Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Aanwijzing sociale zekerheidsfraude
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Ook bekend als:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Achtergrond
1. Inleiding
2. Reikwijdte en definities
Samenvatting
Pré opsporing, opsporing en vervolging:
1. Uitgangspunten
1.1. Nadeel
1.2. Het totale nadeel
1.3. Individualisering
1.4. Twee categorieën
1.5. Geen gebruik strafvorderlijke bevoegdheden en geen vervolging in categorie I-zaken
Hoofdregel voor sanctionering:
1.6. In beginsel strafrechtelijk onderzoek - inzenden proces-verbaal bij categorie II-zaken
1.7. In beginsel strafrechtelijke sanctionering bij categorie II-zaken
1.8. Toepasselijkheid aanwijzing
1.9. Non-cumulatie
2. Wet werk en bijstand
2.1. Inleiding
2.2. Opsporing en sanctionering
3. Informatieverstrekking
3.1. Kennisgeving beslissing tot niet (verdere) vervolging aan uitvoeringsorgaan
4. Internationaal opsporingsonderzoek en strafrechtelijke vervolging
5. Ontneming
Overgangsrecht
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 31 december 2008. U leest nu de tekst die gold op 30 december 2008.

Aanwijzing sociale zekerheidsfraude

Aanwijzing sociale zekerheidsfraude
1. Inleiding
De noodzaak tot wijziging van deze aanwijzing op dit tijdstip is gelegen in de omstandigheid dat op 1 januari 2004 in werking is getreden de Wet van 9 oktober 2003, houdende vaststelling van een wet inzake ondersteuning bij arbeidsinschakeling en verlening van bijstand door gemeenten ( Wet werk en bijstand ) Stbl. 2003, nr. 375, en de Algemene bijstandswet per diezelfde datum is ingetrokken bij wet van 9 oktober 2003, houdende invoering van de Wet werk en bijstand - Invoeringswet Wet werk en bijstand - Stbl. 2003, nr. 376. Inwerkingtreding van beide wetten is aangekondigd bij Besluit van 10 oktober 2003 houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand en van de Invoeringswet Wet werk en bijstand , Stbl. 2003, nr. 386.
De grens tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving werd naar aanleiding van de op 28 september 1999 door de Tweede Kamer aanvaarde motie van de kamerleden Noorman-Den Uyl en Schimmel (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 411, nr. 6), waarin de regering werd verzocht de aangiftegrens voor strafvervolging van sociale zekerheidsfraude te verhogen tot f 12.000,-, vastgelegd. De Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben destijds de Tweede Kamer bij brief van 15 februari 2000 bericht deze verhoging met ingang van 1 april 2000 te zullen doorvoeren (Kamerstukken II, 1998-1999, 26 411, nr. 7). De strafrechtelijke handhaving werd aldus beperkt tot gevallen met een nadeel boven de f 12.000,- c.q. € 6.000,-.
2. Reikwijdte en definities
Deze aanwijzing bestrijkt het opsporings- en vervolgingsbeleid met betrekking tot fraude met uitkeringen, verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving. De beleidsregels voor het requireerbeleid zijn opgenomen in de bij deze aanwijzing behorende richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude.
Voor de toepassing van deze aanwijzing is beslissend of de zaak materieel onder de omschrijving sociale zekerheidsfraude valt en doet niet ter zake ten titel van welk(e) strafbepaling(en) wordt opgespoord en vervolgd.
Deze aanwijzing is niet van toepassing op de opsporing en vervolging van personen die zelf geen uitkeringsgerechtigde zijn en die verdacht worden van het plegen van of deelneming aan een bepaalde vorm van sociale zekerheidsfraude of van het plegen van strafbare feiten, die met sociale zekerheidsfraude samenhangen.
Wet BMTI: Wet van 25 april 1996, Staatsblad 248 ( Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid ). Deze wijzigingswet bevatte wijzigingsbepalingen voor alle sociale zekerheidswetten. In deze wijzigingsbepalingen werd de oplegging van bestuurlijke boeten en maatregelen geregeld, alsmede de terugvordering en schuldsanering. De wet zelf bestaat inmiddels niet meer, omdat de wijzigingsbepalingen in de diverse wetten zijn opgenomen.
Sociale zekerheid: uitkeringen verstrekt krachtens werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en sociale voorzieningen.
Sociale zekerheidsfraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens dan wel het verzwijgen of niet (tijdig) verstrekken van voor de bepaling van het recht op uitkering en de duur en hoogte van de uitkering relevante gegevens, met als gevolg dat een uitkering geheel of ten dele ten onrechte wordt verstrekt.
Nadeel: het brutobedrag dat ten onrechte ten laste van de uitvoerende instantie(s) is gekomen. Afgedragen of af te dragen loonbelasting en eventuele premies zijn derhalve in het nadeel begrepen.
Aanzienlijk nadeel: nadeelbedrag van € 50.000,- of meer en/of andere feiten of omstandigheden, die aanleiding kunnen zijn voor een vervolging voor de meervoudige strafkamer.
Gesanctioneerde overtreding: een overtreding waarvoor een bestuurlijke maatregel of boete is opgelegd, dan wel een strafrechtelijke sanctie is gevolgd. De genomen beslissing moet blijken uit een afschrift van de bestuurlijke maatregel- of boetebeschikking of een uittreksel uit het justitieel documentatieregister.
Samenvatting
In deze aanwijzing komen de volgende onderwerpen aan de orde. Reikwijdte en definities, pre-opsporing, opsporing en vervolging, Wet werk en bijstand, informatieverstrekking internationaal opsporingsonderzoek en strafrechtelijke vervolging, ontneming en tot slot overgangsbepalingen
Ten opzichte van de vorige aanwijzing zijn de volgende onderwerpen toegevoegd.
De verwerking van de Wet werk en bijstand , die de Algemene bijstandswet vervangt. Bij de inwerkingtreding van deze nieuwe wet treedt de speciaal aan deze wet gewijde paragraaf 2 in deze Aanwijzing in werking ten aanzien van de opsporing en vervolging van bijstandsfraudezaken.
Paragraaf 4 onder de titel 'Internationaal opsporingsonderzoek en strafrechtelijke vervolging' toegevoegd op verzoek van de uitkerende instanties om richting te geven aan het opsporingsbeleid en de opsporingsmogelijkheden in zaken met een internationaal aspect. In toenemende mate worden de uitkerende instanties geconfronteerd met sociale zekerheidsfraude, die in het buitenland wordt gepleegd. Wanneer de instanties zelf geen middelen meer hebben om in het buitenland wonende verdachten aan te pakken of in het buitenland gepleegde fraude te onderzoeken, moet onderzocht worden wat door middel van een strafrechtelijk onderzoek nog bereikt kan worden. Deze paragraaf biedt in het kort daarvoor toetsings- c.q. selectiecriteria en aanknopingspunten.
Een paragraaf waarin enkele selectiecriteria zijn aangegeven ter toetsing van de mogelijkheid voor het instellen van een vordering tot ontneming in sociale zekerheidsfraudezaken.
Onder 1.7. is een extra toelichting gegeven over de vervolging van verdachten van AOW-fraude en gehandicapte verdachten van fraude.
1.1. Nadeel
Voor de opsporing, de sanctionering en het strafvorderingsbeleid is de omvang van het (vastgestelde of vast te stellen) nadeel van belang. Zie voorts het gesteld onder 1.5.
1.2. Het totale nadeel
Bij (de verdenking van) voortgezette handeling ( art. 56 WvSr) of meerdaadse samenloop ( artt. 57 en 58 WvSr) is voor de toepassing van deze aanwijzing bepalend het totale nadeel dat uit de feiten voortvloeit.
1.3. Individualisering
Bij de vaststelling van de hoogte van het nadeel in de zin van deze aanwijzing is de aan de individuele verdachte toegekende uitkering in beginsel beslissend.
1.4. Twee categorieën
Onderscheiden worden twee categorieën:
I. Een nadeel kleiner dan € 6.000,- ( tot 1 januari 2002 f 12.000,-).
II. Een nadeel van € 6.000,- (tot 1 januari 2002 f 12.000,-) of meer.
1.5. Geen gebruik strafvorderlijke bevoegdheden en geen vervolging in categorie I-zaken
Bij het onderzoek naar zaken behorend tot categorie I worden in beginsel geen strafvorderlijke bevoegdheden aangewend.
Toelichting:
Het aanwenden van strafvorderlijke bevoegdheden kan in beginsel slechts aan de orde zijn bij het redelijk vermoeden dat het nadeel € 6.000,- (tot
1 januari 2002 f 12.000,-) of meer bedraagt. Met de aanvaarding van de motie-Noorman-Den Uyl/Schimmel en recentelijk de maatregelen in de Wet werk en bijstand , wordt deze categorie zaken immers door oplegging van een bestuurlijke maatregel of boete afgedaan. Aanwending van het strafrechtelijk instrumentarium voor een ander doel is onzuiver.
Aan bedoeld 'redelijk vermoeden' dienen niet te hoge eisen te worden gesteld. Met name bij de aanvang van een onderzoek naar een (vermoede) zwarte fraude is veelal niet duidelijk over welke periode de frauduleuze handelingen zich hebben uitgestrekt en daarmee wat (uiteindelijk) het bewijsbaar nadeel zal zijn. Vermoeden heeft hier de strekking van 'wel voorstelbaar'.
Tijdens of na afronding van het onderzoek kan blijken dat het (bewijsbaar) nadeel lager uitvalt. In dat geval blijft inzending van het proces-verbaal en (verdere) vervolging achterwege. Indien dwangmiddelen zijn aangewend, handelen de opsporingsambtenaren overeenkomstig de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden.
Hoofdregel voor sanctionering:
Zaken met een nadeel tot € 6.000,- (tot 1 januari 2002 f 12.000,- ) (categorie I) worden vanaf 1 april 2000 in beginsel bestuurlijk afgedaan.
In zaken (vermoedelijk) behorend tot categorie I wordt - indien een strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden - het proces-verbaal niet ingezonden en vindt geen (verdere) strafrechtelijke vervolging plaats.
Uitzondering 1: strafrechtelijke dwangmiddelen toegepast vóór inwerkingtreding aanwijzing.
Zaken waarin, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de vorige of deze aanwijzing, strafrechtelijke dwangmiddelen werden toegepast of waarin de persoon reeds als verdachte is gehoord, zullen altijd bij het OM ingeleverd en in overleg met het OM afgedaan dienen te worden.
Uitzondering 2: pleegperiode vóór 1 april 2000. Zaken met een nadeel tussen f 6.000,- en f 12.000,-, waarvan de pleegperiode geheel vóór 1 april 2000 ligt, kunnen in overleg met het OM strafrechtelijk worden afgedaan.
Uitzondering 3: herhaling van overtredingen binnen een bepaalde periode.
Wanneer een bepaalde persoon zich binnen een periode van vijf jaar voor de tweede maal heeft schuldig gemaakt aan sociale zekerheidsfraude, kan een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, proces-verbaal opgemaakt en strafrechtelijk vervolgd worden. In deze gevallen is de datum van de 1e sanctionering startpunt voor de termijn van vijf jaren en moet(en) de gepleegde gesanctioneerde overtreding(en) aantoonbaar zijn, en in het proces-verbaal worden weergegeven en dienen beide nadeelbedragen ten minste f 6.000,- of € 3.000,- te bedragen.
Uitzondering 4: geen bestuurlijke boete of bestuurlijke maatregel mogelijk.
Zaken met een nadeel onder de € 6.000,- (tot 1 januari 2002 f 12.000,- ) terzake waarvan, gezien de pleeg- of benadelingsperiode of anderszins, geen bestuurlijke boete of bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd, kunnen strafrechtelijk worden afgedaan.
1.6. In beginsel strafrechtelijk onderzoek - inzenden proces-verbaal bij categorie II-zaken
In zaken behorend tot categorie II wordt in beginsel steeds een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd en het proces-verbaal terzake ingediend bij het OM.
Voor bijstandsfraude zaken gelden na de datum van inwerkingtreding van de Wet Werk en Bijstand de speciale regels voor opsporing en vervolging gesteld in paragraaf 2.
De beslissing om in afwijking van deze aanwijzing geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen en/of geen proces-verbaal in te zenden, wordt in overleg met het OM genomen.
1.7. In beginsel strafrechtelijke sanctionering bij categorie II-zaken
Het OM stelt in zaken behorend tot categorie II, in beginsel steeds vervolging in. Bijzondere omstandigheden met betrekking tot de zaak, de persoon van de dader of de omstandigheden waaronder het feit/de feiten is/zijn begaan kunnen in een individueel geval uitzondering op deze regel rechtvaardigen.
1.8. Toepasselijkheid aanwijzing
Zaken met een nadeel vanaf € 6.000,- (tot 1 januari 2002 f 12.000,-) worden, ongeacht het tijdstip waarop het feit of de feiten werd(en) gepleegd en het nadeel werd veroorzaakt, volgens deze aanwijzing en de richtlijn voor strafvordering behandeld.
1.9. Non-cumulatie
Cumulatie van administratieve boeten en strafrechtelijke sancties is uitgesloten.
2.1. Inleiding
Ingevolge het bepaalde in de Wet werk en bijstand , Stbl. 2003, 375, zoals in werking getreden op 1 januari 2004, ligt de uitvoering van deze wetgeving volledig bij de gemeenten. Gemeenten zijn verplicht krachtens artikelen 8 en 8a van de wet in een gemeentelijke verordening en overige regels hun beleid, waaronder hun handhavingsbeleid, te formuleren en vast te stellen.
In deze wet vervallen voor de gemeente de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete en de verplichting om teveel of onterecht betaalde bijstandsgelden terug te vorderen.
2.2. Opsporing en sanctionering
Zowel de gemeenten als het Openbaar Ministerie willen - mede gelet op het gestelde onder het kopje 'achtergrond' op blz. 1 van deze aanwijzing - de grens voor strafrechtelijke handhaving en vervolging handhaven op het nadeelbedrag van € 6.000,-. Indien sprake is van een lager nadeel treedt de gemeente corrigerend op, middels maatregelen van verlaging en/of (gedeeltelijke) intrekking van de uitkering en/of anderszins, alsmede - zoveel mogelijk - middels terugvordering van het onterecht uitgekeerde. Wanneer sprake is van een nadeel van € 6.000,- of hoger en/of sprake is van een hiervoor onder 1.5. genoemde uitzondering wordt in principe strafrechtelijk opgespoord en vervolgd.
Teneinde de officier van justitie te informeren moet in het proces-verbaal zoveel mogelijk worden aangegeven of terugvordering is of wordt ingesteld en, in geval van terugvordering, tot welk bedrag er is of wordt teruggevorderd.
3.1. Kennisgeving beslissing tot niet (verdere) vervolging aan uitvoeringsorgaan
In alle zaken, die niet (verder) door het OM worden vervolgd, wordt het proces-verbaal, onder gemotiveerde kennisgeving van deze beslissing, aan de uitvoerende instantie ter beschikking gesteld. Het OM stelt het betrokken uitvoeringsorgaan ten spoedigste, doch uiterlijk binnen drie maanden na inschrijving van een zaak ten parkette, in kennis van deze beslissingen.
4. Internationaal opsporingsonderzoek en strafrechtelijke vervolging
Opsporing en vervolging van Nederlandse sociale zekerheidsfraude in het buitenland vindt in principe plaats onder dezelfde condities als hiervoor aangegeven in deze aanwijzing, maar - gelet op de omstandigheden dat dergelijke zaken veel extra tijd en energie vergen t.o.v. de zaken die zich op Nederlands grondgebied afspelen en op het immer aanwezige capaciteitsgebrek en ten einde de beslissing hierover iets te vergemakkelijken zijn hieronder een aantal toetsings- c.q. wegingscriteria ter indicatie gegeven.
Opsporing en vervolging van sociale zekerheidsfraude in het buitenland kan o.a. aan de orde komen in de volgende gevallen (geen limitatieve opsomming):
- Bij export van uitkeringen naar het buitenland (bijv. Kinderbijslag).
- Bij de vermoede aanwezigheid van buitenlands vermogen.
- Voormalig uitkeringsgerechtigden die inmiddels geremigreerd zijn naar het land van herkomst.
Ten aanzien van internationale opsporing en vervolging geldt dat aan een aantal voorwaarden zoveel mogelijk voldaan moet zijn, wil een dergelijke opsporing en vervolging opportuun geacht worden.
Het betreft de volgende voorwaarden:
1. De (administratieve) mogelijkheden van de uitkeringsinstantie om informatie uit het buitenland te vergaren, zijn uitgeput.
2. Strafrechtelijk onderzoek en sanctiemogelijkheden moeten een meerwaarde bieden ten opzichte van de administratieve mogelijkheden.
3. Er dient een strafrechtelijk rechtshulpverdrag te bestaan tussen Nederland en het betreffende land.
In bovenbedoelde gevallen kan in een dergelijke zaak internationale opsporing en/of vervolging worden ingesteld, mits er zich daarnaast één of meer van de hieronder vermelde omstandigheden voordoen, waarbij in ieder geval sprake dient te zijn van een aanzienlijk nadeel.
Het betreft de volgende omstandigheden:
- Feiten zijn gepleegd in georganiseerd en/of internationaal verband.
- Ernst van de zaak.
- Aanwijzing dat er voldoende bewijsmateriaal verkrijgbaar is in het buitenland, waaronder b.v. aantoonbaar vermogen in het buitenland.
- De verdachte bevindt zich in Nederland.
- De verblijfplaats van de verdachte in het buitenland is bekend.
- Preventieve signaalfunctie.
Voor het overige zal de officier van justitie in een dergelijke zaak bij een beslissing ten aanzien van het al dan niet opstarten van internationale opsporing en vervolging steeds een afweging moeten maken met betrekking tot de volgende punten.
1. Het aantal, soort en intensiteit van de opsporingsmiddelen.
De officier van justitie dient alvorens een internationaal opsporingsonderzoek te starten, een inschatting te maken van het aantal, de soort en de intensiteit van de in te zetten opsporingsmiddelen. Steeds moet in het oog worden gehouden dat in het buitenland aanwezige of via het buitenland te verkrijgen bewijsmiddelen extra complicerende en vertragende factoren op kunnen leveren, door het inzetten van internationale opsporingsmiddelen.
2. De kosten van de opsporing versus het geleden nadeel.
De officier van justitie dient zich van tevoren goed te beraden over de kosten van de in te zetten opsporingsmiddelen. Internationale opsporing brengt extra kosten met zich mee. Men denke daarbij aan o.a. het (laten) horen van in buitenland aanwezige verdachten, het (laten) plaatsen van internationale taps, internationale signaleringen, observaties e.d.
Daarnaast dienen de vermoedelijk te maken opsporingskosten in een redelijke verhouding te staan tot het door de gepleegde feiten veroorzaakte nadeel of het teweeg te brengen beoogd algemeen preventief effect in de samenleving.
3. De aanwezigheid van sociaal attachés of intermediairs (vertrouwensadvocaten) in het betrokken land, die kunnen bemiddelen bij controle of opsporingsactiviteiten.
Indien in het land waar de opsporingshandelingen plaats dienen te vinden een sociaal attachée of een intermediar aanwezig is, zal de opsporing mogelijk op meer eenvoudige en goedkopere wijze kunnen worden uitgevoerd dan in landen waar dergelijke contacten niet aanwezig zijn. In deze gevallen is het mogelijk om een betrekkelijk eenvoudig onderzoek met minder dan een aanzienlijk nadeel toch in het buitenland te onderzoeken, d.m.v. gebruikmaking van een van de genoemde functionarissen, die dan vervolgens door een opsporingsambtenaar als getuigen gehoord moeten worden.
Een op deze wijze opgestelde en ondertekende getuigenverklaring, aangevuld met schriftelijke bewijzen, verwerkt in het proces-verbaal, kan voldoende zijn als bewijs voor het gepleegde strafbare feit.
4. Of er sprake is van een onderzoek dat past in een projectafspraak, waarbij bepaalde zaken in een project centraal zijn gesteld en strafrechtelijke handhaving als bestuursondersteunende inzet is afgesproken. Een dergelijk project kan met het landelijk OM of het plaatselijk OM zijn afgesproken. Voor de weging van een dergelijk onderzoek zijn de eerdergenoemde toetsingscriteria van veel minder belang en ondergeschikt aan de afspraken, die voor het project zijn gemaakt.
5. Ontneming
Ten aanzien van de mogelijkheden tot het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in sociale zekerheidsfraudezaken, geldt als uitgangspunt:
'Geen ontneming, tenzij.....'
Achterliggende gedachte hierbij is dat de uitkeringsinstanties over voldoende eigen mogelijkheden tot terugvordering, verrekening, verhaal en beslag beschikken. Het strafrecht is niet bedoeld om ten onrechte uitgekeerde gelden voor de uitkeringsinstanties terug te halen. (n.b. dit kan anders zijn indien de mogelijkheden tot terugvordering voor de uitkeringsinstantie inmiddels verjaard zijn).
Andere argumenten om niet te ontnemen betreffen het gebrek aan middelen en geld bij de verdachte om te kunnen ontnemen in dit soort zaken, alsmede het gegeven dat het onwenselijk zou zijn dat personen onder het bestaansminimum terecht zouden komen.
Afwijking van het uitgangspunt van 'geen ontneming, tenzij ...' is eerst mogelijk in o.a. de hieronder genoemde gevallen, welke voor de officier van justitie in een zaak aanleiding kunnen zijn om een strafrechtelijk financieel onderzoek te starten en een ontneming of ontnemingsmaatregel te vorderen.
Het betreft geen limitatieve opsomming, maar het verdient aanbeveling om slechts een ontneming te overwegen nadat één of meer van de hieronder betreffende situaties of gevallen zich gelijktijdig voordoen, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van bestaande mogelijkheden of middelen geschikt om te ontnemen, alsmede van een aanzienlijk nadeel.
Het betreft de volgende gevallen of situaties:
Feiten zijn gepleegd in georganiseerd en/of internationaal verband.
De terugvorderingsmogelijkheden van de uitkeringsinstantie zijn verjaard
Substantieel nadeel boven hetgeen door de uitkeringsinstantie kan worden teruggevorderd.
Er is aanzienlijk vermogen aanwezig (bijv. onroerend goed).
Eigendom van het vermogen is eenvoudig te bewijzen.
Vermogen bevindt zich in Nederland.
Aantoonbaar vermogen in het buitenland.
Overgangsrecht
Deze aanwijzing geldt vanaf het moment van inwerkingtreding voor alle zaken waarin nog geen dagvaarding is uitgebracht.
In alle zaken, waarin de schade is ontstaan vóór en tot en met 31 december 2001, moet in het proces-verbaal de schade in guldens worden weergegeven en geldt een schadebedrag van f 12.000,- als grens voor strafrechtelijke afdoening. In zaken, waarin de schade is ontstaan na 1 januari 2002, geldt als grens voor strafrechtelijke afdoening het minimale nadeelbedrag van € 6.000,- .
Het totaalbedrag van de schade wordt in het proces-verbaal weergegeven in euro's. De bedragen in guldens worden hiervoor - via de vaste koers van f 2,20371 - in het proces-verbaal omgerekend naar euro's.
In zaken, waarin de totale aaneengesloten schadeperiode is ontstaan vóór of op 31 december 2001 en doorloopt na 1 januari 2002 is de grens voor strafrechtelijke afdoening het minimale nadeelbedrag van € 6.000,-. In het proces-verbaal van deze zaken moet de benadeling, die is ontstaan in guldens (dus voor 1 januari 2002), ook in guldens berekend worden weergegeven. Ook in deze zaken wordt het totaalbedrag van de schade in het proces-verbaal weergegeven in euro's. De bedragen in guldens worden hiervoor - via de vaste koers van f 2,20371 - in het proces-verbaal omgerekend naar euro's.