Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Achtergrond
1. Snelheidsmeters
2. Snelheidsbegrenzers
Samenvatting
Definities 3
Opsporing
1. Bevoegdheden van (buitengewoon) opsporingsambtenaren
1.1. Bevoegdheden van buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA)
1.2. Geautomatiseerde snelheidscontrole met behulp van film
Uitwerking fasen
1.3. Geautomatiseerde snelheidscontrole met behulp van digitale apparatuur
Uitwerking fasen
2. Meting van snelheidsovertredingen
2.1. Keuring van de snelheidsmeters
2.1.1. IJking boordsnelheidsmeter
2.1.2. Geldigheidsduur boordsnelheidsmeter
2.1.3. Niet-geijkte boordsnelheidsmeter
2.2. Plaats meetlocatie snelheidsmetingen
2.3. Betrouwbaarheid tachograaf
2.4. Erven
3. Marges
3.1. Maximale fout
Geijkte boordsnelheidsmeter in dienstvoertuig
3.1.1. Correctietabel
3.2. Werkelijk gemeten snelheid
3.3. Ondergrens vervolging en instellen snelheidsmeters
4. Eisen proces-verbaal
4.1. Laser snelheidsmeter (lasergun)
4.2. Detectorsnelheidsmeter
4.3. Mobiele trajectsnelheidsmeter
4.4. Geijkte boordsnelheidsmeter in dienstvoertuig
5. Excessieve snelheidsovertredingen ( artikel 164 lid 2 onder c WVW 1994)
6. Recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen
7. Handhaving snelheidsbegrenzer door politie en Inspectie Verkeer & Waterstaat
7.1. Schematisch overzicht voertuigcategorie en ingangsdatum snelheidsbegrenzer ( art. 5.3.15 en 5.3a.15 RV)
7.2. Uitgangspunten
7.2.1. Geconstateerde snelheid
7.2.2. Bestuurder verantwoordelijk voor snelheidsoverschrijding
7.3. Verbaliseringsbeleid Nederlandse bedrijfsauto’s en bussen
7.4. Verbaliseringsbeleid buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen
Overgangsrecht
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 april 2010. U leest nu de tekst die gold op 31 maart 2010.

Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers

Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers
Achtergrond
Deze aanwijzing betreft een regeling voor de opsporing en vervolging van snelheidsoverschrijdingen en overtredingen van regels met betrekking tot de snelheidsbegrenzers in bedrijfsauto’s en bussen.
1. Snelheidsmeters
Bij de vaststelling van strafbare feiten en gedragingen zoals snelheidsovertredingen worden zogenoemde meetmiddelen gebruikt. Dat geldt ook voor de vaststelling van de waarde van een grootheid, die invloed kan uitoefenen bij de bepaling van de zwaarte van een strafbaar feit. Deze meetmiddelen moeten voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de Regeling meetmiddelen politie worden vastgesteld óf voor het toegepaste gebruik zijn goedgekeurd door een daartoe bevoegde instantie. In de Regeling zijn meetmiddelen opgenomen die gebruikt worden door de politie en de eisen waaraan deze meetmiddelen moeten voldoen. In deze Regeling zijn níet opgenomen: de ademanalyseapparatuur, de bromfietsrollentestbank en de standaard in politievoertuigen ingebouwde boordsnelheidsmeters.
Voor wat betreft de opsporing en vervolging van snelheidsoverschrijdingen gaat deze aanwijzing in op onder andere de instelwaarde van de snelheidsmeetapparatuur, de te corrigeren marges en enkele aan het proces-verbaal te stellen eisen.
2. Snelheidsbegrenzers
Het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie hebben in twee richtlijnen 1 eisen ten aanzien van snelheidsbegrenzers opgenomen. Deze eisen zijn inmiddels volledig in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd, te weten in de artikelen 5.3.15, 5.3a.15 en 6.5 van de Regeling Voertuigen (RV). Voor de handhaving zijn de artikelen 5.3.15 en 5.3a.15 RV van belang, omdat hier de permanente eisen ten aanzien van snelheidsbegrenzers zijn opgenomen. In deze artikelen wordt aangegeven aan welke eisen snelheidsbegrenzers moeten voldoen en met ingang van welke datum bepaalde categorieën bedrijfsauto’s en bussen moeten zijn voorzien van een goedgekeurde snelheidsbegrenzer. 2
Voor wat betreft de opsporing en vervolging van voertuigen die niet zijn voorzien van een (goed functionerende) snelheidsbegrenzer, gaat deze aanwijzing in op de samenloop met snelheidsovertredingen en op het verbaliseringsbeleid ten aanzien van Nederlandse en buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen.
Samenvatting
Deze aanwijzing heeft tot doel een uniforme handhaving te bewerkstelligen voor snelheidsoverschrijdingen en overtredingen van regels met betrekking tot de snelheidsbegrenzers in bedrijfsauto’s en bussen.
Bedienaar: Persoon die beschikt over de opsporingsbevoegdheid en die is opgeleid om de gebruikte snelheidsmeter voor de opsporing van snelheidsoverschrijdingen te gebruiken.
Detectorsnelheidsmeter (bijvoorbeeld lusdetector): Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij de snelheidsmeting plaatsvindt door middel van het automatisch detecteren van het tijdsverloop tussen ten minste drie achtereenvolgende voertuigposities door middel van afzonderlijke detectiesystemen die zich op een in het meetmiddel vastgelegde vaste afstand bevinden.
Gecorrigeerde of werkelijke snelheid: Snelheid die wordt vastgesteld als van de gemeten snelheid de maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfout van de meetapparatuur is afgetrokken.
Geijkte boordsnelheidsmeter: Geijkte 4 snelheidsmeter van een dienstmotorvoertuig.
Gemeten snelheid: Snelheid van een voertuig die met behulp van een snelheidsmeter werd vastgesteld. Voor het bepalen van de gemeten snelheid bij boordsnelheidsmeters moet de van de snelheidsmeter afgelezen snelheid worden gecorrigeerd conform de op de ijktabel 5 vermelde gemeten snelheid.
Lasersnelheidsmeter: Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij gebruik gemaakt wordt van door het voertuig gereflecteerd laserlicht.
Maximumsnelheid: Op basis van regelgeving ter plaatse toegestane maximumsnelheid van een voertuig.
Mobiele radarsnelheidsmeter: Radarsnelheidsmeter aangebracht in het voertuig van het metende voertuig, waarbij gebruik wordt gemaakt van het door het gemeten voertuig gereflecteerd microgolfsignaal. Het voertuig waarin de radarsnelheidsmeter is geplaatst, moet voorzien zijn van een snelheidsmeter waarmee de voertuigsnelheid wordt gemeten. De waarneming van de snelheid berust op de som van twee snelheden, namelijk de snelheid gemeten met de radar en de snelheid van het voertuig waarin de radarsnelheidsmeter is opgesteld.
Mobiele trajectsnelheidsmeter: Trajectsnelheidsmeter waarbij de lengte van het meettraject wordt bepaald met behulp van de trajectsnelheidsmeter aangebracht in het voertuig van de gebruiker (metend voertuig) en waarmee het betreffende traject wordt afgelegd tijdens de meetcyclus.
Radarsnelheidsmeter: Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij gebruik wordt gemaakt van het door het gemeten voertuig gereflecteerd microgolfsignaal.
Trajectsnelheidsmeter: Meetinstrument voor het meten van de snelheid van voertuigen, waarbij de tijdsduur van passage van het meettraject (de afstand die voor de berekening van de rijsnelheid wordt gebruikt) wordt bepaald door middel van visuele waarneming dan wel door automatische detectie met detectiesystemen waartussen de afstand meer bedraagt dan 500 m en tevens meer bedraagt dan 200 maal de detectiezone.
1. Bevoegdheden van (buitengewoon) opsporingsambtenaren
Bij de inzet van (buitengewoon) opsporingsambtenaren is het belangrijk om onderscheid te maken tussen voor de opsporing van belang zijnde handelingen, opsporingshandelingen en overige handelingen.
1.1. Bevoegdheden van buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA)
Afhankelijk van de inhoud van de aanwijzingsakte zoals door het Ministerie van Justitie wordt afgegeven, mogen de onder 1.2 en 1.3 genoemde opsporingshandelingen door een BOA worden uitgevoerd.
1.2. Geautomatiseerde snelheidscontrole met behulp van film
Een geautomatiseerde snelheidscontrole, waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenaamde ‘natte’ film, valt in de volgende fasen te verdelen:
a. het plaatsen, afstellen en inwerkingstellen van de camera/radar/film;
b. het uitnemen van camera en film;
c. het uitlezen van de film;
d. het opmaken en tekenen van het proces-verbaal.
Uitwerking fasen
Fase a en b: deze fasen zijn strikt juridisch gezien geen opsporingshandelingen, maar gelet op de rechtmatigheid van de bewijsgaring voor de opsporing zodanig cruciaal, dat ze door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar moeten worden uitgevoerd.
Fase c en d: deze fasen worden als opsporingshandelingen aangemerkt en moeten worden uitgevoerd door een opsporingsambtenaar. Degene die de film uitleest, is degene die de overtreding constateert en het proces-verbaal (mede-)ondertekent. Als de opsporingsambtenaar die de fasen a en/of b heeft verricht het proces-verbaal niet (mede-)ondertekent, kan die ambtenaar volstaan met het vastleggen van deze opsporingshandelingen in een daartoe bestemde rapportage.
1.3. Geautomatiseerde snelheidscontrole met behulp van digitale apparatuur
Een geautomatiseerde snelheidscontrole waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale apparatuur, valt in de volgende fasen te verdelen:
a1) het plaatsen, afstellen en inwerkingstellen van de camera / radar of;
a2) het plaatsen, afstellen en inwerkingstellen van een mobiel volledig geautomatiseerd digitaal systeem of het inwerkingstellen van een vast opgesteld volledig geautomatiseerd digitaal systeem;
b) indien van toepassing het verrichten van handelingen met digitale gegevens;
c) het uitlezen van de digitale gegevens;
d) het opmaken en tekenen van het proces-verbaal.
Uitwerking fasen
Fase a 1 en a 2: voor of bij het ingebruikstellen van deze apparatuur overtuigt een opsporingsambtenaar zich van de goede werking, afstelling en plaatsing ervan. De opsporingsambtenaar legt deze controle vast in een daartoe bestemde rapportage. Als sprake is van een volledig digitaal geautomatiseerd systeem, dan vermeldt hij altijd het tijdstip van ingebruikstelling.
Fase b: Alles wat met de digitale gegevens gebeurt tussen het moment van constatering van de overtreding en het inlezen van deze gegevens in de verwerkingsapparatuur moet worden vastgelegd door een daarmee belaste ambtenaar in een daartoe bestemde rapportage. 6 Bijvoorbeeld: als gegevens op een CD worden gebrand en vervolgens worden overgebracht naar een andere locatie om te worden verwerkt, moet dit hele traject worden verantwoord volgens een daartoe opgestelde AO-procedure. 7 Het is immers voor de bewijskracht van het grootste belang dat de betrouwbaarheid en volledigheid van de overtredinggegevens worden gegarandeerd en kunnen worden gecontroleerd.
NB Bij fase a is conform het gestelde onder 1.2 strikt genomen geen sprake van opsporingshandelingen, maar deze fase is voor de opsporing van zodanig cruciaal belang dat deze werkzaamheden door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar moeten worden uitgevoerd.
Fase c en d: deze fasen worden als opsporingshandelingen aangemerkt en moeten worden uitgevoerd door een opsporingsambtenaar. Voor de te volgen werkwijze geldt verder het gestelde onder punt 1.2.
Het gestelde onder fase c is niet van toepassing op bijvoorbeeld trajectcontrole en digitale flitspalen, voor zover het verwerken van de digitale gegevens hierbij volledig op geautomatiseerde wijze geschiedt. 8 Gelet op het arrest van de Hoge Raad 9 volstaat het in deze gevallen dat een daarmee belaste opsporingsambtenaar in het proces-verbaal vermeldt hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgelegd.
2.1. Keuring van de snelheidsmeters
De snelheidsmeters beschreven in de vorige paragraaf ‘Definities’ mogen slechts worden gebruikt voor de daar genoemde toepassingen als een daarvoor geldig certificaat is afgegeven door een daartoe bevoegde keuringsinstantie.
2.1.1. IJking boordsnelheidsmeter
De boordsnelheidsmeter is niet opgenomen in de Regeling meetmiddelen politie . Deze meter kan namelijk niet als meetmiddel in de zin van dat besluit worden beschouwd, omdat een snelheidsovertreding hiermee niet op directe wijze kan worden vastgesteld. De snelheid van het gevolgde voertuig wordt immers geconstateerd door op (nagenoeg) gelijkblijvende afstand te volgen en vervolgens de overtreding af te leiden van de met het dienstvoertuig gereden snelheid. De goede werking van de boordsnelheidsmeter is echter essentieel voor de bewijsvoering en daarom wordt in deze aanwijzing aangesloten bij de bepalingen die in de Regeling meetmiddelen politie gelden voor radarsnelheidscontrolemeters.
2.1.2. Geldigheidsduur boordsnelheidsmeter
De in het dienstvoertuig aangebrachte tabel 10 en het daarbij behorende certificaat is geldig voor de duur van één jaar. Deze tabel en het daarbij behorende certificaat verliest haar geldigheid bij herstel of wijziging van enig onderdeel van het dienstvoertuig als dit herstel of deze wijziging van invloed kan zijn op het meetresultaat.
2.1.3. Niet-geijkte boordsnelheidsmeter
Voor het vaststellen van snelheidsoverschrijdingen wordt in beginsel alléén een geijkte boordsnelheidsmeter gebruikt. In de uitzonderlijke gevallen dat toch (mede) gebruik wordt gemaakt van een dienstvoertuig waarvan de boordsnelheidsmeter niet werd gecontroleerd / geijkt, moet als volgt worden gehandeld.
De afwijking van de snelheidsmeter in het dienstvoertuig moet zo spoedig mogelijk na de constatering worden bepaald met behulp van geijkte apparatuur. De meetonzekerheid bij de ijking is afhankelijk van de gebruikte ijkapparatuur. De verbalisant neemt in het proces-verbaal op dat hij heeft geconstateerd dat gewerkt is met een niet-geijkte boordsnelheidsmeter. Verder verdient het aanbeveling te vermelden dat hij op grond van zijn ervaring in het verkeer inschat, dat betrokkene / verdachte reed met een snelheid van xx km/h, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. 11
2.2. Plaats meetlocatie snelheidsmetingen
In strikt juridische zin moet de snelheid van voertuigen zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden. Bestuurders moeten echter de gelegenheid hebben op een rustige manier snelheid te verminderen. Ook moeten discussies of beroepschriften / brieven worden voorkomen over een te korte afstand tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de snelheidsmeting. Daarom wordt als uitgangspunt een bepaalde minimumafstand in acht genomen tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetlocatie.
De minimale afstanden tussen gebod en meetplaats zijn:
30 km/h 8 m/s 80 meter afstand
50 km/h 14 m/s 140 meter afstand
60 km/h 17 m/s 170 meter afstand
70 km/h 19 m/s 190 meter afstand
80 km/h 22 m/s 220 meter afstand
90 km/h 25 m/s 250 meter afstand
100 km/h 28 m/s 280 meter afstand

Dezelfde afstanden moeten worden gebruikt tussen de meetplaats en de plaats waarop het gebod dat door middel van de snelheidsmeter wordt gehandhaafd eindigt. Bij kruisingen 12 en in bijzondere omstandigheden kan hier van worden afgeweken.
NB De in de tabel vermelde afstanden betreffen de minimale afstanden. Om aan deze eis te voldoen, zonder gebruik te maken van de tabel, kan de ter plaatse toegestane snelheid worden vermenigvuldigd met het getal drie. Deze formule geldt voor alle in de tabel vermelde snelheden. Bijvoorbeeld: Toegestaan 80 km/h. De afstand tussen gebod en meetplaats wordt dan als van de formule wordt gebruikgemaakt: 80 x 3 = 240 m.
2.3. Betrouwbaarheid tachograaf
Een tachograaf in een vrachtauto of autobus ontvangt een snelheidssignaal door middel van een zender (impulsgever) die zich bevindt aan de versnellingsbak van het betreffende voertuig. Dit snelheidssignaal wordt gemeten in het aantal impulsen dat over een lengte van minimaal 1 kilometer door de zender wordt afgegeven.
De meting en registratie van de snelheid door een tachograaf wordt beïnvloed door het bandenprofiel, de bandenspanning en/of beladingsgraad. Daarom moet de snelheid die de tachograaf aangeeft, worden benoemd als de voertuigsnelheid. De werkelijk gereden snelheid is enkel vast te stellen met een goedgekeurde snelheidsmeter.
2.4. Erven
Op een woonerf moet ‘stapvoets’ gereden worden. Op grond van een arrest van de Hoge Raad 13 moet onder ‘stapvoets’ worden verstaan 15 km/u.
3.1. Maximale fout
(Mobiele) radarsnelheidsmeter, lasersnelheidsmeter, detectorsnelheidsmeter, (mobiele) trajectsnelheidsmeter
De maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bedraagt 3 km/h voor snelheden niet groter dan 100 km/h en 3 procent van de gemeten snelheid voor snelheden groter dan 100 km/h.
Geijkte boordsnelheidsmeter in dienstvoertuig
De maximale fout voor geijkte boordsnelheidsmeters bedraagt 3 km/h voor snelheden niet groter dan 100 km/h en 3 procent van de werkelijke snelheid voor snelheden groter dan 100 km/h. De in de ijktabel onder gemeten snelheid opgenomen waarden moeten daarom ook met deze waarden worden gecorrigeerd.
3.1.1. Correctietabel
De in punt 3.1 vermelde maximale fout van 3 procent is uitgewerkt in onderstaande correctietabel. De correctie van de maximale fout vindt plaats conform deze tabel.
3.2. Werkelijk gemeten snelheid
De Hoge Raad heeft in diverse arresten 14 het standpunt ingenomen dat met de in artikel 21 RVV 1990 genoemde snelheid niet de gemeten, maar de werkelijk gereden snelheid wordt bedoeld. Een ten laste gelegde snelheid is slechts bewezen, als van de gemeten snelheid de maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfout van de meetapparatuur is afgetrokken. Hetzelfde geldt voor snelheden die zijn vastgesteld met een mobiele radarsnelheidsmeter. 15
De onder punt 3.1 vermelde maximale fouten onder bedrijfsomstandigheden moeten van de gemeten snelheid worden afgetrokken waardoor de werkelijke snelheid (= gecorrigeerde snelheid) wordt vastgesteld.
3.3. Ondergrens vervolging en instellen snelheidsmeters
Om te voorkomen dat de gemeten snelheid na aftrek van de meetcorrectie te dicht bij de toegestane maximumsnelheid ligt, wordt pas opgetreden als de gemeten snelheid verminderd met de voorgeschreven correctie van 3 procent, met 4 km/h of meer wordt overschreden.
De snelheidsmeters zoals genoemd onder 3.1 van deze aanwijzing moeten dus als volgt worden ingesteld:
Maximumsnelheid Snelheidsmeter instellen op Correctie 16 : Beschikking
30 km/h 37 km/h –3 34 km/h
50 km/h 57 km/h –3 54 km/h
80 km/h 87 km/h –3 84 km/h
100 km/h 108 km/h –4 104 km/h
120 km/h 128 km/h –4 124 km/h
Wegwerkzaamheden Snelheid + 7 –3  

16 In geval van mobiele radarsnelheidsmeting moet de gemeten snelheid worden gecorrigeerd met ten hoogste 5 km/h voor snelheden niet groter dan 100 km/h en 5 procent van de gemeten snelheid voor snelheden groter dan 100 km/h.

Het hoger instellen van de snelheidsmeters omdat de film anders te snel vol is of omdat bepaalde wegen zich door hun infrastructuur zouden lenen voor een hogere snelheid, is in strijd met het handhavingsbeleid en wordt met klem afgeraden. De rechtszekerheid en de rechtseenheid komen dan in het geding.

Als de infrastructuur van de weg zich niet verenigt met de voor die weg geldende snelheidslimiet, moet met de wegbeheerder worden overlegd om de maximumsnelheid aan te passen aan de omstandigheden of om de weg zodanig in te richten dat deze uitnodigt om de aldaar bestaande maximumsnelheid niet te overschrijden.
4.1. Laser snelheidsmeter (lasergun)
Juridisch gezien is er geen bezwaar tegen het verbaliseren op kenteken bij gebruik van de lasergun. Omdat echter bij het gebruik van de lasergun meestal geen fotografische- of videoregistratie van de gedraging of overtreding plaatsvindt, moet in beginsel tot staandehouding worden overgegaan. 17[16]
Als bij het gebruik van de lasergun toch tot het verbaliseren op kenteken wordt overgegaan zonder fotografische of videoregistratie, moet dit in het proces-verbaal of de beschikking worden gemotiveerd.
In het proces-verbaal wordt naast de maximumsnelheid, de gemeten snelheid en de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid, vermeld op welke afstand het voertuig werd gemeten.
4.2. Detectorsnelheidsmeter
Als bij detectormeting de gereden snelheid met ‘--’ wordt aangegeven, is dit een waarde die het snelheidsmeetmiddel niet heeft kunnen aangeven. Om een zaak te kunnen vervolgen, moet de waarde van de snelheid bekend zijn. Als de waarde niet bekend is, zal afdoening dus niet mogelijk zijn.
4.3. Mobiele trajectsnelheidsmeter
Als een voertuig is uitgerust met een mobiele trajectsnelheidsmeter, kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt van een geijkte snelheidsmeter in het dienstvoertuig. Bij gebruik van een geijkte snelheidsmeter in een dergelijk dienstvoertuig moet in het proces-verbaal worden gemotiveerd waarom geen gebruik werd gemaakt van de mobiele trajectsnelheidsmeter.
4.4. Geijkte boordsnelheidsmeter in dienstvoertuig
Een proces-verbaal waarin sprake is van snelheidsmeting met behulp van een geijkte snelheidsmeter in een dienstvoertuig dient de volgende gegevens te bevatten:
? de toegestane snelheid;
? de afstand tussen het gemeten en metend voertuig, met de vaststelling dat die onderlinge afstand tijdens het meten van de snelheid gelijk dan wel nagenoeg gelijk bleef;
? de afstand waarover de snelheid van het voertuig werd gemeten;
? de geconstateerde snelheid (afgelezen snelheid);
? de gemeten snelheid volgens ijktabel (= snelheid ijktabel behorende bij de boordsnelheidsmeter);
? de gecorrigeerde snelheid (= gemeten snelheid volgens ijktabel minus de correctie of snelheid ijktabel waarin de correctie reeds is opgenomen);
? de overschrijding in aantal kilometers per uur.
artikel 164 lid 2 onder c WVW 1994) van Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers">
5. Excessieve snelheidsovertredingen ( artikel 164 lid 2 onder c WVW 1994)
De Aanwijzing inzake de invordering van rijbewijzen geeft een regeling voor de vordering tot overgifte, dan wel inhouding van het rijbewijs bij excessieve snelheidsovertredingen.
De Aanwijzing inbeslagneming bij verkeersdelicten regelt de gevallen van inbeslagneming van het voertuig.
6. Recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen
De recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen wordt toegepast bij snelheidsovertredingen die niet als gedraging in de bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) zijn opgenomen 18[17] . Van recidive is alleen sprake als de overtreding wordt begaan binnen één jaar na afdoening van de vorige overtreding.
De Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen inzake misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften regelt het sanctiebeleid.
art. 5.3.15 en 5.3a.15 RV) van Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers">
7.1. Schematisch overzicht voertuigcategorie en ingangsdatum snelheidsbegrenzer ( art. 5.3.15 en 5.3a.15 RV)
Categorie Toegestane max. massa in kg Datum ingebruikname Snelheidsbegrenzer
Bedrijfsauto > 12.000 na 31-12-1987 ja
Bedrijfsauto > 3.500 t/m 12.000 na 31-12-2004 ja
Bus > 10.000 na 31-12-1987 ja
Bus t/m 10.000 na 31-12-2004 ja
Bus met dieselmotor t/m 10.000 na 30-9-2001 maar vóór 1-1-2005 ja, sinds 1 januari 2006
7.2.1. Geconstateerde snelheid
Het eerste uitgangspunt van de handhaving van de regels betreffende de snelheidsbegrenzer is de geconstateerde snelheid. Een indicatie dat een snelheidsbegrenzer niet is afgesteld op de in rubriek 2 genoemde maximumsnelheid, is in elk geval aanwezig, als de gemeten snelheid meer bedraagt dan:
? 90 km/h voor de in 7.1 genoemde bedrijfsauto’s;
? 100 km/h voor de in 7.1 genoemde bussen.
Naast het meten van de gereden snelheid kan ook de door een tachograaf geregistreerde (te hoge) snelheid dienen.
7.2.2. Bestuurder verantwoordelijk voor snelheidsoverschrijding
Het tweede uitgangspunt is dat in principe de bestuurder verantwoordelijk is voor de snelheidsoverschrijding en de eigenaar/houder voor het niet aanwezig zijn van een goedgekeurde en goedwerkende snelheidsbegrenzer.
7.3. Verbaliseringsbeleid Nederlandse bedrijfsauto’s en bussen
Als de bestuurder door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie of de Inspectie Verkeer en Waterstaat wegens een snelheidsovertreding is staande gehouden, moet er in ieder geval terzake van de snelheidsovertreding een proces-verbaal worden opgemaakt dan wel een administratieve sanctie in de zin van de WAHV (Wet Mulder) worden opgelegd.
In de Bijlage van het Transactiebesluit en het Besluit OM-afdoening zijn in de feitcodes N 150 b tot en met N 150 d de overtredingen opgenomen terzake het niet voorzien zijn van een goedgekeurde en goedwerkende snelheidsbegrenzer. Hoewel hiervoor in principe aan de bestuurder en de eigenaar/houder een transactie kan worden aangeboden of een aankondiging van strafbeschikking kan worden uitgereikt, moet daarvan bij de bestuurder worden afgezien, tenzij deze de eigenaar/houder van het voertuig is. Als blijkt dat geen goedgekeurde en/of goedwerkende snelheidsbegrenzer aanwezig is, dan moet daarvoor een transactievoorstel worden aangeboden of een aankondiging van strafbeschikking aan de eigenaar/houder worden uitgereikt of toegezonden.
Het is dus mogelijk dat het feitencomplex zowel een administratiefrechtelijk als strafrechtelijk vervolg krijgt. De bestuurder kan een administratieve sanctie opgelegd krijgen wegens de snelheidsovertreding, en aan de eigenaar/houder kan vanwege de niet-goedgekeurde, dan wel niet-goedwerkende snelheidsbegrenzer een transactie worden aangeboden of een aankondiging van strafbeschikking worden uitgereikt of toegezonden.
7.4. Verbaliseringsbeleid buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen
De verbalisering van bestuurders van buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen vindt plaats conform het bovenstaande verbaliseringsbeleid ten aanzien van Nederlandse bedrijfsauto’s en bussen, met dien verstande dat van het toezenden van een transactievoorstel of een aankondiging van strafbeschikking aan de eigenaar/houder kan worden afgezien. In een dergelijk geval kan de buitenlandse bestuurder zowel een beschikking worden opgelegd voor de snelheidsovertreding als een transactie worden aangeboden of een aankondiging van strafbeschikking worden uitgereikt terzake van het niet voorzien zijn van een goedgekeurde, dan wel een goedwerkende snelheidsbegrenzer. Op grond van het bij de invoer van de politiestrafbeschikking in werking tredende artikel 3a van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten kan, als sprake is van het uitreiken van een aankondiging van strafbeschikking, de bestrafte in de gelegenheid worden gesteld om binnen één dag waarop het strafbare feit is ontdekt de geldboete te voldoen. Hierbij moet de bestrafte in een voor hem begrijpelijke taal worden medegedeeld dat hij bij daadwerkelijke directe betaling van de geldboete afstand doet van het recht op verzet tegen de strafbeschikking.
Overgangsrecht
De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding met ingang van de datum van inwerkingtreding.