Rechtenmedia.nl - Juridische Online Uitgeverij  Rechtennieuws.nl | Jure.nl | Maxius.nl | Parlis.nl | Rechtenforum.nl | JBmatch.nl | MijnWetten.nl | AdvocatenZoeken.nl | Rechtentotaal.nl
Aanwijzing inzake levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (euthanasie)
Bwb-id:
Officiele titel:
Citeertitel:
Soort regeling:
Wetsfamilies:
Eerst verantwoordelijk ministerie:

Geldigheidsdatum:
Ingangsdatum:
Inhoudsopgave
Achtergrond
Samenvatting
1. Actieve levensbeëindiging op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding)
1.1. De gemeentelijke lijkschouwer
1.2. De rol officier van justitie na melding door de gemeentelijke lijkschouwer
1.3. Regionale toetsingscommissies euthanasie
1.4. Het College van procureurs-generaal
1.4.1. Eindbeslissing: vervolgen
1.4.2. Eindbeslissing: niet vervolgen (zonder voorafgaand GVO).
2. Het instellen van strafrechtelijke vervolging in geval van euthanasie en hulp bij zelfdoding
2.1. Er bestaat twijfel over de uitzichtloosheid of ondraaglijkheid van het lijden
2.2. Er is geen vrijwillig, weloverwogen en duurzaam verzoek
2.3. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de consultatie
2.4. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de uitvoering van de levensbeëindiging
2.5. Arts heeft geen melding gedaan
3. Levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (wilsonbekwamen)
3.1. Melding aan de officier van justitie
3.2. Eindbeslissing: vervolgen
3.3. Eindbeslissing: niet vervolgen (zonder voorafgaand GVO)
Overgangsrecht
Vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature

Juridisch advies nodig?
Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag
Geschiedenis

Geschiedenis-overzicht
Let op. Deze wet is vervallen op 15 maart 2007. U leest nu de tekst die gold op 14 maart 2007.

Aanwijzing inzake levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (euthanasie)

Aanwijzing inzake levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (euthanasie)
Achtergrond
Per 1 april 2002 is de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding van 12 april 2001 in werking getreden (Stb. 2002, 165). Onder de werking van deze nieuwe wet blijft het bieden van hulp bij zelfdoding en het uitvoeren van euthanasie strafbaar, tenzij de betrokken arts een beroep kan doen op de in de wet opgenomen strafuitsluitingsgronden.
Samenvatting
Deze aanwijzing regelt de wijze waarop het openbaar ministerie onder de nieuwe wet omgaat met gevallen van levensbeëindiging op verzoek (hulp bij zelfdoding en euthanasie).
De officier van justitie blijft onder de nieuwe wet gehouden om, óók in gevallen van levensbeëindiging op verzoek, als bevoegde autoriteit te beslissen over het al dan niet afgeven van een verlof tot begraven/verbranding.
In tegenstelling tot de procedure die onder de oude wet gold, worden alleen die zaken waarin de regionale toetsingscommissie voor euthanasie tot het oordeel is gekomen dat de arts niet in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld, ter beoordeling gezonden aan het College van procureurs-generaal. In alle gevallen waarin de toetsingscommissie oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, geldt dat als een eindoordeel, wat betekent dat deze niet (meer) ter kennis worden gebracht aan het openbaar ministerie.
De nieuwe wet heeft betrekking op artsen die levensbeëindiging toepassen èn hiervan melding doen. De in de wet genoemde strafuitsluitingsgronden zijn dus niet van toepassing op artsen die levensbeëindiging toepassen zonder dit te melden en evenmin op euthanasie of hulp bij zelfdoding door niet-medici.
Het gevolg van de wetswijziging is dat het openbaar ministerie, buiten de rol van de officier van justitie bij het geven van verlof tot begraven/verbranden, in beginsel alleen nog betrokken is bij gevallen van euthanasie of hulp bij zelfdoding indien:
de toetsingscommissie zich niet bevoegd acht een oordeel uit te spreken
de toetsingscommissie van oordeel is dat de arts niet zorgvuldig heeft gehandeld
er geen melding is gedaan bij de lijkschouwer en de zaak via een andere weg aan het licht komt (vb. melding door de Inspectie voor de Gezondheidszorg of aangifte door een nabestaande of derde).
Overigens blijft voor de gevallen van actieve levensbeëindiging niet op verzoek de sinds 1 juni 1994 vigerende meldingsprocedure van kracht, die voor de volledigheid in paragraaf 3 kort wordt beschreven.
1.1. De gemeentelijke lijkschouwer
Artikel 10 van de Wet op de Lijkbezorging bepaalt dat, indien de lijkschouwer constateert dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood, de officier van justitie wordt gewaarschuwd. De officier van justitie beslist of er verlof tot begraven kan worden gegeven. Als dat inderdaad het geval is, stuurt de lijkschouwer vervolgens het dossier naar de regionale toetsingscommissie euthanasie. Als deze commissie tot het oordeel komt dat de betrokken arts zorgvuldig heeft gehandeld, dan is daarmee de zaak afgedaan. Indien de toetsingscommissie tot het oordeel komt dat niet is gehandeld conform de zorgvuldigheidscriteria dan wordt de zaak ter kennis gebracht van het College van procureurs-generaal.
De rol van de lijkschouwer:
De betrokken arts waarschuwt de gemeentelijke lijkschouwer die de uitwendige lijkschouw verricht en verifieert hoe en met welke middelen het leven is beëindigd.
De gemeentelijke lijkschouwer neemt van de betrokken arts het modelverslag en daarbij behorende bijlagen in ontvangst.
De gemeentelijke lijkschouwer licht de ambtenaar van de burgerlijke stand in.
Met behulp van het modelformulier bericht de gemeentelijke lijkschouwer de officier van justitie met het oog op de verkrijging van verlof tot begraven/verbranden. De lijkschouwer spreekt hierbij geen oordeel uit over de zorgvuldigheid van de euthanasie of hulp bij zelfdoding door de betrokken arts.
Tenslotte zendt de lijkschouwer de melding van euthanasie of hulp bij zelfdoding naar de toetsingscommissie in zijn regio.
1.2. De rol officier van justitie na melding door de gemeentelijke lijkschouwer
Ook onder de nieuwe wet worden alle gevallen van levensbeëindiging op verzoek door de gemeentelijke lijkschouwer aan de officier van justitie gemeld. Behalve de afgifte van een verlof tot begraven/verbranden leidt deze melding in dit stadium doorgaans niet tot enige interventie van de officier van justitie.
Dit is slechts anders indien er op het moment van de melding al concrete aanwijzingen zijn dat de arts geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt of indien er door een gebrek aan relevante informatie op dat moment in het geheel geen oordeel over het al dan niet bestaan van noodtoestand kan worden gegeven. De officier van justitie kan dan onmiddellijk overgaan tot het instellen van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk vooronderzoek. Doet een dergelijk geval zich voor, dan stelt de betrokken hoofdofficier van justitie het College hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. Na afronding van het onderzoek wordt het College door middel van een ambtsbericht van de resultaten op de hoogte gebracht. (Zie verder paragraaf 1.4.1.)
Indien de officier van justitie meent niet tot de afgifte van een verklaring van geen bezwaar tegen begraving of verbranding te kunnen overgaan, maar vindt dat een strafrechtelijk onderzoek moet worden ingesteld, dan stelt hij de gemeentelijke lijkschouwer en de regionale toetsingscommissie hiervan onverwijld in kennis ( art. 12, laatste volzin van de Wet op de lijkbezorging).
1.3. Regionale toetsingscommissies euthanasie
Er zijn vijf toetsingscommissies, namelijk in Groningen, Arnhem, Haarlem, Rijswijk en ’s-Hertogenbosch. In artikel 3 van de Regeling regionale toetsingscommissies euthanasie (Staatscourant 1998, nr. 101) is terug te vinden welke arrondissementen onder welke commissie vallen.
Elke commissie bestaat uit drie leden; één rechtsgeleerd lid, tevens voorzitter, één arts en één deskundige op het gebied van ethische en zingevingvraagstukken. Artikel 2, eerste lid, van de nieuwe wet bepaalt dat de commissies oordelen, dat er zorgvuldig is gehandeld indien de arts:
a. De overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt,
b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt,
c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten,
d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was,
e. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien vooruitzichten, en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en
f. de levensbeëindiging medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.
Onder de nieuwe wet is de bevoegdheid van de toetsingscommissies verruimd. De regionale toetsingscommissies zijn onder de werking van de nieuwe wet ook bevoegd te oordelen over meldingen van euthanasie of hulp bij zelfdoding bij minderjarige patiënten in de leeftijd van 12-18 jaar. Hiervoor gelden, naast de reguliere vereisten voor hulp bij zelfdoding en euthanasie, de aanvullende eisen genoemd in de leden 2, 3 en 4 van artikel 2 van de nieuwe wet. Artikel 2 lid 2 bepaalt dat indien de patiënt zestien jaren of ouder is en niet langer in staat is zijn wil te uiten, maar voordat hij in die staat geraakte tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat werd geacht, een schriftelijke verklaring, inhoudende een verzoek om levensbeëindiging heeft afgelegd, dan kan een arts aan dit verzoek gevolg geven. De arts kan eveneens ingaan op het verzoek tot levensbeëindiging van een minderjarige patiënt van zestien en zeventien jaar oud, mits de ouder(s)/voogd in de besluitvorming is/zijn betrokken ( artikel 2 lid 3). Voor minderjarigen tussen de twaalf en zestien jaar oud geldt dat de arts gevolg kan geven aan een verzoek tot levensbeëindiging indien de ouder(s)/voogd zich met de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding kan/kunnen verenigen ( artikel 2 lid 4).
De toetsingscommissie brengt binnen zes weken na ontvangst van de melding (verlenging met nog eens zes weken is mogelijk) haar gemotiveerde oordeel schriftelijk ter kennis van de arts. Indien de toetsingscommissie tot het oordeel zorgvuldig komt, is daarmee de zaak afgedaan. Als de toetsingscommissie het handelen van de arts niet in overeenstemming acht met de zorgvuldigheidseisen, dan wordt dit oordeel samen met een kopie van het dossier naar het College van procureurs-generaal gestuurd. Indien de toetsingscommissie zich onbevoegd verklaart, wordt het dossier rechtstreeks naar de hoofdofficier van justitie gestuurd.
De regionale toetsingscommissie is verplicht aan de officier van justitie desgevraagd alle inlichtingen te verstrekken, die deze nodig heeft ter beoordeling van het handelen van de arts ingeval de commissie tot het oordeel niet zorgvuldig komt. Van het verstrekken van inlichtingen aan de officier van justitie doet de toetsingscommissie mededeling aan de arts.
1.4. Het College van procureurs-generaal
Het College van procureurs-generaal ontvangt onder de werking van de nieuwe wet alleen de zaken van de toetsingscommissies, waarin de commissie zich onbevoegd acht of waarin de arts naar het oordeel van de commissie niet zorgvuldig heeft gehandeld.
De zaken waarin de toetsingcommissie zich onbevoegd heeft verklaard worden rechtstreeks naar de hoofdofficier van justitie gestuurd. De hoofdofficier kan een strafrechtelijk onderzoek instellen. De zaak dient op grond van de Handleiding behandeling gevoelige zaken gemeld te worden bij het College. Vervolgens stuurt de hoofdofficier een ambtsbericht naar het College. De zaak wordt (inclusief ambtsbericht en advies van bestuurlijke juridische zaken) besproken in de Collegevergadering.
Indien de toetsingscommissie tot het oordeel komt dat de arts niet conform de zorgvuldigheidseisen heeft gehandeld wordt de zaak (voorzien van een advies van bestuurlijke juridische zaken) besproken in de Collegevergadering. Indien op voorhand duidelijk is dat het voor de beoordeling van de zaak noodzakelijk is om inlichtingen en advies te vragen aan de hoofdofficier van justitie, dan kan het College van procureurs-generaal, daartoe besluiten.
Indien de procureur-generaal dan wel het College besluit dat er ambtsbericht moet worden opgevraagd dan wordt de hoofdofficier verzocht om binnen een termijn van zes weken te reageren. Het advies van de hoofdofficier wordt vervolgens besproken in de Collegevergadering.
Gelijktijdig met het verzoek om ambtsbericht verzendt het College een tussenbericht aan de betrokken arts.
1.4.1. Eindbeslissing: vervolgen
Luidt de tussenbeslissing van het College van procureurs-generaal, dat het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek geëigend is, dan brengt het College de betrokken hoofdofficier binnen twee weken schriftelijk op de hoogte van deze beslissing, met het verzoek daaraan uitvoering te geven.
Na voltooiing van het gerechtelijke vooronderzoek wordt de zaak door de hoofdofficier van justitie opnieuw met een ambtsbericht aan het College aangeboden. Het gerechtelijke vooronderzoek wordt niet gesloten alvorens het College een beslissing betreffende de afdoening (schriftelijk) aan de hoofdofficier van justitie heeft kenbaar gemaakt. Het College neemt een voorgenomen besluit over het al dan niet verder vervolgen. De minister van Justitie dient ook met deze beslissing in te stemmen na bespreking in de Overlegvergadering.
Luidt de eindbeslissing na een gerechtelijk vooronderzoek dat de arts niet verder wordt vervolgd, dan brengt het College de betrokken hoofdofficier hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte. De hoofdofficier doet, na sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek, een kennisgeving van niet verdere vervolging aan de arts uitgaan.
Luidt de eindbeslissing dat de arts wel verder dient te worden vervolgd, dan stelt het College de betrokken hoofdofficier hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis. De hoofdofficier doet een kennisgeving van verdere vervolging of een dagvaarding uitgaan. De hoofdofficier houdt het College op de hoogte van het verdere verloop van het strafproces.
Het College informeert de betrokken toetsingscommissie over de beslissing om al dan niet vervolging in te stellen.
1.4.2. Eindbeslissing: niet vervolgen (zonder voorafgaand GVO).
Luidt de eindbeslissing van College, waarmee de minister van Justitie heeft ingestemd, dat een sepot is geïndiceerd, dan bericht het College de betrokken arts binnen twee weken dat geen vervolging zal worden ingesteld en de zaak in strafrechtelijke zin is afgedaan. Het College zendt een afschrift van dit bericht aan de hoofdofficier van het parket waar ambtsbericht werd ingewonnen en aan de betrokken toetsingscommissie.
Indien het College, met instemming van de minister van Justitie besluit dat de zaak voorwaardelijk wordt geseponeerd of dat er een sepotgesprek dient plaats te vinden, dan wordt de hoofdofficier hiervan zo spoedig mogelijk (schriftelijk) op de hoogte gesteld met het verzoek om aan deze beslissing uitvoering te geven.
2. Het instellen van strafrechtelijke vervolging in geval van euthanasie en hulp bij zelfdoding
Op grond van de nieuwe wet is alleen die arts straffeloos, die op zorgvuldige wijze levensbeëindiging toepast èn zijn handelen meldt, opdat hij hierover verantwoording aflegt. Bij ontdekking dat de arts levensbeëindigend heeft gehandeld zonder hiervan melding te maken, kan het vermoeden van schuld ontstaan aan overtreding van de artikelen 293 en 294 Wetboek van Strafrecht.
2.1. Er bestaat twijfel over de uitzichtloosheid of ondraaglijkheid van het lijden
Komt de toetsingscommissie tot het oordeel dat er onzorgvuldig is gehandeld omdat er geen sprake was van uitzichtloos en/of ondraaglijk lijden, althans dat het bestaan hebben daarvan niet boven enige twijfel is verheven, dan is in beginsel strafrechtelijk vervolging geïndiceerd. Deze zorgvuldigheidseis is van zo wezenlijk belang, dat indien getwijfeld wordt of er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, de arts onmiddellijk een strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt.
Indien de commissie niet kon vaststellen of er sprake was van uitzichtloos en/of ondraaglijk lijden, doordat er geen consultatie heeft plaatsgevonden of de verslaglegging door de arts gebrekkig was, dan ligt strafrechtelijke vervolging in beginsel eveneens in de rede. Objectief gezien kan er in die gevallen dus wel sprake zijn geweest van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, maar dat is achteraf niet te herleiden. Een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk vooronderzoek is geïndiceerd, opdat de rechter deze zorgvuldigheidseisen kan toetsen.
2.2. Er is geen vrijwillig, weloverwogen en duurzaam verzoek
Indien er (een vermoeden bestaat dat) geen verzoek is gedaan tot levensbeëindiging, dan wordt de zaak door lijkschouwer direct onder de aandacht van de hoofdofficier van justitie gebracht. In dergelijke zaken zal de toetsingscommissie zich onbevoegd verklaren. De hoofdofficier stuurt de zaak, voorzien van een ambtsbericht, naar het College van procureurs-generaal. (zie paragraaf 1.4)
2.3. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de consultatie
De toetsingscommissie kan tot het oordeel komen dat de arts niet zorgvuldig heeft gehandeld, omdat de euthanaserend arts niet ten minste één andere onafhankelijke arts heeft geraadpleegd. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat onder omstandigheden het achterwege blijven van de consultatie door een andere arts niet aan een beroep op noodtoestand in de weg hoeft te staan (NJ 1989,391). Die situatie kan zich voordoen indien, ondanks het ontbreken van een oordeel van een geconsulteerde arts, toch een zuiver oordeel valt te geven over het bestaan hebben van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt. Er is dan, ondanks het oordeel van de toetsingscommissie dat er niet zorgvuldig is gehandeld, geen reden om vervolging in te stellen. Een (sepot)gesprek met de officier van justitie, waarin de arts wordt gewezen op de gebreken in zijn handelen, is in zo’n geval op zijn plaats.
Als er door het ontbreken van de consultatie onvoldoende vast komt te staan dat sprake is geweest van uitzichtloos en ondraaglijk lijden en dus de beoordeling van de vraag of de arts een beroep op noodtoestand toekomt niet goed mogelijk is, dient in beginsel over te worden gegaan tot het instellen van strafechtelijke vervolging.
2.4. Onzorgvuldig handelen ten aanzien van de uitvoering van de levensbeëindiging
De arts dient bij de uitvoering van de levensbeëindiging aanwezig te blijven totdat de patiënt is overleden. Bovendien dient de arts gebruik te maken van zogenaamde euthanatica. Indien de commissie tot het oordeel komt dat de arts niet zorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de uitvoering, dan behoeft dit een beroep op noodtoestand niet in de weg te staan. De tijd speelt hier een rol voor de beoordeling van de noodtoestand. Van noodtoestand moet sprake zijn vóór het moment dat de arts de levensbeëindiging toepast, dan wel de middelen aan de patiënt overhandigt.
In het algemeen geldt dat bij gebreken in het handelen van de arts met betrekking tot de uitvoering de strafrechtelijke relevantie hiervan gering is. Het is dan gewenst dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg optreedt.
2.5. Arts heeft geen melding gedaan
In beginsel is de euthanasiewet niet van toepassing op gevallen van actieve levensbeëindiging op verzoek waarin de arts geen melding heeft gedaan. Als echter blijkt dat de arts op het melden na aan alle voorwaarden (zorgvuldigheidseisen) heeft voldaan, kan vervolging worden overwogen ter zake van het misdrijf van artikel 228 Wetboek van Strafrecht (valsheid in geschrifte) in verband met het valselijk opmaken van een overlijdensverklaring, of van overtreding van art. 81, eerste onderdeel, van de Wet op de lijkbezorging, betreffende het opmaken van een valse overlijdensverklaring en/of het achterwege laten van een beredeneerd verslag.
3. Levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek (wilsonbekwamen)
Voor gevallen van levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek, blijft de thans vigerende meldingsprocedure van kracht. Als het besluit van 19 november 1997 op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip in werking treedt, blijft het besluit van 17 december 1993 van kracht voor die gevallen waarvan sprake is van actieve levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek.
Ontbreekt een verzoek tot levensbeëindiging (bijvoorbeeld bij neonaten, minderjarigen onder de twaalf jaar of comateuze patiënten die niet tevoren een schriftelijke wilsverklaring hebben ondertekend) dan is de regionale toetsingscommissie euthanasie niet bevoegd een oordeel te geven. De toetsingscommissie is ook niet bevoegd in de gevallen waarin de wilsbepaling van de patiënt gestoord kan zijn geweest als gevolg van een psychische of psychiatrische stoornis. Te denken valt aan geestelijke gehandicapten of demente patiënten geen wilsverklaring hebben opgemaakt toen ze nog wilsbekwaam waren. In deze gevallen is de oude meldingsprocedure van toepassing en stuurt de gemeentelijke lijkschouwer de melding rechtstreeks naar de officier van justitie.
3.1. Melding aan de officier van justitie
Indien er sprake is van actieve levensbeëindiging van een wilsonbekwame, dan meldt de gemeentelijke lijkschouwer dit aan de officier van justitie en indien nodig kan onmiddellijk tot opsporing en/of vervolging worden overgegaan.
De hoofdofficier van justitie zendt het dossier, voorzien van een ambtsbericht, rechtstreeks naar het College van procureurs-generaal. Indien de hoofdofficier van justitie al in dit stadium van oordeel is dat een deskundig oordeel over bepaalde medische aspecten van de zaak noodzakelijk is, verzoekt de hoofdofficier om advies bij de Inspecteur voor de Gezondheidszorg.
Vervolgens wordt het dossier naar het College gezonden. De zaak wordt in de Collegevergadering besproken en het voorgenomen besluit met betrekking tot het al dan niet vervolgen wordt besproken in de Overlegvergadering.
3.2. Eindbeslissing: vervolgen
De procedure is vanaf hier identiek aan die procedure geschetst onder paragraaf 1.4.1.
3.3. Eindbeslissing: niet vervolgen (zonder voorafgaand GVO)
De procedure is vanaf hier identiek aan die procedure geschetst onder paragraaf 1.4.2.
Overgangsrecht
Deze aanwijzing is van toepassing op alle gevallen van euthanasie en hulp bij zelfdoding die door tussenkomst van de regionale toetsingscommissies ter kennis van het openbaar ministerie zijn gekomen op of na 1 april 2002.