan, een uitkering op de voet van de bepalingen van de Ongevallenwet 1921 ontvangt, welke is berekend naar een verlies van geschiktheid tot werken van 50% of meer;
g. de weduwe en de wezen van de onder f bedoelde personen, die op grond van het overlijden van de betrokkene, tengevolge van de ziekte of het ongeval, een uitkering op de voet van de bepalingen van de Ongevallenwet 1921 ontvangen.
2.
Het eerste lid, onder e-g, is met inachtneming van het bepaalde bij het derde lid slechts van toepassing op degene, die op de dag voorafgaande aan het in werking treden van dit besluit verplicht-verzekerd was ingevolge het Ziekenfondsenbesluit op grond van zijn aanspraak op een rente, uitkering onderscheidenlijk pensioen als genoemd in het eerste lid, onder e-g, voor de duur van deze aanspraak, mits hij bij het in werking treden van dit besluit niet krachtens enige andere bepaling verplicht-verzekerd is overeenkomstig het bepaalde in de Ziekenfondswet en tot aan het tijdstip, waarop hij krachtens enige andere bepaling verzekerd wordt overeenkomstig het bepaalde in de Ziekenfondswet of van de verzekering wordt uitgezonderd wegens toepassing van de inkomensgrens bedoeld in het tweede lid van artikel 3 van de Ziekenfondswet, dan wel het bepaalde in het derde lid op hem toepassing vindt.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op degene, die krachtens een arbeidsverhouding deelnemer is aan een door Onze Minister en Onze Minister van Binnenlandse Zaken aan te wijzen publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren en die aan deze ziektekostenregeling recht kan ontlenen op geneeskundige verzorging of op een vergoeding van kosten van geneeskundige verzorging.
1.
Degenen die:
a. als overheidswerknemer in de zin van artikel 1, onder l, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen een WAO-uitkering ontvangen, dan wel;
b. een pensioen ingevolge de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen genieten, berekend naar een invaliditeit van minder dan 45 % en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen verzekerd waren op grond van artikel 1, onder r of w, zoals die onderdelen tot vorenbedoeld tijdstip luidden, blijven verzekerd onder de voorwaarden zoals die op dat tijdstip golden.
2.
De belanghebbende, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet privatisering ABP die aanspraak heeft op het diensttijdpensioen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van die wet doch niet een WAO-uitkering als bedoeld in het eerste lid ontvangt, en die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op de toegang tot de ziektekostenverzekeringen verzekerd was op grond van artikel 1, onder w, zoals dat onderdeel tot vorenbedoeld tijdstip luidde, blijft verzekerd onder de voorwaarden zoals die op dat tijdstip golden.
3.
a. Voor de verzekering van de verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onder a, en het tweede lid wordt een premie geheven tot het krachtens het eerste lid van artikel 15 van de Ziekenfondswet vastgestelde percentage van de uit te betalen WAO-uitkering, die in het tijdvak, waarover de betaling loopt, door de verzekerden is genoten. Het bepaalde krachtens artikel 15, tweede lid, alsmede de artikelen 15, derde tot en met vijfde lid, en 16 van de Ziekenfondswet is van overeenkomstige toepassing.
b. Met betrekking tot de vaststelling, de invordering en de afdracht van de premie voor de verzekering van verzekerden, bedoeld in het eerste lid, onder b, is artikel 11b van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15b
Verzekerd is degene die hier te lande woonachtig is en die op 31 december 1997 65 jaar of ouder was en op grond van een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid of op grond van een verordening van de Raad van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte als gezinslid aanspraak kon doen gelden op de in beginsel ten laste van een orgaan van een andere verdragsstaat respectievelijk van een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel de Europese Economische Ruimte door een Nederlands ziekenfonds te verlenen verstrekkingen, tenzij ingevolge de desbetreffende verdragsbepalingen het recht op medische zorg als gezinslid bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet wordt beëindigd.
1.
Tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, is verzekerd de vreemdeling die op 1 juli 1998 rechtmatig hier te lande verblijf houdt, als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 5, van de Vreemdelingenwet, voor zover en zolang betrokkene op grond van artikel XXIII, tweede lid, van de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (Stb. 203), algemene bijstand ontvangt met toepassing van de artikelen 20 of  21 van de Wet werk en bijstand.
2.
Tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, is verzekerd de vreemdeling die op 1 juli 1998 rechtmatig hier te lande verblijf houdt, als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 5, van de Vreemdelingenwet, voor zover en zolang betrokkene op grond van artikel XXIII, tweede lid, van de wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland, algemene bijstand ontvangt met toepassing van artikel 23 van de Wet werk en bijstand.
3.
Verzekerd is met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die op de laatste dag van de daaraan voorafgaande maand ingevolge het eerste of tweede lid verzekerd was, zolang en voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt met toepassing van de artikelen 22 of  23 van de Wet werk en bijstand.
Artikel 15d
Indien hij daartoe de wens te kennen geeft, is tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, degene die hier te lande woonachtig is en die op 30 september 1990 jonger was dan 65 jaar en die op die datum verzekerd was ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a of b, in verbinding met het tweede en derde lid, van dit besluit zoals dit op genoemd tijdstip luidde, verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de Ziekenfondswet .
1.
Voor de verzekering van degenen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder e-g, wordt een premie geheven tot het krachtens artikel 15, tweede lid, van de Ziekenfondswet door de verzekerde verschuldigde premiepercentage berekend van de rente, de uitkering, onderscheidenlijk het pensioen als bedoeld in het eerste lid van artikel 15, met dien verstande, dat de premie ten minste € 1 per maand bedraagt, tenzij de rente, de uitkering onderscheidenlijk het pensioen als vorenbedoeld minder bedraagt dan dit bedrag in welk geval de premie gelijk is aan het bedrag van de rente, de uitkering, onderscheidenlijk het pensioen.
2.
Het orgaan, belast met de uitbetaling van de rente, de uitkering onderscheidenlijk het pensioen, houdt de premie daarop in en stort deze in de Algemene Kas, bedoeld in artikel 1q van de Ziekenfondswet. Onze Minister kan voorschriften geven met betrekking tot de vaststelling, de invordering, de afdracht en de verantwoording van de premie.
1.
Onverminderd hetgeen krachtens dit besluit omtrent de procentuele premie is bepaald, wordt voor de verzekering van de verzekerde, bedoeld in de artikelen 1, onder d, e, f, g, h, i, j, k, l, m, n, q, r, s, t, u, v, x, onderdeel 1, z, aa, bb, ff, hh, ii en jj, kk, 9, 12a, 14, 15, 15a, 15b, 15c, eerste en derde lid, en 15d, van 18 jaar of ouder en zijn medeverzekerde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Ziekenfondswet, een jaarlijkse nominale premie geheven. Met betrekking tot deze nominale premie zijn de regelen die bij of krachtens artikel 17, eerste tot en met zesde lid, van de Ziekenfondswet zijn gesteld van toepassing.
2.
Onze Minister kan met betrekking tot de in dit artikel bedoelde nominale premie verschuldigd voor de verzekering van door hem aan te wijzen groepen van personen die krachtens artikel 3, eerste lid, onder b, c of d, van de Ziekenfondswet verzekerd zijn en die naar de omstandigheden beoordeeld woonachtig zijn op het grondgebied van een andere Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap, dan wel een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een staat waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten, andere regelen stellen.
Artikel 17
Dit besluit wordt aangehaald als: Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw.
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1966.
Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 23 december 1965
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Uitgegeven de dertigste december 1965.
De Minister van Justitie,