Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Aanwijzing varen onder invloed
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Achtergrond
Samenvatting
Opsporing
1. Tegenonderzoek bij ademanalyse
2. Tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyse
3. Tegenonderzoek bij bloedproef
Vervolging
1. Artikel 27, tweede lid, Scheepvaartverkeerswet
2. Artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet
3. Artikel 28a, tweede en zevende lid, Scheepvaartverkeerswet
Strafvordering
Overgangsrecht
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 oktober 2010. U leest nu de tekst die gold op 30 september 2010.

Aanwijzing varen onder invloed

Aanwijzing varen onder invloed
Achtergrond
Op 1 april 1998 is de wet tot ‘Wijziging van de Scheepvaartverkeerswet in verband met de wijziging van de bepalingen met betrekking tot het varen onder invloed’ (Stb. 1997, 200) in werking getreden. In art. 27 van de Scheepvaartverkeerswet is vanaf die datum een zelfstandige strafbaarstelling opgenomen voor het varen onder invloed. In deze aanwijzing wordt aangegeven hoe in de praktijk met de handhaving van deze strafbaarstelling dient te worden omgegaan.
In deze aanwijzing is aansluiting gezocht bij het systeem dat gehanteerd wordt voor het besturen van een motorvoertuig onder invloed van alcoholhoudende drank. Hierop zijn echter twee belangrijke uitzonderingen van toepassing, te weten:
1. De regels voortvloeiende uit de Herziene Rijnvaartakte hebben rechtstreekse werking. Het gevolg hiervan is dat voor het varen onder invloed op die wateren, die onder de Herziene Rijnvaartakte vallen, geen andere sanctie dan een geldboete mogelijk is.
2. In de Scheepvaartverkeerswet wordt een aanvangsgrens van 0,8 BAG, respectievelijk 350 AAG gehanteerd. Deze norm is internationaal geaccepteerd – zowel voor de Rijnvaart, als voor de zeescheepvaart – en daarom heeft de wetgever besloten om daarbij aan te sluiten. Volgens de Memorie van Toelichting maakt de noodzaak tot het aansluiten bij de internationale normering in het scheepvaartverkeer het aanvaardbaar dat daarvoor een ander promillage wordt gehanteerd dan bij de andere wijzen van vervoer.
In deze aanwijzing wordt verstaan onder:
1. ademtest: een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, WVW 1994 of artikel 28, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet;
2. ademanalyse: een onderzoek van de uitgeademde adem als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, WVW 1994 of artikel 27, tweede lid, onder a, Scheepvaartverkeerswet;
3. scheepvaartwegen: voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaande binnenwateren en de Nederlandse territoriale zee, daaronder begrepen de daarin aanwezige waterstaatswerken;
4. klein schip: een schip met een lengte van minder dan 20 meter dat uitsluitend door spierkracht wordt voortbewogen; een schip met een lengte van minder dan 5 meter dat uitsluitend door middel van zijn zeilen wordt voortbewogen of dat ter voortbeweging gebruik maakt van een motor waarmee geen hogere snelheid bereikt kan worden dan zes kilometer per uur. Volgens artikel 27, zevende lid, Scheepvaartverkeerswet dient onder lengte van een schip te worden verstaan de grootste lengte van de romp gemeten van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste deel van het schip.
Samenvatting
De aanwijzing bestaat uit twee delen:
1. Het eerste deel gaat over de opsporing van varen onder invloed. Hier wordt ingegaan op de tegenonderzoeken op de ademanalyse en de bloedproef.
2. Het tweede deel handelt over het vervolgingsbeleid met betrekking tot varen onder invloed.
1. Tegenonderzoek bij ademanalyse
Het op de regeling van het tegenonderzoek bij ademanalyse betrekking hebbende Besluit van 21-2-1998, Stb. 1998 nr. 119, houdende wijziging van het Besluit alcoholonderzoeken is op 1 april 1998 in werking getreden. Hieronder wordt nader ingegaan op het door de politie in dezen te voeren beleid.
Artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken regelt dat dadelijk na het vernemen van het resultaat van de ademanalyse, de verdachte kan verzoeken om een tegenonderzoek. Dit onderzoek wordt voor rekening van de verdachte verricht in de vorm van een bloedproef – of bij medische bezwaren – een vervangende urineproef. 1
De bloedproef is op dit moment als tegenonderzoek het meest doelmatig en biedt de verdachte de meest objectieve vorm van tegenonderzoek. 2
De politie is niet verplicht om de verdachte op de mogelijkheid van een tegenonderzoek te wijzen. 3
Indien de verdachte om een tegenonderzoek vraagt, dient dit uiteraard in het proces-verbaal te worden vermeld.
In afwachting van het tegenonderzoek wordt de verdachte geacht zich op vrijwillige basis in het politiebureau te bevinden. Verdachte dient zich daartoe op te houden in een door de opsporingsambtenaar aangewezen ruimte in het politiebureau. Verlaat verdachte zonder toestemming deze ruimte, dan wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek 4 , dan wel het aan zichzelf te wijten te hebben dat geen tegenonderzoek is verricht.
Verzoekt verdachte om een tegenonderzoek, dan zal de politie een arts moeten waarschuwen. Indien de verdachte te kennen geeft zelf een arts te willen uitkiezen, dient dit verzoek in beginsel te worden gehonoreerd. De verdachte neemt vervolgens contact op met de arts van zijn keuze. Wel wordt de eis gesteld dat dit niet mag leiden tot onredelijke vertraging van het onderzoek. De door de verdachte gekozen arts zal dan ook moeten aangeven of hij naar verwachting binnen een uur aanwezig zal kunnen zijn. Kan hij deze toezegging niet doen en blijft de verdachte bij zijn verzoek om een tegenonderzoek, dan zal de politie van haar kant een arts waarschuwen.
In de regel zal de arts naar het politiebureau komen om daar de verdachte door middel van een venapunctie de vereiste hoeveelheid bloed af te nemen, c.q. onder zijn toezicht door verdachte urine af te laten staan. De desbetreffende bepalingen uit het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urine-onderzoek zijn van toepassing.
Nadrukkelijk zij er op gewezen dat artikel 15 van het Besluit alcoholonderzoeken, houdende de 1-uursregeling, onverkort van toepassing is.
Ook het verzenden van het bloedmonster (of urinemonster) dient te geschieden overeenkomstig de geldende regels. De politie dient hierbij aan te geven dat het monster is afgenomen in het kader van een tegenonderzoek bij ademanalyse. Dit dient de politie op de thans in gebruik zijnde formulieren aan te tekenen.
Het onderzoek van het bloed of de urine wordt verricht door het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Ingevolge artikel 20 van het Besluit alcoholonderzoeken dient het resultaat van het onderzoek zo spoedig mogelijk aan de verdachte te worden medegedeeld. De mededeling van het resultaat aan verdachte geschiedt rechtstreeks door het Gerechtelijk Laboratorium, nu niet de politie, doch de verdachte opdrachtgever is.
De kosten van het tegenonderzoek bij ademanalyse 5 , te weten die van de arts, van het onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium en van het bloedblok komen voor rekening van de verdachte. 6 De verdachte dient – voordat de arts wordt gewaarschuwd – de kosten van het bloedblok en van de arts op het politiebureau te voldoen. De kosten van het onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium dienen binnen zes weken na de bloedafname aan het Gerechtelijk Laboratorium te worden voldaan. Pas nadat ook deze kosten zijn voldaan, gaat het Gerechtelijk Laboratorium tot het onderzoek over. Hierbij kan worden aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad 18-10-1983, NJ 1984, 97 waarin werd bepaald dat het resultaat van een bloedproef voor het bewijs mocht worden gebruikt, omdat de verdachte niet tijdig een financiële regeling had getroffen en het daardoor aan zichzelf had te wijten dat het tegenonderzoek (bij bloedproef) niet had plaatsgevonden. De verdachte die dus niet voldoet aan betaling van alle kosten binnen de gestelde betalingstermijn, mag worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek.
Aan de verdachte, die om een tegenonderzoek heeft verzocht, wordt door de politie een brief ter hand gesteld waarin de procedure en de verplichtingen met betrekking tot de betaling van de kosten worden vermeld (zie bijlagen 1 en 2 ).
2. Tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyse
Op basis van de artikelen 21, eerste en tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken en 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek kan de verdachte, die na het tegenonderzoek bij ademanalyse nog een tegenonderzoek wenst, hiertoe een van de daartoe aangewezen laboratoria aanwijzen (zie bijlage 3 ).
Voor de kosten en de procedure van dit tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyseonderzoek wordt hier verwezen naar het tegenonderzoek bij bloedproef.
3. Tegenonderzoek bij bloedproef
Het Besluit Alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urine- onderzoek kent de verdachte het recht toe een tegenonderzoek bij bloedproef te laten verrichten bij een van de drie daartoe aangewezen laboratoria (zie bijlage 3 ). De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de verdachte 7 en dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan. Het Gerechtelijk Laboratorium bewaart voor dit doel, conform de bepalingen, gedurende één jaar (te rekenen vanaf de datum bloedafname) een bloedmonster bij diepvriestemperatuur. De wens tot het laten verrichten van een tegenonderzoek bij bloedproef dient dus binnen dat jaar kenbaar te worden gemaakt.
De praktische uitvoering van de organisatie rond het tegenonderzoek is niet tot in detail wettelijk geregeld, maar wordt overgelaten aan de afdeling Toxicologie van het Gerechtelijk Laboratorium. Dit laboratorium heeft de onderstaande procedure opgesteld:
a. De verdachte of diens raadsman geeft de betreffende officier van justitie kennis van de wens een tegenonderzoek te laten uitvoeren. De officier van justitie deelt de verdachte schriftelijk mede welke laboratoria zijn aangewezen om tegenonderzoek uit te voeren. De verdachte of diens raadsman deelt aan de officier van justitie schriftelijk mede welk laboratorium hij heeft gekozen. De verdachte of diens raadsman neemt tevens contact op met het uitgekozen laboratorium.
b. Van de zijde van de officier van justitie wordt in vermeld schrijven de verdachte of diens raadsman erop gewezen, dat een alcoholbepaling door het aangewezen laboratorium pas wordt uitgevoerd nadat de kosten vooraf zijn voldaan. Over de wijze van betaling worden de nodige gegevens verstrekt.
c. De officier van justitie geeft het Gerechtelijk Laboratorium schriftelijk kennis van de wens van de verdachte een tegenonderzoek te doen verrichten onder vermelding van: naam en adres verdachte; zaak- en identiteitsnummer, plaats en datum van ‘aanhouding’ en de naam van het uitgekozen laboratorium.
d. Het Gerechtelijk Laboratorium stelt het uitgekozen laboratorium op de hoogte van het te verwachten onderzoek. Na bevestiging van de betaling vindt verzending van het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster plaats.
e. Zodra het voor het tegenonderzoek bestemde deel van het monster is verzonden, geeft het Gerechtelijk Laboratorium hiervan bericht aan de betreffende officier van justitie.
f. Het uitgekozen laboratorium deelt het resultaat van het tegenonderzoek mede aan de verdachte of diens raadsman.
Artikel 27, tweede lid, Scheepvaartverkeerswet van Aanwijzing varen onder invloed">
1. Artikel 27, tweede lid, Scheepvaartverkeerswet
Wanneer met inachtneming van de wettelijke voorschriften een ademmonster/bloedproef is genomen, zodat het resultaat van dat onderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt, zal een vervolging op basis van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a of b, Scheepvaartverkeerswet dienen te worden ingesteld.
Artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet van Aanwijzing varen onder invloed">
2. Artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet
Een vervolging op basis van artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet komt in aanmerking in de volgende gevallen:
a. bij een AAG lager dan 351 mg/liter (BAG lager dan 0,81‰), terwijl de verdachte verkeerde onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het voeren of sturen van een schip, dan wel de bekwaamheid tot het adviseren van de kapitein of de verkeersdeelnemer kon verminderen, dat hij niet tot naar behoren voeren of sturen, dan wel adviseren in staat moest worden geacht 8 ;
b. wanneer er andere stoffen dan alcohol in het geding zijn, zoals medicijnen en/of drugs;
c. wanneer er sprake is van andere omstandigheden dan het weigeren van de ademanalyse/bloedproef waardoor de adem- analyse/bloedproef achterwege is gebleven;
d. wanneer er sprake is van vormfouten in de procedure betreffende de ademanalyse of de bloedproef, terwijl wel aan alle vereisten voor een vervolging ex artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet is voldaan.
Artikel 28a, tweede en zevende lid, Scheepvaartverkeerswet van Aanwijzing varen onder invloed">
3. Artikel 28a, tweede en zevende lid, Scheepvaartverkeerswet
Indien de ademanalyse/bloedproef wordt geweigerd, zijn er twee situaties te onderscheiden:
a. de verdachte verkeerde naar het oordeel van de politie onder zodanige invloed van de alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de vaardigheid voor het voeren of sturen van het schip, dan wel de bekwaamheid tot het adviseren van de kapitein of de verkeersdeelnemer kon verminderen, dat hij niet tot het naar behoren kunnen voeren of sturen, dan wel de kapitein of de verkeersdeelnemer naar behoren te kunnen adviseren in staat moest worden geacht;
b. de politie heeft geen of onvoldoende bijzonderheden met betrekking tot de wijze van varen van de verdachte of zijn verdere gedrag geconstateerd, zodat niet kan worden gezegd dat verdachte verkeerde onder zodanige invloed van de alcohol, al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof, dat hij niet tot het naar behoren kunnen voeren of sturen, dan wel de kapitein of de verkeersdeelnemer naar behoren te kunnen adviseren in staat moest worden geacht;
Hoewel ten aanzien van het onder a omschreven geval het theoretisch mogelijk is artikel 28a en artikel 27, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet cumulatief te laste te leggen, dient zowel in dit geval als in de situatie genoemd onder b de verdachte te worden vervolgd ter zake van artikel 28a Scheepvaartverkeerswet 9 .
Strafvordering
Zie de richtlijn voor strafvordering ‘varen onder invloed’ (registratienummer 1998R001).