Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Aanwijzing OM-afdoening
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Samenvatting
Achtergrond
Definities
Fasering
Vervolging
1. Contra-indicaties
2. Mandatering
3. Verzet
4. Terechtzitting na verzet of mislukte executie
4.1. Eis ter terechtzitting in zaken waarin de bestrafte verzet heeft ingesteld tegen een strafbeschikking
4.2. Eis ter terechtzitting in zaken waarin de executie van de bij strafbeschikking opgelegde straf (gedeeltelijk) is mislukt
Executie
1. Betekeningvoorschriften
2. Tenuitvoerlegging
Informatieverstrekking
Overige
1. Schuldvaststelling
2. Ressortsparketten
Strafvordering
Evaluatie
Overgangsrecht
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 1 februari 2009. U leest nu de tekst die gold op 31 januari 2009.

Aanwijzing OM-afdoening

Aanwijzing OM-afdoening
Samenvatting
In deze Aanwijzing wordt de achtergrond geschetst van de Wet OM-afdoening 1 , waarna definities van de belangrijkste nieuwe, op basis van deze wet geïntroduceerde termen, worden gegeven. Gezien de grote impact van deze wet – die kortgezegd regelt dat het Openbaar Ministerie (verder: OM) in plaats van het aanbieden van een transactie, een zaak buitengerechtelijk zelf kan bestraffen – wordt deze gefaseerd ingevoerd. Een schematisch overzicht van deze fasering is te vinden in Bijlage 1: Fasering . Gezien de gefaseerde inwerkingtreding van deze wet is deze Aanwijzing een groeidocument, dat periodiek wordt aangepast. Deze versie geldt voor Fase 1a van de inwerkingtreding: bij overtredingen van artikel 8 Wegenverkeerswet (WVW 1994), waarbij het mogelijk is dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens het OM via de feitgecodeerde lijn een strafbeschikking uitvaardigt, waarbij uitsluitend een kale geldboete wordt opgelegd (zie Bijlage 1 ).
Het uitvaardigen van een strafbeschikking is een daad van vervolging. Als een zaak voldoet aan de in deze Aanwijzing uitgewerkte beleidsmatige criteria voor het uitvaardigen van een strafbeschikking, kan deze niet meer worden afgedaan met het aanbieden van een transactie. Het voorwaardelijk sepot blijft in beperkte mate mogelijk voor feiten die met een strafbeschikking kunnen worden afgedaan. De wet breidt de vervolgingstermijn voor overtredingen uit van twee naar drie jaar ( art. 70 Sr nieuw).
Naast wettelijke criteria die het uitvaardigen van een strafbeschikking uitsluiten, bestaan eveneens contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Dit kunnen dwingende contra-indicaties zijn, of facultatieve. In Bijlage 2a : Contra-indicaties Fase 1a zijn de wettelijke criteria en belangrijkste contra-indicaties voor het uitvaardigen van strafbeschikkingen opgenomen. Ter verduidelijking zijn de bepalingen uit de Bijlagen 1 en 2a in Bijlage 2b in een stroomschema opgenomen.
De bestrafte – zoals degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd in de beleidsregels van het OM wordt aangeduid – kan tegen de strafbeschikking verzet doen. De verzetstermijn bedraagt twee weken vanaf het moment dat de strafbeschikking hem 2 in persoon is uitgereikt of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Naar aanleiding van het verzet kan de officier van justitie na een herbeoordeling de strafbeschikking intrekken, wijzigen of een oproeping voor de terechtzitting doen uitgaan. Het verzet schort de executie van de strafbeschikking op, deze kan echter weer worden hervat als voor het OM vaststaat dat de verzetstermijn is overschreden. De zaak moet echter altijd ter zitting worden aangebracht – behalve in het geval van intrekking van de strafbeschikking door de officier, wanneer de bestrafte zijn verzet heeft ingetrokken of (door vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking) afstand van verzet heeft gedaan. Ter zitting zal de officier van justitie niet hoger eisen, tenzij de bestrafte geen gronden aanbrengt waarop zijn verzet is gebaseerd. Als de zaak ter terechtzitting is aangebracht na mislukte executie, wordt in principe wel een zwaardere straf geëist. Daarbij moet rekening worden gehouden met de reeds (gedeeltelijk) tenuitvoergelegde straf.
Indien een bestrafte wederom verzet doet nadat de rechter reeds op het verzet heeft beslist, wordt de zaak niet nogmaals aangebracht bij de rechter.
De executie van de strafbeschikking geschiedt op basis van art. 257g Wetboek van Strafvordering (Sv) minimaal veertien dagen na toezending van het afschrift van de strafbeschikking, tenzij afstand van verzet is gedaan door vrijwillige voldoening. Voor strafbeschikkingen bestaan geen betekeningvoorschriften. Als geen volledig verhaal heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie de kantonrechter uit het arrondissement waar de bestrafte woont, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen. Op het parket Leeuwarden is de Landelijke strafbeschikkingsofficier werkzaam, die onder meer door het CJIB voorbereide vordering machtiging gijzeling beoordeelt. Na mislukte executie kan de bestrafte alsnog worden gedagvaard.
Ieder ander dan de bestrafte en zijn raadsman kan een afschrift van een strafbeschikking aanvragen bij het OM. De procedure voor dergelijke verstrekkingen is afgestemd met het beleid van de Raad voor de Rechtspraak met betrekking tot het verstrekken van afschriften van vonnissen. De wijze van verstrekking is beschreven in Bijlage 3 : Leidraad informatieverstrekking OM-afdoening.
Een strafbeschikking bevat een schuldvaststelling. Dit houdt in dat geen strafbeschikking wordt uitgevaardigd als niet vastgesteld kan worden dat de verdachte het feit begaan heeft. Daarnaast heeft dit als effect dat de bestrafte die in de strafbeschikking berust, achteraf niet kan beweren dat zijn schuld niet is vastgesteld.
Achtergrond
De ‘ Wet tot Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten ’ (verder: Wet OM-afdoening) 3 maakt het mogelijk dat het OM misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen op een andere wijze af kan doen; het kan deze door het uitvaardigen van een strafbeschikking zelf bestraffen. De kern van de wet is dat de juridische grondslag van de buitengerechtelijke afdoening wordt aangepast. De strafbeschikking strekt niet ter voorkoming van vervolging, zoals bij de transactie het geval is, maar het is een afdoeningsvorm waarin het OM de zaak kan vervolgen en bestraffen. Daarmee komt de strafbeschikking, wat haar karakter betreft, meer overeen met een rechterlijke veroordeling. De strafbeschikking kan zonder tussenkomst van de rechter een executoriale titel opleveren. Het procesinitiatief komt bij de bestrafte te liggen: als hij het niet eens is met de uitgevaardigde strafbeschikking kan hij verzet doen, waarna de zaak in volle omvang door de rechter zal worden beoordeeld. Het OM kan onder meer geldboetes, een taakstraf van maximaal 180 uur, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (verder: OBM) voor ten hoogste zes maanden, een gedragsaanwijzing of een schadevergoedingsmaatregel voor het slachtoffer opleggen. Voorwaardelijke sancties zijn bij strafbeschikking niet mogelijk.
Doordat de Wet OM-afdoening gefaseerd wordt ingevoerd, zal niet direct voor alle misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen een strafbeschikking kunnen worden uitgevaardigd. Ook zullen niet direct alle mogelijke sancties worden opgelegd, in Fase 1a wordt slechts gestart met de kale geldboete. 4 Daarnaast zullen in deze fase opsporingsambtenaren, bestuursorganen, daartoe aangewezen bijzonder opsporingsambtenaren of het bestuur van de Belastingdienst, die op basis van art. 257b en 257ba Sv strafbeschikkingsbevoegdheid kunnen krijgen, nog geen strafbeschikkingen kunnen uitvaardigen.
Deze Aanwijzing treedt in werking gelijk met de Wet OM-afdoening . De Aanwijzing is opgesteld als een groeidocument en wordt periodiek aangepast op basis van de gefaseerde inwerkingtreding van de wet. Deze versie geldt voor Fase 1a van de inwerkingtreding: bij overtredingen van artikel 8 Wegenverkeerswet ( WVW 1994 ), waarbij het mogelijk is dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) namens het OM via de feitgecodeerde lijn een strafbeschikking uitvaardigt, waarbij uitsluitend een kale geldboete wordt opgelegd (zie Bijlage 1 ).
Definities
Strafbeschikking: de beschikking waarin straffen, maatregelen en (gedrags)aanwijzingen opgelegd en gegeven kunnen worden aan plegers van misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen. 5
Bestrafte: degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Verzet: het rechtsmiddel ex art. 257e Sv dat de bestrafte kan instellen als hij het niet eens is met de uitgevaardigde strafbeschikking.
Gijzeling: het dwangmiddel ex 578b Sv waartoe de officier van justitie op verzoek door de kantonrechter tot toepassing kan worden gemachtigd om bestraften – die de hen opgelegde geldboete wel kunnen, maar niet willen betalen – tot betaling te dwingen.
Fasering
De Wet OM-afdoening wordt gefaseerd ingevoerd. Voorlopig zal de transactie naast de strafbeschikking blijven bestaan. Vijf jaar na inwerkingtreding van de wet volgt een evaluatie waarna de transactiemodaliteit mogelijk zal komen te vervallen. Als een zaak voldoet aan de in deze Aanwijzing opgenomen beleidsmatige criteria voor het uitvaardigen van een strafbeschikking kan geen transactie worden aangeboden. (In Bijlage 2b bij deze Aanwijzing zijn de belangrijkste criteria in een stroomschema opgenomen).
De wet biedt door wijziging van art. 2 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) eveneens de mogelijkheid feiten uit de bijlage bij die wet strafrechtelijk af te doen. Van deze mogelijkheid zal in Fase 1a echter nog geen gebruik worden gemaakt.
In Bijlage 1 bij deze Aanwijzing is een schema opgenomen waarin de gefaseerde invoering is uitgewerkt. In dit schema wordt opgenomen vanaf welk moment in welk arrondissement specifieke feiten met een strafbeschikking afgedaan kunnen worden. Hieronder volgen enkele algemene opmerkingen met betrekking tot dit schema:
In Fase 1a wordt begonnen met het uitvaardigen van strafbeschikkingen voor overtredingen van artikel 8 WVW 1994, waarbij het mogelijk is dat het CJIB namens het OM via de feitgecodeerde lijn een strafbeschikking uitvaardigt (zie schema fasering in Bijlage 1 ). In deze fase zullen in de strafbeschikking alleen kale geldboetes worden opgelegd. De Centrale Verwerkingseenheid Openbaar Ministerie (verder: CVOM) verwerkt in deze fase het verzet tegen de strafbeschikking. In Fase 1b kan voor alle geledingen van art. 8 WVW 1994 een strafbeschikking worden uitgevaardigd, daarnaast kan dit in dat faseonderdeel ook geschieden voor art. 30 Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen (verder: WAM). Dan zal ook gewerkt gaan worden met het opleggen van OBM’s. De tweede fase betreft strafbeschikkingen voor feitgecodeerde overtredingen – de OM- en politietransacties uit de ‘Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen’. Het College van procureurs-generaal zal op basis van de evaluatie van de eerste twee fases besluiten of verdere fasering van Fase 3, waarin de rest van de overtredingen en misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat met een strafbeschikking zal kunnen worden afgedaan, wenselijk is.
Als een zaak voldoet aan de beleidsmatige criteria zoals aangegeven in deze Aanwijzing, dient een strafbeschikking te worden uitgevaardigd. Als de zaak niet aan deze criteria voldoet, dient een transactie te worden aangeboden of te worden gedagvaard. Een voorbeeld: wanneer in fase 1a een 8 lid 2 WVW 1994-zaak sprake is van recidive, voldoet deze niet aan de criteria voor het uitvaardigen van een strafbeschikking en dient te worden gedagvaard/een transactieaanbod te volgen. Zie voor een uitgebreide opsomming per feit het schema.
De strafbeschikking is ingebouwd in het Geïntegreerd Processen Systeem (GPS). Dit systeem wordt niet in alle arrondissementen gelijktijdig in werking genomen. In Bijlage 1 zal, zodra hierover definitieve beslissingen zijn genomen, worden aangegeven welk parket op welk moment met GPS en dus met de strafbeschikking zal kunnen gaan werken.
Voor de implementatie van de bestuurlijke strafbeschikking (BSB) en de fiscale strafbeschikking (FSB) is nog geen startdatum bekend. Bij de start van deze strafbeschikkingen zal deze Aanwijzing nader worden aangevuld.
Fasering kan leiden tot verschillende afdoeningsmodaliteiten. In de Memorie van Toelichting is hierop reeds geanticipeerd:
‘De gefaseerde overgang impliceert dat de bepalingen inzake de transactie nog enige tijd naast de regeling van de strafbeschikking zullen blijven bestaan. Gedurende de periode waarin de transactie en de strafbeschikking naast elkaar bestaan, zal de toepassing van beide modaliteiten door richtlijnen nader worden ingevuld. Niet uit te sluiten valt dat gedurende die periode in sommige gevallen eenzelfde gedraging langs beide wegen kan worden afgedaan. In die gevallen is de keuze aan het OM. De gemelde richtlijnen strekken er niet toe, belangen van de verdachte te beschermen, doch faciliteren de overgang van het ene naar het andere systeem; een overgang die noodzakelijkerwijs enige ongelijkheid in behandeling met zich mee brengt. Een verweer met de strekking dat een transactie had moeten worden aangeboden, en dat niet een strafbeschikking had moeten worden uitgevaardigd, heeft dan ook geen kans van slagen.’
Vervolging
Het uitvaardigen van een strafbeschikking is een daad van vervolging. Dit in tegenstelling tot de transactie, die een aanbod tot voorkoming van vervolging bevat.
Een van de doelen van de wetgever met de Wet OM-afdoening is het geven van een wettelijke basis aan het voorwaardelijk sepot. Tegelijkertijd wordt het voorwaardelijk sepot uitgebreid: de beslissing of vervolging plaats moet hebben, kan op grond van art. 167 Sv nieuw voor een bepaalde termijn uit worden gesteld. In tegenstelling tot de huidige situatie zal daarom, indien bij het voorwaardelijk sepot voorwaarden worden gesteld waaraan binnen een gestelde proeftijd moet worden voldaan, nog een nadere beslissing tot (niet-)vervolging moeten volgen.
Voor feiten die met een strafbeschikking kunnen worden afgedaan, kan in bijzondere gevallen voorwaardelijk worden geseponeerd. Van deze mogelijkheid zal bij een feit dat met een strafbeschikking kan worden afgedaan, slechts gebruik moeten worden gemaakt voor de lichte zaken waarin het OM alleen de algemene voorwaarde wil stellen dat de verdachte zich binnen een bepaalde periode niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Na het instellen van verzet door de bestrafte is geen voorwaardelijk sepot meer mogelijk.
De Wet OM-afdoening breidt de vervolgingstermijn voor overtredingen uit van twee naar drie jaar ( art. 70 Wetboek van Strafrecht (Sr) nieuw). De wetgever heeft hiertoe besloten om het CJIB meer tijd te verschaffen de strafbeschikkingen adequaat ten uitvoer te kunnen leggen.
1. Contra-indicaties
De wet benoemt wettelijke uitsluitingsgronden voor het uitvaardigen van een strafbeschikking, zoals voor misdrijven met een maximale strafbedreiging boven zes jaar gevangenisstraf. Voor het uitvaardigen van een strafbeschikking kunnen daarnaast contra-indicaties bestaan. Deze kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:
dwingende contra-indicaties: gevallen waarin het uitvaardigen van een strafbeschikking niet is toegestaan;
facultatieve contra-indicatie; ‘geen strafbeschikking, tenzij..’: voor bijvoorbeeld feiten die beleidsmatig gezien in principe niet in aanmerking komen voor afdoening met een strafbeschikking, maar waarvoor dit wel mogelijk is als het een zeer lichte variant betreft
facultatieve contra-indicatie; ‘strafbeschikking, tenzij..’.: dit betreft feiten die in principe met een strafbeschikking worden afgedaan, maar waarvoor dit in specifieke gevallen niet gewenst is.
Een (niet-limitatief) overzicht van wettelijke uitsluitingsgronden en de contra-indicaties die gelden voor Fase 1a van de inwerkingtreding is te vinden in Bijlage 2a . Hieronder worden de beleidskeuzes omtrent de verschillende contra-indicaties toegelicht:* Wettelijk uitgesloten situaties:
– misdrijven met een maximale strafbedreiging boven zes jaar gevangenisstraf:
Art. 257a lid 1 Sv bepaalt dat strafbeschikkingen slechts mogen worden uitgevaardigd voor misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen.
Feiten die niet vallen onder:
Bestuurders motorrijtuigen (categorie 1): GA 300A t/m D, GA 301A t/m D
Bestuurders vrachtauto’s en bussen (categorie 2): GA 300A t/m C, GA 301A t/m C,
Bromfietsers, snorfietsers, bestuurders gehandicaptenvoertuig met motor (categorie 3): GA 302A, en B, GA 303 A en B
Fietsers en bestuurders gehandicaptenvoertuig zonder motor (categorie 4): GA 304A en C
Beginnend bestuurders categorie 1: GA 305A,en B, GA 306A en B, GA 311A en B, GA 312A en B
Beginnend bestuurders categorie 3: GA 307A t/m C, GA 308A t/m C, GA 309A t/m C, GA 310A t/m C, GA 313A t/m C, GA 314A t/m C
(zie voor uitleg codes Bijlage 1 )
Andere dan deze feiten zijn niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
combinatie met een ander feit dan bovenstaande feitcodes
Niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
geen kale geldboete als sanctie
Niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
recidive
Niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
beslag
Niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
minderjarigen
Niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
militairen
Niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
niet gepleegd in arrondissement Amsterdam of Den Bosch
Niet meegenomen in de scope implementatie Fase 1a van de OM-afdoening
illegale vreemdelingen:
Conform het vreemdelingenbeleid van het Openbaar Ministerie, waarin is bepaald dat illegalen in principe worden gedagvaard. Als dat niet mogelijk is, kunnen zij een geldstransactie of strafbeschikking inhoudende een geldboete opgelegd krijgen, waarna zij na betaling direct moeten worden uitgezet.
asielzoekers:
Slechts als zij zich kunnen legitimeren en een (GBA)-adres hebben waarnaar de strafbeschikking kan worden uitgestuurd, kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.
mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland (zvwp-ers):
Slechts als zij een (GBA-)adres hebben waarnaar de strafbeschikking kan worden uitgestuurd, kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.
politiek- of publicitair gevoelige zaken:
In principe is het uitvaardigen van een strafbeschikking in dergelijke zaken niet mogelijk. Slechts bij hoge uitzondering kan hierop een uitzondering worden gemaakt (bijvoorbeeld een publiek persoon die onder invloed in een auto wordt aangetroffen).
2. Mandatering
Op basis van art. 126 van de Wet op de rechterlijke organisatie (verder: RO) en de artikelen 2 en 3 van het Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket kan de bevoegdheid van de officier van justitie (enkelvoudig) of advocaat-generaal worden gemandateerd aan een andere bij het parket of dienstonderdeel werkzame ambtenaar. Voor het uitvaardigen van een strafbeschikking in eenvoudige zaken kan een administratief juridisch medewerker (AJM’er) worden gemandateerd, op voorwaarde dat hij daarbij een goede en geborgde ondersteuning van een parketsecretaris en/of officier van justitie krijgt. Op basis van art. 126 RO de artikelen 2 en 3 van het Besluit kan de bevoegdheid voor het uitvaardigen van een strafbeschikking eveneens aan een parketsecretaris worden gemandateerd.
3. Verzet
De bestrafte kan tegen de strafbeschikking verzet doen. De verzetstermijn bedraagt twee weken vanaf het moment dat de strafbeschikking aan hem in persoon is uitgereikt of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Dit laatste kan bij toegezonden strafbeschikkingen bijvoorbeeld het geval zijn als de bestrafte de CVOM belt met een vraag over de inhoud van de strafbeschikking en daarbij aangeeft op welk dag hij met de strafbeschikking bekend raakte. (Zie verder onder Executie: 1. Betekeningvoorschriften).
Art. 257e lid 1 Sv bepaalt dat voor strafbeschikkingen inhoudende een boete van maximaal 340 euro voor overtredingen die maximaal vier maanden voor toezending gepleegd, de zogenoemde GBA-fictie geldt. Dit houdt in dat de strafbeschikking altijd uiterlijk zes weken na dagtekening onherroepelijk wordt, ongeacht de gronden van het verzet van de bestrafte.
Bij het verzet moet de bestrafte zijn naam opgeven en dient hij een kopie danwel een nauwkeurige aanduiding van de strafbeschikking te overleggen. Bij het verzet kunnen schriftelijk bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven. Het verzet wordt bij voorkeur schriftelijk gedaan bij het bij de strafbeschikking opgegeven postadres. Het verzet kan ook mondeling worden gedaan bij ieder parket, waarna voor dit parket een doorzendplicht naar de CVOM bestaat.Herbeoordeling
Naar aanleiding van het verzet vindt een herbeoordeling van de zaak plaats. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
als de strafbeschikking door een AJM’er is uitgevaardigd, geschiedt de herbeoordeling door een parketsecretaris (of een officier van justitie);
als de strafbeschikking door een parketsecretaris is uitgevaardigd, wordt deze herbeoordeeld door een officier van justitie;
als de strafbeschikking door een officier van justitie is uitgevaardigd, vindt de herbeoordeling plaats door een andere officier van justitie.
Op basis van de herbeoordeling kan de strafbeschikking worden ingetrokken, gewijzigd of kan besloten worden de bestrafte op te roepen voor de terechtzitting:
bij intrekking is altijd sprake van sepot en wordt een sepotbrief verstuurd;
bij wijziging moet de zaak aan de rechter worden voorgelegd – tenzij de bestrafte aan de gewijzigde strafbeschikking voldoet, waarmee hij afstand van verzet doet of zijn verzet intrekt;
bij oproeping voor de terechtzitting treedt de normale rechterlijke procedure in werking.
Het verzet schort de executie van de strafbeschikking op, tenzij naar het oordeel van het OM vaststaat dat het verzet evident na het verstrijken van de termijn is gedaan. In dat geval mag de executie van de strafbeschikking worden hervat. De zaak moet echter altijd – behalve wanneer de bestrafte zijn verzet alsnog intrekt – ter terechtzitting worden aangebracht.
4. Terechtzitting na verzet of mislukte executie
De wet bepaalt dat indien een zaak na uitvaardigen van een strafbeschikking alsnog voor de rechter wordt gebracht, deze de zaak alsnog integraal beoordeelt. De (procedure van totstandkoming van de) strafbeschikking wordt wel aan het dossier toegevoegd. De rechter dient vooraf de ontvankelijkheid van het verzet te beoordelen.
Hieronder wordt toegelicht hoe de officier dient te handelen in de twee gevallen waarin een zaak na het uitvaardigen van een strafbeschikking alsnog voor de rechter dient te worden gebracht: na verzet en na mislukte executie.
4.1. Eis ter terechtzitting in zaken waarin de bestrafte verzet heeft ingesteld tegen een strafbeschikking
De bestrafte kan tegen de strafbeschikking verzet doen. Naar aanleiding van het verzet vindt een herbeoordeling van de zaak plaats. Op basis van deze herbeoordeling kan de strafbeschikking worden ingetrokken, gewijzigd of kan besloten worden de bestrafte op te roepen voor de terechtzitting. In het laatste geval wordt de zaak verder behandeld als een gewone strafzaak. Aangezien de vervolging is ingeleid door de strafbeschikking, zullen alle op de strafbeschikking toepasselijke stukken worden gevoegd in het strafdossier voor de rechter. In principe zal ter terechtzitting het uitgangspunt voor de strafeis van de officier van justitie de bij strafbeschikking opgelegde straf zijn. Anders dan bij een transactie, dat een aanbod is ter voorkoming van strafvervolging, is door het uitvaardigen van de strafbeschikking de vervolging aangevangen. De bestrafte kan verzet doen, omdat hij het niet eens is met de feitelijke beoordeling van de zaak en/of met de hem opgelegde straf. Het doen van verzet is echter niet geheel vrijblijvend. Als er redenen zijn om aan te nemen dat verzet uitsluitend is gedaan ter uitstel van de executie of om de procesgang te vertragen, kan in beginsel een hogere straf worden gevorderd. Een dergelijke situatie kan voorkomen wanneer de bestrafte in het verzetschrift geen gronden heeft aangegeven en eveneens verstek laat gaan ter terechtzitting, danwel verschijnt maar geen inhoudelijk verweer voert. In deze gevallen kan een tot maximaal 20% hogere straf worden gevorderd. De bestrafte wordt hierop gewezen in de toelichting bij de strafbeschikking. Overigens zal steeds, behalve wanneer het verzet niet ontvankelijk wordt geacht, de vernietiging van de strafbeschikking gevorderd moeten worden. De rechter vernietigt op basis van art. 257f lid 4 Sv de strafbeschikking als hij de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt of als hij de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt.
4.2. Eis ter terechtzitting in zaken waarin de executie van de bij strafbeschikking opgelegde straf (gedeeltelijk) is mislukt
Als de bestrafte geen verzet doet tegen de strafbeschikking, wordt deze onherroepelijk en zal deze ten uitvoer worden gelegd. Wanneer echter deze executie geheel of gedeeltelijk mislukt (bijvoorbeeld omdat de opgelegde geldboete niet of niet volledig is betaald of kan worden verhaald) kan de officier van justitie besluiten de bestrafte te dagvaarden. Alle relevante documenten betreffende het uitvaardigen van de strafbeschikking en de executie van de opgelegde straf zullen deel uitmaken van het strafdossier. In deze gevallen zal bij het formuleren van de strafeis rekening gehouden moeten worden met de geheel of gedeeltelijk ten uitvoer gelegde straf ( art. 354a lid 2 Sv). Zo is het mogelijk dat reeds een deel van de geldboete is betaald of kan het dwangmiddel gijzeling zijn toegepast (ten hoogste zeven dagen per strafbaar feit; art. 578b Sv). Anders dan in de zaken waarin de bestrafte verzet heeft gedaan tegen de strafbeschikking, zal in deze categorie zaken de destijds aan de bestrafte opgelegde straf niet meer als uitgangspunt gelden. In het executietraject is namelijk gebleken dat de tenuitvoerlegging van de bij strafbeschikking opgelegde straf niet mogelijk is gebleken. Er zal dan een andere, zwaardere strafmodaliteit worden geëist. Het aanvankelijk aantal sanctiepunten blijft ongewijzigd, doch zal worden omgerekend naar een hogere of zwaardere strafmodaliteit, waarbij vervolgens rekening gehouden moet worden met de (deels) ten uitvoer gelegde straf of maatregel. Ook zullen in mindering moeten worden gebracht het aantal dagen dat de bestrafte gegijzeld is geweest in de betreffende strafzaak ( art. 27 lid 1 Sr). Concreet: als de in de strafbeschikking opgelegde boete niet wordt betaald of verhaald zal door de officier van justitie geen geldboete maar een taakstraf of vrijheidsstraf worden gevorderd. Ook in deze gevallen zal door de officier vernietiging van de strafbeschikking gevorderd moeten worden. De rechter vernietigt op basis van art. 354a de strafbeschikking als hij de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt. Als de rechter de niet-ontvankelijkheid van het OM uitspreekt, kan hij de strafbeschikking vernietigen.
1. Betekeningvoorschriften
De Wet OM-afdoening kent geen betekeningvoorschriften voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Het OM kan het CJIB desgewenst wel opdracht geven een strafbeschikking te betekenen. Wanneer de bestrafte gedetineerd is, wordt de strafbeschikking niet per gewone post opgestuurd, maar aan hem betekend op het detentieadres.
2. Tenuitvoerlegging
De tenuitvoerlegging van de strafbeschikking geschiedt op basis van art. 257g Sv minimaal veertien dagen na uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking, tenzij afstand van verzet is gedaan door vrijwillige voldoening of schriftelijk in bijzijn van een raadsman.
Als geen volledig verhaal van een strafbeschikking inhoudende een geldboete heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie de kantonrechter uit het arrondissement waar de bestrafte zijn (GBA-)adres heeft, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen. Dit middel mag niet worden ingezet bij bestraften waarvan bekend is dat zij niet kunnen betalen.
Een aantal beslissingen kan middels mandaat volgens door het OM opgestelde kaders door bij het CJIB werkzame onbezoldigde ambtenaren van het OM worden afgedaan.
Op het parket Leeuwarden is de Landelijke strafbeschikkingsofficier werkzaam, die onder meer als taken heeft:
het beoordelen van de door het CJIB voorbereide vordering machtiging gijzeling
toezicht houden op de onbezoldigde ambtenaren bij het CJIB
periodiek overleg met de medewerkers van het CJIB die de gijzeling voorbereiden
Voor een uitgebreide uiteenzetting van het executietraject wordt verwezen naar de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen, geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen en Europese geldelijke sancties.
Informatieverstrekking
Op basis van art. 257h lid 2 Sv kan ieder ander dan de verdachte en zijn raadsman de officier van justitie verzoeken een afschrift van een strafbeschikking te verstrekken. De officier van justitie dient dit verzoek te beoordelen en op basis daarvan het afschrift te verstrekken, geanonimiseerd te verstrekken of niet te verstrekken. Tegen deze twee laatste beslissingen kan de verzoeker een klaagschrift indienen, dat de officier ter kennis van de rechtbank brengt. Uitgangspunt is dat de officier een geanonimiseerd afschrift verstrekt. Een strafbeschikking kan niet gelijk worden gesteld aan een rechterlijk vonnis, maar wordt op sommige punten wel gelijkgesteld aan een rechterlijke veroordeling. Om die reden is op basis van de door de Raad voor de Rechtspraak opgestelde procedure met betrekking tot het verstrekken van afschriften van vonnissen een leidraad voor deze procedure geschreven. Deze Leidraad informatieverstrekking OM-afdoening is te vinden in Bijlage 3 bij deze Aanwijzing.
1. Schuldvaststelling
Een strafbeschikking berust op een schuldvaststelling. Dit betekent dat geen strafbeschikking wordt uitgevaardigd als niet vastgesteld kan worden dat de verdachte het feit heeft begaan. Daarnaast heeft dit als effect dat de bestrafte die in de strafbeschikking berust, achteraf niet kan beweren dat zijn schuld niet is vastgesteld. In de toelichting bij de strafbeschikking is dan ook opgenomen dat de strafbeschikking op een schuldvaststelling berust en dat de bestrafte die het daar niet mee eens is, verzet zal moeten instellen.
2. Ressortsparketten
Nadat een bestrafte verzet heeft ingesteld, treedt de reguliere rechterlijke procedure in werking. Als de bestrafte door de rechter is veroordeeld, kan hij daarvan in hoger beroep gaan bij het gerechtshof. De stukken met betrekking tot de strafbeschikking blijven onderdeel uitmaken van het dossier. Als in een uitzonderlijk geval een bestrafte in persoon verzet komt instellen bij het ressortsparket, heeft ook dit parket een verplichting tot doorzending aan de CVOM.
Strafvordering
Zie tevens de Aanwijzing Kader voor Strafvordering (Polaris-richtlijnen).
Evaluatie
Het College van Procureurs-generaal laat de implementatie van de Wet OM-afdoening elk half jaar evalueren. De evaluatie van deze Aanwijzing zal hiervan onderdeel uitmaken.
Overgangsrecht
De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.