Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Samenvatting
Begripsbepalingen
Achtergrond
1. Doel
2. Reikwijdte
3. Centrale voorziening v.i.
4. Samenwerking OM-onderdelen
5. Ketenpartners
6. Slachtoffers
Executie
1. Uitstellen of achterwege laten van v.i.
1.1. Inleiding
1.2. Gronden voor uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling ( artikel 15d Sr t/m artikel 15f Sr)
1.2.1. Plaatsing in een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden ( artikel 15d lid 1 sub a Sr)
1.2.2. Ernstige misdraging na aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf ( artikel 15d lid 1 sub b Sr)
1.2.2.1. Ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf
1.2.2.2. Gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf
1.2.3. (Poging tot) tot onttrekking aan de tenuitvoerlegging ( artikel 15d lid 1 sub c Sr)
1.2.3.1. Ontvluchtingen met geweld of dreiging met geweld
1.2.3.2. Kale ontvluchtingen
1.2.3.3. Onttrekkingen aan tenuitvoerlegging
1.2.4. Bijzondere voorwaarden perken het recidiverisico onvoldoende in, of veroordeelde is niet bereid bijzondere voorwaarden na te leven ( artikel 15d lid 1 sub d)
1.2.5. WOTS-zaken ( artikel 15d lid 1 sub e Sr)
1.3. Uitstel of achterwege laten v.i. op basis van gebeurtenissen tijdens voorlopige hechtenis
1.4. Procedure uitstel of achterwege laten v.i.
1.4.1. De vordering
1.4.2. De uitspraak
2. Aan de v.i. verbonden voorwaarden
2.1. Algemene voorwaarde
2.2. Bijzondere voorwaarde(n)
2.2.1. Opleggen bijzondere voorwaarden
2.2.2. Vreemdelingen en combinatievonnissen
2.2.3. Het Overzicht bijzondere voorwaarden
2.2.4. Wijziging van de bijzondere voorwaarden, het toezicht of de proeftijd
2.3. De v.i.-proeftijd
2.3.1. Duur van de proeftijd
2.3.2. Opschorting van de proeftijd
2.3.3. Samenloop van proeftijden
3. Schending van de aan v.i. verbonden voorwaarden
3.1. Inleiding
3.2. Gevolgen van schending van de algemene voorwaarde
3.2.1. Aanhouding en schorsing van de v.i.
3.2.2. Mogelijke samenloop met preventieve hechtenis
3.2.3. Procedure schorsing
3.2.4. Opheffing van de schorsing
3.2.5. Herroeping van de v.i.
3.2.5.1. Strafrechtelijke overtredingen
3.2.5.2. Procedure herroeping
3.3. Gevolgen van schending van een bijzondere voorwaarde
3.3.1. Aanhouding en schorsing van de v.i.
3.3.2. Herroeping van de v.i.
3.3.2.1. Schending van de bijzondere voorwaarde(n)
3.3.2.2. Procedure Herroeping
Overgangsrecht
Vervroegde versus voorwaardelijke invrijheidstelling
Bepalingen ten aanzien van de vervroegde invrijheidstelling
1. Achtergrond
2. Actoren
3. Begripsbepalingen
A. Gronden vooruUitstel of achterwege laten van vervroegde invrijheidsstelling (artikel 15a, eerste lid Sr (oud))
B. Procedure
C. Informatievoorziening omtrent vervroegde invrijheidsstelling
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2012. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2012.

Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling

Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling
Samenvatting
Deze aanwijzing geeft een toelichting op de wettelijke regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling: artikel 15 tot en met 15l van het Wetboek van Strafrecht en aanverwante regelgeving.
Met de inwerkingtreding van de nieuwe regeling is een einde gekomen aan de bestaande en sterk bekritiseerde situatie dat aan de vervroegde invrijheidstelling geen voorwaarden verbonden zijn. Voortaan geschiedt de vervroegde invrijheidstelling altijd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Tevens is het nu mogelijk bijzondere voorwaarden aan de vervroegde invrijheidstelling te verbinden. De vervroegde invrijheidstelling wordt zodoende een voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.).
Veroordeelden tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tenminste één jaar of meer, komen in aanmerking voor v.i.
Het verlenen van v.i. kan in bepaalde gevallen uitgesteld of achterwege gelaten worden. Een vordering dienaangaande dient uiterlijk dertig dagen voor de datum van v.i. te worden ingediend bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld over het feit ten aanzien waarvan de straf is opgelegd, tenzij de omstandigheid die het indienen van een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. mogelijk maakt, zich pas later heeft voorgedaan. De gronden op basis waarvan deze vordering kan worden ingediend zijn aangevuld en gewijzigd ten opzichte van de oude regeling van vervroegde invrijheidstelling.
Na het verlenen van v.i. is het openbaar ministerie (OM) belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden. Indien er bijzondere voorwaarden aan de v.i. zijn verbonden, wordt aan de reclassering opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving van die bijzondere voorwaarden. Indien de aard van de bijzondere voorwaarde dit noodzakelijk maakt, wordt de politie door de reclassering bij dit toezicht betrokken.
Als de v.i.-gestelde de algemene voorwaarde of een bijzondere voorwaarde niet naleeft, kan het OM een vordering tot herroeping van de v.i. indienen bij de rechtbank. Voorafgaand hieraan moet worden overwogen of de v.i.-gestelde ook moet worden aangehouden, en of de wens bestaat een vordering tot schorsing van de v.i. in te dienen bij de rechter-commissaris.
Een vordering tot herroeping van de v.i. wordt in het geval er sprake is van een nieuw strafbaar feit, tegelijkertijd met de behandeling van dat nieuwe feit behandeld bij de rechtbank die bevoegd is tot kennisneming van dit feit. Een vordering tot herroeping van de v.i. die in verband met een schending van een bijzondere voorwaarde wordt ingediend, moet zelfstandig worden geappointeerd.
Een aantal werkzaamheden die verband houden met de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling – zoals het vaststellen (alsmede aanvullen, wijzigen en opheffen) van bijzondere voorwaarden – zullen worden uitgevoerd door een ‘Centrale voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling.’ (hierna: Centrale voorziening v.i.). Andere taken zijn belegd bij de lokale parketten. De regeling v.i. zal zoveel mogelijk door middel van samenwerking tussen OM-onderdelen en de Centrale voorziening v.i. onderling, en in nauw contact met ketenpartners worden uitgevoerd.
Begripsbepalingen
Ongeacht elders gehanteerde definities, wordt in deze aanwijzing met de volgende afkortingen en begrippen bedoeld:
a. 3RO: de 3 Reclasseringsorganisaties
b. Centrale voorziening v.i.: de Centrale voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling, die specifieke werkzaamheden in het kader van de regeling van v.i. verricht.
c. CJIB: Centraal Justitieel Incassobureau
d. OM: Openbaar Ministerie
e. Rb: rechtbank
f. veroordeelde: persoon die is veroordeeld tot een onherroepelijke vrijheidsstraf waarover v.i. kan worden verleend
g. v.i.: voorwaardelijke invrijheidstelling
h. v.i.-datum: de datum waarop de veroordeelde in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, gebaseerd op diens v.i.-waardige vrijheidsstraf(fen). NB: De v.i.-datum is niet altijd gelijk aan de datum dat de v.i.-gestelde ook daadwerkelijk in vrijheid wordt gesteld (de zogenoemde einddatum detentie). Het kan namelijk voorkomen dat de veroordeelde aansluitend aan zijn v.i.-waardige vrijheidsstraf(fen), dus na de v.i.-datum, nog één of meer níet-v.i.-waardige straffen of maatregelen moet uitzitten. Een gevangenisstraf van minder dan één jaar, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, of een subsidiaire hechtenis wordt immers niet bij de berekening van de v.i.-datum betrokken ( artikel 15 lid 5 Sr). In dat geval blijft de veroordeelde na de v.i.-datum dus nog in detentie.
i. v.i.-gestelde: een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld.
1. Doel
Met de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling is een einde gekomen aan de bestaande en sterk bekritiseerde situatie dat aan de vervroegde invrijheidstelling geen voorwaarden verbonden zijn en dat de eenmaal toegekende vervroegde invrijheidstelling niet kan worden herroepen. Er wordt naar gestreefd gedetineerden die daarvoor, gelet op de duur van de opgelegde straf, in aanmerking komen in een traject van detentiefasering te leiden, waarbij naarmate de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling nadert meer vrijheden (waaronder meer verlof) worden toegestaan. Het traject wordt zo veel mogelijk afgesloten met deelname aan een penitentiair programma. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt dan vervolgens afgesloten met de periode van voorwaardelijke invrijheidstelling. De invrijheidstelling wordt zo verbonden aan de bereidheid van de gedetineerde om verantwoordelijkheid te dragen voor de eigen toekomst.
De regeling voorwaardelijke invrijheidstelling beoogt tevens een bijdrage te leveren aan de bescherming van de samenleving, mede door het beperken van de kans op recidive doordat de veroordeelde onder toezicht van justitie staat.
2. Reikwijdte
Anders dan de oude regeling is de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling alleen van toepassing op geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen met een duur van meer dan één jaar. Voor vrijheidsstraffen met een duur tussen één jaar en twee jaar vindt voorwaardelijke invrijheidstelling plaats wanneer de vrijheidsbeneming ten minste één jaar heeft geduurd en van het nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde is ondergaan. Voor vrijheidsstraffen met een duur van twee jaar of meer vindt voorwaardelijke invrijheidstelling plaats wanneer tweederde van de straf is ondergaan.
Indien een veroordeelde meerdere straffen heeft te ondergaan, worden deze zo mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd, waarbij de v.i. wordt verleend over het totaal van de bij elkaar opgetelde straffen indien de duur hiervan meer dan een jaar bedraagt. Nu er geen v.i. plaatsvindt bij een deels voorwaardelijke veroordeling, worden deels voorwaardelijke straffen echter niet in deze optelling meegenomen. Alleen geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen straffen worden gezamenlijk als één vrijheidsstraf aangemerkt ( artikel 15 lid 5 Sr).
Overigens is de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling niet van toepassing op jeugddetentie. Artikel 77j lid 4 Sr is niet gewijzigd. De rechter kan een jeugdige dus te allen tijde in vrijheid stellen. Op jeugddetentie die is omgezet in gevangenisstraf is de regeling wel van toepassing (mits die gevangenisstraf dus meer dan één jaar bedraagt).
3. Centrale voorziening v.i.
Binnen de regeling v.i. is een belangrijke rol weggelegd voor het OM. Het OM kan uitstel of achterwege laten van de v.i. vorderen, neemt de beslissing over het stellen van bijzondere voorwaarden en stelt de proeftijd bij deze bijzondere voorwaarden vast. Het OM is vervolgens belast met het toezicht op de naleving van zowel de algemene als bijzondere voorwaarden. Ook kan het OM de bijzondere voorwaarden aanvullen, opheffen of wijzigen. Indien een voorwaarde wordt geschonden, kan het OM herroeping van de v.i. vorderen.
Gezien de diversiteit van deze taken en de specialistische kennis op het gebied van de regeling v.i. die daarbij vereist is, is tijdens het implementatietraject besloten waar mogelijk deze taken centraal te beleggen; bij een Centrale voorziening v.i. Een centrale afhandeling van v.i. taken leidt tot eenheid van beleid en tot rechtsgelijkheid. Bijkomend voordeel van deze Centrale voorziening v.i. is dat het takenpakket van de lokale parketten niet onnodig wordt vergroot en ondersteuning aangeboden kan worden. De Centrale voorziening v.i. is ondergebracht bij het ressortsparket Arnhem. Aldaar bevindt zich ook het Expertisecentrum Bijzondere Penitentiaire Zaken. De kennis en expertise op het gebied van v.i. zijn geborgd in dit expertisecentrum.
4. Samenwerking OM-onderdelen
Vanzelfsprekend houden de lokale parketten wel een grote rol in de afhandeling van v.i.-zaken. Er bestaat immers altijd behoefte aan lokale kennis van zaken. Ook bepaalt de wet voor een aantal taken dat zij lokaal moeten worden uitgevoerd (zoals het beoordelen van overtreding van de algemene voorwaarde en het appointeren van v.i.-zaken). Zodoende zijn de taken voornamelijk verdeeld al naar gelang het gaat om de handhaving van de algemene voorwaarde of de bijzondere voorwaarde(n) bij v.i.
Het constateren van een schending van de algemene voorwaarde bij v.i. betekent immers het constateren van een nieuw strafbaar feit gepleegd door de v.i.-gestelde. Dit zal altijd bij de arrondissementsparketten worden behandeld. Zodoende zijn de taken met betrekking tot de handhaving van de algemene voorwaarde volledig bij de lokale parketten belegd. De vordering tot herroeping van de v.i. loopt vervolgens mee met de behandeling van de nieuwe strafzaak, ook in hoger beroep. De Centrale voorziening v.i. kan in deze situaties wel worden benaderd voor vragen over de te volgen procedure. Ook het Expertisecentrum Bijzondere Penitentiaire Zaken kan op deze momenten worden benaderd voor advies.
De handhaving van de bijzondere voorwaarden is echter belegd bij de Centrale voorziening v.i., omdat het centraal ontwikkelen van beleid op dit gebied eenduidigheid biedt richting ketenpartners en v.i.-gestelden. De Centrale voorziening v.i. neemt immers de beslissing tot het opleggen van bijzondere voorwaarden, kan de opgelegde voorwaarden wijzigen, opheffen of aanvullen en de Centrale voorziening v.i. staat (zodoende) in nauw contact met het Bureau Selectiefunctionarissen van DJI en de drie reclasseringsorganisaties. Nu de wet bepaalt dat herroepingsvorderingen altijd bij de lokale rechtbanken moeten worden ingediend, heeft de Centrale voorziening v.i. bij deze taak echter wel ondersteuning van de lokale parketten nodig.
Tussen de Centrale voorziening v.i. en de (vaste aanspreekpunten op de) lokale parketten zal dan ook nauw overleg en samenwerking plaats moeten vinden, om in de toepassing van de regeling v.i. en de handhaving van voorwaarden tot landelijk uniform beleid én de meest praktische taakverdeling te komen.
Een en ander is uitgedrukt in onderstaande tabel:
5. Ketenpartners
Niet alleen tussen OM onderdelen onderling dient nauwe samenwerking op het gebied van v.i. te ontstaan. Vrijwel alle ketenpartners van het OM zijn betrokken bij v.i.-zaken. Zo beslist de rechter over het uitstellen, achterwege laten of herroepen van de v.i. De Dienst Justitiële Inrichtingen is betrokken bij het berekenen van de v.i.-datum en adviseert (net als de reclassering) over het verlenen van v.i. Als er bijzondere voorwaarden aan de v.i. worden verbonden is de reclassering belast met het toezicht hierop. Soms is hierbij ook een rol weggelegd voor de politie die hierin veelal samenwerkt met de reclassering. Het actueel houden van de justitiële documentatie en het persoonsdossier van veroordeelden die in aanmerking komen voor v.i., en van v.i.-gestelden, behoort tot de verantwoordelijkheid van de Justitiële Informatie Dienst (JustID). Zowel beslissingen van de rechtbank als rapportages worden volgens bestaande procedures opgenomen in databank van JustID.
Er zijn zodoende vele ketenpartners betrokken zijn bij de uitvoering van de regeling v.i. De communicatie tussen al deze partners en het routeren van bijvoorbeeld adviezen, beslissingen en uitspraken geschiedt via het CJIB. Het CJIB is ook belast met het bewaken van kritieke termijnen. In interne werkinstructies en procesbeschrijvingen is beschreven op welke momenten contact met ketenpartners plaatsvindt en wat ieders taken en verantwoordelijkheden zijn.
6. Slachtoffers
Bij het uitvoeren van de regeling v.i. volgens onderhavige aanwijzing en het informeren van slachtoffers over de v.i. rekening gehouden te worden met de bepalingen in de Aanwijzing Slachtofferzorg (2004A004).
In alle spreekrechtwaardige zaken zal in de adviezen ten aanzien van het verlenen van v.i. onder bijzondere voorwaarden en in de beslissing tot het opleggen van bijzondere voorwaarden rekening gehouden worden met de belangen van slachtoffers.
Executie
De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.
1.1. Inleiding
Uitgangspunt van de regeling v.i. is dat veroordeelden met een straf van meer dan een jaar in aanmerking komen voor v.i. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin de veiligheid van de samenleving slechts voldoende kan worden gewaarborgd door de detentie te laten voortduren. In dat geval kan de v.i. op vordering van het OM door de rechter uitgesteld of achterwege gelaten worden.
Het uitstellen van de v.i. kan voor kortere of langere periode zijn. Het achterwege laten van de v.i. is definitief: de aan de veroordeelde opgelegde straf zal volledig ten uitvoer worden gelegd.
Een vordering tot uitstel of achterwege laten kan worden ingediend indien één van de hieronder genoemde gronden zich tijdens de tenuitvoerlegging van de straf voordoet. Ten opzichte van de oude regeling van vervroegde invrijheidstelling zijn de bestaande gronden tot het uitstellen of achterwege laten van de v.i. gewijzigd en zijn er twee nieuwe gronden toegevoegd.
artikel 15d Sr t/m artikel 15f Sr) van Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling">
1.2. Gronden voor uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling ( artikel 15d Sr t/m artikel 15f Sr)
artikel 15d lid 1 sub a Sr) van Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling">
1.2.1. Plaatsing in een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden ( artikel 15d lid 1 sub a Sr)
Een tot gevangenisstraf veroordeelde persoon kan op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, met toepassing van artikel 13 Sr worden geplaatst in een justitiële inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden ( artikel 90quinquies Sr). Om een daar plaatsvindende behandeling niet te doorkruisen, kan een vordering uitstel of achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden ingediend. Voorwaarde daarbij is wel dat de noodzaak tot behandeling van de veroordeelde dit gelet op een onaanvaardbaar recidiverisico en de veiligheid van de maatschappij vergt.
De directeur van de TBS-inrichting waar de betrokkene verblijft, kan in samenspraak met de Dienst Justitiële Inrichtingen en de reclassering een schriftelijk verzoek doen tot het indienen van deze vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. Het verzoek moet dan drie en een halve maand voor de v.i.-datum worden ingediend bij de Centrale voorziening v.i. Het verzoek dient afzonderlijk of gezamenlijk te zijn opgesteld door twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waarvan tenminste één psychiater, en vergezeld te gaan van één of meer rapporten inzake de noodzakelijkheid van voortzetting van de behandeling met het oog op recidivegevaar en het belang van de veiligheid van de maatschappij.
artikel 15d lid 1 sub b Sr) van Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling">
1.2.2. Ernstige misdraging na aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf ( artikel 15d lid 1 sub b Sr)
Als een veroordeelde zich tijdens de (aaneensluitende) detentie ernstig misdraagt is dat een reden om tot het vorderen van uitstel of (bij een zeer ernstige misdraging) achterwege laten van de v.i. over te gaan.
Onder het begrip ‘ernstige misdraging’ vallen meerdere situaties.
1.2.2.1. Ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf
Als een veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf(fen) een misdrijf heeft begaan, of als dit vermoeden bestaat, kan uitstel of achterwege laten van de v.i. worden gevorderd. De vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. kan op deze grond dus op twee momenten worden ingediend: allereerst zodra de verdenking van het plegen van een misdrijf bestaat, daarnaast zodra er een veroordeling ter zake van een misdrijf ligt.
In de eerste situatie – de vordering wordt ingediend wegens ernstige bezwaren ter zake van een misdrijf – is het wenselijk de vordering zo snel mogelijk na het constateren van het feit in te dienen. Dan is het de veroordeelde direct duidelijk welke gevolgen zijn gedrag voor de v.i.-datum kan hebben.
De term ‘ernstige bezwaren’ duidt echter op het oordeel van een rechter dat er voldoende ernstige bezwaren zijn voor het bevelen van voorlopige hechtenis. Het indienen van een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. op deze grond, kan dus alleen als het gaat om een verdenking ter zake het plegen van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, en waarbij bovendien die voorlopige hechtenis ook is bevolen. Dit betekent dat ook altijd een vordering bewaring voor het nieuwe misdrijf moet worden gevorderd, als een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. op deze grond wordt overwogen. Ook in de gevallen waarin de veroordeelde een dermate groot strafrestant heeft dat voorlopige hechtenis in feite overbodig is. Deze procedure heeft als bijkomend gevolg dat voorkomen wordt dat de veroordeelde die verdacht wordt van een ernstig misdrijf reeds wordt doorgeplaatst naar een minder beveiligde inrichting.
Indien de rechter oordeelt dat ernstige bezwaren niet aanwezig zijn, of als de veroordeelde wordt verdacht van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis níet mogelijk is, moet met het indienen van de vordering worden gewacht tot het moment dat er een veroordeling ter zake van het misdrijf is uitgesproken. Niet vereist is dat deze veroordeling onherroepelijk is. Reeds na een uitspraak in eerste aanleg kan derhalve al een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. worden ingediend, ongeacht of er hoger beroep tegen die uitspraak wordt ingesteld.
Een geval naar aanleiding waarvan de vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. direct na het bevel tot voorlopige hechtenis kan worden ingediend, is een verdenking van (zware) mishandeling van een medegedetineerde of een personeelslid van de penitentiaire inrichting. In verband met de signaalfunctie van de vordering, wordt deze zo mogelijk direct na afgifte van het bevel tot inbewaringstelling ingediend. Naast het indienen van de vordering, zal dan natuurlijk de vervolging van het misdrijf worden gestart.
Bij een meer gecompliceerde verdenking, zoals die ten aanzien van deelname door de veroordeelde aan een criminele organisatie, zal het indienen van de vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. beter kunnen worden uitgesteld tot een veroordeling ter zake van die deelname is gevolgd. Indien de veroordeelde nog een flink strafrestant heeft kan er zelfs voor gekozen worden de vordering pas in te dienen als die veroordeling onherroepelijk is geworden.
1.2.2.2. Gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf
Het beleid van de minister van Justitie inzake de modernisering van de sanctietoepassing en het terugdringen van recidive is er op gericht gedetineerden meer aan te spreken op de verantwoordelijkheid voor eigen gedrag en hen de consequenties van dit gedrag te laten merken. Met het invoegen van deze grond voor uitstel of afstel van de v.i. is hier handen en voeten aan gegeven. Misdragingen tijdens de detentie worden primair via disciplinaire bestraffing op grond van het penitentiaire recht afgedaan. Bij herhaaldelijke ernstige misdragingen kan echter de wens ontstaan om het niet bij disciplinaire bestraffing te laten, maar uitstel of achterwege laten van de v.i. te vorderen. Het ligt voor de hand in daarvoor in aanmerking komende situaties gebruik te maken van deze mogelijkheid. Indien een gedetineerde bijvoorbeeld meermalen disciplinair bestraft is voor het vertonen van agressief gedrag (gepaard gaande met lichamelijk letsel) richting medewerkers van de inrichting of medegedetineerden, ofwel voor het aanrichten van (grove) vernielingen in de inrichting, zal zodoende uitstel of achterwege laten van de v.i. worden gevorderd.
artikel 15d lid 1 sub c Sr) van Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling">
1.2.3. (Poging tot) tot onttrekking aan de tenuitvoerlegging ( artikel 15d lid 1 sub c Sr)
Indien de veroordeelde zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf (ontvlucht), kan dit een reden zijn om tot het vorderen van uitstel of achterwege laten van de v.i. over te gaan. Indien de veroordeelde feitelijk in het gebouw van de inrichting of op het tot de inrichting behorende terrein verbleef en daadwerkelijk is ontvlucht (of heeft geprobeerd te ontvluchten) spreken we van een (poging tot) ‘ontvluchting’ in de engste zin van het woord. Op het moment dat de veroordeelde ontvlucht (of probeert te ontvluchten) wanneer hij zich níet op het terrein van de inrichting bevind, maar zich met toestemming van de directeur buiten de inrichting bevindt (bijvoorbeeld met verlof is of werkt bij een externe werkgever), spreken we van een (poging tot) ‘onttrekking aan de tenuitvoerlegging’.
1.2.3.1. Ontvluchtingen met geweld of dreiging met geweld
Indien een (poging tot) ontvluchting gepaard gaat met geweld of dreiging met geweld, wordt altijd een vordering uitstel of achterwege laten voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend. Het niveau van beveiliging van de penitentiaire inrichting waaruit de veroordeelde probeerde te ontvluchten of daadwerkelijk is ontvlucht is hierbij niet van belang. Een poging tot ontvluchting uit een zeer beperkt beveiligde inrichting die gepaard gaat met eenvoudige mishandeling leidt derhalve altijd tot het indienen van een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i.
1.2.3.2. Kale ontvluchtingen
Een (poging tot) ontvluchting die niet gepaard gaat met geweld of de dreiging met geweld, noemen we een kale ontvluchting. Als een kale ontvluchting heeft plaatsgevonden vanuit een extra, uitgebreid of normaal beveiligde inrichting wordt altijd een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. ingediend. Als het bij een poging tot een kale ontvluchting uit een dergelijke inrichting is gebleven wordt overwogen of het indienen van een dergelijke vordering proportioneel is. Indien een kale ontvluchting vanuit een beperkt beveiligde of zeer beperkt beveiligde inrichting heeft plaatsgevonden, blijft het indienen van een vordering in beginsel achterwege. Dit kan anders zijn indien sprake is van herhaalde (pogingen tot) ontvluchting of andere bijzondere omstandigheden. Ook in dit geval geldt dat een poging tot ontvluchting niet in alle gevallen tot het indienen van een vordering leidt.
1.2.3.3. Onttrekkingen aan tenuitvoerlegging
Deze categorie ziet (zoals gezegd) op situaties als het niet terugkeren van verlof. In deze categorie zal, gelet op het karakter van deze gevallen, als regel niet gereageerd worden met een vordering uitstel of achterwege laten voorwaardelijke invrijheidstelling, maar met de overige mogelijkheden die (in het penitentiaire recht) beschikbaar zijn. Uitzondering is de situatie waarin de veroordeelde tijdens het verblijf buiten de inrichting wel onder direct toezicht stond, zoals tijdens een incidenteel verlof onder bewaking (bijvoorbeeld ter gelegenheid van een begrafenis), of tijdens een verblijf in een ziekenhuis onder bewaking. In dergelijke gevallen dient te worden gehandeld conform het hierboven gestelde aangaande ontvluchtingen.
artikel 15d lid 1 sub d) van Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling">
1.2.4. Bijzondere voorwaarden perken het recidiverisico onvoldoende in, of veroordeelde is niet bereid bijzondere voorwaarden na te leven ( artikel 15d lid 1 sub d)
Het stellen van bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft tot doel bij te dragen aan het verminderen van het risico van recidive en zo de samenleving te beschermen. Doordat de veroordeelde onder toezicht van justitie staat, kan worden ingegrepen op het moment dat de voorwaarden niet worden nageleefd. Zodra duidelijk is dat de v.i.-datum nadert, worden de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering gevraagd advies uit te brengen over het stellen van bijzondere voorwaarden aan die v.i. (zie hoofdstuk 2).
Als tijdens de tenuitvoerlegging van de straf (of bij het opstellen van het advies) blijkt dat het stellen van bijzondere voorwaarden het recidiverisico onvoldoende kan inperken, of als de veroordeelde bij voorbaat verklaart niet bereid te zijn bijzondere voorwaarden na te leven, kan het verlenen van v.i. aan deze veroordeelde niet naar behoeven aan dit doel bijdragen. De samenleving is dan beter beschermd wanneer de opgelegde straf voor langere duur of zelfs in zijn geheel ten uitvoer wordt gelegd. Dat het stellen van bijzondere voorwaarden het recidiverisico onvoldoende beperkt of dat de veroordeelde niet wil voldoen aan de bijzondere voorwaarden is derhalve een grond voor het indienen van een vordering tot uitstel of afstel van de v.i.
Indien de veroordeelde niet meewerkt aan een diagnose of het opmaken van rapportage, en het recidiverisico ook anderszins niet kan worden vastgesteld, wordt door het OM in beginsel uitstel of afstel van de v.i. gevorderd. Het recidiverisico kan op die manier immers onvoldoende worden ingeschat en niet duidelijk is of dat risico zou kunnen worden ingeperkt door middel van het stellen van voorwaarden. Als de veroordeelde aangeeft de voorgestelde bijzondere voorwaarden niet te zullen naleven, kan het in bepaalde gevallen nog wel zinvol zijn bijzondere voorwaarden op te leggen. Uit de rapportages van de directeur van de penitentiaire inrichting of de reclassering kan bijvoorbeeld blijken dat de kans dat de veroordeelde alsnog gemotiveerd kan worden tot naleving van de voorwaarden aannemelijk is. Als uit rapportages en adviezen blijkt dat de veroordeelde naar verwachting in geen geval te bewegen zal zijn tot naleving van de voorwaarden, is dat een reden voor het indienen van een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i.
artikel 15d lid 1 sub e Sr) van Aanwijzing Voorwaardelijke Invrijheidstelling">
1.2.5. WOTS-zaken ( artikel 15d lid 1 sub e Sr)
Indien een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd (op basis van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen ), komt het voor dat de veroordeelde als gevolg van de toepassing van de Nederlandse v.i-regeling in Nederland geen of nog maar een zeer klein strafrestant heeft uit te zitten. In het verleden leidde deze toepassing van v.i. op uit het buitenland overgedragen vrijheidsstraffen dan ook nogal eens tot een weigering van die overdracht door de buitenlandse autoriteiten. Om de instemming van buitenlandse autoriteiten met overbrenging van een gedetineerde naar Nederland te bevorderen, heeft de wetgever derhalve de mogelijkheid geschapen om uitstel of achterwege laten van de v.i. te vorderen, indien de instemming van de buitenlandse autoriteit met de overbrenging van de straf hierdoor wordt bevorderd.
1.3. Uitstel of achterwege laten v.i. op basis van gebeurtenissen tijdens voorlopige hechtenis
Als de hierboven in paragraaf 2.2, 2.3 of 2.4 genoemde feiten of omstandigheden zich voordoen tijdens een periode die ingevolge artikel 27, eerste lid, Sr op de vrijheidsstraf in mindering wordt gebracht, kan er ook op basis van die omstandigheid een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. worden ingediend ( artikel 15d lid 2 Sr). Het moet dan dus gaan om een ernstige misdraging, een (poging tot) onttrekking aan de tenuitvoerlegging of de verwachting van een onvoldoende in te perken recidiverisico, die zich reeds manifesteert tijdens de tijd die wordt doorgebracht in verzekering, in voorlopige hechtenis, in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting voor klinische observatie (ingevolge een bevel tot observatie), of in detentie in het buitenland (ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering of overlevering).
1.4. Procedure uitstel of achterwege laten v.i.
De Centrale voorziening v.i. neemt op basis van de verstrekte adviezen een beslissing over het al dan niet indienen van een vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. Zie voor informatie over de adviesprocedure paragraaf 2.2. Mocht de Centrale voorziening v.i. behoefte hebben aan aanvullende informatie, dan zal er contact gezocht worden met het betreffende lokale parket, de reclassering of het Bureau Selectiefunctionarissen van DJI.
Als de in artikel 15d lid 1 Sr vermelde gronden van uitstel of achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidstelling ter kennisname komen van de officier van justitie, dient hij daarvan onverwijld de Centrale voorziening v.i. in kennis te stellen. Deze informatie kan van de politie komen, omdat aangifte is gedaan door het slachtoffer van een strafbaar feit. Ook kan de penitentiaire inrichting de officier op de hoogte hebben gesteld van een incident dat daar heeft plaatsgevonden. De Centrale voorziening v.i. zal vervolgens beslissen of een vordering wordt ingediend en in dat geval de vordering voorbereiden en aan de officier verzoeken deze in te dienen.
Overigens: als de v.i. eerder al was verleend (al dan niet na uitstel), maar de v.i.-gestelde de daarbij gestelde voorwaarde(n) heeft geschonden en de rechtbank de v.i. gedeeltelijk heeft herroepen (zie hoofdstuk 3), is er sprake van een nieuwe v.i.-datum ten aanzien waarvan ook weer deze vordering uitstel of achterwege laten van de v.i. kan worden ingediend.
1.4.1. De vordering
Indien de Centrale voorziening v.i. niet overgaat tot het vorderen van uitstel of achterwege laten van de v.i., wordt een beslissing genomen over het stellen van bijzondere voorwaarden aan de v.i. (zie paragraaf 2.2).
Zodra de Centrale voorziening v.i. wel aanleiding ziet voor het uitstellen of achterwege laten van de v.i. stelt het daartoe een vordering op. Deze vordering moet worden ingediend bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit ter zake waarvan de straf die ten uitvoer wordt gelegd is opgelegd ( artikel 15d lid 4 en 6 Sr). Ongeacht of een strafbaar feit dat in een ander arrondissement is gepleegd de aanleiding voor de vordering was! De Centrale voorziening v.i. zal de officier van justitie van het arrondissementsparket bij die rechtbank verzoeken de vordering in te dienen.
De vordering moet uiterlijk dertig dagen voor het tijdstip van voorwaardelijke invrijheidstelling worden ingediend bij de rechtbank, tenzij de grond voor het indienen van de vordering zich op een later tijdstip heeft voorgedaan. Het bestaan van deze situatie moet door het OM aannemelijk gemaakt worden.
De penitentiaire inrichting waar de veroordeelde verblijft wordt door de Centrale voorziening v.i. de van de ingestelde vordering op de hoogte gebracht. Aldaar wordt dan ook de veroordeelde in kennis gesteld van de vordering. Hangende de vordering tot uitstel of achterwege laten van de v.i. wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld ( artikel 15e lid 2 Sr).
1.4.2. De uitspraak
De rechtbank doet uitspraak binnen 2 weken na zitting. Er staat geen beroepsmogelijkheid open tegen deze uitspraak. Indien de rechtbank overgaat tot het achterwege laten van de v.i. zal de gehele opgelegde vrijheidsstraf worden geëxecuteerd. Indien de rechtbank overgaat tot het uitstellen van de v.i. wordt in de uitspraak aangegeven met welke termijn de v.i. wordt uitgesteld. Ten aanzien van de nieuwe voorlopige v.i.-datum gelden dezelfde voorschriften omtrent uitstel of achterwege laten van v.i. en het stellen van bijzondere voorwaarden. Indien de rechtbank de vordering tot uitstel of achterwege laten v.i. in zijn geheel afwijst, blijft de dan geldende voorlopige v.i.-datum van kracht en dient de Centrale voorziening v.i. een beslissing te nemen omtrent het stellen van bijzondere voorwaarden aan de v.i. (Zie paragraaf 2.2).
2.1. Algemene voorwaarde
De voorwaardelijke invrijheidstelling geschiedt van rechtswege onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde – vanaf het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling ‘v.i.-gestelde’ genoemd – zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit ( artikel 15a lid 1 Sr). Het begaan van een strafbaar feit is een grond voor herroeping van de v.i. (zie hoofdstuk 3).
2.2.1. Opleggen bijzondere voorwaarden
Aan de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden. Zie paragraaf 2.2.3. Om de lokale parketten te ontlasten en eenheid in de beslissingen te waarborgen, wordt een beslissing tot het opleggen van bijzondere voorwaarden genomen door de Centrale voorziening v.i.
Teneinde de juiste bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijk in vrijheid te stellen veroordeelde op te kunnen leggen, verzoekt de Centrale voorziening v.i. de directeur van de penitentiaire inrichting waar de veroordeelde is gedetineerd en de reclassering een advies hieromtrent uit te brengen ( artikel 15a lid 6 Sr). Indien de executie-indicator op de strafzaak waarvoor de veroordeelde in detentie zit, op ‘ja’ is gezet, zal tevens de officier van justitie van het arrondissementsparket waar de strafzaak heeft gediend door de Centrale voorziening v.i. om advies worden gevraagd met betrekking tot de op te leggen bijzondere voorwaarden.
In de adviezen wordt aandacht besteed aan mogelijke gronden voor uitstel of achterwege laten van de v.i. en aan bijzondere voorwaarden die zijn aangewezen. De directeur van de PI zal bijvoorbeeld opgelegde disciplinaire straffen in het advies opnemen, en de reclassering zal bij het adviseren aandacht besteden aan de reeds in het kader van andere (deels) voorwaardelijke straffen opgelegde voorwaarden.
2.2.2. Vreemdelingen en combinatievonnissen
Strafrechtelijke vreemdelingen zijn niet uitgesloten van v.i. Bij vreemdelingen met een legale verblijfsstatus wordt dan ook de reguliere adviesprocedure gestart en kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd indien dat noodzakelijk wordt geacht. Illegale of ongewenst verklaarde vreemdelingen zullen in principe enkel onder de algemene voorwaarde voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. In bijzondere gevallen kan het echter wenselijk zijn ook aan deze personen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Personen die zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf én de TBS-maatregel zijn ook niet uitgesloten van v.i.
Wordt iemand veroordeeld tot een vrijheidsstraf en TBS met dwangverpleging, dan ligt het echter niet in de rede om ook nog bijzondere voorwaarden aan de v.i. te verbinden. De behandeling in het kader van de TBS zal vaak tot ver na het verstrijken van de v.i.-proeftijd voortduren en de straf en de maatregel staan in die zin dus geheel los van elkaar. Voor TBS-gestelden geldt vanzelfsprekend wel de bij wet gestelde algemene voorwaarde. De bij de behandeling horende verloven gaan overigens pas in op het moment van de v.i.-datum.
Is iemand veroordeeld tot gevangenisstraf en TBS met voorwaarden, dan heeft de rechter bij oplegging daarvan reeds voorwaarden vastgesteld. De periode waarover die voorwaarden kunnen lopen, telkenmale getoetst door de rechter, bedraagt tegenwoordig negen jaar. Het stellen van bijzondere voorwaarden aan de v.i. ligt bij deze personen dan ook niet in de rede. In die situaties waarin het wel wenselijk is (extra) bijzondere voorwaarden aan deze ter beschikking gestelde op te leggen in het kader van de v.i. (bijvoorbeeld omdat de rechter geen contactverbod heeft opgelegd maar de ter beschikking gestelde regelmatig ongewenst contact zoekt met het slachtoffer) behoort dat echter wel tot de mogelijkheden.
2.2.3. Het Overzicht bijzondere voorwaarden
De aan de v.i. te verbinden bijzondere voorwaarden kunnen een verplichting die betrekking heeft op het gedrag van de veroordeelde betreffen, zoals deelname aan scholing en vaardigheidstrainingen of het accepteren van intensieve hulpverlening bijvoorbeeld in verband met een verslaving. Maar het kan ook gaan om beperkende voorwaarde, zoals een meldingsplicht, een contactverbod, een locatieverbod of -gebod en een alcohol- en/of drugsverbod ( artikel 15a lid 2 en 3 Sr).
De mogelijk op te leggen bijzondere voorwaarden zijn opgenomen in het zogenoemde Overzicht Bijzondere Voorwaarden. Door de indeling en terminologie van dit Overzicht te volgen, wordt eenduidige oplegging van en communicatie over de voorwaarden bereikt. De directeur van de penitentiaire inrichting, de reclassering en het lokale parket dat adviseren over de door het OM op te leggen bijzondere voorwaarden aan de hand van dit Overzicht. De Centrale voorziening v.i. doet hetzelfde bij het opleggen van bijzondere voorwaarden. De samenstelling en terminologie van dit Overzicht wordt ook gevolgd bij het opnemen van de opgelegde bijzondere voorwaarden op de justitiële documentatie van de v.i.-gestelde. Op deze manier is met één blik op de documentatie te achterhalen welke bijzondere voorwaarden aan de v.i.-gestelde zijn opgelegd en wat deze inhouden.
2.2.4. Wijziging van de bijzondere voorwaarden, het toezicht of de proeftijd
Indien hier naar aanleiding van meldingen van schending van de algemene voorwaarde, schending van de bijzondere voorwaarde of om andere redenen aanleiding toe bestaat, kan de Centrale voorziening v.i. beslissen de bijzondere voorwaarden aan te vullen, te wijzigen of op te heffen. Een reden om de bijzondere voorwaarde inhoudende dat de v.i.-gestelde een bepaalde therapie moet volgen op te heffen, kan bijvoorbeeld zijn dat de v.i.-gestelde de betreffende therapie met goed gevolg heeft afgerond. Een gebrekkige naleving van een locatieverbod kan echter een reden zijn om die bijzondere voorwaarde aan te scherpen. Zo kan besloten worden (het toezicht op) de bijzondere voorwaarde aan te vullen met elektronisch toezicht.
Nadere regels omtrent het beslissen over bijzondere voorwaarden bij v.i. en het uitoefenen van toezicht hierop zijn te vinden in de AMvB: uitvoeringsbesluit voorwaardelijke invrijheidstelling.
De v.i.-gestelde wordt onder betekening van de beslissing op de hoogte gesteld van de opgelegde bijzondere voorwaarden en de bijbehorende proeftijden.
2.3. De v.i.-proeftijd
De proeftijd waarbinnen de v.i.-gestelde zich moet houden aan de aan de v.i. verbonden voorwaarden start op de v.i.-datum.
2.3.1. Duur van de proeftijd
De duur van de proeftijd van de algemene voorwaarde is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste 1 jaar ( artikel 15c lid 2 Sr). De duur van de proeftijd van een bijzondere voorwaarde wordt door de Centrale voorziening v.i. vastgesteld bij de beslissing om die bijzondere voorwaarde op te leggen en is ten hoogste gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend ( artikel 15c lid 3 Sr). Dit is dus het gedeelte van de straf dat de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gaat doorbrengen, zonder dat daarbij een minimum van 1 jaar geldt.
Door bovengenoemde bepalingen kunnen de proeftijden van de algemene en de bijzondere voorwaarde(n) uiteenlopen. Doordat de proeftijd van de algemene voorwaarde minimaal 1 jaar is, kan die proeftijd doorlopen nadat de periode waarover v.i. is verleend is verstreken. De proeftijd van de bijzondere voorwaarde eindigt van rechtswege na die periode. Ook kan de duur van de proeftijd van bijzondere voorwaarde(n) op een eerder tijdstip eindigen, omdat de Centrale voorziening v.i. een kortere proeftijd dan de gehele termijn waarover v.i. werd verleend voldoende acht.
2.3.2. Opschorting van de proeftijd
De proeftijd(en) van zowel de algemene als de bijzondere voorwaarden loopt niet gedurende de tijd dat de v.i.-gestelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. De einddatum van de proeftijd schuift dan op met de duur van die vrijheidsbeneming.
2.3.3. Samenloop van proeftijden
Het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling kan ook andere proeftijden, bijvoorbeeld opgelegd in het kader van (deels) voorwaardelijke straffen, doen herleven. De v.i.-proeftijd loopt dan gelijktijdig met die andere proeftijden en de v.i.-gestelde moet zich vanaf dat moment dus houden aan alle voorwaarden die dan (weer) gelden. Deze samenloop van proeftijden betekent dat het OM dat bij schending van een bepaalde voorwaarde moet bezien bij welke proeftijd die voorwaarde hoort, en welk gevolg aan de schending kan worden verbonden. Bepaald moet worden of herroeping van de v.i., of een vordering tenuitvoerlegging voor de (deels) voorwaardelijke straf de meest logische weg is. Er zijn ook situaties denkbaar waarin beide (deels) worden gevorderd.
3.1. Inleiding
De voorwaardelijke invrijheidstelling kan geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd. De vordering herroeping moet worden ingediend bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft geoordeeld over het feit ter zake waarvan de v.i.-waardige straf is opgelegd ( artikel 15i lid 3Sr).
Bij de afweging of een vordering tot herroeping van de v.i. wordt ingediend, moeten beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht worden genomen. Niet elke schending van de algemene of bijzondere voorwaarden hoeft tot een vordering tot herroeping te leiden. (Zie ook paragraaf 2.5.1 hieronder.)
Bij het indienen van de vordering besluit de officier van justitie ook over aanhouding. Als aanhouding voor de hand ligt, bijvoorbeeld omdat het onwenselijk is dat de v.i.-gestelde de herroepingsprocedure bij de rechtbank in vrijheid afwacht en bijwoont, dan moet een vordering tot schorsing van de v.i. worden ingediend bij de rechter-commissaris ( artikel 15h Sr). Een vordering tot schorsing van de v.i. kan niet zelfstandig worden ingediend, maar kan alleen worden ingediend als ook een vordering tot herroeping van de v.i. wordt ingediend en de v.i.-gestelde is aangehouden.
Als de vordering tot schorsing van de v.i. wordt afgewezen, hoeft dit niet te betekenen dat de vordering tot herroeping moet worden ingetrokken. De gronden voor herroeping van de v.i. kunnen aanwezig zijn ondanks dat schorsing van de v.i. door de rechter-commissaris niet proportioneel wordt geacht.
Met de beslissing van de rechtbank op de vordering herroeping v.i. komt direct een einde aan een eventuele schorsing van de v.i. Ofwel de v.i. wordt (gedeeltelijk) herroepen, zodat de v.i.-gestelde gedetineerd blijft, ofwel de vordering wordt geheel afgewezen en de v.i.-gestelde wordt weer voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Als de v.i. geheel wordt herroepen wordt het restant van de opgelegde vrijheidsstraf geheel geëxecuteerd.
Indien de v.i. gedeeltelijk wordt herroepen wordt door de rechtbank in de uitspraak bepaald welk gedeelte van de opgelegde straf alsnog ten uitvoer gelegd moet worden. Voor het restant proeftijd dat overblijft geldt in principe dat het hierboven geschetste advies- en beslistraject ( hoofdstuk 1 en 2) opnieuw gaat lopen.
De rechter kan bij het beslissen op de vordering herroeping ook adviseren omtrent de aan de v.i. te verbinden bijzondere voorwaarden.
Hieronder wordt ingegaan op de verschillen tussen de herroeping (en eventueel schorsing) van de v.i. op grond van een schending van de algemene voorwaarde, en op grond van een schending van de bijzondere voorwaarde.
3.2. Gevolgen van schending van de algemene voorwaarde
De v.i. wordt altijd verleend onder de algemene voorwaarde dat de v.i.-gestelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Om v.i.-gestelden lik op stuk te geven, zal voortaan bij iedere nieuwe strafzaak gecontroleerd moeten worden of de betreffende verdachte in een v.i.-proeftijd liep en dus mogelijk de algemene voorwaarde van die v.i. heeft geschonden.
3.2.1. Aanhouding en schorsing van de v.i.
Wordt een v.i.-gestelde verdacht van het plegen van een strafbaar feit binnen de v.i.-proeftijd, dan kan hij worden aangehouden op bevel van de officier van justitie, indien er ‘ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een veroordeelde zich zodanig heeft gedragen dat diens v.i. zal worden herroepen’. In veel gevallen zal de v.i.-gestelde op zo’n moment al aangehouden zijn, omdat de ‘ernstige redenen voor van het vermoeden dat de v.i. zal worden herroepen’ immers liggen in de verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Zie omtrent de samenloop met de vervolging van het nieuwe feit ook paragraaf 2.2.
Als de v.i.-gestelde is aangehouden, is het de vraag of vrijheidsbeneming van de v.i.-gestelde noodzakelijk is. Als dit noodzakelijk wordt geacht – bijvoorbeeld omdat het onwenselijk is dat de v.i.-gestelde de uitspraak van de rechtbank op de herroepingsvordering in vrijheid afwacht – dan moet naast de herroepingsvordering bij de rechtbank, een vordering tot schorsing van de v.i. worden ingediend bij de rechter-commissaris.
3.2.2. Mogelijke samenloop met preventieve hechtenis
Zoals gezegd is het mogelijk dat de v.i.-gestelde reeds aangehouden en preventief gehecht is op basis van de verdenking van het plegen van een strafbaar feit. Is dat niet het geval, dan kan de v.i.-gestelde ook worden aangehouden op basis van het vermoeden dat zijn v.i. zal worden herroepen, en dan kan zo nodig ook schorsing van de v.i. worden gevorderd. De vraag of in bepaalde situaties voor preventieve hechtenis of voor schorsing van de v.i. moet worden gekozen, moet worden beantwoord door een afweging te maken tussen het gedrag van de v.i.-gestelde, de haalbaarheid van de herroepingvordering en de bijzondere omstandigheden van het geval die vrijheidsbeneming van de v.i.-gestelde noodzakelijk kunnen maken.
Is het vermoedelijk gepleegde strafbare feit een feit waarvoor géén voorlopige hechtenis mogelijk is, dan ligt het indienen van een vordering tot schorsing van de v.i. in beginsel niet in de rede. Zijn er naar het oordeel van de officier van justitie echter voldoende ernstige bezwaren aanwezig én is vrijheidsbeneming van de v.i.-gestelde om bijzondere redenen noodzakelijk, dan kan wel tot het indienen van een schorsingsvordering worden besloten.
Als voor het (vermoedelijk) gepleegde strafbaar feit wel voorlopige hechtenis mogelijk is, is dat de meest logische weg om te bewandelen. De officier van justitie vordert dan voorlopige hechtenis en laat het vorderen van schorsing van de v.i. achterwege.
Wordt een vordering tot inbewaringstelling echter afgewezen, dan kunnen er situaties zijn waarin het vorderen van schorsing van de v.i. nog wel voor de hand ligt. Bijvoorbeeld indien de vordering is afgewezen wegens het ontbreken van gronden, terwijl er wel ernstige bezwaren aanwezig zijn. Dan zijn er immers wel ernstige redenen voor het vermoeden dat de v.i. zal worden herroepen. Is aanhouding van de v.i.-gestelde dan noodzakelijk, dan kan in zo’n geval dus nog voor het indienen van een vordering tot schorsing van de v.i. worden gekozen. Is een vordering tot inbewaringstelling afgewezen wegens het ontbreken van ernstige bezwaren, dan ligt dit anders. De rechter-commissaris heeft nu immers in feite geoordeeld dat er onvoldoende ‘ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde zich zodanig heeft gedragen dat diens v.i. zal worden herroepen’.
3.2.3. Procedure schorsing
De vordering tot schorsing van de v.i. moet ‘onverwijld’ na de aanhouding 1 worden ingediend. Als de aanhouding in of nabij het weekend geschiedt, lijkt het dan ook voor de hand te liggen de vordering toch reeds in het weekend in te dienen. De rechter-commissaris moet immers binnen drie maal 24 uur beslissen op de vordering. Na indiening in het weekend, kan de vordering dan direct op maandagochtend bij de rechter-commissaris worden behandeld. Een andere mogelijk werkwijze is het alvast mondeling aankondigen van de vordering, waarna de vordering zelf op een later moment daadwerkelijk kan wordt ingediend.
De vordering schorsing moet ‘naast’ de vordering herroeping worden ingediend ( artikel 15h lid 2 Sr). Dit houdt niet in dat de vordering herroeping gelijktijdig moet worden ingediend, zodat de rechter-commissaris kennis kan nemen van de herroepingsvordering. Wel moet op het moment van schorsing van de v.i. duidelijk gemaakt en onderbouwd worden dat er (spoedig) een vordering herroeping wordt ingediend. Door eerst de vordering tot schorsing in te dienen en later de vordering tot herroeping is er tijd om het dossier aan te vullen.
De v.i.-gestelde moet door de rechter-commissaris worden gehoord. Na afloop van de behandeling van de schorsingsvordering stelt de officier van justitie de v.i.-gestelde onverwijld schriftelijk in kennis van de beslissing van de rechter-commissaris ( artikel 15h lid 6 Sr). Ondanks dat dit niet uitdrukkelijk in de wet is bepaald, is tegen de beslissing van de R-C op de schorsingsvordering geen hoger beroep mogelijk. Indien de schorsing van de v.i. is toegewezen, dient de v.i.-gestelde bij DJI te worden geplaatst conform de daarvoor geldende plaatsingsafspraken. Op dat moment moet ook het slachtoffer dat deze executie-informatie mag en wenst te verkrijgen, op de hoogte gebracht worden van de schorsing van de v.i. (zie Aanwijzing slachtofferzorg , 2004A004).
De schorsing van de v.i. loopt vervolgens van rechtswege door tot het moment dat de duur van de schorsing gelijk wordt aan de periode waarover v.i. was verleend, ofwel tot het moment dat door de rechtbank op de herroepingsvordering is beslist. Intussen kan de schorsing echter door de rechtbank ook worden opgeheven ( artikel 15h lid 7 Sr).
3.2.4. Opheffing van de schorsing
Als de schorsing van de v.i. wordt bevolen kan door zowel de verdediging als door de officier van justitie een verzoek om opheffing van die schorsing worden gedaan. De rechtbank kan de schorsing ook ambthalve opheffen. Dit laatste kan bijvoorbeeld aan de orde komen als de behandeling van de herroepingsvordering wordt aangehouden, maar de rechtbank geen termen voor schorsing van de v.i. meer aanwezig acht.
Ook tegen de beslissing van de rechtbank op een verzoek tot opheffing schorsing v.i., of tegen de ambtshalve opheffing van de schorsing v.i. is geen hoger beroep mogelijk. Wordt een vordering tot opheffing van de schorsing toegewezen, dan dient het slachtoffer dat bericht kreeg van de schorsing van de v.i. ook weer door de officier van justitie op de hoogte gesteld te worden van de opheffing daarvan (Zie Aanwijzing slachtofferzorg , 2004A004).
3.2.5. Herroeping van de v.i.
De officier van justitie die op de hoogte komt van een schending van de algemene voorwaarde bij v.i. moet beoordelen of die schending moet leiden tot het indienen van een vordering tot gehele of gedeeltelijke herroeping van de v.i. De vraag of gehele, dan wel gedeeltelijke herroeping van de v.i. moet worden gevorderd, hangt onder meer samen met de aard van het strafbare feit en de mate van recidive (zie paragraaf 2.2.5.1). Ook de lengte van het resterende gedeelte van de v.i. kan meespelen in de beslissing of gehele dan wel gedeeltelijke herroeping van de v.i. aangewezen is. Tot slot zal ook moeten worden gekeken naar de gevolgen die een (gehele dan wel gedeeltelijke) herroeping van v.i. heeft op eventueel geldende bijzondere voorwaarden. Zodoende moet het reclasseringsonderdeel dat toezicht uitoefent op de naleving van bijzondere voorwaarden op de hoogte gebracht moeten worden van de verdenking van de v.i.-gestelde, maar kan het bijvoorbeeld ook aangewezen zijn in voorlichtingsrapportages aandacht te laten besteden aan de invloed van een herroeping van de v.i. op het lopende re-integratietraject.
3.2.5.1. Strafrechtelijke overtredingen
Indien v.i.-gestelde tijdens de proeftijd een strafbaar feit begaat, is dat een schending van de algemene voorwaarde en derhalve een grond voor het herroepen van de v.i. Het begrip strafbaar feit omvat zowel misdrijven als overtredingen.
In het geval de veroordeelde een misdrijf heeft begaan, wordt altijd een vordering tot herroeping ingediend.
Als de veroordeelde een (strafrechtelijke) overtreding heeft begaan, kan een vordering tot herroeping worden ingediend als het een relevante overtreding betreft. Dit wil zeggen dat de overtreding van zodanige aard moet zijn dat hij herroeping van de v.i. rechtvaardigt.
Ten aanzien van misdrijven en overtredingen die (door de politie) aan de officier van justitie worden gemeld, beslist de officier van justitie of het feit reden is om een vordering tot gedeeltelijke of gehele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in te dienen ( artikel 15i lid 2 en 3 Sr). Bij op het oog ‘lichtere’ overtredingen vindt echter niet altijd melding aan het parket plaats. Juist omdat deze overtredingen ‘licht’ worden bevonden, worden zij veelal administratiefrechtelijk afgedaan. Ook dergelijke overtredingen kunnen echter relevant zijn en aan een herroepingsvordering ten grondslag liggen. Openbare dronkenschap kan bijvoorbeeld als relatief ‘lichte’ overtreding worden gezien, maar zodra deze overtreding wordt begaan door een v.i.-gestelde die was veroordeeld voor een geweldsmisdrijf gepleegd onder invloed van alcohol, is het aan te merken als zwaarder vergrijp. Hetzelfde geldt voor relatief lichte verkeersovertredingen, als zij worden begaan door een voor artikel 6 WVW veroordeelde v.i.-gestelde. Om dit soort relatief lichte, doch voor een bepaalde v.i.-gestelde relevante overtredingen aan een herroepingsvordering ten grondslag te kunnen laten liggen, is een persoonsgerichte aanpak noodzakelijk. Zo kan alcoholgebruik tot onderwerp van een bijzondere voorwaarde worden gemaakt, zodat (ook) door middel van reclasseringstoezicht controle op gedragingen van de v.i.-gestelde wordt uitgeoefend. Ook kan het OM (op verzoek van de reclassering) bij het CJIB een overzicht opvragen van alle door een bepaalde de v.i.-gestelde gepleegde Muldergedragingen of andere relevante overtredingen.
3.2.5.2. Procedure herroeping
Bij schending van de algemene voorwaarde vindt behandeling van de vordering tot herroeping van de v.i. gelijktijdig plaats met de behandeling van het strafbare feit waarop de herroepingsvordering is gebaseerd ( artikel 15i lid 3 tweede volzin en artikel 15i lid 5 derde volzin Sr). De officier van justitie die belast is met de vervolging van het strafbare feit zendt dan ook de op de herroepingsvordering betrekking hebbende stukken aan de rechtbank. De v.i.-gestelde moet nu ook onder betekening van de herroepingsvordering voor de zitting worden opgeroepen. Indien de v.i.-gestelde ook bijzondere voorwaarde(n) moest naleven, moet degene die met het toezicht op die bijzondere voorwaarde(n) is belast ( artikel 15b lid 2 Sr), eveneens onder betekening van de vordering worden opgeroepen voor de zitting.
Als de rechtbank de herroepingsvordering toewijst, bepaalt de rechtbank welk gedeelte van de vrijheidsstraf waarvoor v.i. was verleend alsnog ten uitvoer gelegd moet worden. Bij een gedeeltelijke herroeping betekent dit dat er een nieuwe v.i.-datum na herroeping ontstaat. De rechtbank kan bij het beslissen op de herroepingsvordering adviseren over de aan de (nieuwe) v.i. te verbinden bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie stelt de v.i.-gestelde onverwijld in kennis van de beslissing van de rechtbank. De officier van justitie dient op dit moment ook te bezien of er slachtoffers op de hoogte gebracht moeten worden van de uitspraak op de herroepingsvordering (zie ook Aanwijzing slachtofferzorg , 2004A004).
Indien tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, loopt de vordering tot herroeping van de v.i. mee in de behandeling van het hoger beroep ( artikel 15j, vierde lid, Sr). In dat geval zal de advocaat-generaal bovengenoemde procedurevoorschriften in acht moeten nemen en dient het gerechtshof een beslissing te nemen over de herroepingsvordering.
Bij volledige afwijzing van de herroepingsvordering kan wel nog overwogen worden de bijzondere voorwaarde(n) en/of de bijbehorende proeftijd(en) die aan de v.i. zijn verbonden te wijzigen. Aangezien het de Centrale voorziening v.i. is die deze bijzondere voorwaarden oplegt, wijzigt, aanvult of opheft, dient de Centrale voorziening v.i. op de hoogte gebracht te worden van de uitkomst van de herroepingsprocedure.
3.3. Gevolgen van schending van een bijzondere voorwaarde
Indien het OM (de Centrale voorziening v.i.) bijzondere voorwaarden aan de v.i. heeft verbonden, wordt het toezicht op die voorwaarden uitgeoefend door de reclassering. Mogelijk wordt door de reclassering de politie in het toezicht op specifieke voorwaarden – zoals een straatverbod – betrokken. Als de reclassering een schending van een bijzondere voorwaarde constateert, wordt dit gerapporteerd aan de Centrale voorziening v.i. Indien de politie een rol heeft bij het toezicht op de naleving van bijzondere voorwaarden, wordt bij constatering van (een vermoeden van) een schending van een bijzondere voorwaarde door de politie contact gezocht met de reclassering. De reclassering maakt vervolgens een overtredingsrapportage op ten behoeve van de Centrale voorziening v.i. Het vorderen van gehele dan wel gedeeltelijke herroeping van de v.i. hangt samen met de bijzondere voorwaarde en de aard van de schending van die voorwaarde, alsmede met de lengte van het resterende gedeelte van de v.i.
3.3.1. Aanhouding en schorsing van de v.i.
Heeft de reclassering gemeld dat een v.i.-gestelde een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd, dan kan de v.i.-gestelde worden aangehouden indien er ‘ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een veroordeelde zich zodanig heeft gedragen dat diens v.i. zal worden herroepen’ ( artikel 15h Sr). Als Centrale voorziening v.i. meent dat deze ernstige redenen aanwezig zijn en dat de v.i. herroepen zou moeten worden, dan neemt de Centrale voorziening v.i. contact op met de officier van justitie in het arrondissement waarvan de rechtbank tot kennisneming van de herroepingsvordering bevoegd is. De Centrale voorziening v.i. zorgt ervoor dat de benodigde stukken ten spoedigste aan de officier van justitie worden verstrekt. Zonodig wordt de piketofficier van justitie telefonisch ingelicht.
De officier van justitie kan vervolgens een aanhoudingsbevel uitvaardigen en, als vrijheidsbeneming van de v.i.-gestelde voor langere duur noodzakelijk is en aanhouding heeft plaatsgevonden, een vordering tot schorsing van de v.i. indienen bij de rechter-commissaris. De officier van justitie dient daarbij de in paragraaf 2.3 en 2.4 genoemde punten in acht te nemen.
3.3.2.1. Schending van de bijzondere voorwaarde(n)
Als de Centrale voorziening v.i. middels rapportage van de reclassering (al dan niet na melding van de politie) op de hoogte is gebracht van schending van een bijzondere voorwaarde door de v.i.-gestelde, zal de Centrale voorziening v.i. beoordelen of de schending van de bijzondere voorwaarden aanleiding is tot het indienen van een vordering tot (gedeeltelijke) herroeping van de v.i.
Als besloten wordt dat (gehele dan wel gedeeltelijke) herroeping van de v.i. aangewezen is, zal de Centrale voorziening v.i. de officier van justitie bij de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit ter zake waarvan de v.i.-waardige straf is opgelegd verzoeken een vordering dienaangaande in te dienen. De benodigde stukken worden door de Centrale voorziening v.i. ten spoedigste aan de officier van justitie verstrekt.
3.3.2.2. Procedure Herroeping
Een herroepingsvordering die wordt ingediend naar aanleiding van een schending van een bijzondere voorwaarde moet zelfstandig op een zitting van de rechtbank worden geappointeerd. Aangezien tegen deze beslissing van de rechtbank geen hoger beroep mogelijk is ( artikel 15j lid 4 Sr) komen dergelijke herroepingsvorderingen niet ter kennis van een advocaat-generaal. De officier van justitie roept de v.i.-gestelde en degene die met het toezicht op de bijzondere voorwaarde is belast op tot bijwoning van de zitting, onder betekening van de vordering ( artikel 15i lid 6 Sr).
Als de rechtbank de herroepingsvordering toewijst, bepaalt de rechtbank welk gedeelte van de vrijheidsstraf waarvoor v.i. was verleend alsnog ten uitvoer gelegd moet worden. Bij een gedeeltelijke herroeping betekent dit dat er een nieuwe v.i.-datum na herroeping ontstaat. De rechtbank kan bij het beslissen op de herroepingsvordering adviseren over de aan de (nieuwe) v.i. te verbinden bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie stelt de v.i.-gestelde onverwijld in kennis van de beslissing van de rechtbank. De officier van justitie dient op dit moment ook te bezien of er slachtoffers op de hoogte gebracht moeten worden van de uitspraak op de herroepingsvordering (zie ook Aanwijzing slachtofferzorg , 2004A004).
Als de vordering tot (gedeeltelijke) herroeping van de v.i. geheel wordt afgewezen, overweegt de Centrale voorziening v.i. tevens of de bijzondere voorwaarde(n) en/of de bijbehorende proeftijd(en) alsnog moeten worden gewijzigd.
Vervroegde versus voorwaardelijke invrijheidstelling
De nieuwe wettelijke regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling en bovenstaande beleidsregels zijn van toepassing op alle veroordelingen uitgesproken na inwerkingtreding van de wet.
Op veroordelingen die zijn uitgesproken vóór inwerkingtreding van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling blijven de oude wettelijke bepalingen omtrent vervroegde invrijheidstelling van toepassing. Op die veroordelingen van voor inwerkingtreding van de nieuwe wet is derhalve ook de oude beleidsregel van toepassing. Die oude beleidsregel, bestaande uit de Aanwijzing vordering uitstel of achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling (vervallen), is hieronder als geheel in deze aanwijzing opgenomen.
Uitzondering op bovenstaande situatie vormen veroordelingen die wel vóór inwerkingtreding van de regeling v.i. zijn uitgesproken, maar waarvan de tenuitvoerlegging vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling nog gaande is. Bij een datum van inwerkingtreding van 1 juli 2008, is op veroordelingen van vóór 1 juli 2008 waarvan de tenuitvoerlegging op 1 juli 2013 nog gaande is, dus toch de nieuwe regeling van toepassing ( artikel VI van de Wet). Op die veroordelingen zijn zodoende ook bovenstaande bepalingen ten aanzien van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing.
Hieronder vindt u de bepalingen die gelden voor veroordelingen die niet onder de nieuwe regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling vallen en waarbij nog vervroegde invrijheidstelling wordt verleend.
Bepalingen ten aanzien van de vervroegde invrijheidstelling
Onderstaande bepalingen zijn van toepassing op alle veroordelingen tot vrijheidstraf die zijn uitgesproken vóór inwerkingtreding van de nieuwe wet voorwaardelijke invrijheidstelling, waarvan de tenuitvoerlegging ook binnen vijf jaar na inwerkingtreding van die wet is afgerond. Als de tenuitvoerlegging van een vóór de inwerkingtreding van die wet opgelegde vrijheidsstraf vijf jaar na inwerkingtreding van die wet nog gaande is, zijn onderstaande bepalingen níet van toepassing.
Onderstaande bepalingen zijn afkomstig uit de Aanwijzing vordering uitstel of achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling (vervallen). Zij zijn tekstueel aangepast aan de nieuwe situatie, doch niet inhoudelijk gewijzigd.
1. Achtergrond
Uitstel of achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling is geregeld in de artikelen 15a t/m 15d Sr (oud). Sinds de inwerkingtreding van de Wet van 4 februari 1994 , Stb. 82 omvat de werkingssfeer van de regeling ook de fase van het voorarrest. In deze aanwijzing zijn regels opgenomen voor het indienen van een vordering tot uitstel of achterwege laten van vervroegde invrijheidstelling op grond van artikel 15a e.v. Sr (oud).
2. Actoren
De advocaat-generaal bij het ressortsparket Arnhem is belast met het coördineren van de indiening van vorderingen met betrekking tot de vervroegde invrijheidstelling. Merk op dat voor de afhandeling van de nieuwe wetgeving omtrent voorwaardelijke invrijheidstelling bij het ressortsparket Arnhem voor de een Centrale voorziening v.i. is opgericht. Het eveneens bij het ressortsparket Arnhem ondergebrachte Expertisecentrum Bijzondere Penitentiaire Zaken heeft tot taak kennis en expertise op het gebied van zowel de oude als de nieuwe wetgeving te borgen en is aanspreekbaar voor vragen op beider gebied.
a. BCL: Bureau Capaciteitsbenutting en Logistiek (voorheen: Bureau Bijzondere Diensten)
b. CJD: Centrale Justitiële Documentatie
c. CJIB: Centraal Justitieel Incasso Bureau
d. Het hof: het gerechtshof te Arnhem (penitentiaire kamer)
e. Vordering UAVI: vordering tot uitstel of achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling
f. PI: penitentiaire inrichting en het daarbij behorende terrein
g. justitiabele: degene ten aanzien van wie een vordering UAVI is of (mogelijk) wordt ingediend
A. Gronden vooruUitstel of achterwege laten van vervroegde invrijheidsstelling (artikel 15a, eerste lid Sr (oud))
Plaatsing in een inrichting voor verpleging van TBS-gestelden ( artikel 15a lid 1 sub a Sr (oud))
Een tot gevangenisstraf veroordeelde justitiabele kan met toepassing van artikel 13 Sr worden geplaatst in een justitiële inrichting voor TBS-gestelden (artikel 90quinquies Sr). Om een daar plaatsvindende behandeling niet te doorkruisen, kan, indien de noodzaak tot behandeling van de justitiabele dit behoeft gelet op een onaanvaardbaar recidiverisico en de veiligheid van de maatschappij, een vordering UAVI worden ingediend.– Onherroepelijke veroordeling voor strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en zeer ernstige misdragingen na aanvang tenuitvoerlegging vrijheidsstraf (artikel 15a lid 1 sub b en c Sr (oud).)
Ingevolge jurisprudentie van het hof dient onder ‘zich zeer ernstig heeft misdragen’, als bedoeld in artikel 15a lid 1onder c (oud), te worden verstaan het plegen van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Het onderscheid tussen artikel 15a, eerste lid, sub b (oud) en artikel 15a lid 1 sub c (oud) bestaat enkel uit de omstandigheid of de justitiabele voor de ernstige misdraging reeds onherroepelijk is veroordeeld of niet. Het behoeft niet zo te zijn dat de justitiabele ook daadwerkelijk voor de ernstige misdraging in voorlopige hechtenis is genomen.
Het betreft hier uiteraard ernstige misdragingen waarbij niet meer kan worden volstaan met disciplinaire maatregelen zoals overplaatsing naar een andere PI of het intrekken of weigeren van verlof die bovendien speciale en generale effecten op de penitentiaire situatie hebben. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vanuit een PI, plegen, voortzetten of voorbereiden van zeer ernstige strafbare feiten zoals zware mishandeling en zeer ernstige (schriftelijke) bedreiging. Overwegingen van normbevestiging en beheersing van het detentieklimaat met behulp van (snelle) reacties spelen hierbij een belangrijke rol. Relevant is, dat de reactie is gebaseerd op misdragingen die reeds hebben plaatsgevonden, niet op prognoses omtrent te verwachten (slecht) gedrag.De periode na de aanvang van de tenuitvoerlegging van de vrijheidstaf omvat mede de periode waarin een justitiabele met verlof is of deelneemt aan een penitentiair programma dan wel er sprake is van strafonderbreking. Ingeval er ten tijde van de misdraging sprake was van een schorsing van de voorlopige hechtenis is het indienen van de vordering UAVI niet mogelijk.– (Poging tot) onttrekking aan de tenuitvoerlegging (artikel 15a lid 1 sub d Sr (oud))
Ontvluchtingen (inclusief poging daartoe) met geweld of dreiging daarmee
Indien er sprake is van een ontvluchting (of poging daartoe) met geweld of dreiging met geweld wordt altijd een vordering UAVI ingediend, ongeacht de mate van beveiliging van de betreffende PI. Ook indien er sprake is van een (poging tot) ontvluchting die gepaard gaat met eenvoudige mishandeling, waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, wordt derhalve een vordering UAVI ingediend. De vordering wordt ingediend onverminderd eventuele vervolging ter zake van strafbare feiten die met de (poging tot) ontvluchting zijn gepaard gegaan.Kale ontvluchtingen
Hieronder worden ontvluchtingen verstaan waarbij door de justitiabele geen geweld is gebruikt noch waarbij daarmee door de justitiabele is gedreigd. Het betreft hier de gevallen waarbij de betrokkene feitelijk in het gebouw van de inrichting of op het tot de inrichting behorende terrein verbleef en de justitiabele daadwerkelijk, ook ingeval dit slechts korte tijd duurde, is ontvlucht. Het OM zal in alle gevallen waarin dergelijke ontvluchtingen vanuit een extra, uitgebreid of normaal beveiligde inrichting hebben plaatsgevonden een vordering UAVI indienen. In geval er sprake is van een ontvluchting vanuit een beperkt beveiligde of zeer beperkt beveiligde inrichting of indien de ontvluchting niet is gelukt (en het derhalve bij een poging is gebleven) blijft het indienen van een vordering in beginsel achterwege.Onttrekkingen aan tenuitvoerlegging
Deze categorie ziet op onttrekkingen aan de tenuitvoerlegging waarbij op het moment dat de onttrekking plaatsvond de betrokkene zich niet in een penitentiaire inrichting bevond. Het gaat hier dus om andere vormen van het zich onttrekken aan detentie dan ontvluchtingen uit een PI, zoals het niet terugkeren van verlof. In deze categorie zal, gelet op het karakter van deze gevallen, als regel niet gereageerd worden met een vordering UAVI, maar met de overige mogelijkheden die in het penitentiaire recht beschikbaar zijn.
Uitzondering is de situatie waarin de justitiabele tijdens het verblijf buiten de inrichting wel onder direct toezicht stond, zoals tijdens een incidenteel verlof onder bewaking (bijvoorbeeld ter gelegenheid van een begrafenis) of tijdens een verblijf in een ziekenhuis onder bewaking. In dergelijke gevallen dient te worden gehandeld conform 1.3.2.Voorlopige hechtenis
In beginsel is hierbij het onder 1.2 t/m 1.3 gestelde, gelet op artikel 15a lid 5 Sr (oud) van overeenkomstige toepassing.
B. Procedure
De verantwoordelijkheid voor het coördineren van meldingen van voorvallen, het indienen van vorderingen UAVI en de totstandkoming van beleid op dit gebied is belegd bij de advocaat-generaal van het ressortsparket Arnhem.– Melding aan de advocaat-generaal te Arnhem Voortgezette behandeling in inrichting voor TBS-gestelden
De directeur van de TBS-inrichting waar de betrokkene verblijft, meldt de omstandigheid die leidt tot het doen van een vordering UAVI schriftelijk, vergezeld van een of meer rapporten inzake de noodzakelijkheid van voortzetting van de behandeling met het oog op recidivegevaar en het belang van de veiligheid van de maatschappij, afzonderlijk of gezamenlijk opgesteld door twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waarvan tenminste één psychiater, aan de advocaat-generaal te Arnhem. Artikel 37 lid 2 en 3 Sr zijn van overeenkomstige toepassing. Het verzoek dient zo mogelijk twee maanden voor de datum van vervroegde invrijheidstelling door de advocaat-generaal te Arnhem te zijn ontvangen.Ernstige misdraging
Het parket dat belast is met de vervolging voor het strafbare feit op grond waarvan de vordering UAVI kan worden ingediend, neemt zo spoedig mogelijk nadat het parket kennis heeft gekregen van dat strafbare feit contact op met de advocaat-generaal te Arnhem. Indien het strafbare feit heeft plaatsgevonden in een PI, tijdens verlof of een penitentiair programma, kan ook de directeur van de PI waar de betrokkene verbleef, verblijft of administratief is ingeschreven, aan de advocaat-generaal te Arnhem verzoeken te overwegen een vordering UAVI in te dienen.Ontvluchting
De advocaat-generaal te Arnhem ontvangt van de directeur van de penitentiaire inrichting waaruit de justitiabele is ontvlucht en op grond waarvan overeenkomstig deze aanwijzing een vordering UAVI kan worden gedaan zo mogelijk de eerstvolgende werkdag een melding van de ontvluchting. De advocaat-generaal te Arnhem zendt een afschrift van deze melding ontvluchting onverwijld aan het BCL, tenzij de justitiabele reeds is aangehouden. Het BCL meldt de aanhouding van een persoon die overeenkomstig deze procedure aan het BCL is gemeld onverwijld aan de advocaat-generaal te Arnhem.– De vordering uitstel of achterwege laten vervroegde invrijheidstelling (vordering UAVI)
Gelet op de verantwoordelijkheid van de advocaat-generaal bij het ressortsparket te Arnhem, dient de advocaat-generaal als plaatsvervangend officier van justitie en advocaat-generaal van alle arrondissement- en ressortsparketten, de vordering in. De vordering dient uiterlijk dertig dagen voor het tijdstip waarop de justitiabele vervroegd in vrijheid zou worden gesteld, te zijn ontvangen op de griffie van het gerechtshof Arnhem, tenzij de grond voor de vordering UAVI zich eerst nadien heeft voorgedaan. De advocaat-generaal te Arnhem beslist, na overleg met het parket dat ingevolge artikel 15a lid 3 (oud), bevoegd is tot het indienen van de vordering en, indien van toepassing, met het parket dat met de vervolging van de ernstige misdraging is belast, omtrent de indiening van de vordering UAVI. Ook kan in overleg worden besloten dat vooralsnog niet tot vervolging wordt overgegaan maar dat enkel een vordering UAVI wordt ingediend. In dat geval blijft een beslissing omtrent verdere vervolging achterwege totdat op de vordering UAVI is beslist.
De advocaat-generaal te Arnhem zendt onverwijld een afschrift van de vordering aan de justitiabele. Indien de justitiabele voortvluchtig was, zendt de advocaat-generaal te Arnhem zo spoedig mogelijk nadat de justitiabele is aangehouden en het BCL de advocaat-generaal te Arnhem daarvan op de hoogte heeft gesteld, een afschrift van de vordering aan de directeur van de penitentiaire inrichting waarin de justitiabele is of wordt geplaatst met het verzoek het afschrift aan de betrokkene uit te reiken en daarvan aantekening te maken.
In alle gevallen zendt de advocaat-generaal te Arnhem een afschrift van de vordering aan het CJIB te Leeuwarden.
Wanneer een gedetineerde kort voor zijn datum van vervroegde invrijheidstelling ontvlucht, is de kans groot dat de vordering te laat wordt ingediend als men zijn terugkeer en zijn verhoor door de politie afwacht, alvorens de vordering in te dienen. Daarom wordt steeds direct na melding van een ontvluchting van een gedetineerde zo spoedig mogelijk een vordering ingediend, ook al is de ontvluchte nog niet opgepakt en het eventuele proces-verbaal derhalve nog niet met zijn verhoor gecompleteerd. Het hof zal dan de behandeling van de zaak kunnen aanhouden in afwachting van de terugkeer, respectievelijk het verhoor van de justitiabele.
C. Informatievoorziening omtrent vervroegde invrijheidsstelling
De advocaat-generaal te Arnhem stelt de veroordeelde onverwijld in kennis van de beslissing van het gerechtshof. Zodra de advocaat-generaal te Arnhem de beslissing op de vordering UAVI heeft ontvangen, wordt een afschrift gezonden aan de directeur van de penitentiaire inrichting waar de justitiabele verblijft en, indien van toepassing, de directeur van de penitentiaire inrichting die de grond voor de vordering UAVI ter kennis van de advocaat-generaal heeft gebracht (ter informatie). Tevens stelt de advocaat-generaal te Arnhem het CJIB en de CJD te Almelo in kennis van de beslissing van het gerechtshof. 1
De politie moet bij iedere aanhouding controleren of er een v.i. loopt.